Waterschapswetten

VAARWEGENBELEID WATERSCHAP NOORDERZIJLVEST

Waterschap Noorderzijlvest · geldt sinds 1 augustus 2025

Aanhef

28mei 2025

SAMENVATTING

Het vaarwegenbeleid van waterschap Noorderzijlvest beschrijft op welke manier het waterschap invulling geeft aan haar taken op het gebied van vaarwegbeheer. Het beheer van vaarwegen bestaat uit het op orde houden van de vaarweg (waterstaatkundig vaarwegbeheer) en zorgen voor een veilige en vlotte doorvaart (nautisch vaarwegbeheer).

De wettelijke grondslagen voor het vaarwegenbeleid zijn de Omgevingswet en de Scheepvaartverkeerswet. De provincies hebben in de provinciale omgevingsverordeningen het beheer van een deel van de vaarwegen toegewezen aan het waterschap. Hierbij gaat het om vaarwegen voor recreatief gebruik.

Het onderhoud van het vaarwegprofiel vindt vaak plaats op basis van ons werk voor waterkwantiteitsbeheer en de instandhoudingsverplichting van de vaarweg als afwateringskanaal. Soms is een aanvullende inspanning nodig ten behoeve van de vaarweg. In deze beleidsnota staan de uitgangspunten voor dit beheer, en hoe dit samenhangt met de uitvoering van onze kerntaken.

1. INLEIDING

1.1 Aanleiding, doel en afbakening

Het opstellen van dit beleidskader is als opgave opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Hiervoor kende het waterschap nog geen samenhangend beleidskader waarin de vaarwegtaken zijn beschreven.

In dit vaarwegenbeleid staat hoe het waterschap omgaat met haar (wettelijke) taken en verantwoordelijkheden op het gebied van waterstaatkundig en nautisch vaarwegbeheer. We maken inzichtelijk hoe de vaarwegtaken worden uitgevoerd en hoe dit samenhangt met de kerntaken. Hiermee geven we helderheid over onze taken op dit gebied, zowel voor vaarweggebruikers, watersportorganisaties, overheden en inwoners als voor onze eigen organisatie. Zo weten onze partners en omgeving waar het waterschap voor staat en wat van het waterschap verwacht kan worden. Het vaarwegenbeleid biedt ook een basis om afspraken te maken met partners over verantwoordelijkheden en uniform beheer.

1.2 Leeswijzer

Deze beleidsnota bestaat uit 2 delen. In Hoofdstuk 2 worden de relevante wet- en regelgeving en beleidskaders behandeld. Dit vormt het kader voor de vaarwegtaken van het waterschap. In Hoofdstuk 3 staat hoe het waterschap deze taken uitvoert, in samenhang met haar andere taken en opgaven.

2. KADER

2.1 Definities/begrippen

Voor een goed begrip van de wet- en regelgeving is het van belang om de definities van en het onderscheid tussen een aantal begrippen te kennen. In deze paragraaf worden vier begrippen toegelicht.

Vaarweg en vaarwater

Een vaarweg is oppervlaktewaterlichaam dat door het Rijk of provincie met de functie vaarweg is aangewezen. Daar horen normen bij waaraan de vaarweg minimaal moet voldoen. Vaarwateren zijn oppervlaktewaterlichamen waarop feitelijk gevaren wordt. Varen is hier toegestaan, maar er zijn geen officiële verplichtingen of normen om deze voor het vaarverkeer in stand te houden. Deze beleidsnota richt zich alleen op de taken van het waterschap voor de in beheer toegewezen vaarwegen.

Vaarwegbeheer en nautisch beheer

Bij het beheer van vaarwegen wordt onderscheid gemaakt tussen twee taken, namelijk vaarwegbeheer en nautisch beheer.

Vaarwegbeheer omvat alle zaken die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de vaarweg voor de functie die aan de vaarweg is toegekend, zoals vrachtvaart of recreatievaart. Het omvat bijvoorbeeld het onderhoud van de vaarweg, de oevers, de gronden erlangs, de bruggen en de sluizen. Vaarwegbeheer valt onder het watersysteembeheer van de Omgevingswet.

Het nautisch beheer omvat de regeling van het verkeer op het water en de bevoegdheid om verkeerstekens en dergelijke te plaatsen. Dit valt onder de Scheepvaartverkeerswet. Nautisch beheer vormt geen onderdeel van het beheer van watersystemen als bedoeld in de Omgevingswet. Maar in de Scheepvaartverkeerswet komt wel tot uiting dat de verkeersregulering mede dienstbaar kan zijn aan het beheer van het watersysteem, waar de scheepvaartweg deel van uitmaakt. Het nautisch beheer en het beheer van het watersysteem worden daarom vaak door dezelfde vaarwegbeheerder uitgevoerd.

2.2 Wet- en regelgeving

De belangrijkste wettelijke grondslagen voor het vaarwegenbeleid zijn de Omgevingswet en de Scheepvaartverkeerswet. In deze paragraaf wordt toegelicht wat deze wetten betekenen voor het vaarwegbeheer en hoe ze doorwerken in lagere regelgeving en verordeningen.

2.2.4 Wrakkenwet

2.3 Normen voor vaarwegbeheer

Het Rijk en de provincies leggen de normen waaraan vaarwegen moeten voldoen vast in de omgevingsregeling of -verordening. De Richtlijnen Vaarwegen en de Basisvisie Recreatietoervaart Nederland (BRTN) zijn hiervoor een belangrijk uitgangspunt.

Richtlijnen Vaarwegen

In verschillende richtlijnen legt Rijkswaterstaat voorschriften vast voor onder andere het verkeerskundig ontwerp en onderhoud van vaarwegen en de bediening van bruggen en sluizen. Deze richtlijnen gaan over zowel de beroepsvaart als recreatievaart en worden regelmatig geactualiseerd op basis van de nieuwste kennis en inzichten.

De Richtlijnen Vaarwegen zijn het kader voor het verkeerskundig ontwerp van vaarwegen, bruggen, sluizen en overnachtingshavens. Ze zijn onder andere gebaseerd op het Europese classificatiesysteem CEMT en op de Nederlandse BRTN-classificatie voor recreatietoervaart.

CEMT

De binnen- of rivierscheepvaart is in Europa opgedeeld in CEMT-klassen om de afmetingen van vaarwegen in West-Europa op elkaar af te stemmen. Per klasse zijn de maximale afmetingen van een schip vastgelegd. Zowel het Rijk (Rijkswaterstaat) als de provincies hebben zich verbonden aan de Richtlijnen Vaarwegen en moeten daarom motiveren als zij hiervan afwijken. Waterschap Noorderzijlvest beheert geen vaarwegen met een CEMT-classificatie.

BRTN

Specifiek voor de recreatietoervaart heeft Stichting Waterrecreatie Nederland de Basisvisie Recreatietoervaart Nederland opgesteld. Het doel van de visie is behoud, beheer en verdere ontwikkeling van een aantrekkelijk, samenhangend en bevaarbaar landelijk basistoervaartnet. De visie is ondertekend door het Rijk, de provincies en de Unie van Waterschappen. De visie wordt eens in de vijf jaar herzien; bij het vaststellen van dit vaarwegenbeleid is de BRTN 2020-2025 de meest actuele versie.

Bij de visie hoort de BRTN-kaart, waarop vaarwegen in het landelijke basistoervaartnet zijn geclassificeerd. Per categorie is de maximale doorvaartmaat van een schip aangegeven. De doorvaartmaten zijn vervolgens vertaald naar de benodigde brughoogten en vaarwegdiepten. Deze bepalen het minimale vaarwegprofiel. Voor de breedte van de vaarweg zijn geen normen vastgesteld, maar wel indicatieve waarden gegeven. Alle BRTN-waarden per vaarwegklasse staan in bijlage 5. Bij het bepalen van de BRTN-waarden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

•Vaarwegdiepte: Bij het bepalen van de vaarwegdiepte wordt gebruik gemaakt van een doorvaartdiepte plus een marge (‘schrikdiepte’). Daarbij wordt uitgegaan van het operationeel zomerpeil. De bepaling van de benodigde vaarwegdiepte is mede afhankelijk van het aantal vaarbewegingen per jaar in de betreffende watergang.

•Vaarwegbreedte: Voor wat betreft de breedte van de vaarweg zijn geen normen vastgesteld. Wel wordt in de BRTN het ‘houden wat je hebt’-principe gehanteerd. Het uitgangspunt is dat bij aanpassingen van de vaarweg (bijvoorbeeld de aanleg van natuurvriendelijke oevers) de bestaande situatie niet verslechtert.

•Brug- en duikerhoogte: Naast de breedte en de diepte van de vaarweg is de doorvaarthoogte van bruggen van belang. Net als bij de vaarwegdiepte bestaat de (minimale) brughoogte ook hier uit een doorvaarthoogte plus een marge (‘schrikhoogte’). Per vaarwegklasse is één minimale vaste brughoogte vastgesteld. Anders dan bij vaarwegdiepten is dit dus niet afhankelijk van het aantal vaarbewegingen. Voor zeilschepen (klassen AZM, BZM en CZM) geldt een doorvaarthoogte van 30 meter. Deze schepen kunnen gebruik maken van staande mastroutes met beweegbare bruggen.

Vaarwegklassen in de Provinciale Omgevingsverordeningen

De Richtlijnen Vaarwegen en BRTN zijn richtinggevend voor vaarwegbeheerders. De provincies bepalen welke norm er geldt in de provinciale vaarwegen. Zij leggen dit vast in de Provinciale Omgevingsverordening. Hiermee wordt het belang van de vrije doorgang van de recreatie- en beroepsvaart geborgd. De provinciale normen zijn ook als toetsingskader opgenomen in onze Waterschapsverordening.

In de provincie Groningen zijn de afspraken in het convenant eerder genoemde B-AKWA het uitgangspunt voor het vaarwegbeheer door het waterschap. Een deel van deze vaarwegen is ook opgenomen in het landelijke basistoervaartnet, en heeft daardoor ook een BRTN-classificatie.

De provincie Drenthe heeft de gewenste diepgang en doorvaarthoogte per vaarweg vastgelegd in de bijlage waarin de vaarwegbeheerders worden toegewezen.

2.4 Gerelateerd beleid van het waterschap

Het vaarwegbeheer hangt samen met de andere kerntaken van het waterschap. Het beleid hiervoor is in diverse documenten vastgelegd. In deze paragraaf staat welk beleid en welke taken raken aan het vaarwegbeheer.

Legger

De Legger is een document dat beschrijft aan welke normen waterstaatswerken minimaal moeten voldoen, en door wie en hoe deze worden onderhouden. Deze ‘leggerwaarden’ zijn bepaald op basis van de waterstaatkundig meest gewenste situatie. Het watersysteembeheer van het waterschap is gericht op de leggerwaarden.

Voor de vaarwegen waarvoor het waterschap is aangewezen als beheerder zijn naast de leggerwaarden ook de vaarwegklassen van belang. Wanneer de vaarwegklasse een grotere dimensionering voorschrijft dan de leggerwaarde, kan een extra inspanning nodig zijn om deze op voldoende diepte en breedte te houden.

Baggeren

Baggerwerk is nodig om ervoor te zorgen dat het watersysteem geschikt blijft voor verschillende functies, zoals een goede aan- en afvoer. In bepaalde gevallen kan het nodig zijn om aanvullend te baggeren om te zorgen voor voldoende diepgang voor de scheepvaart. Dit wordt nautisch baggeren genoemd.

In het Waterbodembeleidsplan (2024) staan de uitgangspunten voor het baggerwerk in de aan het waterschap in beheer toegewezen vaarwegen. Het Waterbodembeleidsplan beschouwt het beheer en onderhoud van vaarwegen als een beperkte neventaak, die vanwege doelmatigheidsredenen aan het waterschap is opgedragen. Dit betekent in de praktijk dat het onderhoud van het vaarwegprofielwordt uitgevoerd op basis van het waterkwantiteitsbeheer en de instandhoudingsverplichting van de vaarweg als afwateringskanaal. Waar nodig wordt aanvullend nautisch baggerwerk uitgevoerd op basis van de afspraken met de provincie(s), zoals vastgelegd in B-AKWA. Bij het inplannen van baggerwerkzaamheden in een vaarweg wordt rekening gehouden met het vaarseizoen.

In het Beheer- en Onderhoudsplan (2021) van het waterschap staat op welke wijze het waterschap het beheer en onderhoud, waaronder het baggerwerk, uitvoert.

Oeververdedigingswerken

Oeververdedigingswerken zijn bedoeld om afkalving en afschuiving van taluds en oevers te voorkomen. Naast het beschermen van het doorstroomprofiel of de direct langs de oever liggende waterkeringen, kunnen oeververdedigingswerken ook een functie hebben in het beschermen van het vaarwegprofiel. In het Beleid voor de inrichting en aanwijzing onderhoudsplicht oeververdedigingswerken (2022) wordt beschreven hoe het waterschap omgaat met oeververdedigingswerken in relatie tot vaarwegbeheer.

In vaarwegen die door het waterschap worden beheerd, is het waterschap ervoor verantwoordelijk dat de vaargeul in goede staat verkeert en voor het vaarverkeer voldoende geprofileerd is. Vaak gebeurt dit door middel van baggeren. In sommige situaties, bijvoorbeeld in het geval van een steil onderwatertalud, moet worden voorkomen dat de watergang voortdurend en snel dichtslibt. Dan kan het nodig zijn om hiervoor een oeververdedigingswerk te plaatsen. Dit beschermt in dat geval niet alleen het doorstroomprofiel, maar ook het vaarwegprofiel.

Varende schepen veroorzaken golven en stroming waardoor de oever kan worden aangetast. Dit is afhankelijk van de grootte van het schip en de vaarsnelheid. Op de vaarwegen die bij het waterschap in beheer zijn geldt een lage maximumsnelheid van 6 km/uur en vindt alleen recreatievaart plaats. Daarom beschouwt het waterschap de effecten als een normaal maatschappelijk verschijnsel dat niet tot grootschalige aantasting van de oevers leidt. Het waterschap legt dus geen oeververdedigingswerken aan om oevers te beschermen tegen de effecten van varende schepen. Als nautisch beheerder houdt het waterschap wel toezicht op naleving van de maximumsnelheid.

Peilbeheer

Het nemen van peilbesluiten en het beheer van de waterpeilen is één van de kerntaken van het waterschap. In een peilbesluit worden waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren, vastgesteld. In het peilbeheer worden deze peilen zoveel mogelijk gehandhaafd. In het Beleidpeilbesluiten en peilbeheer (2018) staat welke regels en uitgangspunten het waterschap gebruikt bij het nemen van een peilbesluit en het peilbeheer.

Het waterpeil is van invloed op het vaarwegprofiel, de doorvaarthoogte van bruggen en de drempelhoogtes van sluizen. Bij peilafwegingen weegt het waterschap deze aspecten mee.

Waterkwaliteit

Het waterschap werkt aan schoon en gezond water. Scheepvaart kan van invloed zijn op de waterkwaliteit door emissie van uitlaatgassen, incidentele morsingen, lekkages van brandstoffen en smeerolie, en lozingen van huishoudelijk afvalwater. Daarnaast kan scheepvaart door de extra golfslag een rol spelen in vertroebeling van het water en negatieve effecten hebben op de oeverbegroeiing. Als waterkwaliteitsbeheerder en nautisch vaarwegbeheerder houdt het waterschap daarom toezicht op de naleving van regelgeving, zoals het verbod op lozingen, om deze ongewenste effecten te voorkomen of te beperken.

2.5 Samenwerking in vaarwegbeheer

In dit vaarwegenbeleid staat hoe het waterschap haar toegewezen vaarwegtaken invult. Ook de andere vaarwegbeheerders in ons werkgebied spelen een rol in het beheer en de ontwikkeling van de vaarwegen. De belangen van de vaarweggebruikers worden vertegenwoordigd door organisaties zoals de stichting Waterrecreatie Nederland en het Watersportverbond. In de dagelijkse praktijk van het vaarwegbeheer vindt regelmatig ambtelijke afstemming plaats. Deze paragraaf beschrijft de vaarwegtaken van onze partners en hoe het waterschap hierin samenwerkt.

Rijkswaterstaat

Rijkswaterstaat is de vaarwegbeheerder van veel hoofdvaarwegen in Nederland. De hoofdvaarwegen zijn voornamelijk bedoeld voor het transport over water (beroepsvaart). In het werkgebied van het waterschap zijn dat het Van Starkenborghkanaal (Hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl) en de vaargeulen op het Lauwersmeer. Op de Hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl werkt Rijkswaterstaat aan de vervanging van bruggen en verbreding en verdieping van de vaarweg, zodat grotere schepen kunnen passeren.

Provincies

Ook de provincies beheren een deel van de hoofdvaarwegen met een beroepsvaarfunctie, ten behoeve van de (regionale) economische ontwikkeling en watergebonden bedrijvigheid. In het werkgebied van het waterschap gaat het om het Reitdiep, een deel van het Aduarderdiep en een deel van het Hoendiep.

Voor het recreatieve vaarwegnetwerk hebben de provincies kaders vastgelegd in de provinciale omgevingsverordeningen, onder andere door de vaarwegen aan te wijzen. Het beheer is in veel gevallen toegewezen aan waterschappen en gemeenten. De provincies zijn vaak ook betrokken bij de doorontwikkeling van het (recreatieve) vaarwegnetwerk, bijvoorbeeld door het opstellen van visies en uitvoeringsprogramma’s voor de vrijetijdseconomie en het verzorgen van de informatievoorziening voor vaarrecreanten. In Groningen wordt vanuit het Nationaal Programma Groningen bijvoorbeeld gewerkt aan het Masterplan Varen.

Intentieverklaring samenwerking waterrecreatie provincie Groningen

De provincie Groningen heeft in 2023, samen met de Groninger gemeenten, het initiatief genomen voor de ‘Intentieverklaring Waterrecreatie’. Het doel hiervan is om te komen tot een betere en nauwere samenwerking om van Groningen een gastvrije en aantrekkelijke waterprovincie te maken. Bijvoorbeeld door de wijze van bediening en bedieningstijden van bruggen en sluizen in het vaarseizoen, aanlegvoorzieningen en beheer en onderhoud op elkaar af te stemmen. Het waterschap zal deze intentieverklaring op een later moment mede ondertekenen.

Gemeenten

In of nabij bebouwd gebied is soms een gemeente aangewezen als vaarwegbeheerder. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Lindt bij Aduard en enkele vaarwegen in de bebouwde kom van Winsum.

Gemeenten zijn daarnaast vaak betrokken bij de aanleg en het beheer van ligplaatsen en havens. In een ligplaatsenverordening kunnen gemeenten regels stellen aan het gebruik van ligplaatsen, zoals de maximale duur waarop aangelegd mag worden.

Overige vaarwegbeheerders

Tot slot kan het vaarwegbeheer zijn toegewezen aan andere organisaties, zoals Groningen Seaports of Meerschap Paterswolde.

Samenwerken als gewaardeerd (beleids)partner

Samenwerking is een belangrijk uitgangspunt in de Blauwe Omgevingsvisie (2021) en het Participatiebeleid (2023) van het waterschap. Uitgangspunt is dat we door samenwerking niet alleen onze eigen doelen en die van anderen kunnen realiseren, maar ook meerwaarde creëren voor de leefomgeving.

Het waterschap is als beheerder van het watersysteem een belangrijke partner bij initiatieven van derden voor verbetering of uitbreiding van het vaarwegennetwerk. Bijvoorbeeld als het gaat om het creëren van vaarroutes of het toevoegen van ligplaatsen of steigers. Het waterschap denkt mee bij de ontwikkeling van deze initiatieven, zodat samen met de mede-vaarwegbeheerders wordt gewerkt aan een aantrekkelijke waterprovincie. Ook kan worden verkend of het waterschap haar eigen opgaven kan combineren met het initiatief.

Als vergunningverlener heeft het waterschap een meewerkende grondhouding, mits vaststaat dat de waterstaatkundige functie van het watersysteem niet wordt aangetast en dit niet leidt tot extra (beheer)kosten. Het waterschap neemt in principe geen extra beheerlast op zich voor zover deze de kerntaken overstijgen.

3. VAARWEGBEHEER IN DE PRAKTIJK

3.1 Waterstaatkundig vaarwegbeheer

Via het waterstaatkundig vaarwegbeheer zorgt het waterschap in de basis voor:

•genoeg diepte en breedte van de vaarwegen;

•genoeg ruimte voor boten om onder bruggen door te varen;

•voorzieningen voor toegankelijke en veilige vaarwegen.

De Omgevingswet is de wettelijke grondslag voor deze vaarwegtaken.

3.1.4 Overige voorzieningen en beheertaken

3.2 Nautisch vaarwegbeheer

Het nautisch vaarwegbeheer gaat over de zorg voor vlot en veilig scheepvaartverkeer. Het waterschap is verantwoordelijk voor het nautisch beheer op de in beheer toegewezen vaarwegen. De taken van het waterschap bestaan uit nautische verkeersregeling en toezicht en handhaving. De wettelijke grondslag voor deze taken volgt uit de Scheepvaartverkeerswet.

Bijlage 1 – Toedeling van het vaarwegbeheer

Tabel 1. Toedeling van het vaarwegbeheer in het werkgebied van Waterschap Noorderzijlvest

De informatie in deze tabel geeft de situatie op het moment van vaststellen van het vaarwegenbeleid. De actuele provinciale omgevingsverordeningen zijn altijd leidend voor de toedeling van het vaarwegbeheer.

PROVINCIE GRONINGEN

PROVINCIE DRENTHE

PROVINCIE FRYSLÂN

Hoe is de toedeling van het vaarwegbeheer geregeld?

In de Provinciale Omgevingsverordening Groningen is het beheer van vaarwegen toegedeeld aan het waterschap waarbinnen de vaarweg ligt, tenzij dit aan een ander overheidslichaam (provincie of gemeente) is opgedragen.

In de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe is in een bijlage per vaarweg aangegeven welk overheidslichaam is belast met het vaarwegbeheer.

In de Provinciale Omgevingsverordening Fryslân is in een bijlage per vaarweg aangegeven welk overheidslichaam is belast met het vaarwegbeheer.

Waar is de toedeling van het vaarwegbeheer vastgelegd?

Provinciale Omgevingsverordening Groningen, bijlage 8

Provinciale Omgevingsverordening Drenthe, bijlage 11

Provinciale Omgevingsverordening Fryslân, bijlage 7.2

Welke vaarwegen zijn toegedeeld aan het waterschap? Zie ook bijlage 2.

In de provincie Groningen zijn 59 vaarwegen in beheer bij waterschap Noorderzijlvest.

In Drenthe is het waterschap de vaarwegbeheerder van slechts één vaarweg, namelijk de vaargeul Leekstermeer tussen het Leeksterhoofddiep en de Munnikesloot.

In Fryslân zijn geen vaarwegen toegedeeld aan waterschap Noorderzijlvest.

Bijlage 2 – Vaarwegen in beheer bij Waterschap Noorderzijlvest

In onderstaande tabellen staan de vaarwegen die door de provincies Groningen en Drenthe in beheer zijn toegewezen aan het waterschap, inclusief de bijbehorende norm. De informatie in deze tabellen geeft de situatie op het moment van vaststellen van het vaarwegenbeleid. Bij eventuele wijzigingen zijn de provinciale omgevingsverordeningen altijd leidend.

Tabel 2a. Vaarwegen in de Provincie Groningen met een BRTN-classificatie

Provinciale Omgevingsverordening Groningen van 01-01-2024.

De B-AKWA-categorie is uitgangspunt voor het beheer door het waterschap.

NAAM VAARWEG

B-AKWA CATEGORIE

B-AKWA VAARDIEPTE (M)

BRTN-VAARWEGKLASSE

Aduarderdiep (ten noorden van Van Starkenborghkanaal)

C

1,40

BM

Hoendiep (ten westen van spoorbrug Hoogkerk)

C

1,40

BM

Gave

C

1,40

BM

Munnikesloot

C

1,40

BM

Niezijlsterdiep

C

1,20

BM

Kommerzijlsterdiep

C

1,20

BM

Kommerzijlsterrijt

C

1,20

BM

Boterdiep

B (Groningen tot Middelstum)

1,20 (Groningen tot Middelstum)

CM

Meedstermaar

C

1,00

CM

Mensingeweersterloopdiep

C

1,20

DM

Winsumerdiep

B

1,40

CM

Damsterdiep (in Appingedam: Nieuwe Diep)

B

1,20

DM

Groeve-Noord

B

1,20

DM

Hoornsevaart

C

1,20

DM

Hunsingokanaal

C

1,20

DM

Tabel 2b. Vaarwegen in de Provincie Groningen zonder BRTN-classificatie

Provinciale Omgevingsverordening Groningen van 01-01-2024.

NAAM VAARWEG

B-AKWA CATEGORIE

B-AKWA VAARDIEPTE (M)

Broekstermaar

C

1,00

Eenrumermaar

C

1,00

Godlinzermaar

C

1,20

Groote Heekt

C

1,20

Haven Warffum

C

1,20

Hoerediep

C

-

Kanaal Mensingeweer-Baflo

C

1,20

Kanaal door de Zuiderhorn

C

1,20

Kloosterlagemaar

C

1,20

Koningsdiep

-

-

Krewerdermaar

C

1,20

Kromme Raken

C

1,20

Langs- of Wolddiep

C

-

Lauwersmeer

-

-

Leeksterhoofddiep

C

1,40

Leenstervaart

C

1,00

Leermenstermaar

C

1,20

Leimaar

C

1,20

Loppersumer Wijmers

C

1,20

Losdorpstermaar

C

1,20

Molenrijgstermaar

C

1,00

Nieuwe Poeldiep

-

-

Oldehoofsch kanaal

C

1,20

Oosterwijtwerdermaar

C

1,20

Pieterbuurstermaar

C

1,00

Poeldiep

C

-

Polderdiep

C

1,20

Rasquerdermaar

C

1,20

Saaksumerdiepje

-

-

Spijkstermaar

C

1,20

Stedumermaar

C

1,40

Uilenestermaar

C

1,00

Uitwierdermaar

C

1,20

Ulrumeropvaart

C

1,00

Usquerdermaar

C

1,20

Warfhuisterloopdiep

C

1,20

Warffumermaar

C

1,20

Westeremdermaar

C

1,20

Westernielandstermaar

C

1,00

Westerwijtwerdermaar

C

1,40

Wirdumermaar

-

-

Tabel 3. Vaarwegen in de Provincie Drenthe

Provinciale Omgevingsverordening Drenthe van 29-10-2024.

NAAM VAARWEG

DIEPGANG

DOORVAARTHOOGTE OBV KANAALPEIL

BRTN-VAARWEGKLASSE

Vaargeul Leekstermeer: Leeksterhoofddiep-Munnikesloot

-1,20m - kp (kp = -0.93)

2,40m + kp (kp = -0.93)

BM

Bijlage 3 – Vaarwegenkaart

Op deze kaart staan de aangewezen vaarwegen, vaarwegbeheerders en BRTN-classificaties in het werkgebied van het Waterschap Noorderzijlvest.

Bijlage 4 – B-AKWA

Het vaarwegbeheer in Groningen was tot 1995 nagenoeg volledig belegd bij de provincie Groningen. In 1995 is een akkoord opgesteld tussen de provincie en de waterschappen in Groningen. In 2000 is deze herschikking van taken herijkt in verband met de fusies van de verschillende waterschappen. De overeenkomst, genaamd ‘Herschikking van taken in het waterbeheer’ (ook wel B-AKWA), voorziet in de uitwisseling van kunstwerken en taken tussen de provincie en waterschappen. De afspraken zijn per 1 juli 1996 van kracht geworden.

In de overeenkomst is onder andere geregeld dat het waterschap het vaarweg- en nautisch beheer van de vaarwegen in de categorie B overneemt. Van de provincie ontvangt het waterschap als tegenprestatie een vergoeding voor het beheer van deze vaarwegen. De B-vaarwegen zijn in een bijlage bij de overeenkomst op kaart ingetekend. Het gaat om het Boterdiep tussen Groningen en Middelstum, het Winsumerdiep, het Damsterdiep tussen Ruischerbrug en Delfzijl, en de Groeve-Noord. De vergoeding wordt jaarlijks geïndexeerd.

De vaarwegen in de categorie A (beroepsvaart) zijn in beheer gebleven bij de provincie. Voor de vaarwegen in de categorie C krijgt het waterschap geen vergoeding, omdat het beheer van deze vaarwegen wordt uitgevoerd op basis van de waterbeheertaak en deze al bij het waterschap in beheer waren.

Bijlage 5 – Vaarwegprofielen in de BRTN

In onderstaande tabellen staan de vaarwegprofielen zoals opgenomen in de Basisvisie Recreatietoervaart Nederland 2020-2025 (BRTN) en de Richtlijnen Vaarwegen (2020).

Tabel 4. Doorvaartdiepte en vaarwegdiepte per vaarwegklasse en intensiteit

KLASSE1

DOORVAARTDIEPTE (DIEPGANG)

VAARWEGDIEPTE2

KRAP PROFIEF

MINDER DAN 5.000 VAARBEWEGINGEN PER JAAR

VAARWEGDIEPTE

NORMAAL PROFIEL

5.000 TOT 30.000 VAARBEWEGINGEN PER JAAR

VAARWEGDIEPTE

INTENSITEITSPROFIEL

30.000 TOT 50.000 VAARBEWEGINGEN PER JAAR

AZM

2,10 m

2,30 m

2,50 m

2,80 m

AM

1,50 m

1,80 m

1,90 m

2,20 m

BM

1,50 m

1,70 m

1,80 m

2,10 m

CM

1,40 m

1,60 m

1,70 m

2,00 m

DM

1,10 m

1,30 m

1,40 m

1,70 m

Tabel 5. Doorvaarthoogte en minimale brug- en duikerdimensionering per vaarwegklasse

KLASSE

DOORVAARTHOOGTE (OPBOUWHOOGTE)

BRUGHOOGTE 3

BREEDTE

AM 4

hwjh 5 – minimaal 3,40 m

3,75 m

8,50 m

BM

Hwjh – minimaal 2,75 m

3,00 m

8,50 m

CM

hwjh – minimaal 2,75 m

3,00 m

7,50 m

DM

hwjh – minimaal 2,40 m

2,60 m

7,50 m

1Toelichting klassen: AZM = zeiljacht; AM/BM/CM = grote motorboot; DM = kleine motorboot.

2De vaarwegdiepte is de doorvaartdiepte plus een marge (‘schrikdiepte’).

3De brughoogte is de doorvaarthoogte plus een marge (‘schrikhoogte’).

4Voor zeilschepen (klassen AZM/BZM/CZM) geldt een doorvaarthoogte van minimaal 30 meter.

5hwjh = Houden wat je hebt.

Tabel 6. Indicatieve vaarwegbreedte per vaarwegklasse en intensiteit

KLASSE

KRAP PROFIEL MINDER DAN 5.000 VAARBEWEGINGEN PER JAAR

NORMAAL PROFIEL

5.000 TOT 30.000 VAARBEWEGINGEN PER JAAR

INTENSITEITSPROFIEL

30.000 TOT 50.000 VAARBEWEGINGEN PER JAAR

AZM

17m

25m

25m + ∆ 6

AM

17m

25m

25m + ∆

BM

17m

25m

25m + ∆

CM

16m

24m

24m + ∆

DM

15m

22m

22m + ∆

6∆ = Intensiteitstoeslag van 5 meter per 10.000 extra passages.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.