Aanhef
Gebiedsspecifiek beleid Besluit Bodemkwaliteit
2 Systeembeschrijving Rutbekerveld
2.3 Waterhuishoudkundige situatie
2.3.1 Grondwater
De grondwaterstanden fluctueren als gevolg van (seizoens)verschillen tussen neerslag en verdamping. De gemiddelde grondwaterstand rondom de plas is NAP +25,5 m en is gelijk aan het gemiddelde oppervlaktewaterpeil van de plas, zie paragraaf 2.3.2.
De regionale grondwaterbeweging in het eerste - grote - watervoerende pakket is van zuidoost naar noordwestelijke richting. Deze richting is afgeleid uit peilbuiswaarnemingen en de maaiveldhoogteverschillen in de omgeving. De plas is een grondwaterdoorstroomde plas: aan de zuidoostkant stroomt het grondwater de plas in en aan de noordwest er weer uit.
Bij een grondwaterverhang (i) van circa 1,5 m/km en een horizontale doorlatendheid (k) van het zand van 30 tot 37 m/dag wordt een horizontale grondwaterstroming van 16 tot 20 m/jaar berekend. Omdat de waterplas een beheerst peil heeft (aftopping) zal de feitelijke stroming van het grondwater nabij de plas niet groter zijn dan 20 m/jaar. Bij veel neerslag stijgen de grondwaterstanden rondom de plas namelijk verder en kan er stroming naar de plas optreden.
De omgeving van het Rutbekerveld wordt gekenmerkt als een infiltratiegebied. Het infiltrerende neerslagoverschot stroomt voornamelijk in noordwestelijke richting. In de beekdalen van de Hagmolenbeek en de Rutbeek kan, afhankelijk van de grondwaterstand in de omgeving, kwel optreden naar de beken.
2.3.2 Oppervlaktewater
De plas is hydrologisch geïsoleerd van het oppervlaktewatersysteem en wordt gevoed door grondwater en (lokaal) regenwater. Conform de definitie in de Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen betreft het Rutbekerveld een ‘vrijliggende diepe plas’. De plas ligt namelijk niet in een opper-vlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en wordt boven de spronglaag nauwelijks gevoed door oppervlaktewater van elders.
Aan de noordoostkant van de plas stroomt de Rutbeek in noordelijke richting en aan de zuidwestkant stroomt de Hagmolenbeek in noordwestelijke richting. In de omgeving van de plas ligt het oppervlaktewaterpeil in deze beken tussen NAP +25,3 m en +25,6 m.
In de westhoek van de plas ligt een overstortvoorziening naar de Hagmolenbeek met een minimale kruinhoogte van
NAP +25,30 m en een maximale kruinhoogte van
NAP +26,07 m. Hierdoor worden hoge peilen in de plas afgetopt. Het gemiddelde peil in de zandwinplas is NAP +25,47 m, zie ook tabel 2.2. De verblijftijd in de plas is 5 tot 10 jaar.
Foto: locatie uitstroom in Hagmolenbeek
Tabel 2.2: karakteristieken oppervlaktewaterpeil zandwinplas [bron: Geohydrologisch Onderzoek 2013]
locatie
meetfrequentie
meetperiode
minimumpeil
gemiddeld peil
maximumpeil
(m NAP)
(m NAP)
(m NAP)
Rutbekerveld
1xper 2 weken
jan 2006 t/m aug 2012
25,11
25,47
26,10
2.3.3 Relatie grond- en oppervlaktewater
Bij oppervlaktewaterpeilen lager dan de overstorthoogte wordt het peil in de plas voornamelijk beïnvloed door het grondwater. Omdat de bodemopbouw voornamelijk uit zandig materiaal bestaat, is er weinig weerstand tussen de plas en bodem. Hierdoor is er een goede relatie tussen grondwater en oppervlaktewater van de plas. Het oppervlaktewaterpeil in de plas volgt de grondwaterstand.
2.4 Waterkwaliteit
2.4.1 Chemische waterkwaliteit
Grondwater
Zoals in paragraaf 2.3.1. aangegeven, stroomt grondwater door de plas van zuidoost naar noordwest. Een kilometer ten noorden van de plas staat een peilbuis waarin op meerdere diepten regelmatig de waterkwaliteit is gemeten. In tabel 2.3 zijn de gemiddelde analyseresultaten weergegeven.
Tabel 2.3: resultaten analyse chemische kwaliteit grondwater [bron: dinoloket]
parameter
eenheid
gemiddelde waarden buis B34F0659
toetsing BKMW
NLGW0003
Zand Rijn-Oost
toetsing MTR grondwater
(MTT + ACdiep)
pH
-
6,5
chloride
mg/l
31
voldoet
nikkel
μg/l
3,3
voldoet
voldoet
arseen
μg/l
11
voldoet
voldoet
cadmium
μg/l
0,035
voldoet
voldoet
lood
μg/l
0,57
voldoet
voldoet
barium
μg/l
53
voldoet
chroom
μg/l
2,9
voldoet
koper
μg/l
1,1
voldoet
zink
μg/l
73
voldoet
ijzer
mg/l
13
nitraat
mg N/l
0,12
ammonium
mg N/l
0,54
totaalfosfaat
mg P/l
0,28
voldoet
sulfaat
mg/l
39
Hieruit blijkt dat de grondwaterkwaliteit voldoet aan de geldende normen. Het grondwater heeft een hoger fosfaatgehalte dan de plas. Het grondwater is relatief rijk aan ijzer (13 mg Fe/l), vermoedelijk is het instromende grondwater ook ijzerrijk en doet het ondiepe deel van de plas dienst als ijzerval: het ijzer bindt zich met fosfaat en slaat als ijzerfosfaat neer op de bodem. In het diepe deel waar het zuurstofarm is, wordt de ijzerfosfaatverbinding weer verbroken. Tijdens een veldbezoek van RPS bij de zandwinplas zijn rode ijzerplekken gevonden. Dit bevestigt het vermoeden dat ijzerrijk grondwater door de plas stroomt.
Rutbekerveld
In september 2012 is de zandwinplas op twee locaties bemonsterd (westelijk en oostelijk deel). Bij beide monsterpunten zijn zowel de ondiepe als de diepe waterlaag bemonsterd. In tabel 2.4 zijn de analyseresultaten weergegeven.
De analyseresultaten geven aan dat het een voedselarme plas is met fosfaatconcentraties onder de detectiegrens van 0,05 mg P/l. Ook het totaal-stikstofgehalte is laag, maar voldoet in het oostelijk deel net niet aan de norm van 0,9 mg N/l. De nutriënten en chlorofyl-a (maat voor algenbloei) zijn over de gehele kolom in lage concentraties aanwezig. Deze waarden zijn karakteristiek voor onbelaste diepe plassen.
Op basis van verschil in zuurstofgehalte en temperatuur tussen de diepe en ondiepe laag kan geconcludeerd worden dat sprake is van stratificatie. Tijdens stratificatie is de diepe laag zuurstofarm.
Tabel 2.4: resultaten analyse chemische kwaliteit Rutbekerveld (bemonstering op 16-09-2012) [bron: Oppervlaktewater-kwaliteit 2013]
west
oost
toetsing
parameter
eenheid
ondiep
diep
ondiep
diep
KRW-M16
doorzicht
m
4,2
4,0
voldoet
temperatuur
°C
17,4
12,5
17,9
14,7
voldoet
pH
-
7,3
6,9
7,7
7,4
voldoet
zuurstof
mg/l
6,8
2,1
6,1
2,5
CZV
mg/l
13
14
14
12
chloride
mg/l
30
31
30
29
voldoet
zwevend stof
mg/l
<2
<2
<2
<2
nitraat
mg N/l
0,42
0,58
0,43
0,51
nitriet
mg N/l
0,01
<0,01
0,01
0,01
ammonium
mg N/l
<0,05
<0,05
<0,05
0,05
stikstof-Kjeldahl
mg N/l
0,46
0,50
0,59
0,55
stikstof-totaal
mg N/l
0,9
1,1
1,0
1,1
voldoet net niet
orthofosfaat
mg P/l
<0,05
<0,05
<0,05
<0,05
totaalfosfaat
mg P/l
<0,05
<0,05
<0,05
<0,05
norm is < 0,04
chlorofyl-a
μg/l
<4
<4
<4
<4
voldoet
sulfaat
mg/l
95,8
96,9
97,1
94,5
3x groter dan norm ws*
metalen
μg/l
<dl
<dl
<dl
<dl
PCB’s/OCB’s
μg/l
<dl
<dl
<dl
<dl
minerale olie
μg/l
<dl
<dl
<dl
100**
<dl: gehalte kleiner dan detectielimiet
*) sulfaat voldoet wel aan MTR van 100 mg/l
**) betreft waarschijnlijk humuscomponenten afkomstig van de bodem van de plas
Hagmolenbeek
Voor vijf locaties in de Hagmolenbeek zijn gegevens bekend omtrent nutriënten en macro-ionen over de periode 2010-2012. Twee locaties liggen op 2 tot 3 km bovenstrooms van de zandwinplas en twee locaties op 5 tot 6 km benedenstrooms. Aan het eind van de Hagmolenbeek net voor de uitstroom in het Twentekanaal (circa 10 km benedenstrooms van de zandwinplas) ligt het KRW-meetpunt van de Hagmolenbeek.
Uit de meetgegevens van het waterschap blijkt dat de concentraties stikstof en fosfaat afnemen van bovenstrooms naar benedenstrooms en bij uitstroom in het Twentekanaal weer iets toegenomen zijn. Tevens zijn de concentraties in de jaren afgenomen, waarschijnlijk vooral als gevolg van het landelijke mestbeleid.
Foto: Hagmolenbeek
In onderstaande tabel zijn de zomergemiddelden voor totaal-stikstof en totaal-fosfaat weergegeven voor de twee dichtstbijzijnde meetpunten in de Hagmolenbeek in 2012. Ter hoogte van de overstort ligt het totaal-stikstofgehalte ongeveer rond de KRW-norm en het totaal-fosfaatgehalte ruim onder de KRW-norm. Het totaal-stikstofgehalte is in de Hagmolenbeek ongeveer vier keer hoger dan in de zandwinplas en het totaal-fosfaatgehalte is net iets hoger.
Tabel 2.5: Nutriënten twee meetpunten Hagmolenbeek (2012) [bron: Memo Waterkwaliteit Hagmolenbeek]
parameter
eenheid
benedenstrooms
(afstand 5 km)
bovenstrooms
(afstand 2 km)
KRW-norm
(R5)
stikstof-totaal
mg N/l
3,2
4,7
4
fosfaat-totaal
mg P/l
0,05
0,07
0,14
De macro-ionen en overige gemeten parameters vertonen boven- en benedenstrooms weinig variatie. Het water in de Hagmolenbeek is kalkrijk en van het calciumbicarbonaattype.
2.4.2 Ecologische kwaliteit
Voor de zandwinplas zijn geen bijzondere natuurdoelstellingen vastgelegd. Op 11 oktober 2012 is door Grontmij een quick scan ecologie in de zandwinplas uitgevoerd [bron: rapport Oppervlaktewaterkwaliteit, 2013]. Ondanks het late tijdstip in het jaar zijn toch nog negen soorten ondergedoken waterplanten gevonden. Deze planten worden alle op een diepte tussen 1 en 2 meter aangetroffen, soms in hoge bedekkingen. Naast nitella en gewoon kransblad, die vaker voorkomen in diepe plassen met een goede waterkwaliteit, is ook rossig fonteinkruid aangetroffen. Op de noord- en oostoever staan minder waterplanten als gevolg van wind- en golfwerking. Vooral op deze plaatsen groeien dichte kranswiervelden en de stromingstolerante soort aarvederkruid. De begroeiing met ondergedoken waterplanten is kenmerkend voor een dieper water met vrij goede waterkwaliteit, al duiden de soorten niet op extreem voedselarm water. Op de oever worden soorten gevonden van voedselrijkere standplaatsen.
De macrofaunagemeenschap indiceert een goede waterkwaliteit met zandbodem en ondergedoken waterplanten als structuren. Er zijn bij hetzelfde Grontmij-onderzoek in totaal 34 soorten gevonden. Dit is relatief weinig in vergelijking met een volledige macrofaunabemonstering waarbij veel meer tijd wordt besteed aan bemonstering en determinatie. Hier betreft het echter een quick scan en deze is erg laat in het jaar uitgevoerd. Van de 34 gevonden soorten worden slechts twee als negatieve indicator beoordeeld en dertien soorten worden als positief beoordeeld. Dit betekent dat ook bij uitgebreid onderzoek deze plas met betrekking tot macrofauna geen negatief beeld zal laten zien en hoogstwaarschijnlijk beter scoort dan gemiddeld.
Omdat in het verleden diverse vissoorten zijn uitgezet is de samenstelling van de visstand niet karakteristiek voor diepe zandwinputten. Karper en meerval zijn geen soorten die van nature in een dergelijk water thuishoren. Baars en blankvoorn zijn wel karakteristiek voor diepe plassen.
3 Toets gebiedsspecifiek beleid
3.3 Geohydrologische beoordeling
3.3.1 Bron
De basis voor het criterium aan de bron luidt: geen significante uitstroming door lage doorlatendheid vulling. De achtergrond hiervan is dat de kans op verspreiding van verontreinigingen vanuit de verondieping kleiner is naarmate minder grondwater door de vulling stroomt. In het geval de vulling slecht of niet doorlatend is, zal slechts een klein deel van het grondwater door de vulling heen stromen en het grootste deel juist om de vulling heen. Het grondwater dat door de vulling heen stroomt, wordt dan verdund met het grondwater dat om de vulling heen stroomt. Conform de Handreiking mag een ver-dunningsfactor van minimaal 100 worden aangehouden om de bron als ‘veilig’ te beoordelen. De verdunningsfactor is gedefinieerd als de verhouding van de concentratie van een stof in het poriewater van de vulling t.o.v. de concentratie van een stof in het grondwater. Als het opvulmateriaal niet goed gemengd is, is er kans op voorkeursstroming door het opvulmateriaal en neemt de kans op uitloging toe. De fysische samenstelling van het vulmateriaal en de mate van menging zijn dus bepalend voor de mate waarin de grondwaterstroming met het vulmateriaal in contact komt.
De doorlaatfactor van de grond rondom de Rutbekerveldplas bedraagt 30 tot 37 m/dag, zie paragraaf 2.2. De doorlaatfactor van het opvulmateriaal is circa 60 tot 600 maal kleiner dan de doorlaatfactor van de aanwezige zandbodem [Grontmij, 2013]. Voor de plas kan gesteld worden dat door de relatief lage doorlatendheid de doorstroming van de vulling beperkt is.
De plas wordt volgens de initiatiefnemer gevuld met fijn zand gemengd met kleibrokken, dat niet rendabel is voor (her)gebruik. Voorwaarde voor de uitvoering is dat de vulling ‘goed gemengd’ dient te worden, zodat geen ontmengde zandbanen door de vulling ontstaan.
Aan de zijde van het intrekgebied naar het grondwatersysteem (noordwestzijde) moet schone grond (klasse A) en fijn materiaal aangebracht worden op het onderwatertalud van de plas. Hierdoor ontstaat een schone en dichte wand en wordt de mogelijkheid van belasting van het benedenstroomse gebied verder beperkt.
Met de genoemde uitvoeringsvoorwaarden is het criterium bron als veilig te beschouwen.
3.3.2 Pad
De basis voor het criterium in het pad luidt: het potentieel beïnvloed grondwater stroomt (alleen maar) naar naburig oppervlaktewater. De achtergrond hiervan is dat er geen verspreiding optreedt buiten een beperkt gebied tussen de vulling in de diepe plas en een naburig oppervlaktewater. Daardoor zijn de diepe plas en de vulling feitelijk geohydrologisch geïsoleerd van het grondwater in de omgeving. Een klassiek voorbeeld van dit geval is de nabijheid van een kwelgebied of een kwellend kanaal dat bekend staat als waterscheiding voor het gehele grondwatersysteem. In een dergelijke situatie is verspreiding van potentieel vrijkomende stoffen uit de vulling altijd beperkt tot het gebied tussen de vulling en het oppervlaktewater. Conform de Handreiking mag voor de afstand tot een eventueel kwelgebied een afstand in de orde van de afmeting van de vulling genomen worden, in dit geval maximaal 500 m.
Binnen 500 m benedenstrooms van het Rutbekerveld is geen groot kwelgebied of kwellend kanaal aanwezig dat zorgt voor een waterscheiding voor het gehele grondwatersysteem.
Wat betreft het criterium “pad” is er geen veilige situatie voor de verondieping.
3.3.3 Receptor
De basis voor het criterium in de receptor (het grondwater in de omgeving) luidt: marginale uitstroming door marginaal potentiaal verschil buitenom de vulling. De achtergrond hiervan is dat er geen uitstroming zal plaatsvinden als er rond de vulling overal dezelfde potentiaal (stijghoogte, grondwaterstand) heerst. Het maakt dan niet uit of die potentiaal in de tijd varieert, zolang de grondwaterstand maar goed het oppervlaktewaterpeil volgt.
Het Rutbekerveld wordt aan de zuidwestkant over de gehele breedte verondiept tot vlak onder het oppervlaktewaterpeil. De verondieping ligt tot de onderzijde in het watervoerend pakket. Er blijft voldoende interactie tussen de overblijvende plas en het grondwater in het watervoerend pakket, omdat de resterende plas:
•Direct aansluit op het watervoerend pakket.
•Voldoende infiltrerend vermogen heeft (niet droog valt of dichtslibt).
•Bepalend is en blijft voor de grondwaterstand onder de vulling.
Hierdoor zal ter plaatse van de vulling nauwelijks een potentiaal verschil optreden, zowel in horizontale als in verticale richting.
Een klein deel van de verondieping zal boven water uitsteken (tot maximaal 0,45 m) in de vorm van een eiland. Dit betreft echter alleen materiaal in de afdeklaag van 0,5 m. De vulling zelf komt niet boven het waterpeil uit.
De stroombaan langs de vulling wordt mogelijk door diffusie opgeladen en waarschijnlijk een niet detecteerbare, marginale pluim (dikte in orde van centimeters) vormen. In analogie met de resultaten van het verdunnings-onderzoek mag deze als veilig worden gekenmerkt. De marginale pluim zal na een zekere afstand volledig gedesintegreerd zijn (door diffusie en dynamische beweging in het grond-water). Veiligheidshalve wordt conform de Handreiking geohydrologische beoordeling (in navolging van paragraaf 3.2) voor deze afstand 2 km aangehouden. Omdat binnen een afstand van 2 km een kwetsbaar object aanwezig is (natuurgebied en ven ten westen van de plas), is een nader onderzoek wenselijk.
Nader geohydrologisch onderzoek ven
Wiertsema & Partners (2013) hebben een studie uitgevoerd naar de mogelijke effecten van de voorgenomen verondieping van de zandwinplas op het ten westen van de zandwinplas gelegen ven. Met een geohydrologisch model (MicroFEM) is de grondwaterstroming inzichtelijk gemaakt. Uit de modelberekeningen (worst-case benadering) blijkt slechts 4% van het water uit de verondieping naar het lokale hydrologische systeem van het ven stroomt. Het overgrote deel stroomt onder of langs het ven. De tijd die het water nodig heeft om het ven te bereiken bedraagt 40 jaar. In de eindfase is er onveranderd sprake van een noordwestelijke grondwaterstroming en lopen er geen stroomlijnen meer vanuit de verondieping naar het ven. Omdat de aanvulfase slechts 10 jaar duurt wordt het richting het natuurgebied gestroomde grondwater door de noordwestelijke stroming meegenomen langs het natuurgebied. Daardoor kan het grondwater vanuit de verondieping het ven niet bereiken. Tot slot blijkt het ven ook regenwater-gevoed en is de zandwinplas grondwater-gevoed. Er lijkt nauwelijks interactie tussen de zandwinplas en het ven op te treden.
Op basis van een verwaarloosbaar potentiaal over de vulling en het niet bereiken van het ven kan het criterium receptor als veilig beschouwd worden.
3.3.4 Conclusie geohydrologie
Het Rutbekerveld wordt verondiept met fijn zandig materiaal en ligt in een infiltratiegebied. Bij een zandige vulling in een infiltratiegebied bestaat het risico dat de poriewaterconcentraties direct teruggevonden gaan worden in het watervoerend pakket. De verwachting is echter dat dit slechts een marginale pluim betreft, maar het onderstreept wel het belang van de gestelde eisen in paragraaf 3.3.1 omtrent de vulling (bron).
Door de combinatie van een lage doorlatendheid in vergelijking met het omliggend zandpakket en een verwaarloosbaar potentiaalverschil kan gesteld worden dat de doorstroming van de vulling zeer beperkt is. Kwetsbare objecten worden niet bereikt. Met in achtneming van de bovengenoemde eisen is sprake van een geohydrologisch veilige situatie.