Waterschapswetten

Ontheffingenbeleid ten aanzien van verkeersmaatregelen

Waterschap Rivierenland · geldt sinds 23 december 1993

Bijlage 1

artikel 3

1Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.

artikel 4

1Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad.

2Zij gebruiken het fietspad indien trottoir en voetpad ontbreken.

3Zij gebruiken de berm of de uiterste zijde van de rijbaan indien ook een fietspad ontbreekt.

artikel 5

1Fietsers gebruiken het verplichte fietspad.

2Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad ontbreekt.

3Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken.

artikel 6

1Bromfietsers gebruiken het verplichte fietspad.

2Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad ontbreekt.

3zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken met uitgeschakelde motor.

artikel 7

Bestuurders van een invalidevoertuig gebruiken het trottoir, het voetpad, Á he5fietspad of de rijbaan.

artikel 8

1Ruiters gebruiken het ruiterpad

2Zij gebruiken de berm of de rijbaan indien een ruiterpad ontbreekt.

artikel 10

1Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan.

2Andere bestuurders dan fietsers, bromfietsers en bestuurders van een invaliqevoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken.

artikel 23

1De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan:

b.op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook;

c.op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter

f.op de rijbaan langs een busstrook en

g.langs een gele doorgetrokken streep.

artikel 24

De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:

a.bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan;

b.voor een inrit of een uitrit;

d.op een parkeerplaats voor zover zijn voertuig niet behoort tot de

categorie die is aangegeven, op een andere wijze dan is aangegeven, dan wel op andere dagen of uren dan zijn aangegeven en

e.langs een gele onderbroken streep.

artikel 25

1Het is de bestuurder van een mototvoertuig op meer dan twee wielen verboden in een parkeerschijfz8ne te parkeren:

a.indien het motorvoertuig niet is voorzien van een duidelijke zichtba­re parkeerschijf waarop het tijdstip wordt aangegeven, waarop met parkeren is begonnen of

b.indien het einde van de toegestane parkeerduur is verstreken.

2Het eerste lid geldt niet ten aanzien van parkeerplaatsen, die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven.

3Op plaatsen in een parkeerschijfz8ne, die niet zijn aangeduid door een blauwe streep en die niet zijn plaatsen als bedoeld in het tweede lid is parkeren verboden.

4Onze minister geeft regels over het model van de parkeerschijf en de wijze waarop het tijdstip van aanvang van het parkeren moet worden aangegeven.

artikel 42

1Het gebruik van de autosnelweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van tenminste 80 km per uur mag en kan worden gereden.

2Het gebruik van de autoweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van tenminste 40 km per uur mag en,kan worden gereden.

artikel 43

1Het is de bestuurders verboden op een autosnelweg of een autoweg hun voertuig te keren of achteruit te rijden.

2Het is de bestuurders voorts verboden op de rijbaan van een autosnelweg of autoweg hun voertuig te laten stilstaan.

3Behoudens in noodgevallen is het de w~ebruikers verboden op een auto­snelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm.

4Op een autosnelweg is het bestuurders van een samenstel van voertuigen met een totale lengte van meer dan zeven meter en van een vrachtauto verboden op een rijbaan met drie of meer rijstroken enig andere dan de twee meest rechts gelegen rijstroken te gebruiken. Het verbod geldt niet voor het geval zij moeten voorsorteren.

artikel 53

Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden. een ander voertuig te slepen, indien de afstand van de achterzijde van het trekkende voertuig tot de voorzijde van het gesleepte voertuig meer dan vijf meter bedraagt.

artikel 62

Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

Hiervan kan door het bevoegd gezag ontheffing worden verleend voor zover het de volgende verkeersborden betreft:

ontheffing verkeersborden

C1

gesloten in beide richtingen voor bestuurders

C2

eenrichtingsweg, in deze richting gesloten voor bestuurders eenrichtingsweg

C4

eenrichtingsweg

C6

gesloten voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen

C7

gesloten voor vrachtauto's

C8

gesloten voor motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/uur.

C9

gesloten voor ruiters, vee, wagens, en motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/uuralsmede fietsers, brom fietsers en invalidevoertuigen

C10

gesloten voor motorvoertuigen met aanhangwagen

C11

gesloten voor motorfietsen

C12

gesloten voor alle motorvoertuigen

C13

gesloten voor bromfietsen en voor invalidevoertuigen met in werkingzijnde motor

C14

gesloten voor fietsen en voor invalidevoertuigen zonder motor

C15

gesloten voor fietsen, bromfietsen en invalidevoertuigen

C16

gesloten voor voetgangers

C17

gesloten voor voertuigen en samenstellen van voertuigen die, met inbegrip van lading, langer zijn dan op het bord is aangegeven gesloten voor voertuigen die, met in begrip van lading, breder zijn dan op het bord is aangegeven

C18

gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, hoger zijn dan op het bord is aangegeven

C19

gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, breder zijn dan op het bord is aangegeven

C20

gesloten voor voertuigen waarvan de aslast hoger is dan op het bord is aangegeven

C21

gesloten voor voertuigen en samenstellen van voertuigen, waarvan de totaalmassa hoger is dan op het bord is aangegeven

D2

gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft

D4 :

gebod tot het volgen van de richting die op het bord is aangegeven

DS :

gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven

D6 :

gebod tot het volgen van één van de richtingen die op het bord zijn aangegeven

D7 :

gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven

E1:

parkeerverbod

E2 :

verbod stil te staan

E3 :

verbod fietsen en bromfietsen te plaatsen

E6 :

parkeergelegenheid voor het motor- of invalidenvoertuig dat door of t.b.v. het vervoer van invaliden wordt gebruikt; tevens parkeerverbod voor andere voertuigen

E7 :

gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goede­ren; tevens parkeerverbod voor andere voertuigen

F7 :

keerverbod

G1:

autosnelweg

G3 :

autoweg

G7 :

voetpad

G9 :

ruiterpad

G11:

verplicht fietspad

G13:

onverplicht fietspad

en de verkeerstekens genoemd in :

artikel 76

1Een doorgetrokken streep heeft de volgende betekenis:

a.indien de streep zich bevindt tussen rijstroken met verkeer in beide richtingen dan wel op paden: de bestuurders mogen zich niet bevinden op het gedeelte van de rijbaan of het pad dat is bestemd voor het tegemoetkomende verkeer;

b.indien de streep zich bevindt tussen rijstroken voor verkee~ in één richting dan wel op paden: de bestuurders mogen de streep niet over­schrijden, tenzij naar links afslaan.

2Het eerste lid geldt niet indien rechts van de doorgetrokken streep een onderbroken streep wordt toegepast.

artikel 77

Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken niet gebruiken

artikel 78

Bestuurders van een motorvoertuig die op een kruispunt een bepaalde richting willen volgen moeten gebruik maken van de voorsorteerstrook waarin deze richting wordt aangegeven.

Ontheffing van het bepaalde in de artikelen 76, 77, en 78 kan alleen verleend worden voorzover het lijnbussen betreft.

artikel 81

Busbanen en busstroken mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.