Aanhef
Genomen besluit
Het college van Dijkgraaf en Heemraden besluit de Standaard Ontwerp Richtlijnen voor de versterking of reconstructie van de primaire waterkeringen van Waterschap Zuiderzeeland, vast te stellen.
Toelichting
Standaard Ontwerp Richtlijnen (SOR) voor de versterking of reconstructie van de primaire waterkeringen zijn uitgangspunten voor het ontwerp van een primaire waterkering. Het werken met SOR draagt bij aan veilige primaire waterkeringen die efficiënt beheerd kunnen worden. Ook maakt het werken met deze richtlijnen het mogelijk om duurzaamheidsambities van Waterschap Zuiderzeeland te realiseren en ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.
1. Inleiding
1.1. Aanleiding
Waterschap Zuiderzeeland versterkt de komende jaren een deel van zijn primaire waterkeringen. Ook worden er regelmatig (grote) projecten door derden gerealiseerd op of nabij de primaire waterkering van het waterschap, waarbij er een reconstructie van de kering plaatsvindt.
Dit vraagt om heldere uitgangspunten die als vertrekpunt dienen voor het ontwerp van de primaire waterkering. In dit document zijn de uitgangspunten voor het ontwerp van een primaire waterkering opgenomen. Dit noemen we Standaard Ontwerp Richtlijnen (SOR).
Het waterschap wil veilige primaire waterkeringen die efficiënt beheerd kunnen worden. Daarnaast wil het waterschap kansen bij dijkversterkingen en reconstructies benutten om duurzaamheidsambities (energiezuinig, CO2-neutraal, circulair, biodiversiteit) van het waterschap te realiseren en ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. Het werken met de SOR draagt bij aan deze doelstellingen.
1.2. Standaard Ontwerp Richtlijnen
De Standaard Ontwerp Richtlijnen (SOR) vormen het vertrekpunt voor een dijkversterking of dijkreconstructie. Per project wordt in het kader van Systems Engineering bekeken welke ontwerprichtlijnen vertaald moet worden in een klanteis en later een systeemeis en contracteis voor het project.
Het waterschap onderbouwt in dit document waarom het kiest voor een bepaalde ontwerprichtlijn. Dit doet het waterschap vanuit zijn belang als beheerder van de primaire waterkeringen in zijn beheergebied. De SOR vormen een beleidskader dat vastgesteld is door het dagelijks bestuur van het waterschap. Maatwerk waarbij afgeweken wordt van de SOR is in overleg met het waterschap mogelijk in bijzondere gevallen. Voorwaarde is dat dit leidt tot een betere, of efficiëntere, of duurzamere of innovatievere oplossing.
De scope van de SOR is technische ontwerpeisen voor een primaire waterkering én eisen op het gebied van grondzaken. Alles binnen de kernzone wordt omschreven. De SOR bevat dus geen standaard richtlijnen voor het inrichten van bijvoorbeeld omgevingsparticipatie of contractmanagement. Ook het watersysteem valt buiten de scope.
1.3. Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt toegelicht hoe de SOR zijn opgebouwd. Hoofdstuk 3 beschrijft, per onderdeel van de primaire waterkering, de standaard ontwerprichtlijnen. In hoofdstuk 4 staan de ontwerprichtlijnen voor objecten in of op de waterkering die geen waterkerende functie hebben. Eisen t.a.v. de realisatiefase en oplevering van de primaire waterkering staan in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 beschrijft de eisen op gebied van grondzaken.
2. Opzet ontwerprichtlijnen
2.1. Definitie object primaire waterkering met deelobjecten
Hieronder is een dwarsprofiel weergegeven van het object primaire waterkering binnen het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland. In het profiel zijn de verschillende deelobjecten van het object primaire waterkering weergegeven. In de tabel daaronder is per deelobject de definitie gegeven die Zuiderzeeland hanteert. In de praktijk komen vele varianten op dit dwarsprofiel voor.
Figuur 1: dwarsprofiel object primaire waterkering met deelobjecten
Deelobject van object waterkering
Definitie
Dijk
Grondlichaam bestemd voor het keren van water
Kern
Grondlichaam van zand en/of klei in een dijk dat moet worden
beschermd tegen de inwerking van de waterbeweging
Kwelsloot
Sloot aan de binnenzijde van de dijk die tot doel heeft kwelwater op te vangen en af te voeren
Drainage
Stelsel van doorlatende buizen dat kwelwater dat door de dijk stroomt afvoert naar de kwelsloot en voor voldoende drooglegging zorgt van het benedenbeloop om regulier beheer en onderhoud mogelijk te maken
Binnentalud
Het talud van de dijk vanaf de binnenkruinlijn tot aan de teen van de dijk
Benedenbeloop
Het beloop tussen de teen van de dijk en de insteek van de kwelsloot
Binnenberm
Extra verbreding aan de landzijde van de dijk om het dijklichaam extra steun te bieden of voor het accommoderen van een binnendijks beheerpad
Kruin
Hoogste punt in het dwarsprofiel van het dijklichaam of de strook tussen buitenkruinlijn en binnenkruinlijn
Buitentalud
Hellend vlak van het dijklichaam aan de kerende zijde
Buitenberm
Extra verbreding aan de buitendijkse zijde van de dijk om het dijklichaam extra steun te bieden en/of om de golfoploop te reduceren
Teenconstructie
Constructie aan de onderzijde van het buitentalud als overgang van de steenbekleding naar het voorland of de teenbestorting
Onderwatertalud
Onderdeel van het buitentalud dat zich in/onder water bevindt
Voorland
Ondiepe waterbodem of terrein voor het teenschot van de dijk; inclusief voorliggende dammen
Kunstwerk (waterkerend)
Constructie die onderdeel uitmaakt van een waterkering en over een beperkte lengte de waterkerende functie van het grondlichaam geheel of gedeeltelijk overneemt, maar is aangelegd ten behoeve van een andere (utilitaire) functie die de waterkering kruist (zoals schutten, spuien, bemalen, waterinlaat en een verlaagde dijkdoorgang). In verband met deze utilitaire functie zijn deze waterbouwkundige constructies meestal voorzien van minimaal twee afsluitmiddelen.
Gemaal
Kunstwerk om water van een laag peil naar een hoog peil te brengen, waarvan de noodzaak kan liggen in wateroverschot aan de lage kant (afvoer) of in waterbehoefte in het gebied aan de hoge kant (aanvoer). Een gemaal is een samenstel van verschillende onderdelen:
•één of meerdere doorvoerleidingen of –kokers
•één of meerdere afsluitmiddelen
•een gebouw met installaties
Sluis
Kunstmatige, beweegbare waterkering die de verbinding tussen twee wateren (met eventueel een verschillend waterpeil) kan afsluiten of openstellen (voor scheepvaart) en daartoe van deuren of schuiven is voorzien
Langsconstructie
Type kunstwerk in een waterkering welke een bijdrage levert aan de stabiliteit van de waterkering zoals kademuren, damwanden en stabiliteitschermen
NWO
Niet waterkerend object. Object op of in de dijk dat geen waterkerende functie heeft, zoals kabels en leidingen, gebouwen en beplanting
Tabel 1: definities deelobjecten van object primaire waterkering. De definities zijn grotendeels ontleend aan “Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017”
2.2. Objectboom reconstructie/versterking primaire waterkering
Een versterking of reconstructie van de primaire waterkering heeft als doel om de waterveiligheid van het achterliggende land te verbeteren of te borgen. Daarnaast faciliteert de versterking of reconstructie de inpassing van bestaande en/of nieuwe functies in of op de primaire waterkering. Dit laatste betreft het inpassen van NWO’s (Niet Waterkerende Objecten).
De waterveiligheid wordt geborgd door de primaire waterkering. Deze is onder te verdelen in dijk (het grondlichaam) en kunstwerken. Zie onderstaande objectboom.
Figuur 2: objectboom versterking/reconstructie primaire waterkering
*deelobject dat niet in de SOR is uitgewerkt.
In dit document zijn (in hoofdstuk 3) per deelobject van het object primaire waterkering de ontwerprichtlijnen beschreven die Waterschap Zuiderzeeland hanteert. Hetzelfde is gedaan voor de (meest voorkomende) NWO’s (in hoofdstuk 4).
3. Ontwerprichtlijnen primaire waterkering
3.1. Primaire waterkering
1De primaire waterkering dient ten minste te voldoen aan de wettelijke overstromingskansnorm (ondergrens) uit de Waterwet (omgevingswaarde in de Omgevingswet).
Gedurende de levensduur van een waterkering neemt de sterkte van de kering af door veroudering en door toenemende hydraulische condities door klimaatverandering. De landelijke afspraak is dat met de voorbereidingen van een dijkversterking gestart kan worden op het moment dat een traject niet meer voldoet aan de signaleringswaarde uit de Waterwet (signaleringsparameter in de Omgevingswet). Binnen het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland gaat de achteruitgang langzamer doordat de keringen gefundeerd zijn op een zandcunet en het klimaateffect in het merengebied achter de afsluitdijk, klein is. Dit maakt dat de dijk na versterking niet aan de signaleringswaarde hoeft te voldoen. De overstromingskans mag echter niet groter zijn dan de ondergrens.
2Het ontwerp van de primaire waterkering moet voldoen aan de geldende wettelijke kaders.
De Waterwet en het WBI (Wettelijk Beoordelings Instrumentarium 2017) hebben een wettelijke status. Het OI (Ontwerpinstrumentarium 2014 Versie 4) is een handreiking. Naar verwachting komen er in 2023 een nieuw Wettelijk Beoordelingsinstrumentarium (WBI 2023) en een nieuwe handreiking voor het veiligheidsontwerp van een waterkering. De toepassing van het WBI 2023 wordt wettelijk verplicht. Voor het ontwerpen van versterkingsmaatregelen is de ontwerphandreiking niet verplicht, het gebruik ervan wordt echter wel aanbevolen.
3De versterking of reconstructie van de primaire waterkering moet voldoen aan de Keur (straks Waterschapsverordening), het waterkeringenbeleid (bouwbeleid, beleid windmolens, kabels en leidingen en beplantingen, visie medegebruik primaire keringen) en het vigerende waterbeheerprogramma van Waterschap Zuiderzeeland. De gewijzigde situatie (kernzone, beschermingszones en onderhoudsplichten) wordt opgenomen in de legger.
4De dijk (het grondlichaam) dient bij oplevering een ontwerplevensduur van minimaal 50 jaar te hebben, zonder groot preventief en correctief onderhoud.
50jaar is het vertrekpunt. Optimalisatie van de levensduur vindt plaats op basis van de LCC benadering (levenscyclusbenadering). Voor waterkerende constructies ter vervanging van een grondlichaam, geldt een andere ontwerplevensduur. Zie eis 82
5Het waterschap heeft voorkeur voor een grondlichaam i.p.v. (versterking door) een constructie.
Zand en klei zijn duurzame materialen en goedkoper in onderhoud (niet altijd), inspectie en versterking. Onderhoud, inspectie en versterking zijn minder complex bij een grondlichaam.
6De primaire waterkering dient te kunnen worden onderhouden volgens de huidige onderhoudssystematiek als beschreven in het Meerjaren onderhoudsplan (MJOP) van het waterschap.
7Het maatgevend regulier onderhoudsverkeer betreft een hydraulische rupskraan met lange giek en een tractor met 2 maaiwerktuigen.
Maaien steenbekleding
Maaizuigcombinatie
8De Hydraulische belastingen dienen conform het vigerend instrumentarium te worden afgeleid met de daarbij uitgeleverde hydraulische randvoorwaardendatabases en met de meest actuele klimaatscenario’s
Dit betreft een meerpeilstijging van 1 cm per jaar voor het IJsselmeer vanaf 2050 tot 2080, totaal 30 cm, waarna van 2080 tot 2100 het meerpeil gelijk blijft. Na 2050 zal het meerpeil van het Markermeer door zeespiegelstijging en toenemende neerslag gaan meestijgen met het IJsselmeer. Er wordt verondersteld dat een derde deel van dit klimaateffect kan worden weggepompt naar het IJsselmeer. Dit betekent dat in de periode van 2050 tot en met 2075 rekening moet worden gehouden met een lineaire toename van het wintermeerpeil van het Markermeer met +10 cm. Het plafond van +10 cm op het Markermeer is derhalve in 2075 bereikt, daarna moet het peil constant worden verondersteld tot 2100. Voor het ontwerpen van kunstwerken of voor ruimtereservering wordt vaak een zichtduur van 100 jaar gebruikt. Voor de periode na 2100 bestaat er echter nog geen beleidsvoornemen. Het is aan de waterbeheerder om hier zelf een weloverwogen keuze voor te maken (of verder stijgen of plafondwaarde hanteren). (Bron: Werkwijzer bepaling hydraulische ontwerprandvoorwaarden Aanvulling OI2014, versie 4, A.J. Smale, 2016). NB De actualiteit van deze ontwerpeis dient bij iedere versterking of reconstructie getoetst te worden bij de Helpdesk Water.
9Nieuw aan te brengen materiaal dient vrij te zijn van verontreinigingen conform AW 2000 (achtergrondwaarde 2000 uit het besluit bodemkwaliteit), inclusief biologische en chemische verontreiniging en puin. Aan te brengen materiaal mag niet verontreinigd zijn met invasieve soorten als Japanse Duizend Knoop. Aan te brengen materialen mogen niet thermisch gereinigd zijn.
Dit moet aangetoond worden met laboratorium onderzoeksresultaten die laten zien dat de grond niet is vervuild, zowel chemisch als biologisch.
10De kering wordt zoveel mogelijk langs de lijnen van Duurzaam GWW (Grond- weg- en waterbouw) aangelegd.
Het waterschap wil in al zijn projecten verantwoord omgaan met grondstoffen en materialen en vraagt dit ook van derden die een project op of nabij de primaire waterkering realiseren, waarbij er een reconstructie van de kering plaatsvindt.
11Het ontwerp van de kering moet beheerbaar, inspecteerbaar en in de toekomst versterkbaar en beoordeelbaar zijn.
Toekomstige versterkingen blijven uitvoerbaar. Hiervoor wordt voldoende ruimte gereserveerd. Uitgangspunt is een strook van 20 meter naast de kernzone, zowel binnen- als buitendijks (binnenbeschermingszone).
12De waterkering dient zowel tijdens als na realisatie bereikbaar te zijn voor calamiteitenverkeer en inspectie tijdens een storm. Het gaat om hulpdiensten, inspectievoertuigen of een kraan om zand of steen op de dijk aan te brengen.
13De initiatiefnemer coördineert de verwerving van gronden ten behoeve van het project. Alle kosten samenhangend met de verwerving van deze gronden komen ten laste van de initiatiefnemer.
Bij een dijkversterking heeft het waterschap een opgave en is initiatiefnemer, bij een dijkreconstructie gaat het initiatief uit van een derde partij. Zie hoofdstuk 6 voor de nadere specificaties voor wat betreft grondverwerving.
14Eventuele bij de realisatie van het project vrijkomende grond vervalt niet aan de aannemer of een derde partij, maar blijft eigendom van het waterschap. Deze grond wordt op waarde gezet. Met het waterschap worden nadere afspraken gemaakt wat hiermee gebeurt en hoe de waarde met het waterschap verrekend wordt.
15De aanpassing van de waterkering leidt niet tot (significant hogere) meerkosten voor het waterschap (qua beheer, toetsing, onderhoud en toekomstige dijkversterkingen). Bij het ontwerp wordt een afweging gemaakt in het kader van LCC. Meerkosten voor het waterschap in de eindsituatie dienen, in overleg, te worden afgekocht.
16Bij ontwerp van een dijkversterking of reconstructie is de ligging van de huidige dijk maatgevend. De dijken van ZZL liggen op een grondverbetering / zandcunet, en hebben al jarenlang kunnen zetten.
Eisen t.a.v. uit te voeren onderzoek
17De te hanteren stijghoogte voor de geotechnische faalmechanismen dient te worden gekalibreerd met behulp van bestaande en/of nieuwe peilbuismetingen en inzichten uit het regionale Azure model.
18Voor de geotechnische faalmechanismen moet voor de binnenwaterstand het dagelijkse peil worden aangenomen.
19Voor de macrostabiliteitsanalyse van het grondlichaam van de primaire waterkering moet het Critical State Soil Mechanics model uit het OI2014v4 (Ontwerp Instrumentarium 2014 versie 4) worden gevolgd.
20Grondonderzoek (voor de afleiding van geotechnische sterkteparameters ten behoeve van de bepaling van de stabiliteit van de primaire waterkering) wordt conform actuele richtlijnen uitgevoerd.
Waterschap Zuiderzeeland is bereid om aan de voorkant voorstellen voor geotechnisch onderzoek te toetsen om te borgen dat de juiste uitgangspunten worden gebruikt.
21De resultaten van uit te voeren grondonderzoek dienen conform het geotechnisch onderzoeksprotocol van Waterschap Zuiderzeeland te worden aangeleverd evenals aan de BasisRegistratie Ondergrond. De laboratorium resultaten dienen in de STOWA database te worden verwerkt.
22Voor de doorlatendheid van de pleistocene zandlagen dienen de waarden uit de Stochastische Ondergrond Schematisatie (SOS) te worden gevolgd, tenzij lokale metingen uit het grondonderzoek anders uitwijzen.
23Voor de doorlatendheid van het voor- en achterland dienen de waarden uit de peilbuizen ofwel uit Azure te worden gevolgd.
3.2. Taluds, belopen en bermen
Binnentalud en buitentalud
24Taludhellingen mogen niet steiler zijn dan 1:3,0 i.v.m. onderhoudbaarheid, inspecteerbaarheid en arbo-eisen. Dit betreft het maaionderhoud op de onverharde taluds (Zie Leidraad Zee- en meerdijken) en onderhoud steenzetting op het buitentalud.
Op deze taluds of flauwer kan maaiapparatuur rijden, is beter een grasmat te ontwikkelen en is minder kans op uitspoeling bij kale plekken.
25De dijk dient voorzien te zijn van een bekleding. Het toe te passen soort bekleding voldoet aan de van toepassing zijnde delen van de Handreiking Dijkbekledingen 2015 deel 1 t/m 5, Deltares.
26De kleibekleding dient minimaal 0,8m te bedragen i.v.m. dierlijke graverij. Dit is inclusief de leeflaag van klei (dit geldt ook voor de kruin en het benedenbeloop). Dit is ongeacht wat uit de berekeningen volgt, behalve als deze meer bedraagt dan de voorgeschreven 0,8 m.
Conform het OI2014v4 (HF3 onder Hoogte) wordt aangeraden om dierlijke graverij (door b.v. konijnen en vossen) tegen te gaan door minimaal 0,8m kleibekleding aan te brengen. Dit is ook de praktijkervaring van het waterschap.
27De aan te brengen klei dient te voldoen aan de eisen voor klei conform de schematiseringshandleiding Grasbekleding. Het waterschap geeft de voorkeur aan gebruik van gebiedseigen grond.
Door laboratorium onderzoeksresultaten dient aangetoond te worden dat de kwaliteit voldoet aan de eisen conform schrale of stevige klei schematiseringshandleiding grasbekleding WBI 2017. Op aanwijzen van het waterschap dient op minimaal 4 en maximaal 10 locaties in het laboratorium te worden onderzocht of de aangebrachte klei voldoende is verdicht en aan de vereiste kwaliteit voldoet. Dit alles conform de proef beschreven in “Studie voor richtlijnen klei op dijktaluds in het rivierengebied” Hfst 10.
28De klei die wordt aangebracht mag niet te nat zijn, hierdoor kan scheurvorming optreden welke ongewenst is. Hiervoor dient een minimale consistentie-index (Ic) = 0,75 te worden aangehouden (dit geldt ook voor de kruin en het benedenbeloop).
Zie paragraaf 4.2 van het rapport “Update inzichten in gebruik van klei voor ontwerp enuitvoering van dijkversterking, aanbevelingen voor ontwerp en uitvoering”, van Deltares uit 2017
29De klei dient maximaal per 0,4 m te worden aangebracht en iedere afzonderlijke laag wordt verdicht (dit geldt ook voor de kruin en het benedenbeloop).
Conform de studie voor richtlijnen klei op dijktaluds in het rivierengebied en het TR (Technisch Rapport) klei bij dijken.
30De klei mag niet bevroren worden verwerkt en moet afwaterend (van boven naar benden) worden aangebracht (dit geldt ook voor de kruin en het benedenbeloop). Er mag geen stagnatiewater ontstaan.
31Voor de ontwikkeling van een gesloten grasmat dient het binnentalud, benedenbeloop, buitentalud en kruin, bovenop de erosiebestendige kleilaag, voorzien te zijn van een toplaag of leeflaag van schrale klei (met een vloeigrens lager dan 40%).
Er ontwikkelt zich een meer kruidenrijke grasmat. Deze hoeft minder vaak gemaaid te worden (2 maaibeurten i.p.v. 3) en er is minder kans op ongewenste kruiden. Het is lastig om op een kleilaag cat. 1 een gesloten en goed doorwortelde grasmat te kweken. Bij droogte zal de dijk minder snel en diep droogtescheuren gaan vertonen.
32Alle belopen en taluds van de dijk en kwelsloot dienen bereikbaar te zijn voor regulier onderhoudsverkeer (zie eis 7) (geldt voor buitentalud, binnentalud, benedenbeloop en kwelsloot).
33De onverharde delen binnen de kernzone dienen ingezaaid te zijn met graszaadmengsel D1 (hooiland) of D2 (weidemengsel/schapenland). Inzaaien met 120 kg/ha. (geldt voor buitentalud, binnentalud, benedenbeloop, buitenberm, binnenberm en taluds kwelsloot) Andere mengsels kunnen worden toegestaan, mits voldoende is aangetoond door kennisinstituten dat deze mengsels meer dan voldoende erosiebestendigheid geven. Waar mogelijk wil het waterschap de biodiversiteit vergroten, conform de rapportage "Biodiversiteitsontwikkeling op de dijken van Waterschap Zuiderzeeland. Een analyse van ecologisch potentieel".
34De dijk dient opgeleverd te worden met een dichte grasmat, zonder ongewenste kruiden. Dit betekent dat de grasmat dusdanig ontwikkeld is, dat aangetoond kan worden dat er over 3 jaar een goed ontwikkelde grasmat is. Bij onvoldoende ontwikkeling van de grasmat bij oplevering, dient er opnieuw ingezaaid te worden.
Uiteraard beseft het waterschap dat er zich nog niet een goed doorwortelde grasmat kan hebben ontwikkeld bij oplevering, maar er is wel te zien of er voldoende gras opkomt.
35Bij de overgang van een harde naar een zachte dijkbekleding (b.v. van een steenbekleding naar een grasbekleding) dient een overgangsconstructie (van b.v. grasbetonstenen) aangebracht te worden conform de Handreiking Dijkbekledingen 2015 deel 1 t/m 5 en de Technische richtlijn Steenzettingen. Tussen de dijkbekleding en een kunstwerk of NWO dient eveneens een overgangsconstructie aangebracht te worden. Deze bepaling geldt binnen de gehele kernzone.
Het doel van de overgangsconstructie is het voorkomen van erosie. Wanneer er geen overgangsconstructie aanwezig is, kan de bekleding open gaan staan/wijken. Het waterschap heeft de ervaring dat de overgang van een (asfalt)pad naar gras beter niet middels een betonband uitgevoerd kan worden. Na jaren ontstaat er een naad tussen het asfalt en de band. Deze naad kan aanleiding zijn tot uitspoelen van materiaal uit de ondergrond of gevaar opleveren voor fietsers die met hun banden in de naad rijden.
36Verhardingen moeten voldoende draagkrachtig zijn voor regulier onderhoudsverkeer. Deze eis geldt voor de volledige kernzone.
37Regen- en of overslagwater dient onder natuurlijk talud af te stromen naar de kwelsloot of het buitenwater, zodat nergens water blijft hangen.
Buitentalud
38De stenen dijkbekleding dient beproefd te zijn (voorzien van de vereiste certificaten). Het waterschap moet de steenbekleding conform het WBI kunnen beoordelen. Ook dient de steenbekleding eenvoudig en snel gerepareerd te kunnen worden. De stenen dijkbekleding wordt zonder scherpe overgangen aangelegd om spleetvorming te voorkomen.
39De bekleding van het buitentalud betreft een gras- of steenbekleding. De beheerder acht asfaltbekleding ongewenst wegens vormgeving en beheerbaarheid. Dit betreft de delen belast op golfklap en golfoploop.
In verband met de 'stille' waterlijn aan de buitenzijde heeft begroeiing teveel kans om zich in en door het asfalt te wortelen.
40Overlaging van steenzetting met stortsteen is niet toegestaan.
Overlaging met stortsteen is goedkoop in aanleg, niet in beheer. Na verloop van tijd ontstaan in stortsteenbekleding struiken/bomen die minimaal eens per drie jaar handmatig moeten worden verwijderd. Dit gebeurt met kniptangen en motorkettingzagen. Dit is gevaarlijk werk, omdat de steenbestortingen lastig te bereiken zijn. Uit oogpunt van veiligheid en ARBO zijn dergelijke werkzaamheden daarom niet gewenst. Een ander nadeel is dat dergelijke glooiingen erg ongelijkmatig van vorm zijn en dus moeilijk zijn te monitoren en inspecteren. Kleine verzakkingen zijn niet waarneembaar tijdens inspectie.
Voorbeeld van overlaging steenzetting met stortsteen
41Indien er met een constructie wordt aangesloten op het (buiten)talud van de dijk, dan maakt de daadwerkelijke aansluiting geen onderdeel uit van de waterkerende constructie/ het dijklichaam.
In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld dat een aansluitende weg aan kan sluiten op het dijklichaam, maar dat de steenbekleding van het dijklichaam onder de weg door dient te lopen om de waterkerende constructie te waarborgen.
42De bovenkant van de steenzetting na versterking of reconstructie dient minimaal tot dezelfde hoogte aanwezig te zijn als in de huidige situatie. Deze eis geldt niet wanneer het profiel van de dijk gewijzigd wordt.
Met het oog op klimaatverandering en meerpeilstijging vindt het waterschap het niet duurzaam om dijken te verzwakken. Als de steenzetting in de huidige situatie hoger ligt dan volgens het ontwerpinstrumentarium nodig is, dan wordt de steenzetting boven de vereiste hoogte niet verwijderd. Dit geldt alleen wanneer het profiel ongewijzigd blijft.
Buitenberm
43De Buitenberm dient minimaal 3 meter breed te zijn om ruimte te bieden aan het plegen van onderhoud en inspectie aan de dijk, tenzij een voorland voorziet in ruimte voor het plegen van onderhoud en inspectie.
44Het fietspad/onderhoudspad op de buitenberm moet (als beheerpad) minimaal 3 meter breed zijn. Onderhoudsverkeer hoeft dan niet op de kantsluiting (bijv. betonband en/of kant asfalt te rijden waardoor deze verzakt / afbrokkelt. De voorkeur gaat uit naar een breedte van 5,00 meter (zie eis 46).
45Ten behoeve van calamiteitenbestrijding en inspecteerbaarheid dient er een buitendijks inspectiepad aanwezig te zijn. Bij het ontwerp dient met de dijkspecialisten bepaald te worden wat de ideale hoogteligging van het onderhoudspad is. Voorkeur heeft een hoogte waarbij het onderhoudspad ook onder stormomstandigheden (bijvoorbeeld tot 1:100) nog begaanbaar is. Mogelijk is dit de hoogte die overeenkomt met (of iets ligt boven) de maatgevende hoogwaterstand bij de norm (ondergrens). Deze hoogte kan per dijk(strekking) verschillen i.v.m. de grootte en diepte van de meren en aanwezige strijklengte. Bij het bepalen van de hoogte moet er ook rekening mee worden gehouden dat de hele steenglooiing en teenschot vanaf het onderhoudspad met kranen en tractorarmen af te reiken is, om het berijden van de steenzetting te voorkomen. Indien niet aan deze eis tegemoetgekomen kan worden dient op de kruin of aan de polderzijde van de dijk een verhard inspectiepad met een minimale breedte van 5,00 meter aangebracht te worden. Onderhoud teenschot en terugzetten stortsteen op stortberm vindt dan plaats vanaf het water, met een kraanschip. Het wordt dan duurder om het onderhoud uit te voeren.
46De voorkeursbreedte voor het onderhoudspad bedraagt 5,00 meter.
Bij onderhoud aan steenzettingen en/of teenschot worden zuilen/blokken en overig materiaal tijdens de uitvoering tijdelijk buiten de steenzetting op het onderhoudspad geplaatst. Het is voor kranen die steenzetters assisteren niet toegestaan om op de steenzetting te rijden i.v.m. het gevaar op vervormingen van het daaronder gelegen keileem en het mogelijk breken van zuilen of blokken. De kraan moet dus op het onderhoudspad staan. Als het pad 5,00 meter breed is kunnen beheerverkeer, hulpdiensten en fietsers nog passeren. Voor het terugzetten van stortsteen dat op de steenzetting is terechtgekomen na een storm, wordt een kraan ingezet die de steen vanaf de onderhoudsweg kan terugzetten.
Onderhoudspad IJsselmeerdijk (breed 5,00 m)
47Het fietspad/onderhoudspad op de buitenberm van de dijk dient opgebouwd te zijn uit waterbouwasfaltbeton of een betonpad van voldoende dikte. Alle verhardingen dienen voldoende sterk te zijn om onderhoudsapparatuur/ verkeer te kunnen dragen. Het pad moet zettingen kunnen volgen en er mogen geen holle ruimten onder het pad ontstaan.
48Indien het onderhoudspad op een buitenberm wordt aangebracht, dan geen smalle grasbermen (smaller dan 1,5 meter) aanbrengen langs het pad. Deze zijn niet goed te maaien.
Smalle grasbermen zijn aanwezig op de Vosse- en Ketelmeerdijk. De teen van het talud is daar beschadigd. Het maaiapparaat snijdt soms in het talud. Een ander nadeel van deze berm is dat bij het maaien van het boventalud de tractor met zijn banden over deze berm rijdt. De berm wordt aangedrukt en er kunnen rijsporen ontstaan, omdat er niet kan worden verspoord.
Smalle grasberm Vossemeerdijk
49De Buitenberm dient een afschot te hebben tussen 2% en 3% richting het buitenwater in verband met de afvoer van regenwater.
Binnentalud
50Ten behoeve van de pachters en onderhoudsverkeer (maaiapparatuur) dienen ter plaatse van het binnentalud iedere 500 meter dijkopritten te worden gemaakt. Deze hebben een talud van maximaal 1:10. De opritten zijn voorzien van verharding van grasbetonsteen en 4,00 meter breed.
Een wagen die geladen wordt met hooi is na 500 meter vol.
Onderwatertalud
51Om tegendruk te bieden aan het teenschot en daarmee het vooroverhangen van het teenschot te voorkomen, en ter bescherming van het onderwatertalud dient direct langs het teenschot een kraagstuk te worden aangebracht, van een nader te bepalen breedte en te worden afgestort met breuksteen van voldoende zwaarte.
Het kraagstuk dient te bestaan uit een kunststofdoek met daarop in lengte- en dwarsrichting een raamwerk van wiepen. De functie van het raamwerk van wiepen is om het kunststofdoek tijdens het afzinken stabiel te houden (ter voorkoming van bijvoorbeeld dubbelslaan) en om te voorkomen dat de aan te brengen steenbestorting in het onderwatertalud naar beneden rolt.
Benedenbeloop
52Het benedenbeloop dient bij voorkeur een breedte te hebben van minimaal 10 meter, met een verhang van minimaal 1:20 ten behoeve van doelmatig onderhoud. De minimale breedte is 5 meter met een verhang van 1:10 richting de kwelsloot. Indien het benedenbeloop breder is dan 10 meter, kan het verhang 1:40 zijn.
Bij een breedte van 10 meter is het voor onderhoudsverkeer makkelijker om te versporen.
53Het benedenbeloop dient een drooglegging te hebben van minimaal 0,6 m, zodat de ondergrond voldoende draagkrachtig is voor regulier onderhoudsverkeer.
3.3. Grondlichaam of dijkskern
54De kern dient te bestaan uit zand conform CUR 162.
Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving (CUR 162 Construeren met Grond).
55Bij een aantal dijken komt gebitumineerd zand voor aan de polderzijde van de dijk. Bij versterking /reconstructie van deze dijken moet middels een geotechnische beschouwing aangetoond worden dat de aanwezigheid van dit zand niet leidt tot stabiliteitsverlies en / of geconcentreerde kwelstromen.
Het gebitumineerde zand komt voor in de binnentaluds van de Drontermeerdijk, Bremerbergdijk, Harderdijk, Nijkerkerdijk, Eemmeerdijk, Gooimeerdijk en IJmeerdijk. Tijdens de reconstructie van de IJmeerdijk (Almere Poort / Duin) is deze laag verwijderd.
56Bij het verhogen of verbreden van de dijk dient onderzocht te worden of de aanwezige klei- en keileemlagen van de “oude” dijk onder de ophoging kunnen verdwijnen of dat deze lagen verwijderd moeten worden zodat het zand van de verhoging aansluit op het zand van het oude dijklichaam.
Bij de dijkverhogingen in 2000 – 2005 zijn de aanwezige kleilagen en keileemlagen van de “oude” dijk onder de ophoging verdwenen. Wanneer deze lagen verwijderd worden en het zand van de verhoging aansluit op het zand van het oude dijklichaam, verwacht het waterschap, door het ontbreken van stoorlagen in de dijkkern, een meer regelmatig verloop van de freatische grondwaterlijn door de dijk.
57Het vergraven van de keileem en het verzwakken van de keileem door het aanbrengen van een constructie, moet zoveel mogelijk worden vermeden.
58De uiterlijke vormgeving en toegepaste materialen van de dijk dienen overeen te komen met de aansluitende dijktrajecten. Zo is er sprake van een grote continuïteit van het dijkprofiel, met zo min mogelijk verstoringen. Het door het waterschap opgestelde ‘ruimtelijk perspectief dijken’ geeft richting aan de nagestreefde ruimtelijke kwaliteit waaraan de dijk moet voldoen.
Hiermee doelen wij op taludhellingen, bekledingstypen, kwelslootprofiel, onderwatertalud (indien van toepassing, zelfde opbouw en materialen), vloeiende overgangen (geen sprongen/trappen). De buitenkruinlijn dient zoveel mogelijk als een vloeiende lijn door te lopen.
3.4. Teenconstructie (teenschot en teenbestorting)
59De steenbekleding dient te worden opgesloten m.b.v. een teenschot van voldoende sterkte / afmeting. Beton heeft de voorkeur, maar hardhout en staal zijn ook toegestaan. Het waterschap wil dat er binnen een project een eenduidige keuze wordt gemaakt. Het teenschot mag tijdens en na plaatsing niet vervormen en moet voldoende weerstand bieden tegen de druk van de steenzetting. Het teenschot wordt grondverdringend aangebracht. Spuiten en/of fluïderen is niet toegestaan. De levensduur van het teenschot komt overeen met die van de dijk. Indien gekozen wordt voor een stalen damwand, dan moet het zetwerk ook in de damwandkassen worden gezet.
60Tegen het teenschot dient een teenbestorting te worden aangebracht. Deze constructie dient steun te bieden aan de bovenliggende steenzetting en wordt op basis van de vigerende regels ontworpen.
61Een nieuw aan te brengen teenschot dient aan de dijkzijde zo kort mogelijk achter het bestaande teenschot geplaatst te worden. Op deze manier wordt het buitentalud met de erosiebestendige keileemkist in de ondergrond zo weinig mogelijk aangetast. De ruimte tussen het oude en nieuwe teenschot dient opgevuld te worden met grind 20-40 mm en vol en zat ingegoten te worden met gietasfalt om een stevige teenconstructie te verkrijgen.
3.5. Kwelsloot
62Kwel- en hemelwater dienen vrij af te kunnen wateren op een kwelsloot. De kwelsloot dient 2-zijdig af te kunnen wateren op het oppervlaktewatersysteem. Indien er geen kwelsloot is dient in het ontwerp te worden aangetoond dat de dijk niet instabiel kan worden en er voldoende ontwatering is overeenkomstig eis 53.
63De kwelsloot dient bereikbaar te zijn voor onderhoud met regulier onderhoudsmaterieel vanaf het benedenbeloop.
64De kwelsloot dient geprofileerd te zijn conform het kwelslootprofiel als omschreven in de legger van aansluitende dijkvakken (zijnde talud dijkzijde 1:5, bodembreedte 0,80 m, talud polderzijde 1:1,5).
65De kwelsloot binnendijks moet tijdens uitvoering en in de eindsituatie kunnen afwateren, met een capaciteit minimaal gelijk aan het leggerprofiel.
3.6. Drainage
66In het benedenbeloop dient een drainagesysteem aanwezig te zijn dat onder maatgevende omstandigheden voldoende capaciteit heeft om kwelwater af te voeren, zodat de stabiliteit van de dijk en het benedenbeloop gewaarborgd is. Ook wanneer niet uit het OI volgt dat drainage aangelegd moet worden, schrijft het waterschap drainage voor, om te borgen dat het benedenbeloop voldoende daadkrachtig is voor onderhoudsverkeer.
67Bij een dijkversterking of reconstructie dient nieuwe drainage te worden aangebracht in een zandsleuf in het benedenbeloop van de primaire waterkering, afgedekt met een kleilaag ten behoeve van de graszode. Het betreft geperforeerde pvc ribbeldrain minimaal Ø 100 mm (bron STOWA) met kunststofomwikkeling van polypropeen O90, 700 of 1000 µm, of gelijkwaardig.
68Aanwezige drains die bij een dijkversterking of reconstructie onder de ophoging verdwijnen en daarmee niet meer toegankelijk zijn voor beheer en onderhoud, dienen te worden verwijderd.
69De uitstroomopeningen van het drainagesysteem dienen tussen de 10-20 cm boven het waterpeil van de kwelsloot te liggen i.v.m. inspecteer- en onderhoudbaarheid.
70De drainage moet zodanig aangelegd worden dat deze vanuit de kwelsloot doorspuitbaar is met een trekker met doorspuit installatie (de trekker staat hierbij op het benedenbeloop).
71Scherpe bochten in het drainagesysteem die de doorvoer van spuitkoppen verhinderen, zijn niet toegestaan.
72De nieuwe drainage dient zodanig met de bestaande drainage te worden mee gelegd dat deze elkaar niet doorsnijden.
73De uitstroomopening van de drainage dient een bewezen constructie te zijn met een ontwerplevensduur van ten minste 25 jaar.
Dit kan bijvoorbeeld een kunststoffen uitstroombak zijn. Zie voor voorbeeld http://www.haner.nl/eindbuis taludbescherming type ET. De uitstroomopening mag ook worden uitgevoerd in beton.
74De lengte van de drainage dient maximaal 150 meter te zijn.
75De bochtstralen van de te leggen dijkdrainage dienen minimaal 10 meter te zijn.
76De uitstroomopeningen van de drainage dienen verzonken te zijn i.v.m. maaibaarheid.
77De uitstroomopeningen van de drainage dienen zichtbaar te zijn i.v.m. inspectie en doorspuiten.
3.7. Kruin
78De ontwerphoogte van de dijk betreft, in het geval er een weg op de dijk ligt, de bovenkant van het asfalt.
79De minimale kruinbreedte bedraagt 3,00 meter (conform de Leidraad Zee- en meerdijken en de Handreiking constructief ontwerpen). Om goed onderhoud uit te kunnen voeren bedraagt de minimale kruinbreedte 5 meter. Als de huidige kruin breder is dan 3 meter, dan wil het waterschap deze breedte behouden.
Bij een breedte van 5 meter hebben onderhoudsvoertuigen op de kruin de mogelijkheid om te versporen. Hierdoor wordt de kans op schade aan de grasmat kleiner.
80De dijkhoogte na versterking of reconstructie dient minimaal gelijk te zijn aan de hoogte in de huidige situatie.
Met het oog op klimaatverandering en meerpeilstijging vindt het waterschap het niet duurzaam om dijken te verlagen, ook als sprake is van overhoogte.
81In de nieuwe buitenkruinlijn dienen per 100 meter dijkpalen conform de standaard van de afdeling Waterbeheer te worden geplaatst.
3.8. Kunstwerken
Langsconstructies
82Eventueel toe te passen waterkerende constructies (b.v. damwanden of betonconstructies) die bijdragen aan de stabiliteit van de waterkering, dienen bij oplevering een ontwerplevensduur van minimaal 100 jaar te hebben, zonder groot preventief en correctief onderhoud.
83Indien ankers voor de verankering van een damwand of andere constructies zijn toegepast mogen deze niet reiken tot in het dijkprofiel.
Sluis, gemaal, inlaatduiker en coupure
In de SOR zijn geen ontwerprichtlijnen opgenomen voor een sluis, gemaal, inlaatduiker of coupure. Aanpassingen aan een gemaal, inlaatduiker of coupure doet het waterschap in de regel zelf en veelal binnen een dijkversterkingsproject.
Voor aanpassingen aan of nieuwbouw van sluizen (op verzoek van de provincie Flevoland of een gemeente) schrijft het waterschap binnen het vergunningentraject specifieke ontwerpregels en uitvoeringsvoorwaarden voor.
De vigerende ontwerp- en rekenregels, zoals vastgelegd in de “Werkwijzer ontwerpen waterkerende kunstwerken – ontwerpverificaties voor de hoogwatersituatie” bieden hiervoor voldoende handvatten.
4. Ontwerprichtlijnen voor inpassing NWO’s
4.1. Algemeen
84Op basis van het Wettelijk beoordelingsinstrumentarium (WBI) dient te worden aangetoond dat de bijdrage van het toetsspoor NWO aan de overstromingskans niet significant is.
4.2. Brugpijler
85In de kernzone mogen, conform de Keur, geen NWO's (niet-waterkerende-objecten waaronder pijlers en heipalen) staan. Afwijkingen op de Keur dienen middels de waterwetvergunning te worden aangevraagd. Hierbij zijn pijlers aan de buitenzijde in de kernzone niet vergunbaar. Aan de polderzijde mogen ze niet binnen de grondmechanische teen staan en onder voorwaarden binnen de kernzone op het vlakke benedenbeloop.
86Onder en tot 2 meter buiten een viaduct of brug zal de grasmat op de waterkering zich niet goed kunnen ontwikkelen en dient er een steenbekleding (met overgangsconstructie in geval van gesloten verharding) te worden aangebracht.
87Onder de brug moet voldoende ruimte (minimaal 2 meter) zijn tussen de bovenkant van de steenzetting en de onderkant van de brugligger, zodat de dijk bereikbaar blijft voor inspectie te voet en voor steenzetters.
88Eventuele pijlers voor de dijk dienen te worden voorzien van een aanvaarbeveiliging.
4.3. Weg of fietspad
89Bij dijkversterkingen of -dijkreconstructie is het uitgangspunt dat het waterschap een provinciale of gemeentelijke weg (wegdek en wegfundering) op een dijk met de bestaande weg- en bermafmetingen, teruglegt in de dijk (zie onderstaande figuur). Bovenkant wegdek is gelijk aan de ontwerphoogte.
Figuur 3: ontwerphoogte dijk, bij weg in dijk
•Om schade aan de berm en daarmee de kering te voorkomen, worden aan beide zijden naast het wegdek één of meerdere rijen grasbetontegels aangelegd. De wegbeheerder inspecteert en onderhoudt deze.
Ontwerpeisen overgang asfalt – grasbekleding:
•Grasbetontegels (tussen het asfalt en de grasbekleding) met daaronder voldoende klei t.b.v. vegetatieontwikkeling;
•Te allen tijde voorkomen van een doorgaande verticale naad ter plaatse van de overgangsconstructie. Daarom (en ook vanuit oogpunt van ontwerp van een goede wegverharding) moet de fundering breder zijn dan de bovenliggende asfaltverharding;
•Aanbeveling om het asfalt ter plaatse van de overgang verzwaard uit te voeren;
•Eventueel toepassen van een geotextiel om uitspoeling van de fundering te voorkomen.
•Mocht de wegbeheerder na de versterking een bredere weg willen dan nu aanwezig is, dan zijn de meerkosten ten gevolge van de aanleg van een bredere weg, voor rekening van de wegbeheerder.
•De weg wordt in de wegenlegger
1In Flevoland stellen de gemeenten de wegenlegger (inclusief provinciale wegen) op, GS stelt deze vast.
opgenomen en de provincie/ gemeente wordt hierin als wegbeheerder aangewezen. De wegbeheerder is hiermee verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de weg én aansprakelijk voor schade bij derden als gevolg van gebruik van de weg. Het waterschap wil daarnaast een recht van opstal voor de weg vestigen.
•Het waterschap verleent vergunning aan de wegbeheerder voor de aanleg van de weg. In de vergunning maakt het waterschap afspraken met de wegbeheerder over de vereiste toestand van het wegdek en de wegberm en welk beheer en onderhoud (inclusief herstel van schades) hiervoor vanuit waterveiligheid nodig is. Wat niet in een vergunning geregeld kan worden, wordt geregeld in een aanvullende overeenkomst. Ook worden afspraken gemaakt over de werkzaamheden die tijdens het gesloten seizoen (15 oktober tot 15 maart) door de wegbeheerder uitgevoerd kunnen worden.
•Het waterschap neemt de weg (fundering en wegdek inclusief bermen, met afmetingen) op in de legger waterkeringen (situatiebladen en dwarsprofielen). De wegbeheerder wordt als onderhoudsplichtige voor de weg en de wegberm opgenomen in de legger van het waterschap (tabel met onderhoudsplichtigen). Hierbij wordt expliciet vermeld dat het waterschap geen wegbeheerder is.
4.4. Afrastering
90Afrasteringen ten behoeve van de schapen beweiding dienen van het volgende type te zijn of gelijkwaardig: type zwaar ursusgaas rond 3mm verlopend van 80 tot 150mm, hoog 0,80 meter. Betonpalen met diamantkop en minimaal 4 gaten ten behoeve van bevestiging gaas. Afmeting paal 100x100x1800. Paalafstand hart op hart 4 meter. Hoogte paal boven maaiveld 1000 mm. Schoorpalen bij eindpalen en aan weerszijden tussenpalen hart op hart 60 m. Gaas duurzaam strak bevestigen met minimaal 4 bevestigingsmiddelen per paal. Draaipoorten breed 5,00 meter. (Draaipoort voorzien van hekfundering 250SS, beweegbaar landhek Fabrikaat DJS hekwerken te Vuren of gelijkwaardig). Poorten moeten kunnen worden voorzien van dijkhangsloten.
91Onder dwarsafrasteringen die haaks op de dijk staan, dient een verharding van grasbetonstenen te worden aangebracht, tot 0,60 m uit het gaas.
Het uitmaaien en ruimen van gras ter plaatse van afrasteringen is lastig. Verder maken muizen en mollen graag gangen onder een afrastering omdat deze niet worden betreden en verdicht.
4.5. Kabels en leidingen
92Het ontwerp en de aanleg van kabels en leidingen moet voldoen aan het 'Beleid primaire waterkeringen voor windmolens, kabels en leidingen en beplantingen' van Waterschap Zuiderzeeland.
93Kabels en leidingen die hun functie verliezen moeten uit het dijklichaam verwijderd worden.
4.6. Opritten
94Indien er sprake is van een op- of afrit van de dijk, dient deze een hellingshoek te hebben van maximaal 1:10 of flauwer. De oprit dient te worden verhard met betonnen grasbetonstenen breed, 4,00 meter. (zie ook eis 50)
4.7. Taludtrappen
95Taludtrappen dienen uit betonnen tredes te bestaan, ingegraven gelegen in de dijk. (ivm maaibaarheid). Tussen de aansluiting van de taludtrap en gras dient een overgangsconstructie te worden aangebracht.
96Het kleidek ter plaatse (onder de trap door) moet de vereiste dikte (exclusief leeflaag) hebben (zie eis 26 en 31).
6. Ontwerprichtlijnen grondzaken
6.1. Grondverwerving en vervreemding
119Het Waterschap hanteert ten aanzien van grondverwerving en vervreemding van waterkeringen de volgende uitgangspunten, overeenkomstig het vigerende Grondzakenbeleid:
Waterkeringen
De kernzone van de primaire waterkering is in eigendom bij het Waterschap, met uitzondering van:
a.De sluizen die in eigendom en beheer zijn van de Provincie Flevoland of gemeente Almere; en,
b.Enkele gedeelten in de kern Urk, waarbij de kernzone op een aantal plaatsen door of vlak langs de bestaande bebouwing loopt.
Het eigendom van de onder a en b genoemde sluizen en gebouwen wordt niet actief verworven.
Regionale (buitendijkse) keringen en overige of secundaire keringen worden in beginsel niet in eigendom verworven (de Knardijk; overige waterkering welke in eigendom en beheer is bij het Waterschap).
Naast de primaire waterkeringen zijn diverse locaties in het beheergebied als kernzone aangewezen. Het gaat dan voornamelijk om buitendijks gelegen (strek)dammen, kades etc. Deze verdedigingswerken zijn niet in eigendom bij het waterschap.
Waar niet de gehele kernzone van de primaire waterkering volledig eigendom is van het waterschap wordt dit eigendom actief verworven, behoudens de hiervoor genoemde uitzonderingen. Aangezien de bestaande primaire waterkeringen reeds eigendom zijn van het waterschap, zal dit zich met name voordoen bij nieuwe keringen of bij het verleggen of aanleg van keringen.
Als gevolg van technische aanpassingen ten behoeve van bijv. stedelijke ontwikkelingen kan de kernzone van vorm veranderen. Wijziging van de kernzone brengt met zich mee dat grond die binnen de nieuw te vormen zone komt te liggen, in eigendom (en in beheer) bij het waterschap dient te komen.
Uitgangspunten bij grondverwerving voor uitvoering wettelijke taak
•Grondverwerving vindt plaats op basis van de jaarlijks vastgestelde normbedragen, waarvan de toelichting is opgenomen in bijlage 1. De schadevergoeding dient te zijn onderbouwd;
•Er wordt niet meer grond verworven dan slechts noodzakelijk voor de realisatie van het project;
•Wanneer een rechthebbende kan aantonen dat de aangeboden bedragen niet marktconform zijn dan kan het Waterschap besluiten om de reeds aangeboden schadevergoeding aan te passen. Een rechthebbende dient zijn verzoek te onderbouwen met bewijsstukken zoals een accountantsrapportage, of een door een onafhankelijk taxateur opgestelde schadeberekening.
Uitgangspunten bij grondvervreemding
•Het Waterschap kan eigendommen die haar waterstaatkundige functie verliezen, vervreemden;
•Wanneer het Waterschap bereid is zijn gronden (of objecten) te verkopen, wordt aan de hand van een taxatie, welke is opgesteld door een onafhankelijke taxateur, de marktwaarde bepaald.
•De transactie betreft een kosten koper transactie
6.2. Vestigen zakelijk recht (recht van opstal)
120Het waterschap vestigt bij verlegging/ of aanleg van nieuwe kabels en leidingen (in ieder geval wanneer het een kabel en of leiding betreft >10 Kv) een recht van opstal op de belemmerde strook.
121Voor het recht van opstal geldt een retributie. De hoogte van de retributie wordt bepaald overeenkomstig de vergoedingensystematiek opgenomen in het vigerende Grondzakenbeleid.
122De inhoud van de zakelijk recht overeenkomst dient aan te sluiten bij de af te geven watervergunningen en/of het Projectplan Waterwet (na inwerkingtreding Omgevingswet: projectbesluit). Indien de vergunning is afgegeven voor een bepaalde tijd, dan wordt het zakelijk recht gevestigd voor de duur gelijk aan de duur van de afgegeven vergunning.
123Het is aan de initiatiefnemer om de benodigde gegevens voor het vestigen van het zakelijk recht aan te leveren aan het waterschap en de notaris en eventuele andere betrokken partijen. Het betreft onder andere duidelijke tekeningen.
124Gelet op artikel 1.2 van de Keur, zijn de verplichtingen uit de Keur ook van toepassing wanneer gronden met een (beperkt) zakelijk recht zijn bezwaard of krachtens een persoonlijk recht in gebruik zijn gegeven.