Bijlage 1
artikel 3
1Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.
artikel 4
1Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad.
2Zij gebruiken het fietspad indien trottoir en voetpad ontbreken.
3Zij gebruiken de berm of de uiterste zijde van de rijbaan indien ook een fietspad ontbreekt.
artikel 5
1Fietsers gebruiken het verplichte fietspad.
2Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad ontbreekt.
3Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken.
artikel 6
1Bromfietsers gebruiken het verplichte fietspad.
2Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad ontbreekt.
3zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken met uitgeschakelde motor.
artikel 7
Bestuurders van een invalidevoertuig gebruiken het trottoir, het voetpad, Á he5fietspad of de rijbaan.
artikel 8
1Ruiters gebruiken het ruiterpad
2Zij gebruiken de berm of de rijbaan indien een ruiterpad ontbreekt.
artikel 10
1Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan.
2Andere bestuurders dan fietsers, bromfietsers en bestuurders van een invaliqevoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken.
artikel 23
1De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan:
b.op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook;
c.op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter
f.op de rijbaan langs een busstrook en
g.langs een gele doorgetrokken streep.
artikel 24
De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:
a.bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan;
b.voor een inrit of een uitrit;
d.op een parkeerplaats voor zover zijn voertuig niet behoort tot de
categorie die is aangegeven, op een andere wijze dan is aangegeven, dan wel op andere dagen of uren dan zijn aangegeven en
e.langs een gele onderbroken streep.
artikel 25
1Het is de bestuurder van een mototvoertuig op meer dan twee wielen verboden in een parkeerschijfz8ne te parkeren:
a.indien het motorvoertuig niet is voorzien van een duidelijke zichtbare parkeerschijf waarop het tijdstip wordt aangegeven, waarop met parkeren is begonnen of
b.indien het einde van de toegestane parkeerduur is verstreken.
2Het eerste lid geldt niet ten aanzien van parkeerplaatsen, die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven.
3Op plaatsen in een parkeerschijfz8ne, die niet zijn aangeduid door een blauwe streep en die niet zijn plaatsen als bedoeld in het tweede lid is parkeren verboden.
4Onze minister geeft regels over het model van de parkeerschijf en de wijze waarop het tijdstip van aanvang van het parkeren moet worden aangegeven.
artikel 42
1Het gebruik van de autosnelweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van tenminste 80 km per uur mag en kan worden gereden.
2Het gebruik van de autoweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van tenminste 40 km per uur mag en,kan worden gereden.
artikel 43
1Het is de bestuurders verboden op een autosnelweg of een autoweg hun voertuig te keren of achteruit te rijden.
2Het is de bestuurders voorts verboden op de rijbaan van een autosnelweg of autoweg hun voertuig te laten stilstaan.
3Behoudens in noodgevallen is het de w~ebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm.
4Op een autosnelweg is het bestuurders van een samenstel van voertuigen met een totale lengte van meer dan zeven meter en van een vrachtauto verboden op een rijbaan met drie of meer rijstroken enig andere dan de twee meest rechts gelegen rijstroken te gebruiken. Het verbod geldt niet voor het geval zij moeten voorsorteren.
artikel 53
Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden. een ander voertuig te slepen, indien de afstand van de achterzijde van het trekkende voertuig tot de voorzijde van het gesleepte voertuig meer dan vijf meter bedraagt.
artikel 62
Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.
Hiervan kan door het bevoegd gezag ontheffing worden verleend voor zover het de volgende verkeersborden betreft:
ontheffing verkeersborden
C1
gesloten in beide richtingen voor bestuurders
C2
eenrichtingsweg, in deze richting gesloten voor bestuurders eenrichtingsweg
C4
eenrichtingsweg
C6
gesloten voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen
C7
gesloten voor vrachtauto's
C8
gesloten voor motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/uur.
C9
gesloten voor ruiters, vee, wagens, en motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/uuralsmede fietsers, brom fietsers en invalidevoertuigen
C10
gesloten voor motorvoertuigen met aanhangwagen
C11
gesloten voor motorfietsen
C12
gesloten voor alle motorvoertuigen
C13
gesloten voor bromfietsen en voor invalidevoertuigen met in werkingzijnde motor
C14
gesloten voor fietsen en voor invalidevoertuigen zonder motor
C15
gesloten voor fietsen, bromfietsen en invalidevoertuigen
C16
gesloten voor voetgangers
C17
gesloten voor voertuigen en samenstellen van voertuigen die, met inbegrip van lading, langer zijn dan op het bord is aangegeven gesloten voor voertuigen die, met in begrip van lading, breder zijn dan op het bord is aangegeven
C18
gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, hoger zijn dan op het bord is aangegeven
C19
gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, breder zijn dan op het bord is aangegeven
C20
gesloten voor voertuigen waarvan de aslast hoger is dan op het bord is aangegeven
C21
gesloten voor voertuigen en samenstellen van voertuigen, waarvan de totaalmassa hoger is dan op het bord is aangegeven
D2
gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft
D4 :
gebod tot het volgen van de richting die op het bord is aangegeven
DS :
gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven
D6 :
gebod tot het volgen van één van de richtingen die op het bord zijn aangegeven
D7 :
gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven
E1:
parkeerverbod
E2 :
verbod stil te staan
E3 :
verbod fietsen en bromfietsen te plaatsen
E6 :
parkeergelegenheid voor het motor- of invalidenvoertuig dat door of t.b.v. het vervoer van invaliden wordt gebruikt; tevens parkeerverbod voor andere voertuigen
E7 :
gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen; tevens parkeerverbod voor andere voertuigen
F7 :
keerverbod
G1:
autosnelweg
G3 :
autoweg
G7 :
voetpad
G9 :
ruiterpad
G11:
verplicht fietspad
G13:
onverplicht fietspad
en de verkeerstekens genoemd in :
artikel 76
1Een doorgetrokken streep heeft de volgende betekenis:
a.indien de streep zich bevindt tussen rijstroken met verkeer in beide richtingen dan wel op paden: de bestuurders mogen zich niet bevinden op het gedeelte van de rijbaan of het pad dat is bestemd voor het tegemoetkomende verkeer;
b.indien de streep zich bevindt tussen rijstroken voor verkee~ in één richting dan wel op paden: de bestuurders mogen de streep niet overschrijden, tenzij naar links afslaan.
2Het eerste lid geldt niet indien rechts van de doorgetrokken streep een onderbroken streep wordt toegepast.
artikel 77
Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken niet gebruiken
artikel 78
Bestuurders van een motorvoertuig die op een kruispunt een bepaalde richting willen volgen moeten gebruik maken van de voorsorteerstrook waarin deze richting wordt aangegeven.
Ontheffing van het bepaalde in de artikelen 76, 77, en 78 kan alleen verleend worden voorzover het lijnbussen betreft.
artikel 81
Busbanen en busstroken mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus.