Waterschapswetten

Nota bodembeheer Plas Enterveen

Waterschap Vechtstromen · geldt sinds 27 augustus 2016

Aanhef

Gebiedsspecifiek beleid besluit bodemkwaliteit

2. SYSTEEMBESCHRIJVING PLAS ENTERVEEN

2.3. Waterhuishoudkundige situatie

2.3.1. Grondwater en kwel

De grondwaterstanden fluctueren als gevolg van (seizoens)verschillen tussen neerslag en verdamping. De grondwaterstroming in het eerste watervoerende pakket is oostelijk gericht en in het tweede watervoerend pakket noordoostelijk [provincie Overijssel]. Op basis van het verschil in stijghoogten in het eerste en tweede watervoerende pakket is sprake van kwel. Volgens de kwelkaart ligt de intensiteit in de zomer tussen 0 en 1,0 mm per dag [provincie Overijssel]. Ter hoogte van de stuwwal van Rijssen en van Enter is sprake van infiltratie.

Om meer inzicht te krijgen in de grondwaterstanden en kwelsituatie ter plaatse zijn de grondwaterstanden een jaarrond (periode oktober 2014 - september 2015) gemeten in peilbuizen ten zuidwesten en noordoosten van de plas (figuur 2.3). Wat in de figuur opvalt is dat het om subtiele verschillen gaat tussen oppervlaktewaterpeil en stijghoogten in de watervoerende pakketten. De stijghoogten in het eerste watervoerend pakket variëren tussen NAP +8,6 m en +9,6 m en in het tweede watervoerend pakket tussen NAP +8,8 en +9,5 m.

In de winter en het voorjaar is duidelijk sprake van kwel, het plaspeil is lager dan de grondwaterstanden in de omgeving. In de zomer is de plas min of meer in balans met de omgeving met stijghoogteverschillen tussen eerste en tweede watervoerende pakket van slechts circa 5 cm. Vanuit het tweede watervoerende pakket is sprake van geringe kwel, de grondwaterstroom is altijd omhoog. Via het eerste watervoerende pakket vindt in de zomerperiode (april-augustus) lichte infiltratie plaats uit de plas richting de oostelijke percelen (oppervlaktewaterpeil ligt hoger dan stijghoogte peilbuis 2 ondiep). Alleen benedenstrooms van de plas vindt infiltratie plaats. Dit wordt echter binnen enkele tientallen meters al afgevangen door aanwezigheid van waterlopen. De infiltratie vindt 5 maanden plaats, van april t/m augustus. De andere 7 maanden is de grondwaterstroming weer terug naar de plas.

Bij een grondwaterverhang (i) van circa 0,7 m/km en een horizontale doorlatendheid (k) van het zand van 7 m/dag (gewogen gemiddelde) wordt een horizontale grondwaterstroming van < 10 m/jaar berekend. Omdat de waterplas een beheerst peil heeft (afvoer via duiker, zie paragraaf 2.3.2) zal de feitelijke stroming van het grondwater nabij de plas niet substantieel afwijken van de berekende gemiddelde grondwaterstroming.

Figuur 2.3: Gemeten stijghoogten, oppervlaktewaterpeil en neerslag [Grontmij, 2015]

2.3.2. Oppervlaktewater

De plas Enterveen is sinds 2007 hydrologisch geïsoleerd van het oppervlaktewatersysteem met een overloop naar de beek Elsgraven. De plas wordt nu gevoed door grondwater en (lokaal) regenwater. Conform de definitie in de Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen betreft de plas Enterveen een ‘vrijliggende diepe plas’. De plas ligt namelijk niet in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en wordt boven de spronglaag nauwelijks gevoed door oppervlaktewater van elders. De verblijftijd in de plas is circa 15 jaar.

In 2007 is aan de zuidwestkant van de plas een nieuwe hoofdafvoerloop gegraven waarmee sindsdien het slotenstelsel van het zuidoostelijke landbouwgebied om de plas heen op de beek Elsgraven afwatert. Daarmee kon de plas worden afgekoppeld, waardoor er nu geen voedselrijk oppervlaktewater door de plas stroomt en het peil in de plas verhoogd kon worden. Hiertoe is de verbindingsloop tussen het slotenstelsel van het zuidoostelijke landbouwgebied en de plas gedempt. Aan de noordwestkant van de plas is een dam aangebracht in de afvoerloop naar de Elsgraven. In deze dam is een pvc duiker ø 300 mm aangebracht die bij de uitstroomzijde overgaat in een grotere betonnen duiker. In natte perioden kan hiermee water uit de plas afgevoerd worden naar de Elsgraven. De hoogteligging van de onderzijde van de stuwende duiker is NAP +9,01 m. Uit de metingen van oktober 2014 - september 2015 blijkt dat het waterpeil varieert van NAP +8,77 tot NAP +9,16 m (figuur 2.3).

Afvoerduiker (instroom) noordwestkant Enterveen Afvoerduiker (uitstroom) in Elsgraven

Voor de ontwatering en afwatering van de landbouwgronden in het beekdal is een uitgebreid water-lopenstelsel aangelegd. De hoofdwaterloop van dit stelsel is de beek Elsgraven aan de westkant van de plas. Op circa 350 m benedenstrooms van de zandwinplas (ter hoogte van de A1) is op verzoek van Staatsbosbeheer in 1993 door Waterschap Regge en Dinkel een stuw in de Elsgraven geplaatst, die in 2005 is geautomatiseerd. De huidige streefpeilen van de stuw zijn: winterpeil NAP +8,4 m en zomerpeil NAP +8,9 m. Uit het verloop van de automatisch geregistreerde peilen volgt echter dat in de winter vaak een hoger peil wordt gehanteerd (NAP +8,5 à +8,6 m), terwijl in sommige zomers het peil juist iets lager is (circa NAP +8,8 m). Als er in de zomer weinig gebiedseigen water beschikbaar is om de beoogde peilen te kunnen handhaven dan kan vanuit het Twentekanaal (Rijn)water aangevoerd worden.

2.4. Waterkwaliteit

2.4.1. Chemische waterkwaliteit

Grondwater

Zoals in paragraaf 2.3.1 aangegeven, stroomt grondwater door de plas van zuidwest naar noordoost. Vier kilometer ten noordoosten van de plas staat een peilbuis waarin op meerdere diepten regelmatig de waterkwaliteit is gemeten. Dit is een indicatie voor de grondwaterkwaliteit rondom de plas, maar lokaal kan de situatie afwijken. In tabel 2.2 zijn de gemiddelde analyseresultaten weergegeven.

Hieruit blijkt dat de gemeten parameters, met uitzondering van zink, voldoen aan de geldende normen. Het grondwater heeft een hoger fosfaatgehalte dan de plas. Het grondwater is tevens relatief rijk aan ijzer (14 mg Fe/l), vermoedelijk is het instromende grondwater ook ijzerrijk en doet het ondiepe deel van de plas dienst als ijzerval: het ijzer bindt zich met fosfaat en slaat als ijzerfosfaat neer op de bodem. In het diepe deel waar het zuurstofarm is, wordt de ijzerfosfaatverbinding weer verbroken. Tijdens een veldbezoek van RPS (april 2014) bij de zandwinplas zijn rode ijzerplekken gevonden. Dit bevestigt het vermoeden dat ijzerrijk grondwater de plas instroomt.

Tabel 2.2: Resultaten analyse chemische kwaliteit grondwater [bron: Dinoloket]

parameter

eenheid

gemiddelde waarden buis B28D0225

toetsing BKMW

NLGW0003

Zand Rijn-Oost

toetsing MTR grondwater

(MTT + ACdiep)

zuurgraad (pH)

-

6,8

geleidbaarheid (EC)

mS/m

106

temperatuur

°C

11

zuurstof

mg/l

0,48

aluminium (Al)

μg/l

27

arseen (As)

μg/l

12

voldoet

voldoet

barium (Ba)

μg/l

140

voldoet

calcium (Ca)

mg/l

205

cadmium (Cd)

μg/l

0,063

voldoet

voldoet

chloride (Cl)

mg/l

22

voldoet

chroom (Cr)

μg/l

1,5

voldoet

ijzer (Fe)

mg/l

14

kalium (K)

mg/l

18

koper (Cu)

μg/l

0,49

voldoet

lood (Pb)

μg/l

0,32

voldoet

voldoet

magnesium (Mg)

mg/l

18

mangaan (Mn)

mg/l

1,1

natrium

mg/l

16

nikkel (Ni)

μg/l

2,8

voldoet

voldoet

zink (Zn)

μg/l

101

voldoet niet (ruim 3 x norm)

ammonium als N

mg N/l

0,84

nitraat als N

mg N/l

0,10

nitriet als N

mg N/l

0,01

totaal fosfaat als P

mg P/l

0,30

voldoet

bicarbonaat

mg/l

634

sulfaat

mg/l

92

Plas Enterveen

Van de plas zijn drie waterkwaliteitsmetingen beschikbaar, er is geen onderscheid gemaakt in de diepe en ondiepe waterlaag. De meest uitgebreide analyse heeft in maart 2013 plaatsgevonden, in de winter 2013-2014 zijn twee beperktere analyses uitgevoerd. De analyseresultaten zijn weergegeven in tabel 2.3.

De analyseresultaten geven aan dat de plas vrij voedselarm is met een fosforconcentratie kleiner dan 0,05 mg/l in november 2013. Chlorofyl-a (maat voor algenbloei) is ook laag met een concentratie kleiner dan 10 μg/l. Er zijn echter alleen metingen beschikbaar uit de winterperiode en een koud voorjaar van 2013. Naar verwachting is de plas afgelopen jaren voedselarmer geworden door de afkoppeling van het oppervlaktewatersysteem in 2007, maar er zijn geen oude analysegegevens bekend om te vergelijken. Na de afkoppeling in 2007 is het doorzicht in de plas in elk geval verbeterd (waarneming Staatsbosbeheer).

Tabel 2.3: Resultaten analyse chemische kwaliteit Enterveen [bron: Inrichtingsplan Enterveen en analysecertificaten]

parameter

eenheid

waarde

maart 2013

waarde 20 nov. 2013

waarde

22jan. 2014

toetsing watertype M16

Veldmetingen

zuurgraad (pH)

-

8,77

voldoet niet (matig)

geleidbaarheid (EC)

mS/m

37,6

temperatuur

°C

2,5

zuurstof

%

90,1

voldoet

zuurstof

mg/l

11,33

helderheid

-

goed

doorzicht

m

1,6

voldoet niet (matig)

Analyses

indamprest

mg/l

250

<5,0

gloeirest

67%

1,4 mg/l

zuurgraad (pH) bij 20,5 ºC

-

7,9

geleidbaarheid (EC) bij 20,5 ºC

mS/m

39,0

arseen

μg/l

<1,5

cadmium (Cd)

μg/l

<0,1

<0,4

chroom (Cr)

μg/l

6

ijzer (Fe)

μg/l

26

170

kobalt (Co)

μg/l

<10

<10

koper (Cu)

μg/l

<1

<5

kwik (Hg)

μg/l

<0,02

<0,1

lood (Pb)

μg/l

<1

<5

nikkel (Ni)

μg/l

<1

<5

zink (Zn)

μg/l

<5

<10

chloride (Cl)

mg/l

27

30

voldoet

ammonium als N

mg N/l

<0,05

0,37

nitraat als N

mg N/l

0,38

<0,20

nitriet als N

mg N/l

0,03

0,013

stikstof-Kjeldahl

mg N/l

<1

<1

totaal stikstof als N

mg N/l

1,2

voldoet niet (ontoereikend)

opgelost fosfaat als P

mg N/l

<0,05

0,026

totaal fosfaat als P

mg P/l

0,09

<0,05

voldoet niet (ontoereikend)

bicarbonaat

mg/l

150

carbonaat

mg/l

<6

sulfaat

mg/l

26

chlorofyl-a

μg/l

8,5

<2

voldoet

feofytine

μg/l

8,0

3

minerale olie

μg/l

<50

PCB (som 7)

μg/l

<0,07

PAK totaal (som 10)

μg/l

<0,095

HCH (som)

μg/l

<0,05

Drins (som VROM)

μg/l

<0,03

DDX (som)

μg/l

<0,06

Chloordaan (som)

μg/l

<0,02

Beek Elsgraven

Het benedenstroomse deel van de beek Elsgraven maakt deel uit van het KRW-waterlichaam Entergraven. Uit de KRW-factsheet voor de Entergraven blijkt dat het waterlichaam voldoet voor de chemie en matig scoort voor de ecologie (figuur 2.4). De afzonderlijke biologische parameters (macrofauna, overige waterflora en vis) scoren eveneens matig. De afzonderlijke fysisch-chemische parameters (fosfor, stikstof, zoutgehalte, temperatuur, zuurgraad en zuurstof) scoren goed met uitzondering van stikstof, die scoort matig. Het oordeel voor stikstof is in 2015 lager dan in 2009. Dit is het gevolg van een andere berekeningswijze (nieuwe maatlat), waardoor de beoordeling strenger is geworden. Er is geen sprake van een feitelijke achteruitgang.

Figuur 2.4: Eindoordeel KRW-waterlichaam Entergraven [bron: Factsheet NL05_Entergraven]

2.4.2. Ecologische kwaliteit

Voor de plas Enterveen zijn geen bijzondere natuurdoelstellingen vastgelegd. Op 4 april 2013 is door Witteveen+Bos een natuurtoets voor de herinrichting uitgevoerd [bron: Natuurtoets]. De plas Enterveen is een diepe voormalige zandwinplas waarbij de onderwateroever voor het grootste deel erg steil is. De laatste 1 tot 2 m tot de werkelijke oever is over het algemeen minder steil. Desondanks is er weinig tot geen onderwater- en oevervegetatie aanwezig, behalve zwarte elzen en boswilgen op de overgang water-land. De afwezigheid van andere vegetatie kan veroorzaakt worden door de hoge mate van dynamiek (grote plas, grote strijklengte, grote golferosie), de op het oog zeer minerale bodem (weinig voedingsstoffen), de schaduwwerking van het opgaande groen langs de oever of een combinatie van deze factoren.

Op verzoek van HSV De Rietvoorn is in 2008 door Sportvisserij Nederland een visserijkundig onderzoek uitgevoerd in de plas Enterveen. Hierbij zijn de soortensamenstelling, de lengteopbouw van de verschillende gevangen vissoorten en de conditie van de vis onderzocht. De aangetroffen visstand in de plas Enterveen is met 7 soorten weinig gevarieerd. Waarschijnlijk zijn enkele vissoorten die wel in het water voor komen, niet gevangen. Qua aantal en qua gewicht is de baars de meest voorkomende vissoort. Andere vissoorten werden slechts in zeer geringe hoeveelheden gevangen.

3. TOETS GEBIEDSSPECIFIEK BELEID

3.4. Geohydrologische beoordeling

3.4.1. Bron

De basis voor het criterium aan de bron luidt: geen significante uitstroming door lage doorlatendheid vulling. De achtergrond hiervan is dat de kans op verspreiding van verontreinigingen vanuit de veron-dieping kleiner is naarmate minder grondwater door de vulling stroomt. In het geval de vulling slecht of niet doorlatend is, zal slechts een klein deel van het grondwater door de vulling heen stromen en het grootste deel juist om de vulling heen. Het grondwater dat door de vulling heen stroomt, wordt dan verdund met het grondwater dat om de vulling heen stroomt. Conform de Handreiking mag een ver-dunningsfactor van minimaal 100 worden aangehouden om de bron als ‘veilig’ te beoordelen. De mate van verdunning is gelijk aan de ‘stroomsnelheid in het watervoerend pakket’ gedeeld door de ‘stroomsnelheid door de gevulde put’.

Als het opvulmateriaal niet goed gemengd is, is er kans op voorkeursstroming door het opvulmateriaal en neemt de kans op uitloging toe. De fysische samenstelling van het vulmateriaal en de mate van menging zijn dus bepalend voor de mate waarin de grondwaterstroming met het vulmateriaal in contact komt.

Eventuele uitstroming vanuit de vulling zal voornamelijk plaatsvinden in het eerste watervoerend pakket. De doorlaatfactor van de grond in het eerste watervoerend pakket rondom de plas Enterveen bedraagt 5 m/dag, zie paragraaf 2.2. De doorlaatfactor van het opvulmateriaal mag dan maximaal 0,05 m/dag zijn. Dan kan voor de plas gesteld worden dat door de relatief lage doorlatendheid de doorstroming van de vulling beperkt is.

Informatie over de doorlatendheid van het vulmateriaal is niet volledig voorhanden. De initiatiefnemer schat de doorlatendheid in op 0,1 m/dag (fijn zand in fijn slib >30 %) of een lagere doorlatendheid.

Dit zit dicht tegen de gewenste doorlatendheid aan, maar hiermee is de bron op voorhand niet als volledig veilig te beschouwen.

Voorwaarde voor de uitvoering is dat de vulling ‘goed gemengd’ dient te worden, zodat geen ontmengde zandbanen door de vulling ontstaan.

3.4.2. Pad

De basis voor het criterium in het pad luidt: het potentieel beïnvloed grondwater stroomt (alleen maar) naar naburig oppervlaktewater. De achtergrond hiervan is dat er geen verspreiding optreedt buiten een beperkt gebied tussen de vulling in de diepe plas en een naburig oppervlaktewater. Daardoor zijn de diepe plas en de vulling feitelijk geohydrologisch geïsoleerd van het grondwater in de omgeving. Een klassiek voorbeeld van dit geval is de nabijheid van een kwelgebied of een kwellend kanaal dat bekend staat als waterscheiding voor het gehele grondwatersysteem. In een dergelijke situatie is verspreiding van potentieel vrijkomende stoffen uit de vulling altijd beperkt tot het gebied tussen de vulling en het oppervlaktewater. Conform de Handreiking mag voor de afstand tot een eventueel kwelgebied een afstand in de orde van de afmeting van de vulling genomen worden, in dit geval maximaal 500 m.

De plas Enterveen ligt in een lokaal kwelgebied, zie paragraaf 2.3.1. Vanuit het tweede watervoerende pakket is jaarrond sprake van geringe kwel, de grondwaterstroom is altijd omhoog. Mits het grondwater vrij op kan kwellen door de bodem of de oevers bestaat er geen kans op verspreiding via het tweede watervoerend pakket, zie figuur 3.4. Afvoer van kwelwater vindt plaats via de beek Elsgraven.

Via het eerste watervoerende pakket vindt in de zomerperiode (april-augustus) lichte infiltratie plaats uit de plas richting de oostelijke percelen. Dit wordt echter binnen enkele tientallen meters al afgevangen door de aanwezigheid van waterlopen. Bovendien vindt de infiltratie gedurende het jaar 5 maanden plaats en is de grondwaterstroming de andere 7 maanden weer terug naar de plas. Hierdoor is er netto nauwelijks sprake van verspreiding. Er is dus geen kans op beïnvloeding van het naburig kwetsbaar object (private onttrekking 645 m benedenstrooms van de plas).

Figuur 3.4: Permanente kwel naar plas boven vulling van diepe plas [Deltares, 2011]

Wat betreft het criterium “pad” is er wel een veilige situatie voor de verondieping.

3.4.3. Receptor

De basis voor het criterium in de receptor (het grondwater in de omgeving) luidt: marginale uitstroming door marginaal potentiaal verschil buitenom de vulling. De achtergrond hiervan is dat er geen uitstro-ming zal plaatsvinden als er rond de vulling overal dezelfde potentiaal (stijghoogte, grondwaterstand) heerst. Het maakt dan niet uit of die potentiaal in de tijd varieert, zolang de grondwaterstand maar goed het oppervlaktewaterpeil volgt.

De plas Enterveen wordt aan de noordkant over de gehele lengte verondiept tot vlak onder het opper-vlaktewaterpeil. De verondieping ligt tot de onderzijde in het watervoerend pakket. Aan de zuidkant blijft het diepste punt behouden. Er blijft voldoende interactie tussen de overblijvende plas en het grondwater in het watervoerend pakket, omdat de resterende plas:

•direct aansluit op het watervoerend pakket.

•voldoende infiltrerend vermogen heeft (niet droog valt of dichtslibt).

•bepalend is en blijft voor de grondwaterstand onder de vulling.

Uit de monitoringsresultaten (paragraaf 2.3.1) blijkt dat de potentiaalverschillen tussen het oppervlakte-waterpeil en de stijghoogten in de watervoerende pakketten gering zijn. Het peil in de plas volgt in sterke mate de grondwaterstand. Er is vooral sprake van kwel. In kwelsituaties ontstaat geen pluim in het grondwater en wordt alleen een dunne stroombaan langs de vulling beïnvloed door diffusie. In analogie met de resultaten van het verdunningsonderzoek mag deze als veilig worden gekenmerkt [Deltares, 2011].

In de zomer vindt vanuit de plas echter wel enige uitstroming plaats naar de omgeving. Het oppervlaktewaterpeil ligt dan hoger dan de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket.

Langs de randen zal de verondieping tot de waterlijn komen en bij een laag peil boven water uit kunnen steken. Dit betreft echter alleen materiaal in de afdeklaag van 0,5 m. De vulling zelf komt niet boven het waterpeil uit.

In de zomerperiode heerst er een gering potentiaalverschil tussen het grondwater (receptor) en het oppervlaktewater, waardoor uitstroming plaatsvindt. Daarmee is op basis van dit criterium geen sprake van een veilige situatie voor de verondieping.

3.4.4. Conclusie geohydrologie

De plas Enterveen ligt in een kwelgebied. Door de kwel geldt voor de herinrichting van de plas dat er geen verspreiding optreedt buiten een beperkt gebied tussen de vulling in de diepe plas en de naburige waterlopen (het pad). Daardoor zijn de diepe plas en de vulling feitelijk geohydrologisch geïsoleerd van het grondwater in de omgeving. De private onttrekking kan niet bereikt worden.

4. AFWEGING LOKALE MAXIMALE WAARDEN

4.1. LMW oppervlaktewater

4.1.1. Vulmateriaal

Materiaal – contaminanten

Vanwege de kwelsituatie in de plas Enterveen zijn vooral de risico’s voor verspreiding van verontreinigingen naar het oppervlaktewater relevant. Omdat het diepe punt behouden blijft, stroomt via die route het meeste kwelwater naar de plas. Er stroomt slechts in geringe mate water door de ingebrachte grond of bagger (afhankelijk van de doorlatendheid van het materiaal).

De concentratieverhogingen in oppervlaktewater zijn - volgens de benadering van de Handreiking geohydrologische beoordeling bij herinrichting van diepe plassen [Deltares, 2011] - over het algemeen verwaarloosbaar door de menging van relatief weinig water uit de vulling in grote hoeveelheden oppervlaktewater en stromend grondwater.

De commissie Verheijen zegt hierover in haar advies het volgende: “In de praktijk blijkt het, ook bij het ernstig risiconiveau, uitermate lastig om een significante belasting van het oppervlaktewater uit de waterbodem aan te tonen, omdat veel stoffen in de waterbodem sterk worden vastgelegd (Schipper et al., 2009). Als er bovenop de verontreinigde waterbodem een goed aangebrachte afdeklaag wordt gelegd, stelt de commissie dat het toepassen tot de maximale waarde klasse B in een natte grootschalige bodemtoepassing voldoende bescherming biedt aan de chemische oppervlaktewaterkwaliteit.”

Omdat in de plas Enterveen in de eindsituatie een afdeklaag wordt aangebracht, is na afronding van de herinrichting het risico op verontreiniging van het oppervlaktewater klein. Ook uit de evaluatie van praktijkdata bij het verondiepen van diepe plassen blijkt dat effecten en trends niet waarneembaar zijn [DHV, 2012]. Dat betekent dat conform de Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen verruiming van de generieke normen mogelijk is.

Voor de plas Enterveen worden de volgende LMW voor het vulmateriaal vastgesteld:

•Maximale waarde klasse B voor baggerspecie.

•Maximale waarde klasse Industrie en maximale waarde klasse B voor grond.

Materiaal – nutriënten

Het nutriëntengehalte is sterk bepalend voor de biologische waterkwaliteit. Bij toename van het nutriën-tengehalte neemt veelal de productiviteit toe (vooral groei van fytoplankton). Dit leidt tot vertroebeling van het water, een toename van de biomassa van hogere organismen, een toename van de kans op problemen zoals blauwalgenbloei en een afname van biodiversiteit (minder soorten). Daarbij zijn in het zoete oppervlaktewater in het bijzonder fosfaat en in mindere mate stikstof van belang. Fosfaat is veelal het limiterende nutriënt voor de productiviteit van diepe plassen.

De plas Enterveen is hydrologisch geïsoleerd van het oppervlaktewatersysteem en wordt gevoed door grondwater en (lokaal) regenwater. Hierdoor is de externe belasting van nutriënten laag en liggen de totaal-P en totaal-N gehalten momenteel rond de normen voor een ondiepe plas (watertype M11), zie paragraaf 3.1. Algemeen geldt dat voedselarme (oligotrofe) plassen kwetsbaarder zijn voor inbreng van nutriëntrijk materiaal dan voedselrijke (eutrofe of hypertrofe) plassen [STOWA, 2010]. De toepassing van materiaal dient te worden afgestemd op het gewenste watersysteem na herinrichting, in dit geval een ondiepe plas. Dit betekent dat geen achteruitgang gewenst is van de huidige nutriëntenconcentraties in de eindsituatie.

Ondiepe plassen met een goede waterkwaliteit kennen over het algemeen een grotere biodiversiteit, maar hebben ook grotere eutrofiëringsrisico’s in relatie tot de bodemkwaliteit door:

•een kleinere waterkolom per oppervlakte bodem;

•het ontbreken van een echte spronglaag;

•snellere opwarming van de waterlaag en bodem [Ministerie I&M e.a., 2015].

Hierdoor zullen er al bij een lagere nutriëntenbelasting, bepaald door de externe aanvoer plus de interne mobilisatie, problemen kunnen ontstaan [Smolders et al., 2006; Jaarsma et al., 2008; Geurts et al., 2010]. In de plas Enterveen blijft een in positieve zin sturend diep deel (met spronglaag) voor de waterkwaliteit wel behouden. Dit betekent dat het systeem wel meer draagkracht heeft dan een echt ondiep meer zonder spronglaag.

Om risico's op toename van eutrofiëringsverschijnselen te voorkomen, wordt voor de plas Enterveen aangesloten op de wettelijke normen of, indien deze niet voorhanden zijn, op breed geaccepteerde richtwaarden voor fosfaat in grond en baggerspecie. Deze normen of richtwaarden zijn opgenomen in het inrichtingsplan voor de verondieping van plas Enterveen. Vooralsnog zijn dat de waarden in tabel 4.1 conform de Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen.

Tabel 4.1: Normen nutriënten vulmateriaal

onderliggend vulmateriaal

P (g/kg)

P/Fe

baggerspecie

1,36

0,055*

grond

0,5

0,055

* Indien het P-gehalte lager is dan 0,5 g P/kg vervalt de norm voor de P/Fe-ratio

In overleg met de waterbeheerder kan bepaling van de gehalten P en Fe achterwege worden gelaten voor partijen grond en baggerspecie die gezien hun herkomst onverdacht zijn met betrekking tot nutriënten (bijvoorbeeld zand afkomstig uit diepere ondergrond of van onbelaste gebieden).

Momenteel is een nieuw milieuhygiënisch toetsingskader in de maak maar dit is nog onvoldoende uitgewerkt en nog niet vastgesteld. Zodra dit nieuwe toetsingskader is vastgesteld, vindt een beoordeling plaats of dit gevolgen heeft voor bovenstaande normen. Bij een overgang naar het nieuwe toetsingskader geldt een nader te bepalen overgangstermijn.

4.1.2. Oppervlaktewater - eindsituatie

Als einddoel voor de plas Enterveen zijn de richtwaarden voor het oppervlaktewater van toepassing, die overeenkomen met de fysisch-chemische richtwaarden uit de "Referenties en Maatlatten overige wateren - geen KRW-Waterlichamen" [STOWA, 2013]. De plas Enterveen is na de herinrichting een ondiepe plas (gemiddeld < 3 m) overeenkomend met watertype M11.

De normen voor de algemene fysische-chemie zijn vermeld in tabel 4.2 en betreffen de waarden die horen bij het Goed Ecologisch Potentieel (GEP) van watertype M11. Deze normen komen ongeveer overeen met de huidige concentraties in de plas (zie paragraaf 2.4.1).

Als LMW-oppervlaktewater gelden voor de prioritaire stoffen en overige verontreinigende stoffen de milieukwaliteitseisen volgens het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water (BKMW). De LMW voor het oppervlaktewater gelden als einddoel.

Tabel 4.2: LMW oppervlaktewater

parameter

toetscriterium

norm

herkomst

temperatuur

maximum dagwaarde °C

≤25

M11

zuurstof

zomergemiddelde %

60– 120

M11

zoutgehalte

zomergemiddelde mg Cl/l

≤200

M11

zuurgraad

zomergemiddelde

5,5 – 8,5

M11

totaal-fosfaat

zomergemiddelde mg P/l

≤ 0,09

M11

totaal-stikstof

zomergemiddelde mg N/l

≤ 1,3

M11

doorzicht

zomergemiddelde in m

≥ 0,9

M11

sulfaat

90percentiel op jaarbasis mg/l

≤ 100

MTR

chlorofyl-a

zomergemiddelde μg/l

< 23

M11

prioritaire stoffen

jaargemiddelde

JG-MKN

BKMW

overige veront­reinigende stoffen

jaargemiddelde

JG-MKN

BKMW

Door toetsing van meet- en analyseresultaten van het oppervlaktewater wordt vastgesteld of aan de normen wordt voldaan. Hiervoor moet in overleg tussen de initiatiefnemer en het waterschap een monitoringsprogramma opgezet worden (zie ook hoofdstuk 5) waarmee conform de toetscriteria aan de normen getoetst kan worden

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.