Aanhef
Het Algemeen Bestuur van Wetterskip Fryslân;
overwegende dat:
In het coalitieakkoord is opgenomen dat in 2025 een Nota Flora en Fauna wordt gemaakt waarin moet worden beschreven hoe wij effectief en verantwoord met flora en fauna om kunnen gaan in ons werk;
Hoewel de nota een paraplunota is met vooral bestaand beleid, is vaststelling door AB noodzakelijk omdat de nota ook de bestaande Nota Plaagsoortenbestrijding vervangt;
De nota overzicht brengt in ons flora en faunabeleid in relatie tot onze opgaven en taken;
De nota helderheid brengt over waar we verantwoordelijk voor zijn en invloed op hebben;
De nota ingaat op de manieren waarop flora en fauna ons helpen, hoe we omgaan met schadelijke flora en fauna en hoe we rekening (kunnen) houden met flora en fauna;
De nota beleid actualiseert zodat het weer voldoet aan recente wettelijke wijzigingen zoals de Omgevingswet en onze eigen Ambysje Bioferskaat;
De nota ons helpt bij het opstellen van uitvoeringsplannen en uitvoeren van ons dagelijks werk;
Besluit:
•De Nota Flora & Fauna vast te stellen
•De Nota Plaagsoortenbestrijding (2016) in te trekken
2. Context
Wetten en beleid
Een aantal wetten en richtlijnen beïnvloeden onze omgang met flora en fauna. Voorbeelden hiervan zijn de Europese Unielijst invasieve exoten, de Nederlandse Omgevingswet en het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL).
Ook is er met name provinciaal beleid waarmee we rekening te houden hebben. Dat gaat om bijvoorbeeld de provinciale Omgevingsvisies (Fryslân, Groningen), de vastlegging daarvan in de Omgevingsverordeningen (Fryslân, Groningen), het provinciale exotenbeleid (Fryslân, Groningen) en het Provinciale Beverbeleid (bestaand in Groningen, in ontwikkeling in Fryslân).
In 2024 is de Europese Natuurherstelverordening(NHV) in werking getreden. De verordening stelt doelen voor natuurherstel en monitoring. Drie artikelen uit de Natuurherstelverordening zijn het meest relevant voor waterschappen: artikel 4 over o.a. zoetwaterecosystemen, artikel 9 over rivieren en artikel 11 over landbouwecosystemen, met doelen voor herstel van organische bodems in ontwaterde veengebieden. Maar ook veel van de overige artikelen raken de werkzaamheden van waterschappen.
Het Rijk is ter vertaling van de NHV bezig met een programmaplan als eerste stap naar een Natuurplan en ziet de waterschappen als een belangrijke uitvoerende partij. Omgekeerd kan de implementatie van de NHV bijdragen aan het uitvoeren van onze taken als waterschap zoals bij het halen van de doelen voor waterkwaliteit en klimaatadaptatie. We wensen daarom de komende tijd goede betrokkenheid van de waterschappen bij de verdere doorvertaling om zo tot een uitvoerbaar Natuurplan te komen, zonder conflict met andere waterschapstaken en ongewenste extra kosten.
Naast meer ‘harde’ wetgeving en beleid zijn er ook meerdere bestaande afspraken tussen diverse overheden en soms anderen, soms vastgelegd in convenanten waaraan we ons vrijwillig gebonden hebben en dus ook gehouden zijn. Voorbeelden zijn het landelijke Deltaplan biodiversiteitsherstel, Herstelprogramma Biodiversiteit (initiatief provincie Fryslân) en onze deelname aan de landelijke kennis- en netwerkorganisatie voor duurzaam vergroenen Stichting Steenbreek. In beide zijn wij net als de meeste waterschappen partner. Een ander voorbeeld is het BIJENPACT, dit is een Fries initiatief.
Zie voor een compleet overzicht van relevante wetgeving en relevant beleid rondom flora en fauna figuur 1, hieronder.
Figuur 1. De beleids8 rondom Flora en fauna
Waar zijn we in het algemeen wettelijk verantwoordelijk voor?
Als enige functionele overheid in Nederland beperken de taken van het Waterschap zich tot het waterbeheer zoals vastgelegd in de Waterschapswet. Dat houdt ook in dat we als Wetterskip ons geld alleen mogen uitgeven aan de taken die ons wettelijk zijn toebedeeld. Dat betekent dus dat we voor onze omgang met flora en fauna scherp moeten hebben wat onze wettelijke taak is en wat niet.
Waterschappen hebben op basis van de Omgevingswet de wettelijke taak zorg te dragen voor biodiversiteit en een gezonde leefomgeving voor flora en fauna binnen hun beheersgebied. Daarnaast moeten we ons houden aan de zorgplicht uit de Omgevingswet, die inhoudt dat nadelige gevolgen van onze bezigheden voor soorten en hun leefomgeving zoveel mogelijk moeten worden voorkomen of beperkt. Ten slotte moeten we de verspreiding van invasieve exoten waarvoor wij verantwoordelijk zijn (zie hoofdstuk 5) voorkomen en beheersen. Op de uitwerking van die algemene wettelijke plichten, specifiekere wetgeving, codes en convenanten gaan we dieper in in de relevante hoofdstukken.
Ons eigen beleid
Door de Europese, landelijke en provinciale kaders en beleid is de ruimte voor ons om onze eigen ambitieniveaus te bepalen beperkt, maar niet nul. Die eigen ruimte vullen we dan ook in met eigen (uitvoerings)beleid (soms nog in de maak). In Fryslân klimaatbestendig 2050+ staat een visie op hoofdlijnen op exoten. Onze Ambysje bioferskaat bevat onze visie op biodiversiteit en uitgangspunten die daarbij horen. Die is vertaald in een Útfieringsplan Bioferskaat dat ervoor moet zorgen dat aandacht voor biodiversiteit onderdeel is van en gekoppeld is aan ons reguliere werk.
Meer direct op de uitvoering gericht zijn in de beleidsregels integrale legger en het beheer en onderhoudsplan beleidsregels voor ondermeer ecologische aanleg en onderhoud vastgelegd. In de waterschapsverordening liggen zaken vast als de afmetingen van duikers voor fauna. Voor invasieve (schadelijke) exoten, zoals de grote waternavel en reuzenberenklauw hebben we een aantal losse bestrijdingsplannen en werkprotocollen die duidelijk maken hoe wij als organisatie omgaan met deze soorten bij uitvoeren van onze taken.
In de maak zijn een faunabeheerplan bever, geactualiseerd waterkwaliteitsbeleid en een voorstel voor een verlenging van de pilot rivierkreeften
4. Hoe flora en fauna ons helpt
Een aantal ecosysteemdiensten uitgewerkt
De laatste jaren zijn daar nieuwe mogelijkheden bijgekomen en maken we ook actiever en bewuster gebruik van die mogelijkheden. Ook zijn we ons meer bewust geworden van kansen die er al langer waren. Investeringen in natuurlijke oplossingen kunnen bijdragen aan het verlagen van beheerskosten op langere termijn en bijdragen aan taken als waterkwaliteit en veiligheid. We kijken daarom voor het oplossen van onze opgaven meer naar natuurlijke oplossingen in plaats van (alleen) techniek. We maken waar mogelijk gebruik van ‘groene dijken’ in plaats van dijken met asfalt. We beheren watergangen met natuurlijke oevers in plaats van harde beschoeiing. We gebruiken bacteriën om afvalwater te zuiveren in onze rioolwaterzuiveringsinstallaties. We leggen meanders3 aan om de afvoer van water in beken te vertragen. We laten bomen groeien langs beken die zorgen voor schaduw, koel water en het in toom houden van waterplanten. Hieronder geven we een aantal voorbeelden van hoe natuurlijke oplossingen ons helpen bij onze opgaven.
3) Een meander is een lus in de loop van een natuurlijke waterloop (beek, rivier of zeestroming).
Figuur 3. Waterplanten in het ecosysteem.
Voorbeeld schoon: de zuiverende werking van waterplanten
De zuiverende werking van waterplanten. Waterplanten zorgen voor natuurlijke zuivering. Nitraat en fosfaat worden opgenomen door planten of in de waterbodem opgenomen of afgebroken. De helft van het inkomende stikstof en fosfor in sloten kan zo gezuiverd worden. Gewasbeschermingsmiddelen, metalen en andere stoffen hechten zich aan waterplanten of worden erdoor opgenomen. Hierdoor komt minder in het water terecht. Ook concurreren inheemse waterplanten met algen, blauwalgen en exoten (zie hoofdstuk 5) en voorkomen overlast hiervan. Verder zorgen waterplanten voor een leefgebied voor waterdieren, zoals paai-, schuilen voedselplaatsen. Ten slotte zorgen waterplanten voor luwte waardoor onopgeloste deeltjes bezinken en de helderheid van het water verbetert. Waterplanten zijn aanwezig in natuurvriendelijke oevers, natuurlijke velden (in meren), aangelegde zuiveringsmoerassen en sloten, waar zo mogelijk een deel van de waterplanten wordt gespaard bij onderhoud. Verstoring zoals golfslag, vraat en frequent onderhoud kan ervoor zorgen dat waterplanten verdwijnen of alleen de ‘makkelijke’ soorten kunnen overleven zoals smalle waterpest.
Figuur 4. Waterplanten van bovenaf gezien en van onder water gezien.
Voorbeeld veilig, voldoende en schoon: natuurvriendelijke oevers
Door onder meer flauwere taluds te maken kunnen we natuurvriendelijke oevers creëren. Die zorgen voor luwe ondiepe waterzones waar waterplanten kunnen groeien. Begroeiing in het water op de oever zorgt voor stevige, stabiele taluds. Daarnaast is een natuurlijk begroeide (zachte) oever goedkoper dan een harde oeverconstructie (hout, staal of beton). Bij flauwere taluds is er minder afkalving, minder baggervorming en een betere waterkwaliteit. Ook zijn flauwe oevers met vegetatie minder aantrekkelijk voor rivierkreeften, muskusratten en bevers, die houden van steile taluds om in te graven.
Figuur 5. Omgevingen waar de rivierkreeft wel (links) en niet (rechts) van houdt.
Voorbeeld veilig: groene dijken, kwelders en waterberging.
Als dijken worden begroeid door verschillende soorten planten met verschillende worteldieptes worden ze sterker. Daarnaast is een niet te intensief beheerde grasmat minder gevoelig voor langdurige droogte. Ook de natuurlijke dynamiek van de Waddenzee werkt voor ons. Kwelders helpen ons in de bescherming tegen overstromingen. Ze zijn van nature klimaatbestendig: elke overstroming laat slib achter, waardoor kwelders meegroeien met zeespiegelstijging. Zeegrasvelden dempen golven, vangen zand en slib en leggen CO2 vast. Bepaalde natuurgebieden worden zo ingericht dat ze bij hoog water onder water gezet kunnen worden. Daarmee dragen flora en fauna bij aan waterveiligheid. Dit is een win-win voorbeeld: de natuur helpt ons, maar heeft er ook zelf baat bij dat gebieden worden ingericht voor natuur en waterberging.
De keerzijde van natuurlijke oplossingen
Soms kent het gebruik van natuurlijke oplossingen ook zijn keerzijde. Voorbeelden hiervan zijn dat natuurlijke oplossingen soms duurder zijn (maar soms ook goedkoper), vaak meer ruimte vragen (waterberging vraagt meer ruimte dan een hogere kering, natuurlijke oevers meer dan beschoeiing), dat meer onderhoud nodig kan zijn en dat sturing lastiger is (otters die hopelijk kreeften vangen in plaats van fuiken). We wegen steeds de vooren nadelen gedegen tegen elkaar af. Een nadeel dat ook regelmatig genoemd wordt, is dat kruidenrijke dijken en akkerranden een risico zouden vormen voor infecties op nabijgelegen akkerbouw. Kruidenrijke dijken en akkerranden kunnen een bijdrage leveren aan het verlagen van de infectiedruk door de aanwezigheid van verschillende soorten ‘goede’ bacteriën, schimmels, insecten en planten die ziekten en plagen voorkomen, mits de mengsels met zorg worden samengesteld en daarbij geen risico vormen voor de gewassen in de omgeving.
Figuur 6. Waterplanten in de Friese boezem.
5. Omgaan met schadelijke flora en fauna
Wettelijke kaders, rol en taken
Eén van onze taken is het werken aan een chemisch schoon en biologisch gezond watersysteem. Vanuit die taak en de Kaderrichtlijn water moeten we uitheemse plaagsoorten (invasieve exoten, zie onder) die daar een negatieve invloed op hebben bestrijden in onze watergangen en op onze terreinen4. In de Waterschapswet is expliciet aan de waterschappen opgedragen om de muskusrat en beverrat te beheersen en bestrijden. Daarvoor beschikken we ook over eigen bevoegdheden in de Omgevingswet.
Wie besluit tot bestrijding van een plaagsoort krijgt ook in andere opzichten te maken met de Omgevingswet. Dit geldt bijvoorbeeld bij het maaien van (water)planten, de toepassing van middelen of het wegvangen of uitzetten van vis en schaaldieren. Die Omgevingswet is soms strijdig met andere wetten (of zelfs zichzelf) rondom de bestrijding van invasieve exoten. Een voorbeeld hiervan is het niet of beperkt mogen werken in het broedseizoen als vanwege bestrijding juist snel handelen geboden is. Dit vraagt maatwerk.
In de provinciale omgevingsverordening zijn bepaalde plichten tot bestrijding van plaagsoorten opgenomen die ook voor ons als waterschap gelden, zoals ten aanzien van het Jacobskruiskruid.
Bij de plaagsoorten zijn twee vormen van onderscheid van belang. Ten eerste het onderscheid tussen inheemse soorten en invasieve exoten. En binnen de inheemse diersoorten het onderscheid tussen beschermde en niet beschermde soorten.
4) Vanzelfsprekend is die bestrijding ook van belang ter bescherming van onze taken voor voldoende water en veiligheid.
Invasieve exoten en inheemse soorten
Invasieve exoten (planten en dieren) zijn soorten die van nature niet in Nederland voorkomen maar door menselijk handelen hier terecht zijn gekomen, zich in korte tijd massaal vermenigvuldigen en daarbij schade toebrengen aan bestaande ecosystemen of hun omgeving. Door klimaatverandering voelen die exotische planten en dieren zich ook steeds beter thuis in Nederland.
Op 1 januari 2015 is een nieuwe EU-verordening (Nr 1143/2014) van kracht geworden die gericht is op het voorkomen en beheersen van schade aan biodiversiteit en ecosysteemdiensten door invasieve exoten. Centraal daarin staat een lijst van invasieve exoten die in 2016 van kracht is geworden en waar sindsdien nog steeds soorten aan worden toegevoegd (recent nog de watercrassula en Aziatische duizendknoop). Als een soort op de lijst belandt hebben lidstaten de plicht om populaties op te sporen, verwijderen of als dat niet lukt zo te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. De bestrijding van exoten die niet veel voorkomen heeft prioriteit, om zo het probleem in de kiem te kunnen smoren. De provincie Fryslân hanteert hiernaast een eigen lijst van in Fryslân prioritaire soorten.
Natuurlijke oplossingen in de bestrijding van invasieve exoten
We zijn in 2019 met bijdragen van verschillende partijen als penvoerder gestart met het onderzoek #uitde1000knoop. Voor beheersing van Aziatische duizendknopen had jarenlang onderzoek twee opties opgeleverd die veilig zijn voor mens en dier: de Japanse bladvlo en een schimmel. Vanaf 2019 zijn praktijkproeven uitgevoerd, nadat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ontheffing had verleend. Een primeur: dit is de eerste natuurlijke vijand van een invasieve exoot die is losgelaten. Het onderzoek is in 2021 verder uitgebreid onder de naam Biocops. Nu worden ook praktijkproeven uitgevoerd met de biologische beheersing van watercrassula (met een galmijt) en grote waternavel (met een snuitkever). Het Biocops-onderzoek wordt, met ondersteuning vanuit de STOWA, uitgevoerd door Waterschap Aa en Maas, Wetterskip Fryslân, Universiteit Leiden Stichting Probos en CABI. Vanaf 2025 is waterschap Aa en Maas de penvoerder.
Binnen Nederland is afgesproken dat de provincies verantwoordelijk zijn voor natuur, inclusief aanpak van invasieve exoten. Maar er zijn ook invasieve exoten die de verantwoordelijkheid zijn van het Rijk, zoals de rivierkreeften. Deze zijn op grond van de Visserijwet aangewezen als ‘vis’, het Rijk is hiervoor het bevoegd gezag. Naast de soorten op de EU-lijst zijn er ook uitheemse soorten in Nederland die niet op de lijst staan. Een voorbeeld is de grote kroosvaren. Provincies zijn bevoegd om buiten de EU-lijst soorten aan te wijzen waarvoor ook verboden en verplichtingen gelden. Bij de uitvoering is een belangrijke rol weggelegd voor terreinbeheerders als de waterschappen.
De Rode Amerikaanse rivierkreeft.
Muskusrat vangsten
Vangsten muskusrat wetterskip Fryslân
In ons beheergebied zijn diverse invasieve exoten. Dat varieert van planten als de Japanse duizendknoop en watercrassula tot diersoorten als de Chinese wolhandkrab en de uitheemse rivierkreeften. De bekendste invasieve exoot in de waterschapswereld is de muskusrat. De muskusrat is al bijna een eeuw een invasieve exoot: in de jaren 30 kwamen de eerste muskusratten naar Nederland. Muskusrattenbestrijding is een wettelijke taak van de waterschappen om graafschade aan oevers en dijken en nadelige effecten op inheemse flora en fauna te voorkomen. Van een grote plaag enkele decennia geleden (in de jaren 90 werden jaarlijks meer dan 100.000 gevangen in Fryslân) is de plaag nu onder controle: nu worden nog enkele honderden jaarlijks gevangen. Hoe beter de aantallen onder controle zijn, hoe minder ratten gevangen hoeven te worden. De bestrijdingsuren zijn sindsdien ook met bijna tweederde teruggebracht. In 2019 hebben alle waterschappen afgesproken de muskusrat in Nederland terug te dringen tot de landsgrens. Dat houdt concreet voor Fryslân in dat de jaarlijkse vangst teruggebracht zou moeten worden tot maximaal 50. Hiermee wordt bereikt dat er in 2034 in Nederland geen levensvatbare populatie muskusratten meer is.
Kans: bestrijding van de Grote waternavel buiten onze watergangen
Als Wetterskip zelf zijn we succesvol in bestrijding van de Grote Waternavel, een plant die in staat is snel watergangen dicht te laten groeien. Zie ook de bijgevoegde afbeeldingen. Echter, we stuiten daarbij op het probleem dat de beheersing van de Grote Waternavel in watergangen buiten ons beheer vaak minder intensief is, waardoor van daaruit de waternavel ook weer terugkeert in onze watergangen.
We blijven permanente acties uitvoeren als aandacht vragen voor de knelpunten bij terreinbeheerders. Ook blijven we de provinciale subsidieregeling invasieve exoten meer onder hun aandacht brengen, verhogen toezicht en aansturing op bestrijding door onze aannemers, doen meer aan voorlichting en houden de ontwikkeling in het stedelijk gebied in de gaten. Ook contact met de provincie als bevoegd gezag inzake toezicht en handhaving is belangrijk. Daarnaast is het een optie om met de provincie verhoging van het ambitiniveau op waternavel te verkennen.
Grote waternavel
Waarnemingen Grote waternavel 2020 (577) en 2024 (307)
In onze omgang met plaagsoorten hebben we 4 opties:
•Preventie: het probleem voorkomen
•Accepteren: het probleem accepteren - niet bestrijden
•Beheersen: het probleem beheersen - de keuze om te bestrijden en de intensiteit ervan is afhankelijk van factoren als de soort zelf, omvang, locatie, ernst van de bedreiging
•Elimineren: het probleem verwijderen - de soort altijd en geheel bestrijden
De meeste invasieve exoten in Fryslân zijn moeilijk helemaal te verwijderen, omdat die al op veel plaatsen voorkomen en soms ook moeilijk te bestrijden zijn. Daarom zullen we in gevallen (in ieder geval op kortere termijn) moeten volstaan met beheersen, omdat elimineren ervan een te grote inspanning (en geld) vergt, omdat het middel erger is dan de kwaal of omdat op naastgelegen percelen niet beheerd wordt en de soort vandaaruit blijft verspreiden. We wegen in dat verband zowel risico's als kosten en baten af. Van de soorten die (nog) minder wijdverspreid zijn, zoals de watercrassula, zullen we minimaal verdere verspreiding tegengaan.
Waarneming Watercrassula 2020 (89) en 2024 (78)
Uitheemse rivierkreeften
De uitheemse rivierkreeft is een vrij recente en erg invasieve exoot. In Fryslân zijn vijf soorten uitheemse rivierkreeften, waarvan de gestreepte en gevlekte Amerikaanse rivierkreeft lokaal talrijk is maar de rode Amerikaanse rivierkreeft in potentie het meest schadelijk. Rivierkreeften veroorzaken graafschade aan oevers en dijken, waardoor die minder stevig kunnen worden en de baggeraanwas toeneemt. Ook vreten ze waterplanten weg. Hierdoor wordt het water troebel en neemt de ecologische waterkwaliteit af.
Momenteel is het Rijk wettelijk verantwoordelijk voor beheer en bestrijding van de rivierkreeft. Wij hebben als waterschap geen wettelijke taak om rivierkreeften te bestrijden en mogen dit ook niet doen vanuit de Visserijwet. Wel is in een kamerbrief aangekondigd dat de Visserijwet zal worden aangepast om ons meer mogelijkheden (en een opdracht) te geven om kreeften te vangen (maar geen wettelijke grondslag om daarvoor belasting te heffen). We hebben van het Rijk in 2023 een ontheffing gekregen om tot en met 2025, in afwachting van aanpassing van de wet, de verspreiding van de Amerikaanse rivierkreeft in Fryslân in kaart te brengen en weg te vangen. In 2026 zullen de resultaten bekend worden.
Als Waterschappen zijn we terughoudend in het overnemen van maatregelen om rivierkreeften te bestrijden zo lang niet duidelijk is dat dat ook gepaard gaat met de nodige middelen. We zijn ervoor om net als voor de muskusrat en beverrat in dat geval de bestrijding en beheersing van rivierkreeften in de Waterschapswet en Omgevingswet te regelen. Dan wordt ook zeker gesteld dat de waterschappen heffingsinkomsten mogen inzetten ter bekostiging van deze taak. Naast aanpassing van de Visserijwet is het Rijk ook bezig met een afweegkader rivierkreeften dat waterbeheerders moet ondersteunen bij het bepalen of, en zo ja welke, maatregelen effectief en haalbaar zijn om de overlast van rivierkreeften te beperken of voorkomen.
We zijn niet tevreden met de manier waarop het Rijk zich kwijt van haar verantwoordelijkheid voor uitheemse rivierkreeften. De groei van de rivierkreeft gaat momenteel in snel tempo. Onze uitgangspunten dat we kostenefficiënt willen zijn op lange termijn en dat vroeg beter is dan laat brengt in dit soort gevallen de vraag mee of soms het voortouw genomen moet worden in bestrijding, ook al is de juridische basis daarvan nog niet geheel geregeld. Wij doen dit nu al deels in de 3-jarige ontheffingsperiode en de verleende verlenging daarvan.
We kunnen bij rivierkreeften de komende jaren een meer afwachtende houding aannemen tot het rijk in actie en met financiële middelen komt en/of wij wettelijk verantwoordelijk worden (met bijbehorende middelen). Maar door af te wachten neemt de verspreiding in de tussentijd steeds verder toe waardoor ook de overlast en de kosten van latere actie hierop sterk toenemen. In het aanstaande beheerplan rivierkreeften zullen we een voorstel doen over hoe met dit dilemma om te gaan.
Naast de bestrijding van kreeften gaan we ook door met het robuust inrichten van ons watersysteem. De oplossing van de kreeften problematiek ligt in een combinatie van ecologisch systeemherstel zoals het aanleggen van natuurvriendelijke oevers en het wegvangen van kreeften. We hebben reeds honderden kilometers natuurvriendelijke oevers aangelegd.
Verspreiding van rivierkreeften in Fryslân, 2024, eigen gegevens
Reuzenberenklauw
Reuzenberenklauw
De Reuzenberenklauw staat sinds 2017 op de Unielijst van invasieve exoten. Hij zorgt voor instabiliteit op onze waterkeringen. Door zijn snelle groei en grote bladeren laat hij geen ruimte voor een goede grasmat of voor inheemse planten. Ook kan de plant bij aanraking brandwonden veroorzaken.
We zijn in het voorjaar van 2021 begonnen met bestrijding van de Reuzenberenklauw. Locaties waar de plant groeit worden ingevoerd in onze digitale inspectie app en vervolgens worden de prioritaire locaties bepaald. Voor die locaties wordt een plan van aanpak gemaakt dat wordt afgestemd met de gebruiker van het perceel. Het werkprotocol voor de Reuzenberenklauw, opgesteld op basis van literatuuronderzoek en eigen tests, wordt door de veldmedewerkers als leidraad gebruikt voor de bestrijding. Hierin wordt beschreven hoe we planten uitspitten, de zaadbank uit putten en voorkomen dat nieuwe zaden gevormd worden. Na 2 jaar bestrijding was op enkele locaties al een teruggang van 50% bereikt. Na die twee jaar kan over het algemeen worden overgegaan op beheer en neemt de arbeidsintensiteit sterk af. Voorlopig is bestrijding nog volop nodig want de afgelopen jaren is de verspreiding sterk is toegenomen (zie afbeelding). Overigens vindt een flink deel van de verspreiding van de Reuzenberenklauw plaats op terreinen die niet van ons zijn. Voor een effectieve bestrijding is samenwerking dan ook cruciaal.
Waarnemingen reuzenberenklauw 2020 (364) en 2024 (886)
Afwegingskader en aanpak invasieve exoten
In onze omgang met invasieve exoten begint het met een waarneming van de soort op een of meer locaties. Vervolgens is de vraag of de soort een risico vormt (op die locatie(s)) voor onze opgaven. Zo nee, dan volstaan we met monitoren en stellen ons periodiek op basis van de monitoringsgegevens opnieuw de vraag of de soort een bedreiging vormt. Zo ja, dan bepalen we de aanpak van de soort. Afhankelijk van omvang, locatie, mate van bedreiging voor onze opgave, kosten en andere overwegingen kiezen we een aanpak uit de vier opties die voor ons openstaan. We monitoren de effecten van de aanpak en of het nog nodig is daarmee door te gaan, of dat een andere aanpak wellicht effectiever is.
Er zijn ook overlastgevende soorten die wél van nature in Nederland voorkomen, de inheemse soorten, zoals de veldmuis, brasem, vos en mol. Die veroorzaken graafschade aan keringen of zorgen voor vertroebeling in het water. Planten als akkerdistel en speerdistel kunnen zwakke plekken veroorzaken op de primaire waterkeringen. Jacobskruiskruid kan giftig zijn voor vee. Voor de bestrijding van de inheemse diersoorten is het onderscheid tussen beschermde en niet beschermde soorten van groot belang.
Beschermde en niet beschermde soorten
Invasieve exoten zijn veelal niet beschermd en mogen bestreden worden5. Bij inheemse (dier) soorten ligt dat anders. Een tal van de (potentieel) schadelijke inheemse soorten wordt ook waardevol geacht en is daarom wettelijk beschermd. Bij beschermde diersoorten mag geen schade aan het dier of zijn directe omgeving worden toegebracht. Voor uitzonderingen moet ontheffing bij het bevoegd gezag (meestal de provincie) aangevraagd worden. En andere inheemse plaagsoorten staan op een provinciale vrijstellingslijst zoals de mol en woelrat.
5) alle vogels zijn beschermd, ook exotische vogels. Met een ontheffing kunnen exotische vogels bestreden worden.
Bekende voorbeelden van potentieel schadelijke inheemse soorten zijn de das en bever. Dassen kunnen soms veel schade veroorzaken. Ze graven gangen in keringen, kaden en dijken. Die mogen niet zomaar worden dichtgemaakt vanwege de beschermde status van de das. We hebben echter in 2017 ontheffing gekregen om graafschade aan keringen te mogen herstellen. Ook mogen we dassen ‘verstoren’ als ze beginnen te graven. Als we een project moeten uitvoeren in de directe omgeving van een dassenburcht moeten we voor de uitvoering van werkzaamheden een vergunning aanvragen.
Das
De bever
Samenleven met de beschermde bever kent lusten en lasten. Aan de ene kant zijn bevers harde ‘waterwerkers’. Zo dragen ze bij aan stabiliteit in het waterniveau, schoon water, voorkomen overstromingen en droogte, zorgen voor meer afbraak van stikstof en voor meer insecten om bloemen en planten te bestuiven. We zien bevers dan ook graag in gebieden waar we water willen vasthouden. Ook is aanwezigheid van bevers een indicator dat het beter gaat met het ecosysteem. Ten slotte ‘hoorde’ de bever ooit bij Fryslân en kan daarom worden gezien als een vorm van levende cultuurhistorie.
Aan de andere kant kunnen bevers ook harde werkers zijn als het gaat om het veroorzaken van schade. Bevers graven tunnels (ze kunnen in een enkele nacht een dijk doorgraven) en zetten met hun dammen het waterpeil vast op een hoogte die niet persé overeenkomt met de gewenste. De tunnels zijn ook lastig waar te nemen omdat ze vaak verborgen liggen. Het aantal bevers in Nederland groeit gestaag, maar is in Fryslân nog bescheiden (in 2025 zijn er 6 bevers). Maar in principe is Fryslân als waterrijke provincie een zeer geschikt leefgebied voor bevers. De verwachting is dan ook dat het aantal bevers de komende jaren zal toenemen.
Op 7 juli 2025 heeft het landelijk bestuurlijk overleg water de gezamenlijke beveraanpak vastgesteld. Uitwerking daarvan in werkpakketten ligt vooral bij provincies en het ministerie van LVVN en hun partners. De landelijke bijdrage bestaat uit een landelijk protocol voor de aanpak, een set preventieve maatregelen en betere monitoring. De rol van de waterschappen is het monitoren van schade en (preventieve) maatregelen nemen, zoals het plaatsen van graafwerend gaas of het vangen en verplaatsen van bevers. De Unie van Waterschappen, STOWA, Rijkswaterstaat, ProRail, het IPO en de Zoogdiervereniging werken ook samen in het kenniscentrum Bever. Voor bevers werken we aan een gezamenlijk beverbeleid en beheerprotocol met de provincie.
Bever
Afwegingskader en aanpak beschermde plaagsoorten
Voor beschermde plaagsoorten begint onze aanpak, net als bij invasieve exoten, bij de vraag of de soort een risico vormt voor onze opgaven. Zo niet, monitoren we of dat zo blijft. Zo wel, is in dit geval een aanpak alleen mogelijk met vergunning. Daarom gaan we na of die er is. Als we vergunning hebben is per soort een beheerprotocol aanwezig, dat we volgen. Is de vergunning er nog niet, dan dient die zo snel mogelijk te worden aangevraagd. Na aanpak worden de effecten gemonitord om na te gaan of de aanpak afdoende was of dat meer nodig is.
Aanpak in de praktijk
Ons beleid ten aanzien van plaagsoorten was tot deze nota vastgelegd in de Nota plaagsoortenbestrijding (2016). Die is uitgewerkt in een plan van aanpak (2021), waarin de bestrijding van de plaagsoorten die de meeste overlast veroorzaken of waarvan verwacht wordt dat die dat in de toekomst gaan doen is uitgewerkt. De aanpak wordt jaarlijks geëvalueerd met de betrokken partijen en indien nodig aangepast. Dan kunnen ook soorten worden toegevoegd of verwijderd.
De bestrijding van plaagsoorten is praktisch vastgelegd in werkprotocollen en bestrijdingsplannen. Voor invasieve exoten hebben we momenteel een aantal bestrijdingsplannen.
Voor de omgang met beschermde inheemse plaagsoorten als de das of bever hebben we nog geen protocollen, wel wordt momenteel samen met de provincie gewerkt aan een protocol voor de bever. Werkprotocollen en bestrijdingsplannen blijven ook onder deze nota Flora en Fauna nodig. Deze nota geeft alleen de kaders op basis waarvan die plannen en protocollen worden opgesteld. De huidige protocollen blijven vooralsnog geldig en worden gestaag, waar nodig, aangepast aan de inhoud van deze nota.
Exoten worden geïnventariseerd bijvoorbeeld tijdens de jaarlijkse kadeschouw, bij flora en fauna checks en tijdens het reguliere werk. Als wij of onze aannemers nieuwe vestigingen tegenkomen leggen we die digitaal vast. Vervolgens wordt de locatie bezocht en beoordelen we of we een opdracht tot bestrijding gaan geven. Ook informeren we andere partijen over de nieuwe besmetting. Inventarisaties door burgers en partners houden we in de gaten via de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze databank bevat meer dan 200 miljoen gecontroleerde waarnemingen van plant- en diersoorten.
Bij sommige wijdverspreide soorten prioriteren we in de aanpak van locaties. Locaties waar de besmetting nog klein is hebben dan voorrang. Voor de start van de bestrijding vindt een natuurtoets plaats. We werken ‘van buiten naar binnen’, wat betekent dat we eerst de besmette locaties aan de rand van het besmette gebied aanpakken.
Een goede buur
Onze terreinen en wateren grenzen vaak aan percelen van anderen. Dat betekent dat de manier waarop we met plaagsoorten omgaan niet alleen consequenties heeft voor onze taken, maar soms ook voor de buren. Ons uitgangspunt is dat we een goede buur willen zijn. Dat betekent dat we planten en dieren waar we zelf bij onze taken wellicht minder last van hebben, maar die overlastgevend of zelfs gevaarlijk voor onze buren of hun vee kunnen zijn (reuzenberenklauw, jacobskruiskruid en dergelijke) wel bestrijden. Daarbij handelen we over het algemeen op basis van een melding van onze buren en na overleg met die buren. Jacobskruiskruid maaien we als er risico bestaat dat de planten kunnen worden gegeten door vee, conform de provinciale omgevingsverordening.
Omgekeerd zijn wij ook afhankelijk van de bestrijding van ongewenste soorten door onze buren. Die geven aan soms niet de (financiële) middelen te hebben om die te bestrijden.
Afbeelding invoegen
Icoonsoorten
Naast aan de ene kant plaagsoorten of schadelijke soorten, komen er aan de andere kant ook icoonsoorten in en rond onze wateren voor van kenmerkende planten en dieren. Icoonsoorten werken voor ons door de gezondheid van het water- en ecosysteem te weerspiegelen, zij helpen bij het verbeteren van de ecologische kwaliteit van watergangen en zij fungeren als indicatoren voor een veerkrachtige natuur en biodiversiteit.
Belangrijke icoonsoorten voor de wateropgave van Wetterskip Fryslân zijn onder meer:
•Flora (planten): dotterbloem en krabbenscheer,
•Fauna (dieren):
–Waterdieren: groene glazenmaker en snoek
–Andere dieren: moshommel, otter en ijsvogel
Deze icoonsoorten hebben een sterke en herkenbare binding met Fryslân en met de wateren in en rond onze provincie. Zij vormen inspirerende voorbeelden die het verhaal vertellen van onze ambities, doelen en maatregelen om de biodiversiteit te behouden en te versterken. Aan de hand van deze planten en dieren laten wij bovendien zien wat verbetering van waterkwaliteit en natuurherstel in de praktijk betekenen.
6. Kansen benutten en rekening houden met flora en fauna
Beheer en onderhoud
Onze voornaamste invloed op flora en fauna is waarschijnlijk de manier waarop we ons beheer en onderhoud vormgeven. Als waterschap bezitten en/of beheren we vele kilometers keringen en diverse terreinen voor bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringen en gemalen. De manier waarop we die (laten) onderhouden heeft gunstige of ongunstige effecten op flora en fauna. Om invulling te geven aan onze wettelijke plichten werken alle Waterschappen volgens een gedragscode flora en fauna voor beheer en onderhoud. Die zorgt voor zoveel mogelijk duurzame instandhouding van leefgebieden en bescherming van plant- en diersoorten. Daardoor kunnen we onze taken uitvoeren zonder steeds een specifieke vergunning aan te hoeven vragen bij de provincies. De nieuwe gedragscode is op 1 april 2025 ingegaan.
Ons uitgangspunt is het beheer en onderhoud zo extensief, gevarieerd en natuurvriendelijk mogelijk uit te (laten) voeren (Ambysje Bioferskaat, spoor 1). We werken als Wetterskip met gedifferentieerd beheer en onderhoud, dat beter is voor natuur in en rondom wateren. Bij beheer en onderhoud hebben we vaak te maken met beschermde plant- en diersoorten. Onderhoud kan daar negatieve gevolgen voor hebben maar kan voor de leefomgeving soms ook noodzakelijk zijn.
Kans: AI op de dijk
We houden ontwikkelingen als robotisering en AI goed in de gaten, zoals het beschikbaar komen van technologie, waardoor bijvoorbeeld met beeldherkenning heel gericht gemonitord kan worden op de aanwezigheid van schadelijke flora en fauna op dijken en keringen.
Er zijn drie randvoorwaarden bij het natuurvriendelijker beheer en onderhoud dat we nastreven (afgeleid uit beheernota waterkeringen, 2019):
•Het mag niet ten koste gaan van de werking van het object (kering, zuivering, ..)
•Het mag niet ten koste gaan van de veiligheid van het werk
•En het mag niet leiden tot een forse kostenstijging (bescheiden stijging kan)
Overigens kan een andere manier van onderhoud juist vaak zorgen voor een betere werking (een diverse grasmat is sterker dan alleen raaigras) en minder kosten (door extensiever beheer). We hebben diverse handreikingen ontwikkeld voor natuurvriendelijk beheer, onderhoud en herinrichting op en van onze keringen en in de boezemwateren en oevers. We doen soms eigen onderzoek naar en volgen de landelijke onderzoeken naar de effecten van (verschillende vormen van) beheer en onderhoud op flora en fauna.
Beheer en onderhoud van waterkeringen
Het onderhoud van onze waterkeringen is vastgelegd in de beheernota waterkeringen (2019). De primaire keringen onderhouden we zelf, de regionale en lokale keringen worden onder voorwaarden onderhouden door de eigenaren of pachters van de (met gras beklede delen van de) waterkering. Hierdoor kunnen we rekening houden met flora en fauna in onze keuzes. We streven waar dat kan naar groene dijken en ecologisch verantwoord beheer van bekledingen. Bij inzaaien kiezen we voor meerjarige, gebiedseigen en genetisch natuurlijke soorten. Enkele waterkeringen zijn ingezaaid met een kruidenrijk grasmengsel. We passen geen bestrijdingsmiddelen toe. In bermen van primaire keringen gebruiken we in beginsel geen kunstmest. Bij onderhoudsmaterieel kiezen we waar mogelijk voor natuurvriendelijke oplossingen.
Kans: Voorwaarden in pachtcontracten
Regionale en lokale waterkeringen zijn meestal niet ons eigendom. Als de kering wel ons eigendom is verpachten we die meestal. We kunnen in pachtcontracten voorwaarden opnemen die gunstig zijn voor flora en fauna.
Beheer en onderhoud van watergangen
Ook bij het onderhoud van watergangen en oevers houden we rekening met planten en dieren. Het beleid daarvoor is vastgelegd in ons Beheer en Onderhoudsplan (BOP) 2.0. Voor het onderhoud van hoofdwatergangen zijn we zelf verantwoordelijk. Voor schouwsloten stellen we voorwaarden voor onderhoud door de aanliggende eigenaren.
In het BOP werken we met drie ambitieniveaus voor de mate waarin we rekening (kunnen) houden met flora en fauna: laag, basis en hoog. Bij hoofdwatergangen met ambitieniveaus basis en hoog zorgen we ervoor dat altijd leefgebied overblijft, ook in de winter. Daarmee geven we invulling aan de habitatbenadering uit de gedragscode soortenbescherming. Als de habitatbenadering niet mogelijk is moeten extra maatregelen genomen worden om beschermde soorten te ontzien. We proberen de toepassing van de habitatbenadering uit te breiden waar mogelijk. Dat is ook positief voor de waterkwaliteitsdoelstellingen. Inmiddels hebben we ruim 450 km aan watergangen natuurvriendelijk ingericht en ruim 250 ha in meren en plassen (bron: tussentijdse maatregelenevalutie krw).
Een manier om de impact van het onderhoud van hoofdwatergangen op flora en fauna te verkleinen is het gefaseerd te doen. Faseren kan in de ruimte plaatsvinden (lengte of breedte) en/of in de tijd. Bij fasering in de ruimte wordt een deel van de planten ongemoeid gelaten om later aangepakt te worden (bij fasering in de ruimte is dus altijd ook sprake van fasering in tijd). Het gedifferentieerde hekkelonderhoud dat we toepassen kan worden gezien als fasering.
Beheer en onderhoud terreinen
Als Wetterskip bezitten we terreinen rondom rioolwaterzuiveringen, gemalen en overige terreinen. Voortvloeiend uit ons Ambysjedocument Bioferskaat en de gedragscode beheer en onderhoud houden we ook op die terreinen rekening met flora en fauna.
We bezitten 27 rioolwaterzuiveringen. We bemesten die terreinen niet en passen ook geen gewasbeschermingsmiddelen toe. Op een aantal terreinen experimenteren we met extensief beheer. We gaan in beeld brengen wat extra mogelijkheden voor extensiever beheer en inrichting zijn en passen die waar mogelijk en zinvol toe. Denk aan zaken als het toepassen van inheemse kruidenrijke mengsels, planten van inheemse struiken, broedhopen, nestkasten plaatsen et cetera. Voor de (kleinere) terreinen rondom gemalen hanteren we hetzelfde beleid als bij de rioolwaterzuiveringen.
We hebben ook terreinen buiten waterkeringen, gemalen of zuiveringen in eigendom, met een soms hoge natuurwaarde. Op die terreinen liggen extra kansen voor biodiversiteit. Bij wijze van pilot zijn sommige overige terreinen ingezaaid met kruidenrijke mengsels. We bemesten ook deze terreinen niet en passen geen bestrijdingsmiddelen toe. Om de omstandigheden voor weidevogels te verbeteren hebben we beleid om boeren de mogelijkheid te geven weilanden plasdras te zetten.
Stroomschema rekening houden met f en f in beheer en onderhoud
Ecologisch medegebruik
In veel gevallen is het mogelijk onze bezittingen ook open te stellen voor andere vormen van gebruik. Ook ‘ecologisch medegebruik’ is mogelijk en vindt soms al plaats.
Eigenaren van regionale en lokale waterkeringen komen steeds vaker met verzoeken tot inzaaien met een kruidenrijk mengsel en het toestaan van extensief beheer. We gaven in het coalitieakkoord al aan ruimte te willen bieden aan initiatieven van derden gericht op het versterken van biodiversiteit en bereid te zijn regels die dat in de weg staan te heroverwegen. We staan dan ook open voor medegebruik van onze keringen en terreinen ten behoeve van flora en fauna, waarbij we voor primaire keringen wel terughoudend zijn. Vanzelfsprekend moet dat gebruik niet strijdig zijn met onze opgaven. Ook mag medegebruik niet leiden tot extra kosten.
We gaan na of en hoe we mogelijkheden voor medegebruik door flora en fauna standaard onderdeel kunnen laten zijn in bestekken bij nieuwbouw en renovatie. Denk aan voorzieningen voor vleermuizen, insecten en vogels (nestkasten, insectenhotels), maar ook meer diverse inrichtingen (bomen, struiken, groene daken) op terreinen. Bijenkasten op onze terreinen staan we overigens niet toe, omdat die een negatief effect hebben op de wilde bijen die daar van nature voorkomen.
Kans: Bomen
Bomen zijn belangrijk voor klimaat en biodiversiteit en dragen bij aan een divers en gewaardeerd landschap. We hebben in het verleden, ook vanwege de inpassing, op rwzi-terreinen al bomen geplant en zien ook kansen op andere terreinen. We zijn terughoudend met het planten van bomen op waterkeringen (zeker primaire) maar willen onderzoeken of het planten hiervan op andere locaties hier en daar mogelijk is. Dit mede als ondersteuning van recreatie en groenblauwe dooradering. Als vanwege weidevogels of andere overwegingen (bijvoorbeeld plaatsing van zonnepanelen) wordt voorgesteld bomen te kappen maken we de integrale afweging of dit nodig is en de voordelen van kap opwegen tegen de nadelen. We gaan hiervoor een praktisch kader opstellen.
Kansen pakken bij projecten
Als Wetterskip voeren we jaarlijks een of meer grotere projecten uit. Denk bijvoorbeeld aan de bouw van een gemaal of dijkverbetering. Daar liggen kansen om fundamenteel, vanaf het begin, aandacht te besteden aan kansen voor flora en fauna. Een voorbeeld hiervan is het dijkverbeteringsproject Koehool - Lauwersmeer. In de uitwerking daarvan wordt biodiversiteit als nevendoel meegenomen. De kennis die dat oplevert over hoe we dijken zo kunnen aanleggen en beheren dat kansen voor flora en fauna benut worden zetten we in de toekomst in voor andere dijkverbeteringstrajecten.
In kleinere projecten of bij herinrichting wordt ook regelmatig iets extra’s of iets op een andere manier gedaan, zodat flora en fauna gestimuleerd worden. Ook sorteren we bij projecten voor op later onderhoud: de aanleg van regionale- en lokale waterkeringen moet zo plaatsvinden dat er natuurvriendelijk en gedifferentieerd onderhoud kan plaatsvinden. We nemen, in lijn met het Ambysjedocument Bioferskaat, voor nieuwe investeringsprojecten verbetering van de biodiversiteit als nevendoelstelling op in projectopdrachten. Daarbij geldt wel dat dit niet strijdig mag zijn met de projectdoelstellingen en ook financieel inpasbaar moet zijn.
10. Hoe verder?
Financiën en capaciteit
In deze nota wordt vooral bestaand beleid bij elkaar gebracht. De nota zelf heeft dan ook geen directe financiële gevolgen. Het op basis van onder meer de nota aanpassen van uitvoeringsstukken en nieuw te schrijven uitvoeringsbeleid kan wel financiële gevolgen hebben, zoals beverbeleid. Dit beleid zal dan te zijner tijd uiteraard aan u voorgelegd worden, met eventuele bijbehorende financiële consequenties.
Bijlage 1: Definities
Biodiversiteit: de verscheidenheid aan leven op aarde, een samenvoeging van de woorden 'biologisch' en 'diversiteit'. Het omvat de variatie binnen soorten (genetische diversiteit), de variatie tussen verschillende soorten (soortenrijkdom) en de variatie tussen de verschillende ecosystemen, zoals moerassen en bossen. Kortom, het gaat om al het leven: van planten, dieren en schimmels tot bacteriën.
Flora en fauna: een verzamelbegrip voor alle planten (flora) en dieren (fauna) die in een bepaald gebied of een bepaalde tijd voorkomen. De term "flora" verwijst naar het plantenrijk en "fauna" naar het dierenrijk.
Natuur: de gehele werkelijkheid die niet door de mens is gemaakt, inclusief levende organismen (zoals planten en dieren) en niet-levende elementen (zoals geologie, weersystemen en sterrenstelsels).
Bijlage 2: Voor Fryslân relevante plaagsoorten
Tabel invoegen
Soort
Exoot
Probleem voor opgave(n)
Muskusrat
Ja
Veilig
Beverrat
Ja
Veilig
Bruine rat
Nee
Veilig
Konijn
Nee
Veilig
Mol
Nee
Veilig
Muizen
Nee
Veilig
Das
Nee
Veilig
Vos
Nee
Veilig
Bever
Nee
Veilig
Uitheemse rivierkreeften
Ja
Veilig, Schoon
Grote waternavel
Ja
Voldoende, Schoon
Waterteunisbloem
Ja
Voldoende, Schoon
Watercrassula
Ja
Voldoende, Schoon
Parelvederkruid
Ja
Voldoende, Schoon
Waterwaaier
Ja
Voldoende, Schoon
Aziatische duizendknopen
Ja
Schoon
Reuzenberenklauw
Ja
Schoon
Jacobskruiskruid
Nee
Goede buur
Akkerdistel en speerdistel
Nee
Goede buur