Waterschapswetten

Nota Peilbeleid 2023

Wetterskip Fryslân · geldt sinds 20 februari 2023

Bijlage 1 – Wet- en regelgeving, beleid peilbesluiten

Deze bijlage beschrijft het beleid en de wet- en regelgeving dat gezamenlijk het kader vormt voor het peilbeleid. Het betreft een opsomming van het generieke beleid en wet- en regelgeving zowel nationaal, provinciaal als van het waterschap. De hoofdstukken 3 en 4 gaan nader in op beleid en wet- en regelgeving met betrekking tot specifieke onderwerpen. Het gaat dan om wettelijke eisen en beleidsuitgangspunten die van belang zijn bij het beoordelen van een voorgenomen peilwijziging. Dit sectorale beleid staat in de paragraaf over het onderwerp (of in een bijlage) beschreven, zodat de informatie per onderwerp zoveel mogelijk bij elkaar staat.

In het tweede deel van deze bijlage maken we duidelijk welke beleidsdocumenten, plannen en besluiten Wetterskip Fryslân kent met betrekking tot peilbeleid en peilbeheer. Ook geven we aan wat de samenhang tussen die documenten is.

Nationaal beleid

Waterwet

De Waterwet is eind 2009 in werking getreden en regelt het beheer van watersystemen, waaronder waterkeringen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van de kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Artikel 5.2 van de Waterwet gaat in op het peilbesluit. De provincie wijst in haar provinciale waterverordening aan voor welke gebieden het waterschap een peilbesluit vast moet stellen. In een peilbesluit worden de waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren vastgesteld, die gedurende de daarbij aangegeven periode zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Het betreft een inspanningsverplichting.

Provinciaal Beleid

Waterverordening provincie Fryslân

In de waterverordening wijst de provincie aan voor welke gebieden het waterschap verplicht is een peilbesluit op te stellen. Deze verplichting geldt niet voor vrij afstromende gebieden zonder aanvoer.

In de waterverordening geeft de provincie ook aan waar een peilbesluit tenminste aan moet voldoen:

•Een kaart met de begrenzing van het gebied waarop het peilbesluit betrekking heeft;

•Een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen:

1De aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken;

2Een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden t.o.v. de bestaande situatie;

3Een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen;

4Een omschrijving van hoe de waterstanden zich verhouden tot het voor het betreffende gebied vastgestelde gewenste peilbeheer.

Voor extreme omstandigheden geeft de waterverordening de regionale verdringingsreeks (watertekort) en de normen voor wateroverlast waaraan het watersysteem moet voldoen weer.

Regionaal Waterprogramma 2022 – 2027 (provincie Fryslân)

Het Regionaal Waterprogramma (RWP) is een Omgevingsprogramma met beleidskaders en uitwerkingen voor het provinciale waterbeheer en klimaatadaptatie. De Omgevingswet verplicht provincies tot het opstellen van een RWP. Het is een uitwerking van de Friese Omgevingsvisie ‘De Romte Diele’, waarbij deze visie op hoofdlijnen wordt aangevuld met een detaillering van het beleid. Het RWP is kaderstellend.

Eén van de ambities in het RWP is een vitaal en veerkrachtig watersysteem. De ambitie is dat Fryslân in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Met ‘robuust’ wordt bedoeld dat de waterhuishoudkundige inrichting van gebieden ook zonder acuut menselijk ingrijpen bestand is tegen extreme gebeurtenissen als extreem natte omstandigheden of juist extreme droogte. ‘Klimaatbestendig’ betekent dat de waterhuishoudkundige inrichting van gebieden de waterbeheerder in staat stelt om voor, tijdens en na extreme weersomstandigheden (nat, droog, overstroming). De gewenste toestand te behouden of te herstellen. Zowel door technische als door ruimtelijke maatregelen zijn en blijven we in staat om weersextremen op te vangen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan reserveringszones of functiewijzigingen.

Duurzaam Peilbeheer

We willen niet teveel en niet te weinig water voor landbouw, industrie, recreatie, natuur en drinkwatervoorziening en een goede verdeling tussen stedelijk en landelijk gebied. Middels het peilbeheer probeert Wetterskip Fryslân de juiste grondwatercondities te creëren voor het betreffende grondgebruik. Met het oog op de toekomst willen we dat het peilbeheer klimaatbestendig is. In de tweede helft van de vorige eeuw is de waterbeheersing via ruilverkavelingen en waterbeheersingsplannen voornamelijk gericht geweest op het afvoeren van (regen)water. Het afvoeren van neerslag is belangrijk om droge voeten te houden in onze provincie. In verband met de klimaatverandering (drogere zomers) dient waterconservering echter ook deel uit te maken van het peilbeheer. Voor met name de Waddeneilanden en de hogere zandgronden in het oosten van de provincie Fryslân is dit van evident belang. Daarin dient een goede balans te worden gevonden tussen droogteschade en natschade. Ook dient bij de optimalisatie van het peilbeheer rekening gehouden te worden met onze doelen voor het verminderen van de veenafbraak en tegengaan van verzilting.

Bij het nemen van een peilbesluit weegt Wetterskip Fryslân de verschillende functies en belangen onderling af en toetst het watersysteem aan actuele beleidsopgaven. Wanneer in het kader van die afweging en/of toetsing aanpassingen aan het watersysteem nodig blijken, kan tot een peilaanpassing worden besloten, uitgaande van natuurlijke omstandigheden (zoals bodem- en grondwatercondities) en mogelijkheden van combinaties ruimtegebruik en functiecombinaties. Daarbij houdt het waterschap rekening met onderstaande regionale uitgangspunten. Grondgebruikers die geconfronteerd gaan worden met beperkingen, zullen voldoende tijd moeten hebben om zich hierop voor te bereiden door bijvoorbeeld hun bedrijfsvoering aan te passen. Hier wordt een redelijke termijn aan verbonden.

Voor de uitvoering van het peilbeleid geven wij voor de verschillende regio’s kaders mee :

•Zandgebieden: accent op maatregelen waterconservering en vasthouden van vrij afstromend water. Voor de zandgebieden zonder wateraanvoer dient het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR) te worden vastgesteld. Hiermee

krijgt het grondwater in deze gebieden extra aandacht. Het waterschap zorgt ervoor dat het GGOR wordt vastgelegd in een Watergebiedsplan of een andere vorm van gebiedsplannen.

•Waddeneilanden: nadruk op maatregelen waterconservering en vergroten van de zoetwatervoorraad. De zoetwaterbellen op de Waddeneilanden zijn namelijk kwetsbaar door klimaatverandering. Voor de vrij afstromende delen op de Waddeneilanden wordt eveneens het GGOR vastgesteld;

•Noordelijk kust- en zeekleigebied: Door zeespiegelstijging en klimaatverandering (toename verdamping) nemen de problemen met verzilting in het Noordelijk Zeekleigebied toe. Ook landinwaarts zal het zoutgehalte van het grondwater toenemen en door een extra verdamping zal ook het zoet-zout grensvlak in de percelen omhoog komen. De verzilting van (grond)water kan in de toekomst een bedreiging vormen voor de hoogwaardige akkerbouw en tuinbouw in dit gebied. Daarom is het peilbeheer gericht op het vertragen van verzilting en het niet meer toestaan van peilverlagingen. In plaats van peilverlaging zien we andere oplossingsrichtingen, zoals aanpassingen in de ontwatering (drainage) en (on)mogelijkheden van gewaskeuze op lage percelen die door bodemdaling een te geringe drooglegging krijgen.

•Veenweidegebied: In de tweede helft van de vorige eeuw werd diepontwatering gepromoot door de Rijksoverheid. De draagkracht van de bodem werd hierdoor groter, waardoor het land kon worden bewerkt met zwaardere landbouwmachines. Door de minder natte omstandigheden in het veengebied werd ook de grasproductie groter. Diepe peilen in het veenweidegebied hebben echter tot nadeel dat de veenafbraak en daarmee de maaivelddaling wordt versneld. Maaivelddaling in veengebied heeft negatieve gevolgen voor allerhande aspecten, zoals uitstoot van het broeikasgas CO2, verdroging van de natuur, voedselrijkdom van het oppervlaktewater door uitspoeling van nutriënten, en verzakking van wegen en rioleringen en aantasting van kwetsbare funderingen. Het peilbeheer in het veengebied is daarom mede gericht op het vertragen van oxidatie van het veenpakket. Minder veenafbraak draagt bij aan het verminderen van deze negatieve effecten. Uitgangspunt voor het peilbeleid is het Veenweideprogramma 2021 – 2030.

•Peilbeheer binnen de begrenzing van het Nationaal Natuurnetwerk: bij landbouwpercelen die binnen de begrenzing van natuur vallen maar nog niet aangekocht zijn wordt uitgegaan van handhaving van de bestaande drooglegging (“stand still” beleid). Peilverhogingen ten behoeve van de natuurfunctie, die tot vernatting van niet verworven landbouwgronden leiden zijn niet toegestaan, tenzij voorzien is in afdoende nadeelcompensatie. Peilverlagingen zijn eveneens niet toegestaan, ook niet ter compensatie van eventueel opgetreden maaivelddaling.

•Zones rondom natuurgebieden: peilverlagingen en peilaanpassingen in de nabijheid van natuurgebieden, kunnen tot een toename van verdroging leiden. Waar dit het geval is zijn peilverlagingen niet toegestaan als deze leiden tot een drooglegging groter dan 60 cm. In de planperiode van het Regionaal Waterprogramma wordt een analyse uitgevoerd naar de omvang van de genoemde zones.

Wetterskip Fryslân voert het operationeel peilbeheer uit. Bovengenoemde kaders vormen daarbij het vertrekpunt.

Omgevingsverordening provincie Groningen

De waterverordening van de provincie Groningen maakt onderdeel uit van de Omgevingsverordening van de provincie Groningen. Hierin wordt gesteld dat het waterschap in ieder geval het peil vast stelt voor de onder het beheer van het waterschap staande:

•Boezem;

•Waterstaatkundige eenheden die geheel of gedeeltelijk de bestemming natuur hebben of waarin gronden liggen die grenzen aan een natuurgebied;

•Andere door Gedeputeerde Staten aan te wijzen waterstaatkundige eenheden.

Wat betreft de inhoud van een peilbesluit noemt de verordening de punten 1 tot en met 3 zoals in de waterverordening van de provincie Fryslân.

Omgevingsvisie 2016-2020 (provincie Groningen)

De omgevingsvisie bevat de integrale langetermijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. Het waterhuishoudingsplan (verplichting vanuit de Waterwet) maakt integraal onderdeel uit van de Omgevingsvisie. De omgevingsvisie is een kaderstellend document voor de uitwerking van het beleid op deelterreinen door de provincie zelf en door gemeenten en waterschappen. Twee van de elf provinciale belangen in de omgevingsvisie hebben betrekking op het waterschapswerk: ‘Waterveiligheid’ en ‘Schoon en voldoende water’.

Voor de regionale watersystemen bepaalt de provincie de normen en helpt de provincie (o.a. door ruimte te reserveren) de waterschappen bij het behalen van de doelstellingen. De normen voor wateroverlast staan in de Omgevingsverordening.

De provincie wil gebieden aanwijzen waar het watersysteem meer leidend is bij het toekennen van de functie. Dit is onder meer het geval bij laaggelegen gebieden die gevoelig zijn voor wateroverlast en waar waterrobuust gebouwd moet worden. Deze liggen ook in het Westerkwartier, wat deels valt binnen het beheergebied van Wetterskip Fryslân.

Veenweideprogramma 2021-2030 – Foarút mei de FryskeFeangreiden

In mei 2021 is het Veenweideprogramma 2021-2030 aangenomen door Provinciale Staten Fryslân en het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân. In het programma staat hoe we de omgaan met de uitdagingen waar we in het veenweidegebied de komende jaren mee te maken krijgen. De ambitie voor de lange termijn (2050) is een blijvend evenwicht, waarin veenafbraak, bodemdaling en CO2-uitstoot nagenoeg zijn gestopt. De kwaliteit van landschap en natuur zijn verbeterd. Funderingen worden niet verder aangetast. Ook de leefbaarheid en vitaliteit staan op en hoog peil; de landbouw heeft zich aangepast aan de veranderende omstandigheden en recreatie en toerisme hebben zich verder ontwikkeld.

Om deze ambitie te kunnen halen zijn voor de periode tot 2030 de volgende veenweidedoelen geformuleerd:

•De negatieve effecten van bodemdaling zijn verminderd (gemiddeld 0,2 cm minder per jaar, daarnaast het beperken en compenseren van negatieve effecten);

•De uitstoot van broeikasgassen is met 0,4 ton megaton CO2 equivalenten per jaar afgenomen;

•De landbouw heeft een duurzaam toekomstperspectief;

•Het watersysteem is waterrobuust en klimaatbestendig ingericht.

De maatregelen en acties die nodig zijn om invulling te geven aan deze doelen koppelen we zoveel mogelijk aan andere doelen, zoals biodiversiteit, duurzame energie, vermindering stikstofdepositie en waterkwaliteit. Op die manier is meerwaarde te behalen en kunnen we zaken in een gebied in een keer aanpakken.

Om de ambitie te kunnen halen is een gemiddelde verhoging van het grondwaterpeil in het veenweidegebied nodig. Voor gebieden met een veenpakket van meer dan 80 cm zonder kleidek of met een kleidek van maximaal 40 cm is het streven om de grondwaterstand gemiddeld 40 cm onder het maaiveld te brengen. Er worden gebiedsprocessen opgestart om per gebied tot maatwerk te komen om deze gemiddelde gewenste grondwaterstand te behalen.

Waterschapsbeleid

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het Waterbeheerprogramma is een doorvertaling van de provinciale omgevingsvisie en het bijbehorend regionaal waterprogramma (RWP). In het waterbeheerprogramma worden drie ontwikkelingen onderkend die het werk van het waterschap in de nabije en verre toekomst raken:

•De verandering van het klimaat;

•De verstoring van de ecologie;

•De veranderende relatie tussen overheid en samenleving.

Het waterbeheer van nu zal in de toekomst ontoereikend zijn om aan de doelstellingen te voldoen. Om genoemde ontwikkelingen het hoofd te kunne bieden, moeten we ons beheer en onze werkwijzen aanpassen.

Voldoende water

Voor de opgave voldoende water is het overkoepelende doel dat we met het oog op de toekomst willen dat het peilbeheer en de inrichting van het watersysteem klimaatbestendig zijn. Dat betekent dat:

•We zorgen dat de peilen in het oppervlaktewater de best mogelijke grondwatercondities leveren voor de verschillende gebruiksfuncties;

•Het watersysteem wateroverlast bij extreme regenval moet tegengaan en schade en overlast zoveel mogelijk moet beperken;

•Het watersysteem water moet vasthouden en zo een watervoorraad moet kunnen vormen om watertekort en schade bij langere perioden met de droogte te voorkomen;

•Het peilbeheer moet zorgen voor het verminderen van veenafbraak en het tegengaan en het tegengaan van verzilting en verdroging van natuur;

•We met ons peilbeheer en de inrichting van ons watersysteem de grondwatervoorraden op peil houden. Er moet een balans zijn tissen het watergebruik en de watervoorraad;

•We de waterinfrastructuur zo in stand houden dat deze geen belemmeringen heeft voor aan- en afvoer van water voor het peilbeheer, het gebruik als vaarweg en de waterkwaliteit.

Voldoende zoet water

Net als een groot deel van Nederland, is ons beheergebied voor de toevoer van oppervlaktewater afhankelijk van het IJsselmeer. Wetterskip Fryslân is een grote watervrager. Het grootste deel van het water is nodig voor peilhandhaving, maar ook voor doorspoeling van de Friese boezem voor verziltingsbestrijding en de ecologische waterkwaliteit. Daarnaast is de doorvoer van IJsselmeerwater naar provincie Groningen van groot belang voor de zoetwatervoorziening van waterschap Noorderzijlvest. Door klimaatverandering, morfologische veranderingen in het rivierensysteem en de verzilting van het IJsselmeer krijgen we in de toekomst vaker te maken met het korten op de inlaathoeveelheden uit het IJsselmeer. Tegelijkertijd zorgt klimaatverandering voor een toenemende behoefte aan zoetwater voor peilhandhaving in de boezem en in de polders. De behoefte aan zoetwater groeit terwijl de ‘leveringszekerheid’ vanuit het IJsselmeer afneemt. We willen in de toekomst minder afhankelijk zijn van het IJsselmeer. Die beleidsopgave maakt de urgentie groter om te zorgen voor balans in de zoetwatervoorraden binnen het systeem van oppervlaktewater en grondwater.

De komende planperiode gaan we op meer structurele en programmatische wijze inzetten op waterconservering op de zandgronden en de Waddeneiland. Deze zijn extra kwetsbaar voor droogte. Een groot deel van dit gebied heeft namelijk geen mogelijkheden voor wateraanvoer en is geheel afhankelijk van neerslag.

Goed peilbeheer

Peilbeheer

Met peilbeheer proberen we de juiste grondwatercondities te creëren voor grondgebruik. Voor het gehele beheergebied hebben we peilbesluiten vastgesteld. De peilen per gebied liggen vast en zijn door iedereen te raadplegen. Een uitzondering hierop zijn de vrij afstromende zandgebieden waar geen wateraanvoer mogelijk is. Hiervoor leggen we alleen een stuwstand vast. Zeker in een droge zomer kunnen we in deze gebieden namelijk geen vaste peilen handhaven. Voor de zandgebieden zonder wateraanvoer dient het gewenste grond- en oppervlaktewater regime (GGOR) te worden vastgesteld. Hiermee krijgt het grondwater in deze gebieden extra aandacht. In de zandgebieden en op de Waddeneilanden ligt het accent van peilbeheer op waterconservering en het vasthouden van vrij afstromend water.

De verzilting van (grond)water kan in de toekomst een bedreiging vormen voor de hoogwaardige akkerbouw en tuinbouw in het noordelijk zeekleigebied. Daarom geeft de provincie in haar regionaal waterprogramma het volgende kader mee voor het peilbeheer in dit gebied: het peilbeheer is gericht op het vertragen van verzilting en het niet meer toestaan van peilverlagingen. We moeten kijken naar andere oplossingsrichtingen, zoals aanpassingen in de ontwatering (drainage) en (on)mogelijkheden van gewaskeuze op lage percelen die door bodemdaling een te geringe drooglegging krijgen.

Het peilbeheer in het veengebied is gericht op het vertragen van oxidatie van het veenpakket. Minder veenafbraak draagt bij aan het verminderen van deze negatieve effecten. Uitgangspunt voor het peilbeleid is het Veenweideprogramma 2021 – 2030. In 2022 en 2026 vinden herijkingen van dat veenweideprogramma plaats.

In 2021 is het revisiepeilbesluit Friese boezem vastgesteld. Hierbij is aandacht besteed aan benutting van de bandbreedte ter ondersteuning van landbouw en natuur. De eerstvolgende revisie is gepland over 10 jaar. Tussentijds vindt op basis van dit nieuwe peilbesluit wel evaluatie plaats van het peilbeheer.

Voor landbouwpercelen die binnen de begrenzing van het natuurnetwerk Nederland vallen maar nog niet zijn aangekocht, is handhaving van de bestaande drooglegging uitgangspunt (‘stand still’ beleid). Peilverhogingen ten behoeve van de natuurfunctie die tot vernatting van deze landbouwgronden leiden, zijn niet toegestaan. Tenzij is voorzien in afdoende nadeelcompensatie. Peilverlagingen zijn eveneens niet toegestaan, ook niet ter compensatie van eventueel opgetreden maaivelddaling.

In zones rondom natuurgebieden kunnen peilverlagingen en peilaanpassingen leiden tot een toename van verdroging. In die situaties zijn peilverlagingen niet toegestaan als deze leiden tot een drooglegging groter dan 60 cm. In de planperiode van het regionaal waterprogramma voeren we een onderzoek uit naar de omvang van de genoemde zones.

Doelrealisaties

We willen kunnen beoordelen in hoeverre de peilen in het oppervlaktewater de juiste grondwatercondities leveren voor de verschillende gebruiksfuncties. Daarom werken we volgens de landelijke methode van ‘doelrealisaties’. Daarmee kunnen we meten of de grondwaterstanden goed zijn afgestemd op het betreffende grondgebruik. Vanaf een doelrealisatie van 70% voldoen de grondwatercondities goed aan de eisen van de betreffende functie. Boven de 90% doelrealisatie bedienen we de betreffende functie optimaal. In gebieden waar verschillende functies of autonome ontwikkelingen conflicteren met het bereiken van de goede doelrealisatie, maken we een afweging in het gewenste peilbeheer.

In het kader van de integrale watersysteemrapportage (IWSR) zijn deze doelrealisaties in 2012 in beeld gebracht. In onze provincie heeft 93% van het areaal landbouwgronden een goede of optimale doelrealisatie (groter dan 70%). Met de doelrealisatie voor natuur is het minder goed gesteld. In 53% van het areaal grondwaterafhankelijk natuurgebied is de doelrealisatie slecht of matig (doelrealisatie lager dan 70%). In de planperiode actualiseren we de uitgangspunten voor peilbesluiten in de richtlijn peilbeheer. Om de doelrealisatie in natuur te verbeteren heeft de provincie kaders meegegeven in het regionaal waterprogramma (zie Peilbeheer hierboven) en richten we ons op water vasthouden en het uitvoeren van de maatregelen uit de watergebiedsplannen.

Beheermaatregel dreigend watertekort

In droge perioden kan de grondwaterstand zakken. Door een vochttekort in de bodem kan schade aan landbouwgewassen, natuur en kwetsbare gebouwen ontstaan. Met het opzetten van waterpeilen kunnen we het zakken van grondwaterstanden zoveel mogelijk voorkomen of een bijdrage leveren aan het herstellen van de grondwaterstanden. Het hoog houden van de peilen heeft weliswaar een kleine invloed op de grondwaterpeilen, maar is het enige dat we als waterschap kunnen doen. Daarnaast kunnen we met het opzetten van de waterpeilen water bufferen. We willen daarom onder extreme omstandigheden af kunnen wijken van de peilbesluiten. Voor droogte doen we dit met de beheermaatregel (dreigend) watertekort. De beheermaatregel geeft de mogelijkheid om de oppervlaktewaterpeilen op te zetten tot 0,40 m onder het maaiveld van het laagste perceel in een peilvak. De beheermaatregel is niet van toepassing op de Friese boezem en bij bebouwing.

Maalbeperking

In extreme situaties kunnen boezemwaterstanden blijven oplopen. In dat geval kunnen we een maalbeperking voor poldergemalen instellen. De polders houden het water dan vast. Het gevolg is minder belasting van de boezem. De inzet van de maalbeperking is een effectieve manier om hoge waterstanden op de boezem te voorkomen. Tot nu toe is de ervaring dat het inzetten van de maalbeperking niet leidt tot grootschalige wateroverlast in de polders. Wel kunnen tijdelijke verhoogde waterstanden optreden in bemalen of gestuwde peilvakken. In toekomstige, meer extreme situaties kan er wel meer wateroverlast optreden in de polders. De inzet van maalbeperking werken we in de periode 2023 - 2024 uit. Daarbij houden we rekening met de uitkomsten van de boezemverkenning.

Waterschapsverordening

In de Waterschapsverordening van het waterschap staan de gebods- en verbodsbepalingen voor de waterhuishouding. Dit zijn de regels waar iedere ingeland zich aan moet houden of rekening mee moet houden. De regels zijn ter bescherming van bijvoorbeeld dijken, watergangen, kades, gemalen, sluizen en stuwen. Ook grondwater, bergingsgebieden en het waterpeil worden beschermd door de regels in de Waterschapsverordening. Het is verboden om zonder toestemming van het waterschap af te wijken van het vastgestelde waterpeil. Toestemming kan op verschillende manieren worden verleend. Daarop gaat hoofdstuk 5 van deze Nota verder in.

Legger waterlopen en kunstwerken

De legger geeft aan wat de vereiste situatie van waterstaatswerken is. Ook staat er wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van de waterstaatswerken. In de beleidsregels integrale legger is vastgelegd hoe de onderhoudsplicht voor peilregulerende kunstwerken geregeld is.

Toekomstbestendig Waterbeheer (TBW): Bouwstenen voor een klimaatbestendig waterbeheer; een visie op de gewenste aanpak tot 2050.

Klimaatveranderingen zorgen er voor dat het huidige watersysteem steeds minder goed gaat functioneren. Hoge zandgronden worden steeds droger, het lage midden steeds natter en het noordelijk kleigebied steeds zouter. Om het huidige voorzieningenniveau te kunnen handhaven zijn steeds meer technische maatregelen nodig, waardoor het watersysteem steeds afhankelijker wordt van menselijk ingrijpen. Het watersysteem wordt minder robuust en de technische aanpassingen hebben toenemende kosten tot gevolg. Toenemende kosten om te voldoen aan de wensen van de grondgebruikers is aanleiding geweest om te starten met een verkenning om te komen tot een lange termijn visie op het gewenste waterbeheer. In tweede instantie is aan de verkenning toegevoegd dat klimaatbestendigheid leidend dient te zijn bij de afwegingen voor toekomstbestendig waterbeheer. De Visie TBW geeft voor een aantal onderdelen van het waterbeheer duidelijkheid over de weg die het waterschap in wil slaan de komende decennia om voorbereid te zijn op verwachte ontwikkelingen. Voor peilbesluiten is de vraag vanuit TBW of het peilbesluit bijdraagt aan een klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig, ecologisch verantwoord en kosteneffectief watersysteem. Onderstaande tabel geeft een uitleg van de verschillende begrippen.

Begrip

Toelichting

Klimaatbestendig

De waterhuishoudkundige inrichting van gebieden is geschikt om toekomstige veranderingen van het klimaat te kunnen opvangen.

Robuust

De waterhuishoudkundige inrichting van gebieden is ook zonder acuut menselijk ingrijpen bestand tegen extreme gebeurtenissen als extreem natte omstandigheden of juist extreme droogte. Ook is sprake van een lange levensduur van objecten.

Veerkrachtig

De waterhuishoudkundige inrichting van gebieden stelt de waterbeheerder in staat om na extreme weersomstandigheden (nat, droog, overstroming) de gewenste toestand zonder grote inspanningen te herstellen.

Ecologisch verantwoord

De watersystemen hebben een inrichting en waterkwaliteit met geschikte leefomstandigheden voor planten en dieren.

Kosteneffectief

Bij waterschapsobjecten: de te leveren diensten door het waterschap worden geleverd met voldoende kwaliteit en tegen zo laag mogelijke kosten.

Bij grondgebruiksfuncties (landbouw, natuur, wonen): de toename in baten voor de grondgebruiker staan in een juiste verhouding tot de extra kosten voor het waterbeheer.

Tabel 5. Overzicht begrippen toekomstbestendig waterbeheer

De in de visie geformuleerde maatregelen zijn voor een groot deel in overeenstemming met bestaand beleid en betreffen een nadere uitwerking en concretisering. Er zijn een beperkt aantal maatregelen geformuleerd die aanvullend zijn op bestaand beleid en daarom zullen worden opgenomen in het vast te stellen nieuwe Waterbeheerplan 2022-2027. Na vaststelling van de TBW-visie is niet een afzonderlijk uitvoeringsplan TBW opgesteld. Uit de TBW-visie voortvloeiende maatregelen worden geïntegreerd in de gebiedsprocessen waar Wetterskip Fryslân aan werkt. Daarbij worden maatregelen vanuit de TBW-visie en bijvoorbeeld KRW en veenweide integraal met de belanghebbenden in het gebied opgepakt om zodoende te komen tot een gedragen en klimaatbestendig gebiedsplan. De TBW-visie is één van de bouwstenen.

Voor peilwijzigingen zijn de onderwerpen en keuzes die te maken hebben met de inrichting van de deelsystemen van belang. Ook de wateraanvoer op de hoge zandgronden kan van belang zijn bij peilwijzigingen. Voor de verschillende onderwerpen zijn visies en/of maatregelen benoemd. Een verdere toelichting op de maatregelen is te vinden in de TBW-visie.

Bijlage 2 – Factsheet Peilbeheer

De uitgangspunten voor het operationeel peilbeheer.

Type watersysteem

Wateraanvoer

Waterafvoer

Peilbeheer

Peilbesluit

Boezem of in open verbinding (afwaterend zonder kunstwerk) met de boezem.

Er is het reguliere stelsel van meren, kanalen en vaarten. Daarnaast vallen ook zomerpolders en de beheerste boezem onder de Friese boezem. Wateraanvoer, waterafvoer en peilbeheer zijn afhankelijk van het type gebied. Dit staat verder uitgewerkt in het peilbesluit voor de Friese boezem.

Het peilbesluit voor de Friese boezem.

Vrij afstromend (op de boezem) en zonder wateraanvoer

Regenwater en kwel

Via stuw, betonplaat, stuwende duiker/duiker op hoogte

Het is niet mogelijk actief peilbeheer uit te voeren. Onder normale omstandigheden zal er vlak voor de stuw water in de sloot staan door nalevering uit het grondwater. In drogere omstandigheden zakt de waterstand onder de stuwhoogte. Er zijn ook infiltratiegebieden waar vrijwel nooit water in de sloot staat, daar is geen sprake van nalevering uit het grondwater.

Geen peilbesluit.

Stuwhoogte wordt informerend als punt opgenomen in stuwstandenkaart.

Vrij afstromend (op de boezem) en met wateraanvoer

Opmaling of inlaat en regenwater/kwel

Via stuw, betonplaat, stuwende duiker/duiker op hoogte

Waterbeheer is mogelijk in watergangen tussen het aan- en afvoerende kunstwerk waarvan de bodem onder het vastgestelde peil ligt. In andere delen van het gebied is, met toenemende afstand tot de hoofdwatergang, het waterschap niet in staat actief een peil te handhaven. Dit komt door het oplopen van maaiveld en slootbodems. Het aangevoerde water weet deze haarvaten van het gebied niet te bereiken.

Op de kaart bij het peilbesluit geven we aan welke hoofdwatergangen onder invloed staan van een aan- en afvoerend kunstwerk (lijn). Het peil geldt allen voor deze watergangen.

Bemalen gebieden (onder of boven boezempeil)

In de meeste gevallen via inlaat en regenwater/ kwel.

Gemaal

Onder normale omstandigheden is het waterschap in staat om het vastgestelde peil binnen het peilgebied te handhaven. Wel is het zo dat met het toenemen van de afstand tot het gemaal sprake is van verhang. In grote peilgebieden kan het waterpeil daardoor achter in het peilgebied afwijken van het peil in het peilbesluit. Dit is inherent aan hoe dergelijke peilgebieden functioneren.

In bemalen gebieden geldt het waterpeil voor het hele peilgebied, we leggen het peilbeheer hier vlakdekkend vast (vlak).

Tabel 6. Typen watersysteem en mogelijkheden peil te beheren

Afvoerkunstwerk

Beschrijving

Vast peil

Vast kunstwerk

Door het vaste kunstwerk is het niet mogelijk om te anticiperen op weersomstandigheden. We leggen daarom in het peilbesluit geen beheermarge vast.

Beweegbaar kunstwerk

We streven er naar het waterpeil het hele jaar constant te houden met zo min mogelijk fluctuatie. Omdat er een beweegbaar kunstwerk is kunnen we anticiperen op de weersomstandigheden, hiervoor wordt een beheermarge vastgelegd. Wanneer deze afwijkt van de standaard beheermarge dan leggen we dit vast in het peilbesluit.

Zomer- en winterpeil

Beweegbaar kunstwerk

In deze peilgebieden wordt in de zomer een ander oppervlaktewaterpeil nagestreefd dan in de winter. Het waterpeil is seizoensgebonden. De oppervlaktewaterpeilen worden gedurende het seizoen gehanteerd als een vast peil met beheermarge. Binnen een seizoensgebonden peil is het mogelijk om te anticiperen op de weersomstandigheden, hiervoor wordt een beheermarge vastgelegd. Wanneer deze afwijkt van de standaard beheermarge dan leggen we dit vast in het peilbesluit.

Flexibel peil

Vast of beweegbaar kunstwerk

Het waterpeil mag fluctueren binnen vastgestelde grenzen. We stellen een boven- en ondergrens vast. De reden van fluctuaties binnen de grenzen kan per geval verschillen. De beheermarge bij flexibel peil ligt tussen de vastgestelde boven- en ondergrens.

Tabel 7. Typen peilbeheer

Met uitzondering van het boezempeil ronden we alle vast te stellen waterpeilen af op 5 centimeter.

Instellen peil, bij afvoerpunt

Het waterschap is er verantwoordelijk voor dat de peilen uit het peilbesluit worden gehandhaafd. Voor alle vastgestelde peilen in het beheergebied heeft het waterschap een inspanningsverplichting om deze peilen onder normale omstandigheden zo goed mogelijk te handhaven.

Het beheer van het oppervlaktewaterpeil wordt uitgevoerd door (rayon)beheerders. Het peil dat is vastgelegd in een peilbesluit is het gewenste oppervlaktewaterpeil. Het gewenste oppervlaktewaterpeil meten we bij het afvoerpunt. Omdat er door verschil in afvoer, begroeiing van watergangen en dergelijke vaak een verhanglijn in de watergangen optreedt is het onmogelijk om altijd overal in het peilgebied het vastgestelde oppervlaktewaterpeil te handhaven. Voor het sturen van het oppervlaktewaterpeil hanteren we de volgende uitgangspunten:

Gemaal

Het inslagpeil is gelijk aan het vastgestelde oppervlaktewaterpeil. Het gemaal gaat aan wanneer het waterpeil hoger wordt dan het vastgestelde oppervlaktewaterpeil. In de praktijk wordt bepaald hoever het uitslagpeil lager ligt dan het inslagpeil. Dit is onder andere afhankelijk van de grootte van het bemalingsgebied en de hydraulische karakteristieken van het watersysteem.

Opmaling

Het inslagpeil is gelijk aan het vastgestelde oppervlaktewaterpeil. Dit komt er op neer dat het gemaal begint te draaien wanneer het waterpeil in het opmalingsgebied lager wordt dan het gewenste oppervlaktewaterpeil.

Beweegbare stuw

In principe wordt de stuw zo ingesteld dat het waterpeil direct voor de stuw gelijk is aan het vastgestelde peil. Afhankelijk van de hoeveelheid afvoer kan een stuw hoger of lager worden ingesteld om het peil zo goed mogelijk te handhaven.

Tabel 8. Instellen peil per type kunstwerk.

Beheermarges

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de standaard marges rond het vastgestelde waterpeil in de verschillende gebieden. Wanneer hier in een bepaald gebied van wordt afgeweken, dan staat dit vermeld in het betreffende peilbesluit.

Gebied

Beheermarge

Boven

Onder

Gemaal

10

10

Beweegbare stuw

10

5

Vaste stuw

0

0

Tabel 9. Beheermarges

Overgang zomer- naar winterpeil en andersom

De overgang van zomer- naar winterpeil en van winter- naar zomerpeil vindt, al naar gelang de weersomstandigheden en het verloop van de grondwaterstanden, in het algemeen en naar oordeel van het waterschap plaats in de periode:

•zomer- naar winterpeil: 1 september tot en met 1 november

•winter- naar zomerpeil: 1 februari tot en met 1 april

Afwijkingen van deze termijnen voor een bepaald gebied nemen we expliciet op in het peilbesluit.

Beheermaatregel (dreigend) watertekort

Wanneer een watertekort dreigt of sprake is van een watertekort kan de beheerder van dienst besluiten dat de beheermaatregel (dreigend) watertekort van kracht wordt. Dit geeft de mogelijkheid om in peilgebieden het waterpeil te verhogen tot een drooglegging van minimaal 40 centimeter op het laagste punt. In de beheermaatregel staat beschreven onder welke omstandigheden de beheermaatregel van kracht mag worden verklaard. Met het opzetten van de waterpeilen kunnen we de grondwaterstand positief beïnvloeden en een waterbuffer creëren. Wanneer het langdurig droog blijft kan de Verdringingsreeks van kracht worden. In dat geval gaat deze boven de beheermaatregel. Er wordt dan op regionaal niveau besloten welke functies wel/niet nog worden voorzien van water.

Eigendom, beheer en onderhoud van peilregulerende kunstwerken

Op grond van de Waterwet is het waterschap verantwoordelijk voor het peilbeheer. Met behulp van peilregulerende kunstwerken stelt het waterschap de peilen in zoals deze in het peilbesluit zijn vastgesteld. Met de peilregulerende kunstwerken kunnen we het water aanvoeren, afvoeren, vasthouden of bergen. Bij wie de peilregulerende kunstwerken in eigendom, beheer en onderhoud zijn is met name afhankelijk van het ‘belang’. In de Beleidsregels Integrale Legger zijn de uitgangspunten vastgelegd. In de Legger wordt de onderhoudsplicht voor waterstaatswerken vastgelegd.

Beheer peilregulerende kunstwerken

Het waterschap is te allen tijde verantwoordelijk voor het peilbeheer. Het waterschap kan afspraken maken met derden over de daadwerkelijke uitvoer van het peilbeheer. In dat geval bedienen derden de peilregulerende kunstwerken en handhaven zij de vastgestelde of vergunde waterpeilen. Omdat het waterschap verantwoordelijk en aansprakelijk blijft voor het voldoen aan de vastgestelde of vergunde waterpeilen, blijven we hierop controleren. Het peilbeheer – en daarmee de bediening van peilregulerende kunstwerken – vindt plaats onder voorwaarden van het waterschap. Afspraken over de uitvoering van het peilbeheer leggen we vast in een overeenkomst of een watervergunning. Bij bemalingen waar sprake is van een individueel belang wordt het bedienen van de kunstwerken uitgevoerd door derden.

In bestaande situaties vindt overdracht van het peilbeheer aan grondgebruikers alleen plaats op basis van vrijwilligheid. Het peilbeheer door grondgebruikers kan strijdig zijn met het streven naar robuuste systemen en minder afhankelijkheid van waterinlaat. Het waterschap moet daarom eisen kunnen stellen aan de mate van lozen en onttrekken van oppervlaktewater aan het hoofdwatersysteem. Het waterschap blijft eindverantwoordelijke voor het peilbeheer en moet daarom altijd de mogelijkheid houden om in te grijpen in het peilbeheer, bijvoorbeeld in geval van extreme omstandigheden of wanneer er sprake is van onwenselijke situaties. Zo verminderen we het risico op onbeheersbare situaties.

Bijlage 3 – Factsheet Gewenst Peilbeheer

In de watergebiedsplannen heeft het waterschap met gewenst peilbeheer (dit is de uitwerking van het gewenste grond- en oppervlaktewater regime (GGOR)) beoordeeld in hoeverre de actuele peilen goed zijn afgestemd op de eisen die functies stellen aan het waterpeil. Gewenst peilbeheer is gericht op het uitvoeren van het peilbeheer onder normale (weers)omstandigheden. Het gaat er bij gewenst peilbeheer om het peilbeheer zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de door provincies vastgestelde functies op de functiekaart en op het voorkomen van negatieve effecten voor natuurgebieden, bebouwing en landbouw. Daar waar knelpunten zijn gesignaleerd is sprake van een opgave voor gewenst peilbeheer. Er zijn in de watergebiedsplannen verschillende methoden gebruikt om het gewenst peilbeheer per functie te analyseren. Enkele gebruikte methoden staan hieronder beschreven.

Landbouw

Methode 1: droogleggingsanalyse

De drooglegging (zie figuur) is het verschil tussen het maaiveldniveau en het waterpeil in de aangrenzende watergang. Deze afstand zegt iets over het feit of de situatie te nat of te droog is. In de winterperiode is vooral van belang dat het peil niet te hoog komt waardoor natschade op kan treden. Voor de zomerperiode is vooral van belang dat de vochtvoorziening voldoende op peil blijft en de drooglegging niet te groot is, waardoor mogelijk droogteschade kan worden voorkomen. Inzicht in de opbolling van de grondwaterstand is nodig om te kunnen bepalen of de drooglegging representatief is. De opbolling is groter naarmate er sprake is van meer kwel, slechte doorlatendheid van de bodem (of storende lagen) en grotere onderlinge afstand van watergangen.

Voor de winterperiode geldt dat er een knelpunt is als de situatie te nat is. Dit doet zich voor als (Toets 1) voor het gemiddeld maaiveldniveau (50%) binnen een peilgebied de drooglegging minder is dan 0,8 m (voor zand- of veengronden) of 0,9 m (voor kleigronden) of als voor (Toets 2) de 10% laagste gronden binnen een peilgebied de drooglegging minder is dan 0,5 m (voor zand- of veengronden) of 0,7 m (voor kleigronden).

Voor zomerperiode geldt dat er een knelpunt is ten aanzien van gewenst peilbeheer als de drooglegging groter is dan nodig voor de landbouw en de bodem uit veen bestaat. Dit leidt tot onnodige oxidatie en daling van het veen. Voor deze situaties is het veenweideprogramma van toepassing; in het watergebiedsplan is dit niet getoetst.

Het verschil tussen maaiveld en slootpeil is niet altijd een maat voor de werkelijke situatie in de ondergrond. Door waterdichte lagen, kwel, aanwezigheid van drainage of verstoringen in de ondergrond kan er sprake zijn van afwijkingen. Na de droogleggingsanalyse zijn er daarom gesprekken gevoerd met de rayonbeheerders, waarbij voor elk knelpunt is nagegaan of dit werkelijk een knelpunt is. Knelpunten die in de praktijk niet worden herkend zijn daarbij verwijderd. De volgende knelpunten zijn daarom vervallen:

•Op plaatsen waar een hoogwatercircuit aanwezig is, is de situatie niet relevant uit oogpunt van landbouw, hier is het juist de bedoeling dat een hoog waterpeil in stand wordt gehouden ter voorkoming van zettingen en paalrot met schade aan funderingen en gebouwen als gevolg;

•Als de aanpassing van het peil minder is dan 10 cm wordt er geen maatregel voorgesteld omdat dit een te kleine aanpassing is.

Methode 2: drooglegging en beheerdersoordeel

In bemalen en vrij afstromende gebieden is het watersysteem voor de functie landbouw getoetst op drooglegging. Verschil is dat bij bemalen gebieden gekeken is naar de drooglegging van het gehele peilgebied en bij vrij afstromende, gestuwde gebieden alleen naar de laagste gebiedsdelen die onder directe invloed liggen van een stuw. Alleen hier kan het peil van oppervlaktewater direct door het waterschap worden geregeld. Het overige deel van de vrij afstromende gebieden is in het algemeen hoog gelegen en relatief droog. Er zijn veel sloten die droogvallen. Toch bevinden zich ook op deze hoge gebiedsdelen lokale laagtes, waar de drooglegging niet overal optimaal is en waar zich in natte perioden water verzamelt. De sturingsmogelijkheden van het waterschap zijn hier beperkt.

Voor de toetsing op de drooglegging zijn alle landbouwpercelen onderverdeeld in 3 categorieën: gras, mais en akkerbouw.

Voor deze drie vormen van grondgebruik zijn de volgende droogleggingsnormen aangehouden:

•gras: De optimale drooglegging ligt tussen 0,5 m en 1,10 m.

•mais: De optimale drooglegging ligt tussen 0,60 m en 1,20 m.

•akkerbouw: De optimale drooglegging ligt tussen 0,70 m en 1,30 m.

Een locatie is als knelpunt beschouwd als meer dan 10% van een peilgebied een drooglegging heeft die buiten deze bandbreedte valt.

Het theoretisch verschil tussen maaiveld en slootpeil is niet altijd een maat voor de werkelijke situatie in de ondergrond. Door de aanwezigheid van onder andere waterdichte lagen, kwel, drainage of verstoringen in de ondergrond kan er sprake zijn van afwijkingen waardoor de opbolling, en daarmee de ontwateringsdiepte, groter of kleiner is dan op basis van de grondsoort mag worden verwacht. De resultaten van de droogleggingsanalyse zijn daarom besproken met de beheerders van het waterschap om te toetsen of de gesignaleerde knelpunten kloppen en in de praktijk worden herkend.

Methode 3: doelrealisatie

De toetsing heeft plaats gevonden door de landbouwdoelrealisatie te berekenen en te controleren aan de hand van drooglegging en ervaring in de praktijk (o.a. van rayonbeheerders). De doelrealisatie geeft per locatie aan wat de actuele gewasopbrengst is ten opzichte van de theoretisch haalbare gewasopbrengst in de optimale situatie. Om de doelrealisatie van landbouw te bepalen wordt van de theoretisch optimaal haalbare gewasopbrengst (100%) de som van het percentage nat- en droogteschade afgetrokken. Bij 80% of meer doelrealisatie zijn de omstandigheden voor landbouw goed. Is de doelrealisatie minder dan 70% dan is er ruimte voor verbetering. De nat- en droogteschade wordt berekend op basis van de GHG en de GLG van het gebied in combinatie met de bodemsoort.

Droogteschade wordt over het algemeen niet als probleem ervaren voor de functie landbouw. Daar waar het waterpeil te hoog is en de doelrealisatie minder dan 70% is, is dat opgenomen als opgave gewenst peilbeheer.

Meer informatie over de doelrealisatie staat in bijlage 5.

Natuur

Methode 1: inventarisatie en toets doelrealisatie

Knelpunten op het gebied van gewenst peilbeheer in natuur zijn in geïnventariseerd in werksessies met de natuurbeheerders. In tweede instantie is er een analyse uitgevoerd waarbij is nagegaan in hoeverre de grondwaterstanden in het gebied overeenkomen met de vereisten van de natuurdoeltypen in het gebied. Hierbij is per natuurgebied een toetsing uitgevoerd waarbij is bepaald in hoeverre de doelrealisatie wordt gerealiseerd voor de kritische doelsoorten

2De provincie heeft in overleg met de beheerders de natuurdoelen voor elk natuurgebied bepaald. Dit is vastgelegd in het provinciaal Natuurbeheerplan. Ook het type beheer van de natuurgebieden wordt beschreven. Dit bepaalt de financiële bijdrage van de provincie.Voor het watergebiedsplan zijn de natuurdoelen getoetst die afhankelijk zijn van natte omstandigheden. Probleem daarbij is dat voor de natuurdoelen en de beheertypen niet is aangegeven wat de ideale hydrologische omstandigheden zijn. Daarom zijn de beheertypen vertaald naar natuurdoeltypen, een oudere indeling van natuur waarvoor de waterhuishoudkundige eisen wel bekend zijn.

.

Methode 2: Verloop grondwaterstand en inventarisatie

Knelpunten op het gebied van het gewenste peilbeheer in gebieden met de functie natuur zijn bepaald door middel van berekeningen én op basis van het beheerdersoordeel van terreinbeheerders en beheerders van het waterschap. De provincie geeft de natuurdoelen aan voor elk natuurgebied door middel van beheertypen. Voor watergebiedsplan Linde zijn beheertypen uit het Natuurbeheerplan 2014 gebruikt. De beheertypen die in hoge mate afhankelijk zijn van het grondwaterregime zijn rekenkundig getoetst. Dat is gebeurd op basis van een karakteristiek verloop van de grondwaterstand. Aan de hand daarvan zijn de ontwikkelkansen voor natuur bepaald. Naast het verloop van de grondwaterstand zijn er andere factoren die de kansen voor natuur bepalen zoals zuurgraad en voedselrijkdom. Voor de minder kritische natuur is een dergelijke toetsing niet mogelijk. Het gaat dan om kleine natuurgebieden met grondwaterafhankelijke natuur en waardevolle landschapselementen als pingo ruïnes en poelen. Eventuele knelpunten voor die natuurgebieden zijn naar voren gekomen in de gesprekken met de natuurterreinbeheerders en de beheerders van het waterschap.

De resultaten van de rekenkundige toetsing zijn besproken met de beheerders van de natuurterreinen Staatsbosbeheer en Vereniging It Fryske Gea. Uit het overleg met de terreinbeheerders zijn ook knelpunten gekomen die niet uit de rekenkundige toetsing zijn gekomen.

Er zijn drie typen knelpunten te onderscheiden voor het gewenste peilbeheer natuur:

1In een aantal grondwaterafhankelijke natuurgebieden is momenteel het waterbeheer niet goed genoeg afgestemd op de natuur.

2Verspreid in het gebied liggen meerdere kleine natuurgebieden die te kampen hebben met verdroging door watergangen die door of aangrenzend aan deze natuurgebieden lopen. Deze hebben ten behoeve van landbouwkundige ontwatering een laag waterpeil of – in hellend gebied – diepe afmetingen.

3Het plangebied van watergebiedsplan Linde is onderdeel van een regionaal grondwatersysteem: van hogere gronden vanuit Overijssel en Drenthe naar de laaglandbeek de Linde, met daartussenin de flanken. In het beekdal en – oorspronkelijk ook – op de flanken komen veel kwelsituaties voor, met specifieke kansen voor kwel minnende natuur. Het huidige watersysteem heeft vooral op de flanken tot gevolg dat kwel wordt afgevangen en versneld wordt afgevoerd. Dit is de oorzaak van de zogenaamde regionale verdroging van natuur.

Bebouwing en infrastructuur in landelijk gebied

Voor bebouwde percelen en infrastructuur (zoals wegen en rail) in het landelijke gebied wordt in beginsel niet onderzocht of de waterpeilen aansluiten bij de gebruiksfunctie (doelrealisatie). De actuele situatie wordt in beginsel gelijk gesteld aan de gewenste situatie (= Gewenst Peilbeheer).

In onderstaande situaties wordt van deze werkwijze afgeweken en moet worden onderzocht of het waterpeil rondom het bebouwde perceel kan worden verbeterd:

•Bij bestaande knelpunten die worden aangedragen door gemeenten, ingelanden en het waterschap.

•Als bij verspreide bebouwing en wegen sprake is van knelpunten in de wateraan- en -afvoer, dan wordt bij het bepalen van de verbeteringsmaatregel eveneens onderzocht of het waterpeil verbeterd kan worden.

•Als in het landelijke gebied peilaanpassingen voor landbouw en natuur worden voorgesteld, dan worden de effecten voor bebouwing en wegen eveneens in beeld gebracht. Als er sprake is van negatieve effecten op bebouwing en/of wegen, dan wordt onderzocht of mitigerende maatregelen mogelijk zijn. Eveneens wordt onderzocht of het waterpeil rondom bebouwing en wegen verbeterd kan worden.

•In veengebieden en klei- op veengebieden wordt altijd onderzocht of de waterpeilen rondom de bebouwde percelen voldoen aan het waterschapsbeleid om zo hoog mogelijke peilen te handhaven in hoogwatercircuits. Is dit niet het geval, dan wordt onderzocht of het waterpeil rondom het bebouwde perceel verbeterd kan worden.

•Als in deze situatie blijkt dat een afweging moet plaatsvinden tussen enerzijds de functie bebouwing en anderzijds de functie landbouw of natuur, dan wordt er in eerste instantie geen gewenst peilbeheer vastgelegd voor de desbetreffende peilgebieden. Dit wordt vastgesteld direct nadat het lange termijnperspectief voor hoogwatercircuits in de veenweidegebieden is ontwikkeld.

Bebouwing en infrastructuur in stedelijk gebied

In bebouwd gebied bepalen we het gewenste peilbeheer op basis van de benodigde drooglegging voor bebouwing en infrastructuur. Het is belangrijk bij het bepalen van de drooglegging ook rekening te houden met voorzieningen zoals overstorten, zodat deze niet onder water komen te staan. Voor drooglegging hanteren we de volgende uitgangspunten:

•Verharding: 0,70 m

•Woningen zonder kruipruimte: 0,70 m (vanaf de (te realiseren) bovenkant vloer)

•Woningen met kruipruimte 1,10 m (vanaf de (te realiseren) bovenkant vloer)

De exacte benodigde drooglegging is maatwerk. Wetterskip Fryslân heeft hierin enkel een adviserende rol. De gemeente is formeel gezien de verantwoordelijke organisatie voor het toetsen aan bouweisen.

Hoogwatervoorzieningen

In hoogwatercircuits worden zo hoog mogelijke peilen gehandhaafd, tenzij er geen sprake is van kwetsbare panden in de directe omgeving. De gebruiker van de aangrenzende percelen mag in de aan de hoogwatersloten grenzende stroken geen werkzaamheden verrichten die de daling van het maaiveld ter plaatse kunnen versnellen.

Bijlage 4 – Factsheet Doelrealisatie

Landbouw

Voor landbouw is het waterpeil gericht op goede productieomstandigheden, dit is gerelateerd aan de doelrealisatie. Dit is de mate waarin de grondwaterstand overeenkomt met de eisen vanuit een bepaalde gebruiksfunctie. Daarbij gaan we er van uit dat:

•100% de maximale (theoretische) gewasopbrengst is, er is in dat geval geen enkele sprake van nat- en/of droogteschade.

•100% doelrealisatie alleen wordt bereikt onder optimale hydrologische omstandigheden. De bodemkwaliteit speelt hierbij geen rol.

•100% doelrealisatie op een veenbodem een andere opbrengst geeft dan 100% doelrealisatie op een kleibodem.

Onder veldomstandigheden wordt 100% doelrealisatie zelden gehaald. De minimale norm voor doelrealisatie is 70%. Bij de beoordeling van de doelrealisatie is een weloverwogen keuze voor het te toetsen grondgebruik/gewas van belang. Gras stelt bijvoorbeeld andere eisen aan de ideale groeiomstandigheden dan verschillende vormen van akkerbouw. Met het vaststellen van de watergebiedsplannen is ook een gebiedsnormenkaart vastgelegd. Daarop staat aangegeven van welk gebruik het waterschap uitgaat bij haar beoordeling van het watersysteem, bijvoorbeeld grasland of akkerbouw. Een agrariër kan er voor kiezen om bijvoorbeeld aardappels te telen op een perceel dat de gebiedsnorm grasland heeft gekregen. De inrichting van het watersysteem wordt echter afgestemd op de functie grasland.

Wanneer het gaat om het nemen van maatregelen ter verbetering van de doelrealisatie hanteren we de volgende uitgangspunten:

< 70% maatregelen ter verbetering van de doelrealisatie: wanneer dit kosteneffectief is

70-80% maatregelen ter verbetering van de doelrealisatie: wanneer een combinatie met invulling van andere opgaven mogelijk is en na een kostenafweging

> 80% geen verbeteringsmaatregelen

Er zijn ook landbouwgronden met de nevenfunctie natuur. Het betreft percelen waarvoor een beheerpakket is afgesloten. We gaan voor deze gronden terughoudend om met peilverlagingen wanneer dat strijdig is met de geldende beheerpakketten.

Natuur

Voor natuur gaat het niet om optimale productieomstandigheden maar is doelrealisatie de mate waarin voldaan wordt aan de eisen van het natuurdoel. We maken daarbij onderscheid tussen natuur- en beheersgebieden, Natura 2000 gebieden en zones rondom natuurgebieden.

Vanwege de Europese status van Natura 2000-gebieden met bijbehorend dwingend karakter, wordt in deze gebieden gestreefd naar een zo hoog mogelijke doelrealisatie. Tijdens het opstellen van de beheerplannen voor Natura 2000 gebieden en de watergebiedsplannen onderzoeken de provincie, de TBO’s en het waterschap in hoeverre een hoge doelrealisatie in de praktijk haalbaar en betaalbaar is. Wanneer het actuele peilbeheer leidt tot significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied dan wordt met een gebiedsgerichte aanpak en met maatwerk geprobeerd deze effecten uit te sluiten.

Voor overige natuur geldt dat verbeteringsmaatregelen worden beoordeeld op hun invloed op de doelrealisatie en op de kwalitatieve effecten. Bij natuur is het namelijk mogelijk dat maatregelen wel degelijk een positief effect hebben, zonder dat de doelrealisatie toeneemt. De grondwaterstand kan bijvoorbeeld stijgen terwijl de doelrealisatie niet toeneemt. Daarom beoordelen we een peilwijziging niet alleen modelmatig (de doelrealisatie) maar voeren deskundigen ook een kwalitatieve hydro-ecologische systeemanalyse uit. Deze beoordeling kan leiden tot 3 situaties:

1De doelrealisatie wordt gehaald door het inzetten van aanvaardbare maatregelen;

2De doelrealisatie kan niet worden gehaald met aanvaardbare maatregelen, maar er is wel uitzicht dat dit in de toekomst wel mogelijk is;

3Er zijn geen haalbare en betaalbare maatregelen om de doelrealisatie te bereiken. In dat geval is het aan de provincie om de betreffende functies/ natuurdoelen te wijzigen.

Bijlage 5 – Beheermaatregel (dreigend) watertekort

Inleiding

De hoogte van de huidige oppervlaktewaterpeilen is door het Algemeen Bestuur van Wetterskip Fryslân vastgelegd in peilbesluiten. De vastgestelde waterpeilen zijn afgestemd op de verschillende functies zoals landbouw, natuur en bebouwing. Afwijken van het peilbesluit is in principe niet toegestaan.

In droge perioden kan de grondwaterstand zakken. Door een vochttekort in de bodem kan schade aan landbouwgewassen, natuur en kwetsbare gebouwen ontstaan. Met het opzetten van waterpeilen kunnen we het zakken van grondwaterstanden zoveel mogelijk voorkomen of een bijdrage leveren aan het herstellen van de grondwaterstanden. Het hoog houden van de peilen heeft weliswaar een kleine invloed op de grondwaterpeilen, maar is het enige dat we als waterschap kunnen doen. Daarnaast kunnen we met het opzetten van de waterpeilen water bufferen ten behoeve van bijvoorbeeld beregening. We willen daarom onder extreme omstandigheden af kunnen wijken van de peilbesluiten. Voor droogte doen we dit met de beheermaatregel (dreigend) watertekort. De beheermaatregel geeft de mogelijkheid om de oppervlaktewaterpeilen op te zetten tot 0,40 m onder het maaiveld van het laagste perceel in een peilvak. De beheermaatregel is niet van toepassing op de Friese boezem en bij bebouwing.

Instellen beheermaatregel

In geval van droogte kennen we de volgende niveaus, aansluitend bij het Landelijk draaiboek

waterverdeling en droogte.

Wanneer

Wat

Wie

Niveau 0 RDO[1] – reguliere omstandigheden

Peilbesluit van toepassing

Rayonbeheerder

Laag en/of sterk dalende grondwaterstanden; zie voor overige criteria hieronder

Beheermaatregel (dreigend) watertekort

Beheerder van dienst -> vakgroepleiders -> rayonbeheerders

Niveau 2 RDO - watertekort

Beheermaatregel (dreigend) watertekort, de verdringingsreeks is leidend

Idem/ crisisorganisatie

[1] RDO staat voor Regionaal Droogte Overleg. Hierin zitten vertegenwoordigers van waterschappen, provincies en Rijkswaterstaat.

Wanneer er sprake is van een lage en/of sterk dalende grondwaterstand kan door de beheerder van dienst in samenspraak met teamleiders en rayonbeheerders worden besloten om deze beheermaatregel in te stellen. Eventueel wordt overleg gepleegd met de betreffende gebiedshydroloog. Indien één of meer criteria uit onderstaande -overigens niet uitputtende- lijst van toepassing is/zijn, kan de beheermaatregel worden ingesteld:

•Lage en/of sterk dalende grondwaterstanden;

•Stabiel droog weer;

•Niveau 1 RDO/ dreigend watertekort;

•Meerdere signalen uit het veld dat een hoger peil gewenst is;

•De grondwaterstanden van het online meetnet bevinden zich beneden het 50% interval van

•het langjarige gemiddelde verloop;

•Het neerslagtekort voor KNMI station Leeuwarden ontwikkelt zich richting of overschrijdt

•het neerslagtekort van de 5% droogste jaren; of

•Er zijn aanvoerproblemen op IJsselmeer / Friese Boezem / Deelsystemen.

Afschalen beheermaatregel

Wanneer we besluiten dat de beheermaatregel droogte niet meer van kracht hoeft te zijn, is afhankelijk van verschillende factoren. In onderstaande opsomming geven we aan onder welke omstandigheden we kunnen afschalen. Daarbij kiezen we er voor om uit te gaan van gegevens uit onze eigen beheersystemen, omdat we hiermee nauwkeuriger informatie gebruiken die meer is afgestemd op de Friese situatie. Met andere woorden, we schalen niet (per definitie) af op basis van het hierboven genoemde Landelijke Draaiboek waterverdeling en droogte.

Criteria voor het bepalen (van de mate van) afschalen:

•De grondwaterstanden van het online meetnet bevinden zich weer binnen het 50% interval van het langjarige gemiddelde verloop.

•Er komen meerdere signalen uit het veld dat ook de toplaag weer voldoende vochtig is.

•Het neerslagtekort voor KNMI station Leeuwarden is gedurende twee weken beneden de grens van 150 mm.

•Er zijn geen aanvoerproblemen op IJsselmeer / Friese Boezem / Deelsystemen.

Hoe schalen we af:

•Gedurende deze beheermaatregel vindt er tweewekelijks afstemming plaats tussen gebiedsbeheerders en gebiedshydrologen. Op basis van bovenstaande criteria wordt bekeken of afschalen aan de orde is.

•Het afschalen kan door de peilen geleidelijk te verlagen. Eerst naar zomerpeil, daarna tussenpeil.

•We schalen niet gelijktijdig in het hele beheergebied af. In gebieden met kwel / de diepste polders kunnen we de tijdelijke hogere peilen als eerste weer afschalen. Daarna volgen de hogere polders en vervolgens de zandgronden.

Beheermaatregel (dreigend) watertekort

•Het waterpeil mag worden opgezet tot 0,40 m minus maaiveld van het laagste perceel van het peilvak overeenkomstig het toetsingskader als vermeld in de alinea hieronder.

•Enkel rayonbeheerders van Wetterskip Fryslân mogen het waterpeil opzetten, mits dit gebeurt overeenkomstig het toetsingskader als vermeld in de alinea hieronder.

•Wanneer er sprake is van lage en/of sterk dalende grondwaterstanden als gevolg van oplopend neerslagtekort door stabiel droge weersomstandigheden kan van de maatregel gebruik worden gemaakt. Veelal is dan ook een RDO besluit om over te gaan naar niveau 1 aanstaande.

•Wanneer de verdringingsreeks in werking treedt, dan gaat deze boven de beheermaatregel (dreigend) watertekort.

•De beheermaatregel is niet van toepassing op gebieden met bebouwing en op de Friese boezem.

Toetsingskader

Het waterschap hanteert beheermarges rond de vastgestelde waterpeilen. Hiermee geven we duidelijk aan wat de ingelanden van het waterschap kunnen verwachten. In situaties met te veel of juist te weinig water blijken deze marges echter te krap. Wanneer er sprake is van (een dreigend) watertekort kan deze maatregel worden ingezet (zie hierboven: instellen beheermaatregel).

Niet voor ieder peilvak is het mogelijk dan wel noodzakelijk om het peil te verhogen. Afhankelijk van de (hoogte)ligging ten opzichte van de omgeving en de bodemopbouw is een gebied meer of minder droogtegevoelig. Ook is de infrastructuur om het peil te kunnen verhogen niet altijd aanwezig. Onze rayonbeheerders hebben het inzicht voor welke peilvakken het noodzakelijk en mogelijk is de peilen te verhogen. Desgewenst kunnen zij hierover contact opnemen met de gebiedshydroloog.

De beheermarge voor het peilbeheer kan met deze beheermaatregel tijdelijk worden verhoogd tot een niveau waarbij het laagste perceel nog minimaal 40 cm drooglegging heeft.

Indien er door een ingeland zwaarwegende redenen worden aangegeven om ergens het peil niet te verhogen, kan dit kenbaar worden gemaakt bij de rayonbeheerder en kan in overleg met de rayonbeheerder worden besloten een aangepast of het reguliere peil te handhaven. De rayonbeheerder consulteert hierbij de gebiedshydroloog. Verder monitoren we hoe vaak dergelijke verzoeken worden ingediend en bespreken we dit in het kernteam droogte.

Kaarten bij de beheermaatregel

Voor het beoordelen in welke mate een peilverhoging mogelijk is, zijn de indicatieve peilenkaarten “verhoogd_zomerpeil_rayon_1” t/m “verhoogd_zomerpeil_rayon_34” opgesteld. Deze kaarten zijn een bijlage bij de beheermaatregel. Op de kaarten is voor ieder peilvak de hoogte van het laagste landbouwkundige perceel aangegeven.

Mogelijk dienen een of meer van deze kaarten bij het instellen van de beheermaatregel te worden aangepast. De kaarten die van toepassing zijn op het moment van het instellen van de beheermaatregel worden gepubliceerd op de website van het waterschap.

Bebouwd gebied en de Friese Boezem zijn uitgesloten van deze beheermaatregel. In bebouwd gebied is veelal sprake van een maximaal peil en er zijn kwetsbare objecten aanwezig waardoor een peilverhoging tot overlast kan leiden.

De Friese boezem is ook uitgezonderd van deze beheermaatregel. In het peilbesluit Friese boezem is een apart beheerprotocol opgenomen voor (dreigend) watertekort.

Communicatie

Wanneer de beheermaatregel wordt ingesteld (dus wanneer het waterschap gebruik maakt van de beheermaatregel), communiceert Wetterskip Fryslân dit op haar website en eventueel via andere kanalen zoals twitter, facebook en persberichten.

Bijlage 6: Effecten peilwijziging op waterkwaliteit en ecologie

Fysisch-chemische waterkwaliteit

Fysisch-chemische kwaliteit richt zich op de aanwezigheid van bepaalde stoffen in het water. Bijvoorbeeld voedingsstoffen zoals stikstof en fosfor, waterstofcarbonaat, sulfaat, andere macro ionen en microverontreinigingen zoals bestrijdingsmiddelen. Een wijziging van het waterpeil kan effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit. Ook rond bijvoorbeeld een vuilstort kunnen peilwijzigingen leiden tot meer of minder uitspoeling van stoffen. De onderwerpen waarnaar we in dit kader kijken bij een peilbesluit staan hieronder opgenoemd.

Toename uit- of afspoeling van stoffen: N, P, zware metalen

Een peilwijziging kan effect hebben op de fysisch-chemische kwaliteit van het water door een toename van uit- of afspoeling van stoffen. Dit kunnen bijvoorbeeld stikstof, fosfor en zware metalen zijn. Zo zal bij een peilverhoging de uitspoeling van fosfaat van de omliggende gronden tijdelijk toenemen en de uitspoeling van stikstof, vanwege denitrificatie, tijdelijk afnemen.

Toe- of afname van verzilting

Een peilwijziging kan ook van invloed zijn op de verzilting. Dit omdat een peilwijziging invloed heeft op de kweldruk of infiltratie. Door een peilverlaging is het mogelijk dat er meer zout grondwater het gebied in kan stromen, waardoor het grond- en oppervlaktewater zouter worden en de zoetwaterbel in omvang afneemt. Het effect van een verandering kan lokaal heel erg verschillen, met name door verschillen in de ondergrond. Ook ingrepen in de waterhuishouding (bijvoorbeeld het verdiepen van een sloot om bij een peilverlaging voldoende capaciteit te behouden) kunnen grote invloed hebben op toename van de kwel (er is sprake van vermindering van de weerstand). In de Klimaateffectatlas en de Grondwateratlas is te zien waar verzilting speelt. Wanneer er mogelijk sprake is van een effect van de peilwijziging op verzilting raadplegen we hierover een zakenkundige collega.

Toe- of afname van gebiedsvreemd water

In natuurgebieden kan het zo zijn dat de terreinbeherende organisatie zo weinig mogelijk gebiedsvreemd water wil inlaten. Ook buiten natuurgebieden kan het voor de ecologische waterkwaliteit beter zijn om zo weinig mogelijk gebiedsvreemd water in te laten. Reden is dat gebiedsvreemd water in bepaalde situaties niet de gewenste waterkwaliteit heeft en kan leiden tot een hogere nutriëntenbelasting van het systeem, een veranderende samenstelling van macro-ionen en interne eutrofiëring. Een peilwijziging kan tot gevolg hebben dat er minder gebiedsvreemd water nodig is, bijvoorbeeld omdat het door de wijziging mogelijk is om water langer vast te houden in het peilgebied. Ook toename van inlaat van water kan een gevolg zijn, bijvoorbeeld ter compensatie van extra wegzijging als gevolg van een peilverlaging.

Mogelijke uitspoeling van bodemverontreinigingen

In de bodem kunnen zich verontreinigingen bevinden. Bijvoorbeeld op plaatsen waar vroeger bedrijfsactiviteit of afvalverwerking of storten van afval (vuilstort) heeft plaatsgevonden. Door een wijziging van het waterpeil kan de grondwaterstand wijzigen waardoor bodemverontreinigingen in het grondwater en vervolgens oppervlaktewater terecht kunnen komen. Bij het bepalen van de effecten van een peilwijziging kijken we op het bodem-loket (of een soortgelijke bron, afhankelijk van de locatie) of zich in de bodem verontreinigingen bevinden.

Ecologische waterkwaliteit

In de Beleidsnota ecologie & vis (Wetterskip Fryslân, 26 februari 2019) staan de uitganspunten, beleidsregels en richtlijnen ter verbetering en bescherming van de ecologische waterkwaliteit en de visstand. Een goede ecologische waterkwaliteit betekent dat planten- en diersoorten die ‘van nature’ in bepaalde wateren voorkomen daar ook daadwerkelijk in (kunnen) leven en zich voortplanten. Dit geldt voor zowel wateren die als KRW-waterlichaam zijn aangewezen, als voor alle andere wateren in het beheergebied. Ecologische waterkwaliteit wordt ook bepaald door de inrichting en het onderhoud van wateren.

Bij het beoordelen van het effect van een peilwijziging is het van belang dat de ecologische waterkwaliteit niet achteruit gaat. Dit vanwege het ‘stand-still’ principe uit de Kaderrichtlijn Water.

Waterdiepte en doorstroming

Bij een peilwijziging verandert de waterdiepte van de wateren in het peilgebied. De waterdiepte is van invloed op de watertemperatuur, het zuurstofgehalte en het zonlicht dat de bodem kan bereiken. Variatie in waterdiepte zorgt voor habitatdiversiteit. Daarnaast is het belangrijk dat er niet alleen maar ondiep water aanwezig is omdat dit in de zomer sterk kan opwarmen. Een sterke opwarming van het water in de zomer kan leiden tot afbraak van organisch materiaal, zuurstofloosheid en vissterfte maar ook tot sterfte van warmtegevoelige waterdieren zoals Zwanenmossels. In de winter is dieper water belangrijk voor de overwinteringsmogelijkheden van overwinterende vis en andere waterdieren.

Bij een peilverlaging krijgt de wind meer invloed op het slib op de bodem als er weinig of geen (onder-)waterplanten aanwezig zijn, waardoor het water troebeler wordt met als gevolg minder doorzicht en lichtinval.

Naast de waterdiepte is ook de doorstroom van belang. Hierdoor krijgen algen en kroos minder kans om zich op te hopen en de ecologische waterkwaliteit negatief te beïnvloeden. In geval van te weinig doorstroming zal een hoge watertemperatuur en lager zuurstofgehalte eerder tot problemen leiden dan in een groot oppervlaktewaterlichaam met veel doorstroming

Barrière voor vis

Het waterschap streeft naar vrije migratie van vissen van de Waddenzee en het IJsselmeer naar en binnen het beheergebied en weer terug. Peilregulerende kunstwerken kunnen een barrière voor vis zijn. Het is mogelijk om gemalen en stuwen 2-zijdig vispasseerbaar te maken door de aanleg van een vispassage. Wanneer een peilbesluit tot gevolg heeft dat het aantal peilregulerende kunstwerken afneemt, dan verdwijnen er ook barrières voor vis. Vissen kunnen daardoor vrijer bewegen door het beheergebied. Voor sommige vissen, zoals de Grote Modderkruiper, is het juist niet gunstig wanneer hun habitat makkelijk toegankelijk is voor andere vissoorten (concurrentie).

Het waterschap pakt de migratiebarrières aan van groot naar klein (watersystemen en gebieden) en van ecologisch waardevol naar minder waardevol. Migratiebarrières in gebieden met intensieve landbouw, glastuinbouw en bedrijventerreinen hebben een lagere prioriteit. Bij het beoordelen van de effecten zijn barrières in dergelijke gebieden daarom ook minder belangrijk dan in de ecologisch waardevolle gebieden.

Begroeibaar areaal natuurvriendelijke oevers

Sinds 2010 leggen we natuurvriendelijke oevers aan in de vorm van luwe ondiepwaterzones met een waterdiepte tot 0,70 meter. Hiermee vergroten we het begroeibaar areaal voor boven het water uitstekende-, drijfblad- en onderwaterplanten. In deze zones kunnen veel kleine waterdieren en vissen leven, schuilen en paaien. Ook zijn ze van belang als voedselzoekgebied voor watervogels, leefgebied voor kleine zoogdieren, insecten en riet- en moerasvogels.

Verdieping en sterke verlanding van luwe ondiep waterzones is ongewenst. Een peilwijziging kan tot gevolg hebben dat het begroeibaar areaal (zowel aangelegd als van nature aanwezig) afneemt, het is een indirecte vorm van verdieping (peilverhoging) of verlanding (peilverlaging). Bij het beoordelen van de effecten maken we dit inzichtelijk. Indien nodig beschrijven we welke maatregelen we nemen om de invloed op het begroeibaar areaal te compenseren.

Lozingen en handhaving

Lozingen op het oppervlaktewater zijn afgestemd op het huidige peilbeheer en handhaven we op basis hiervan. Een wijziging van het waterpeil kan effect hebben op bijvoorbeeld het functioneren van overstorten. Dit kan mogelijk leiden tot een negatief effect op de waterkwaliteit. Zo kan het voorkomen dat een overstortdrempel van een riooloverstort of IBA door een peilverhoging permanent onder water komt te staan. Bij een peilverlaging kan een vermindering van de waterdiepte de verhouding lozingsdebiet ten opzichte van het debiet van het ontvangende oppervlaktewater zoveel wijzigen dat dit een negatief effect heeft op de waterkwaliteit. Het is daarom bij een wijziging van het waterpeil altijd belangrijk te kijken naar effecten op lozingen. Het gaat dan om de hoogte van de overstortdrempel en de verhouding tussen lozingsdebiet en ontvangend debiet. Daarnaast kijken we bij peilwijzigingen altijd of handhavingsacties lopen in het plangebied die een mogelijke relatie hebben met de voorgenomen peilwijziging.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.