Aanhef
Inleiding beleidsregels
1Waterschapsverordening
Het waterschap is bevoegd om nadere regels te stellen aan activiteiten en handelingen die mogelijk een nadelig effect hebben op het watersysteem. Dit met als doel het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Betreffende regels zijn in de waterschapsverordening vastgelegd met een aantal gebods- en verbodsbepalingen. De waterschapsverordening is een verordening van het waterschap vastgesteld door het algemeen bestuur en heeft betrekking op het waterkeringsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer (inclusief grondwater).
2<Vervallen>
3Beleidsregels
Daar waar niet aan de algemene regels uit de waterschapsverordening kan worden voldaan, bestaat eventueel de mogelijkheid een vergunning voor de werkzaamheden aan te vragen. Als het gevraagde vergunbaar is, kunnen nadere regels aan de wijze van uitvoering en onderhoud worden gesteld. Het waterschap hanteert beleidsregels om op eenduidige wijze te kunnen bepalen of en hoe een activiteit of handeling kan worden vergund. Het doel van deze beleidsregels is aan te geven hoe het dagelijks bestuur van het waterschap omgaat met zijn bevoegdheid om vergunning te verlenen van de gebods- en verbodsbepalingen die in de waterschapsverordening zijn opgenomen. Deze beleidsregels voorkomen dat bij het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning ieder keer een volledige belangenafweging moet worden gemaakt. Deze beleidsregels geven de algemeen te volgen lijn aan. In individuele gevallen kan het noodzakelijk zijn om toch af te wijken van de beleidsregels. Bijvoorbeeld als dit zou leiden tot onredelijke situaties of dit zou kunnen leiden tot een ongewenste waterhuishoudkundige situatie. Het dagelijks bestuur van het waterschap blijft daarom altijd bevoegd in het individuele geval gemotiveerd af te wijken van de beleidsregels. In deze beleidsregels zijn de uitgangspunten voor het al dan niet verlenen van een vergunning nader uitgewerkt, en ze vormen dan ook het toetsingskader bij vergunningverlening. Ook kunnen andere (separate) beleidsregels van het waterschap aan de orde zijn als toetsingskader.
Beschermingsbeleid
Deze beleidsregels horen bij de waterschapsverordening en vormen het toetsingskader voor vergunningplichtige activiteiten in het watersysteem. De beleidsregels vormen een beschermingsbeleid: indien een derde (burger, bedrijf) een vergunningplichtige activiteit wil gaan uitvoeren, wordt getoetst of die activiteit geen nadelige gevolgen voor het watersysteem met zich meebrengt.
Projectbesluit en vergunning eigen dienst
In het geval dat het waterschap zelf overgaat tot de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk, wordt daarvoor een projectbesluit vastgesteld of een vergunning eigen dienst verleend. Zowel met een projectbesluit als met een vergunning eigen dienst wordt, gelet op de aan het waterschap toegekende wettelijke taken, een verdere ontwikkeling van het watersysteem beoogd. Dat is een andere invalshoek dan die, zoals verwoord in het beschermingsbeleid. Om die reden zijn deze beleidsregels niet van toepassing op dergelijke besluiten.
4.Relatie tot andere wet- en regelgeving
In de Waterschapswet (artikel 56) is bepaald dat het waterschapsbestuur bevoegd is tot regeling en bestuur ter behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen. Dit betekent dat het waterschapsbestuur een autonome bevoegdheid heeft tot het stellen van regels. Dergelijke regels zijn onder andere vastgelegd in de waterschapsverordening. Waterkwaliteitsaspecten zijn geregeld in landelijke wet- en regelgeving, zoals de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Ten dele echter zijn waterkwaliteitsregels ook onderdeel van de waterschapsverordening, in eerste instantie bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet via de Bruidsschat. Ook andere wet- en regelgeving kunnen aan de orde zijn. Vastgestelde ecologische functies zijn aangegeven in het waterbeheerprogramma en de Provinciale omgevingsverordening en de bijbehorende provinciale programma’s .
5.Uitleg opbouw beleid
Alle toetsingscriteria zijn cumulatief, tenzij een of-bepaling is opgenomen.
6.Toestemming eigenaar en participatie
Een duiker in een a-water van het waterschap. Een vlonder op het talud van de gemeente. Dat zijn enkele voorbeelden van aanvragen waarbij eigendommen van anderen dan de aanvrager betrokken zijn.
Als de toestemming van de eigenaar een bijlage is bij de aanvraag is het duidelijk dat de eigenaar betrokken is bij de aanvraag en dat deze geen bezwaren heeft. Het is ook duidelijk dat de aanvrager belanghebbende is. Zonder toestemming van de eigenaar geldt dat de aanvrager geen belanghebbende is en is geen sprake van een aanvraag. Een aanvraag is namelijk een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Niet alleen de toestemming van andere eigenaren is van belang bij een aanvraag. De aanvrager dient bij het indienen van de aanvraag aan te geven of en zo ja op welke manier participatie met belanghebbenden heeft plaatsgevonden. Deze informatie kan het waterschap betrekken bij de integrale belangenafweging. De aanvrager van een omgevingsvergunning (voor een wateractiviteit) is dus aan zet om naast het bereiken van overeenstemming met betrokken eigena(a)r(en) ook afstemming te zoeken met de omgeving.
Beleid oppervlaktewater
1. Beleidsregel peilafwijkingen in een oppervlaktewaterlichaam, waaronder begrepen onderbemalingen
1.1. Kader
1.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen.
Hieronder wordt ook verstaan het wijzigen van het waterpeil in een oppervlaktewaterlichaam door middel van een werk; daaronder begrepen de onderbemaling.
1.1.2. Begripsbepaling
Onderbemaling: Bij onderbemaling kan worden gedacht aan het afdammen van watervoerende wateren en het plaatsen van een pomp. De reden om een onderbemaling in te stellen is meestal om het land geschikt te maken voor gebruik door de drooglegging te vergroten. Daarnaast valt te denken aan onderbemalingen ten behoeve van een specifieke agrarische functie. Een peilverhoging in landelijk gebied gebeurt meestal om natuurwaarden, archeologische of cultuurhistorische waarden te beschermen. In het stedelijk gebied wordt het peil meestal veranderd om de bebouwing te beschermen.
Beschermde gebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. De beschermde gebieden zijn overgenomen uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hieronder valt het Natuurnetwerk Brabant (Natuurnetwerk Brabant is onderdeel van Natuurnetwerk Nederland, voorheen de ecologische hoofdstructuur) (NNB - opgevuld), inclusief de ecologische verbindingszones (EVZ).
Attentiegebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Bij de attentiegebieden gaat het om beschermingsgebieden van gemiddeld 500 meter rond de zogenaamde "natte natuurparels". Rond de Groote Peel is de 2 kilometerzone uit het aanwijzingsbesluit van de minister van LNV op grond van de Omgevingswet als beschermingsgebied overgenomen. De begrenzing is overgenomen uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zij maken samen met de natte natuurparels deel uit van de ´Attentiezones waterhuishouding’ in de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Beperkt Beschermde Gebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Het betreft gebieden waar een beperkte waterhuishoudkundige bescherming wordt nagestreefd. Bij de nadere uitwerking van de gebiedsaanduiding is nadrukkelijk rekening gehouden met de externe werking (art. 6 Richtlijn 92/43/EEG) ingevolge de Habitatrichtlijn voor met name de gebieden die gelegen zijn in Vlaanderen direct aan de Rijksgrenzen.
Beekdalen: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. De beekdalen betreffen kwelgebieden in het agrarisch gebied die hydrologisch gezien tot de meest waardevolle gebieden van het beheergebied van het waterschap gerekend kunnen worden.
Wijstgronden: Gronden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Het betreft een uniek geohydrologisch verschijnsel dat zich langs de Peelrandbreuk voordoet. De Peelrandbreuk vormt de overgang tussen de zakkende gronden (slenk) en stijgende gronden (horst) in Oost Brabant. Langs de breuklijn schuren de gronden langs elkaar waardoor deze slecht doorlatend wordt voor grondwater. Het verschijnsel dat de grondwaterstand op de hoger gelegen horst duidelijk hoger ligt dan in de lager gelegen slenk, wordt als wijst getypeerd. Wijstgronden zijn de gebieden waar dit verschijnsel duidelijk zichtbaar is. Deze gebieden zijn overgenomen uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
1.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op het aanleggen van voorzieningen of activiteiten die peilafwijkingen tot gevolg hebben in alle a-wateren en het verwijderen van peilregulerende werken in b-wateren en c-wateren in beschermde gebieden waterschapsverordening. Bij voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben kan gedacht worden aan stuwen, gemalen en dammen en inlaten van water.
1.3. Motivering van de beleidsregel
1.3.1. Algemeen
Uitgangspunt van deze beleidsregel is dat peilafwijkingen geen nadelige effecten hebben voor het omliggende gebied. Het vastgestelde peil moet immers niet worden aangetast.
Bij het vaststellen van een peilbesluit en streefpeilen is zorgvuldig gekeken welke peilen het beste gehandhaafd kunnen worden binnen een gebied. Hierbij is een afweging gemaakt tussen de diverse belangen. Vergunningen tot peilafwijkingen dienen uitsluitend een specifiek doel, waarvan hertoetsing moet plaatsvinden bij het vaststellen van een nieuw peilbesluit of streefpeil. Daarom worden alleen tijdelijke vergunningen verleend voor de looptijd van het vigerende peilbesluit tot het einde van de geldigheidstermijn van dit peilbesluit. Hetzelfde geldt voor vergunningen voor kunstwerken in streefpeilgebieden.
1.3.2. <vervallen>
1.3.3. Beschermde gebieden
Door aanpassing van het watersysteem in het verleden zijn veel natte natuurgebieden in Brabant verdroogd. Het Rijk heeft in 2008 een lijst vastgesteld van gebieden die met voorrang moeten worden hersteld. Binnen Brabant zijn deze gebieden bekend als natte natuurparels. Een aantal hiervan is aangemerkt als Natura 2000 gebied. Binnen het Natuurnetwerk Brabant dienen waterhuishoudkundige maatregelen in het teken van verdrogingsbestrijding te staan.
In inrichtingsplannen en beheerplannen (GGOR) zijn de natuurdoelen en de inrichting en beheermaatregelen ter realisatie en bescherming van deze doelen opgenomen. Deze plannen worden benut bij het beoordelen van werkzaamheden van derden.
Gewerkt wordt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de natuur. Heeft een activiteit een hydrologisch effect en is er daarbij sprake van een positief effect op de wezenlijke kenmerken van de natuur dan kan een individuele ingreep in beginsel plaatsvinden indien deze onderdeel uitmaakt van een combinatie van plannen, projecten of handelingen die cumulatief per saldo tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van het NNB en/of de Natura 2000 leidt (“nee tenzij”).
1.3.4. Attentiegebieden
De attentiegebieden vormen de buffer tussen de natte natuurparels en hun omgeving. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen natte natuurparels en omgeving opgevangen te worden. De attentiegebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de natte natuurparels. Daarnaast kunnen in deze gebieden, waar nodig, compenserende maatregelen worden getroffen om uitstralingseffecten vanuit de natte natuurparels naar de omgeving te voorkomen. Het totaal aan maatregelen wordt tenminste getoetst op stand-still op de rand van de natte natuurparel. Bij voorkeur heeft het totaal aan maatregelen binnen deze zone een positief effect op de gewenste natuurontwikkeling binnen de beschermde gebieden.
1.3.5. Beperkt beschermde gebieden
De beperkt beschermde gebieden vormen de buffer tussen de Habitatrichtlijngebieden in Vlaanderen en hun omgeving in Nederland. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen Habitatrichtlijngebieden en omgeving opgevangen te worden. De beperkt beschermde gebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de gebieden in Vlaanderen. Het totaal aan maatregelen wordt tenminste getoetst op stand-still overeenkomstig de werkwijze in attentiegebieden.
1.3.6. Beekdalen
De beekdalen zijn gebieden in de AHS die hydrologisch erg gevoelig zijn. Om de natuur, kenmerkend voor deze gebieden, te beschermen wordt een zelfde beschermingsregime gehanteerd als bij de Beschermde gebieden.
1.3.7. Wijstgronden
In een intentieverklaring (2007) tussen provincie, waterschap, gemeenten, belangenorganisaties en terreinbeheerders zijn afspraken gemaakt om vijf wijstgebieden te herstellen. In het WBP 2010 – 2015 is opgenomen dat het waterschap het wijstverschijnsel in deze gebieden beschermt door activiteiten van derden te reguleren.
Alle activiteiten die het wijstverschijnsel aantasten dienen te worden vermeden. Zoals het doorsnijden van de breuklijn of het treffen van voorzieningen om de grondwaterstand structureel te verlagen.
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
1.4. Toetsingscriteria
1.4.1. Algemeen
Uitgangspunt bij de beleidsregel peilafwijkingen is dat er geen nadelige effecten ontstaan voor het omliggende gebied. Peilafwijkingen mogen daarom geen ontoelaatbare gevolgen hebben voor:
1de versnippering van het watersysteem, waarbij de onderlinge samenhang van het systeem minder goed te beheren is, zowel voor waterkwantiteit als voor waterkwaliteit;
2de bergingscapaciteit van het watersysteem;
3de kwel en verzilting ten gevolge van de opwaartse druk van het grondwater bij peilverlagingen in het oppervlaktewater;
4schade aan gebouwen, infrastructuur, waterkeringen en doelstellingen van specifieke waterhuishoudkundige functies;
5toename van (ongelijkmatige) bodemdaling in het veengebied;
6landschappelijke-, natuur- en cultuurhistorische waarden.
Hierbij wordt bij de vergunningverlening gekeken naar (technische) mogelijkheden om de invloed op het vastgestelde peil en de ecologische doelstellingen (zoals het vrij migreren van vissen) van het oppervlaktewaterlichaam zoveel als mogelijk te beperken. De gevolgen ten aanzien van afwenteling van wateroverlast en beperking van bergingscapaciteit moeten volledig te ondervangen zijn door het stellen van voorschriften.
Een voorbeeld hiervan is het toepassen van horizontale drainage in combinatie met een centrale afvoerpomp naar het oppervlaktewaterlichaam in plaats van een onderbemaling in een oppervlaktewaterlichaam. Bij drainage wordt de grondwaterstand op perceelniveau aangepast, maar verandert het vastgestelde peil in het oppervlaktewaterlichaam nauwelijks. Een peilverandering kan wel optreden als water vanuit het oppervlaktewater in drainagesystemen wordt ingelaten, met name bij gestuurde systemen.
1.4.2. <vervallen>
1.4.3. Beschermde gebieden waterschapsverordening
1Beschermde gebieden en beekdalen
Peilafwijkingen die een structureel hydrologisch negatief effect hebben op de natuur gerichte waterhuishouding zijn niet toegestaan. Peilafwijkingen die de waterhuishouding structureel aantasten kunnen alleen worden toegestaan als het hydrologisch negatief effect volledig wordt gecompenseerd. Ook indien de ingreep een gewenst effect heeft op de natuurfuncties, al is het doel van de ingreep niet primair op natuur gericht, dan kan de ingreep onder voorwaarden worden toegestaan.
De vastgestelde GGOR visies dan wel -plan voor Natura 2000 gebieden en/of natte natuurparels gelden als toetsingskader. Daar waar deze nog niet zijn vastgesteld geldt een stand-stil met betrekking tot op moment van de aanvraag gehanteerde peilen. Als de effecten van peilafwijkingen negatief zijn, zal de vergunning geweigerd worden of zullen er voorwaarden aan de vergunning worden gesteld.
De compensatie door aanvullende maatregelen wordt beoordeeld door het waterschap.
In specifieke gebieden binnen het NNB en oppervlaktewaterlichamen met bijzondere natuurwaarde kan een peilafwijking onaanvaardbare gevolgen hebben voor het ecologische systeem. Dat kan reden zijn voor het weigeren van een vergunning of het eisen van extra (compenserende) maatregelen.
2.Attentiegebieden
Peilafwijkingen mogen geen structureel hydrologisch negatief effect hebben op de waterhuishouding in natte natuurparels. Peilafwijkingen die de gewenste waterhuishouding structureel aantasten kunnen alleen worden toegestaan indien het negatief effect volledig wordt gecompenseerd. Het effect van de peilafwijking wordt getoetst op de rand van de natte natuurparel.
De compensatie door aanvullende maatregelen wordt beoordeeld door het waterschap.
3.Beperkt beschermde gebieden
Peilafwijkingen mogen geen structureel hydrologisch negatief effect hebben op de waterhuishouding in habitatrichtlijngebieden in Vlaanderen. Peilafwijkingen die de gewenste waterhuishouding structureel aantasten kunnen alleen worden toegestaan indien het negatief effect volledig wordt gecompenseerd. Het effect van de peilafwijking wordt getoetst op de rand van het habitatrichtlijngebied.
De compensatie door aanvullende maatregelen wordt beoordeeld door het waterschap.
4.Wijstgronden
a.Activiteiten die tot een structurele daling van de grondwaterstand leiden, kunnen slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen.
b.Activiteiten die tot een structureel grotere afstand leiden tussen maaiveld hoogte en grondwaterstand kunnen slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen.
c.Het initiatief voor de aanvullende maatregelen ligt bij de aanvrager waarvan de hydrologische effectiviteit van de aanvullende maatregelen door het waterschap wordt beoordeeld.
1.4.4. Onderhoud en stabiliteit
De wijziging van het peil mag geen negatieve gevolgen hebben voor de wijze van het onderhoud van bestaande werken, of de watergang, of voor de stabiliteit van de taluds van de watergang en stabiliteit van de waterkering.
2. Beleidsregel Plaatsen van lijnvormige obstakels haaks op wateren
2.1. Kader
2.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen.
2.1.2. Begripsbepaling
Lijnvormig obstakel haaks op de watergang: een object dat over het algemeen ten doel heeft een terrein af te sluiten of af te schermen.
2.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op lijnvormige obstakels haaks op de waterloop in de beschermingszone. Voor veekeringen bestaat een algemene regel. De beleidsregel geldt niet voor de veekeringen die onder die algemene regel vallen.
2.3. Motivering van de beleidsregel
2.3.1. Onderhoud
Langs a-wateren ligt een beschermingszone zoals vastgelegd in de legger en in de beperkingengebieden horend bij de waterschapsverordening. Deze beschermingszones hebben tot doel dat doelmatig onderhoud met groot materieel door het waterschap kan worden uitgevoerd. De wijze van het uitvoeren van onderhoud wordt beheerst door de (beleids)regels van het waterschap. Het is niet de bedoeling om de wijze van uitvoering van onderhoud aan te passen aan individuele gevallen. Het plaatsen van een lijnvormig obstakel haaks op de waterloop binnen de beschermingszone heeft dan ook tot gevolg dat het onderhoud vanaf de betreffende zijde van het water wordt belemmerd. De vraag of doelmatig onderhoud kan worden uitgevoerd is dan ook bepalend voor het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning (voor een wateractiviteit).
2.3.2. Stabiliteit van de oever en constructieve eisen
Een lijnvormig obstakel haaks op de waterloop kan een vrij zware constructie zijn. Voorkomen moet worden dat het profiel van een water wordt aangetast.
2.3.3. Ecologie
Het plaatsen van een lijnvormig obstakel haaks op de waterloop al dan niet binnen de beschermingszone kan een negatief effect hebben op de waterdoelen, met name de ecologische waterdoelen. De vraag of er een negatief effect kan plaats vinden is bepalend voor het al dan niet verlenen van een omgevingsverordening.
Voornamelijk de migratie van fauna kan hier hinder van ondervinden.
2.3.4. <vervallen>
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
2.4. Toetsingscriteria
2.4.1. Onderhoud
1Lijnvormige obstakels haaks op de waterloop worden zoveel mogelijk beperkt tot de kruising met openbare wegen of openbaar gebied.
2Op de beschermingszone langs het oppervlaktewaterlichaam moet een doorgang worden geplaatst met een breedte van minimaal vier meter. Indien een kleinere beschermingszone is vastgesteld dan vier meter moet de doorgang minimaal de breedte van de vastgestelde beschermingszone hebben.
3Eventueel aan te brengen slootwaaiers haaks op oppervlaktewaterlichamen mogen niet in het natte profiel worden geplaatst in verband met vuilophoping.
4Het onderhoud mag door het lijnvormig obstakel haaks op de waterloop niet significant worden verzwaard.
5Lijnvormige obstakels haaks op de waterloop, die niet voldoen aan punt 1 tot en met 4, kunnen worden toegestaan indien:
–de bovenbreedte van het oppervlaktewaterlichaam zodanig is dat het onderhoud vanaf 1 zijde mogelijk is, en
–de overzijde toegankelijk is voor huidig en toekomstig onderhoud. Dit is het geval indien:
a.aan de overzijde een obstakelvrije en voldoende brede strook grond ligt die in eigendom is van het waterschap, of
b.aan de overzijde ten behoeve van het waterschap een zakelijk recht is gevestigd op een obstakelvrij en voldoende breed stuk grond. Als een zakelijk recht moet worden gevestigd op het overliggende perceel moet de betreffende rechthebbende in een dergelijke zakelijk recht:
–de gevolgen van het eenzijdig onderhoud van het water vanaf zijn perceel accepteren, en
–altijd toegang verlenen tot zijn perceel aan personen die in opdracht van het waterschap werken en hun materieel, en
–de algehele ontvangstplicht van maaisel, bagger en dergelijke afkomstig van het onderhoud van het water accepteren.
6Een oppervlaktewaterlichaam moet altijd voor onderhoud en inspecties bereikbaar blijven. Wanneer aan de onder 5 vermelde voorwaarden is voldaan, zijn vergunningen binnen de beschermingszone mogelijk mits aan de zijde van het geplande obstakel of bouwwerk in principe een vrije strook met een breedte van minimaal 1 meter aanwezig is voor inspectie en onderhoud. Van de afstand van 1 meter kan worden afgeweken als de bereikbaarheid geborgd is.
2.4.2. Stabiliteit
1De stabiliteit van de oever en het talud mag door het plaatsen van een lijnvormig obstakel haaks op de waterloop niet verminderen.
2.4.3. Constructieve eisen
1Afrasteringen die haaks op oppervlaktewaterlichamen met schrikdraad worden aangebracht, worden enkel toegestaan, als deze ter hoogte van het oppervlaktewaterlichaam zijn voorzien van voldoende isolerende handgrepen/voorzieningen.
2Wanneer de doorgang afgesloten moet worden, is deze bij voorkeur voorzien van een slot van het waterschap. Indien dit niet mogelijk is kan de doorgang worden (af)gesloten zodanig dat het waterschap deze op een eenvoudige manier kan openen.
3De sluitzijde van een draaiende poort moet aan de zijde van het oppervlaktewaterlichaam komen. Dit betekent dat de poort opent van het oppervlaktewaterlichaam af richting het perceel.
2.4.4. Ecologie/waterkwaliteit
De negatieve effecten op flora en fauna moeten worden gecompenseerd zodat er geen sprake kan zijn van een significante afname van een bepaalde soort en/of een significante afname van de ecologische kwaliteit.
2.4.5. <vervallen>
3. Beleidsregel Werken en objecten in de watergang en beschermingszone
3.1. Kader
3.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen.
3.1.2. Begripsbepaling
Werken en objecten: bijvoorbeeld toestellen, hekwerken, schuttingen en beplantingen. Ook emissieschermen en andere lijnvormige objecten evenwijdig aan de waterloop vallen onder deze beleidsregel.
3.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op werken en objecten in de a-watergang en in de beschermingszone. Sommige objecten en bouwwerken bevinden zich vanuit hun functie in het natte profiel oppervlaktewaterlichamen. Voor deze werken (bruggen, stuwen, oevervoorzieningen, etc.) zijn daarnaast afzonderlijk algemene- en/of beleidsregels opgesteld.
Wanneer een werk of object niet valt onder een specifieke beleidsregel of algemene regel, kan deze worden beschouwd als werk of object in de zin van deze beleidsregel.
3.3. Motivering van de beleidsregel
3.3.1. Algemeen
Werken en objecten in de beschermingszone zijn niet wenselijk, omdat deze een negatief effect (kunnen) hebben op de bereikbaarheid en het onderhoud van een oppervlaktewaterlichaam. Werken en objecten in de watergang kunnen daarnaast zorgen voor opstuwing.
3.3.2. <vervallen>
3.3.3. Doorstroming en waterberging
Wanneer objecten en bouwwerken in of boven de waterloop worden geplaatst, kan hierdoor de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam verminderen of kan sprake zijn van een vermindering van de beschikbare waterberging in het watersysteem.
3.3.4. Onderhoud
Een van de functies van beschermingszones is het kunnen uitvoeren van machinaal onderhoud. Werken in de beschermingszone zijn in principe dan ook niet gewenst. Het is niet de bedoeling de wijze van onderhoud aan te passen aan nieuwe werken. Een object dat gelijk ligt aan het bestaande maaiveld, waarbij de ontvangstplicht van maaisel geen probleem is, en voldoende stabiliteit biedt voor onderhoudsmachines vormt geen obstakel voor het onderhoud. Ook objecten die paalvormig zijn (bijvoorbeeld bomen), en op een regelmatige voldoende ruime afstand staan en waar onderhoudsmachines onderdoor en voor- of achterlangs kunnen rijden, hoeven geen belemmering te zijn voor doelmatig onderhoud. Hiervoor gelden dan ook ruimere toetsingscriteria.
3.3.5. Eenvoudig verplaatsbare objecten
Eenvoudig verplaatsbare objecten zijn objecten die op eenvoudige wijze te verwijderen of te verplaatsen zijn. Indien de beschermingszone alleen gebruikt wordt voor het buitengewoon onderhoud, zijn dergelijke obstakels geen groot bezwaar. Als waterschap hebben we de ruimte namelijk met grote tussenposen nodig. Hierdoor kunnen objecten toegestaan worden indien ze eenvoudig kunnen worden verwijderd. Het is wel noodzakelijk dat het gewoon onderhoud niet wordt belemmerd.
3.3.6. Stabiliteit
Als een object of werk te dicht op de insteek wordt geplaatst kan dit van invloed zijn op de stabiliteit van een oppervlaktewaterlichaam. Het talud/oever zou daardoor kunnen verzakken waardoor de doorstroming van het water vermindert.
3.3.7. Ecologie en waterkwaliteit
Bomen en andere oeverbeplanting kunnen effect hebben op de waterkwaliteit en de ecologische waarden. Daarom dient bij watergangen met een vastgestelde ecologische functie getoetst te worden aan het effect op die waarden. Daarnaast geldt voor KRW-watergangen met een R-type dat de ecologische kwaliteit hiervan onder andere bepaald wordt door de mate van schaduw die op deze watergangen valt. Hoe meer schaduw, des te wenselijker dit is. Daarom gelden er voor het aanplanten van bomen en struiken langs de KRW-watergangen met een R-type soepelere regels dan voor de overige watergangen. Daarnaast gelden er regels voor het verwijderen van bestaande bomen langs deze type watergangen. Het is namelijk niet wenselijk om bomen te verwijderen die in de huidige situatie al voor schaduw zorgen op de watergang.
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
3.4. Toetsingscriteria
3.4.1. Oppervlaktewaterlichaam
1Werken in of op a-wateren kunnen worden toegestaan als er geen probleem voor de doorstroming en benodigde bergingscapaciteit ontstaat en de huidige en toekomstige wijze van uitvoeren van onderhoud niet wordt verzwaard of gehinderd.
2Bomen, andere oeverbeplanting en andere eenvoudig te verwijderen werken op een flauw talud dat buiten het natte profiel valt en die het onderhoud niet hinderen, kunnen worden toegestaan. Een flauw talud is een talud waar vanaf de onderhoudsmachines zonder nadere maatregelen het onderhoud kunnen uitvoeren. Doorgaans wordt dit mogelijk vanaf een taludhelling van 1:8.
3Bij werken in a-wateren wordt getoetst op het effect op de vastgestelde natuurwaarden. Negatieve effecten op deze natuurwaarden worden niet toegestaan.
3.4.2. Beschermingszone
1Indien objecten gelijk met, onder of boven het maaiveld worden aangebracht en die geen belemmeringen met zich meebrengen voor het huidige en toekomstige onderhoud (zoals bijvoorbeeld bestrating, steiger, veegvuiluitdraaiplaatsen of overhangende takken), kan een omgevingsvergunning (voor een wateractiviteit) aan beide zijden worden verleend zolang de stabiliteit van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft en de taluds niet uitspoelen of inzakken bij belasting door onderhoudsmachines.
2Paalvormige objecten in de beschermingszone kunnen worden toegestaan indien het objecten betreft die redelijkerwijs niet gelijk met of onder maaiveld kunnen worden aangebracht, en is de onderlinge afstand doorgaans 10 meter hart op hart en waar onderhoudsmachines onderdoor en voor- of achterlangs kunnen rijden.
3Bomen en/of struiken in de beschermingszone bij een KRW-oppervlaktewaterlichamen met een R-type, zoals opgenomen in het stroomgebied beheerplan, kunnen worden toegestaan indien deze (in de toekomst) zorgen voor schaduw op de watergang. De bovenbreedte van de watergang dient hiervoor zodanig te zijn, dat het huidige en toekomstige onderhoud vanaf 1 zijde mogelijk is. Daarnaast dient de beschermingszone aan de overzijde van de watergang obstakelvrij te zijn
4Bestaande bomen en/of struiken in de beschermingszone bij een KRW-oppervlaktewaterlichaam met een R-type, zoals opgenomen in het stroomgebied beheerplan, mogen in beginsel niet worden verwijderd. Het verwijderen van bomen is toegestaan indien vergunninghouder compenserende maatregelen neemt door minimaal hetzelfde aantal bomen terug te plaatsen in de nabijheid van de te verwijderen bomen. Indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, dan dient vergunninghouder zoveel mogelijk mitigerende maatregelen te nemen.
5Eenvoudig verplaatsbare objecten binnen de beschermingszone die alleen noodzakelijk is voor het uitvoeren van buitengewoon onderhoud zoals vastgelegd op de legger, kunnen worden toegestaan indien:
a.deze op een zodanige wijze geplaatst wordt dat deze het uitvoeren van het gewoon onderhoud, inspectie en de doorgang niet belemmert, en;
b.de vergunninghouder op aanzeggen van het bestuur en op kosten van de vergunninghouder het object ten behoeve van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden verwijdert.
6Tijdelijke objecten of werken in de beschermingszone die gedurende de termijn van hun aanwezigheid geen belemmering vormen voor het uitvoeren van het (buitengewoon) onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam, kunnen worden toegestaan. Hiervoor wordt een vergunning verleend met een tijdelijke geldigheidsduur, waaraan aanvullende voorschriften kunnen worden verbonden.
7Objecten of werken in de beschermingszone, die niet voldoen aan punt 1, 2 en 3, kunnen worden toegestaan indien:
–de bovenbreedte van het oppervlaktewaterlichaam zodanig is dat het huidige en toekomstige onderhoud vanaf 1 zijde mogelijk is, en
–de overzijde toegankelijk is voor onderhoud. Dit is het geval indien:
a.aan de overzijde een obstakelvrije en voldoende brede strook grond ligt die in eigendom is van het waterschap, of
b.aan de overzijde ten behoeve van het waterschap een zakelijk recht is gevestigd op een obstakelvrij en voldoende breed stuk grond. Als een zakelijk recht moet worden gevestigd op het overliggende perceel moet de betreffende rechthebbende in een dergelijke zakelijk recht:
–de gevolgen van het eenzijdig onderhoud van het water vanaf zijn perceel accepteren, en
–altijd toegang verlenen tot zijn perceel aan personen die in opdracht van het waterschap werken en hun materieel, en
–de algehele ontvangstplicht van maaisel, bagger en dergelijke afkomstig van het onderhoud van het water accepteren.
8Een oppervlaktewaterlichaam moet altijd voor onderhoud en inspecties bereikbaar blijven. Wanneer aan de onder 4 vermelde voorwaarden is voldaan, zijn vergunningen binnen de beschermingszone mogelijk mits aan de zijde van het geplande obstakel of bouwwerk in principe een vrije strook met een breedte van minimaal 1 meter vanaf de insteek aanwezig is voor inspectie en onderhoud.
9In de vergunning kan de voorwaarde worden gesteld dat, onverminderd de onderhoudsplichten van de (Waterschapswet)legger, binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval wordt verwijderd door de vergunninghouder.
3.4.3. Stabiliteit
Een werk of object mag de stabiliteit van het talud en/of de beschermingszone niet negatief beïnvloeden.
3.4.4. Ecologie/waterkwaliteit
De negatieve effecten op flora en fauna moeten worden gecompenseerd zodat er geen sprake kan zijn van een significante afname van een bepaalde soort en/of een significante afname van de ecologische kwaliteit.
3.4.5. <vervallen>
4. Beleidsregel Werkzaamheden in bergingsgebieden
4.1. Kader
4.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 4.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen in bergingsgebieden aangewezen.
4.1.2. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op bergingsgebieden. Deze beleidsregel geldt niet voor reserveringsgebieden, omdat dit geen bergingsgebieden zijn in de zin van de Omgevingswet.
4.3. Motivering van de beleidsregel
4.3.1. Waterberging
De bedoeling is dat ze (grote) hoeveelheden water kunnen bergen. Er wordt daarbij ook ingespeeld op toenemende neerslaghoeveelheden in de toekomst en de daarmee samenhangende verhoogde waterafvoer. De vastgestelde bergingsgebieden kunnen zowel betrekking hebben op nieuwe gebieden die nu nog niet regelmatig inunderen, als op het langer vasthouden van het water in bestaande gebieden die wel regelmatig inunderen.
Binnen de in de legger aangewezen bergingsgebieden dient de eigenaar/gerechtigde/gebruiker te gedogen dat die gronden vanuit het oppervlaktewaterlichaam tijdelijk inunderen en/of dat water tijdelijk op zijn grond wordt vastgehouden.
Bij ingrepen in bergingsgebieden gaat het om activiteiten die een verlies aan waterbergingscapaciteit van de bergingsgebieden tot gevolg hebben. Daarbij kan gedacht worden aan bebouwing en ophoging van het terrein. Vanwege de belangrijke waterbergende functie dient het verlies aan waterberging ten gevolge van de werkzaamheden volledig te worden gecompenseerd.
Bergingsgebieden zijn van groot waterhuishoudkundig belang, omdat ze kunnen worden ingezet bij het voorkomen van wateroverlast op andere plaatsen. Uitgangspunt bij tegenstrijdigheid/overlap in beleid tussen beschermd gebied en bergingsgebieden is dat de effecten van bergingscapaciteit boven de effecten voor hydrologisch herstel gaan.
Zaken die niet worden gezien als een afname van waterbergend vermogen zijn onder andere afrasteringen, borden, lantaarnpalen e.d. Deze zaken hebben een verwaarloosbaar effect op het totale waterbergend vermogen.
5. Beleidsregel duikers en bruggen
5.1. Kader
5.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen.
5.1.2. Begripsbepaling
Duiker: een buis in een oppervlaktewaterlichaam, die bedoeld is om de waterafvoer mogelijk te houden.
Brug: een werk over een oppervlaktewaterlichaam dat bedoeld is voor de overgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam.
De hoogwaterlijn: is de waterhoogte die bij hoogwaterafvoer verwacht wordt.
Onderhoudspeil: het waterpeil dat wordt ingesteld bij a-wateren ten behoeve van het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden.
5.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op alle a-wateren inclusief bijbehorende beschermingszones, en op b-wateren voor zover de duiker/brug buiten de reikwijdte van de algemene regel valt.
5.3. Motivering van de beleidsregel
5.3.1. Doorstroming en bergingscapaciteit
De meest voorkomende redenen voor het aanleggen van een brug of duiker zijn perceelsontsluiting en infrastructurele werken. Infrastructurele werken zijn bovengrondse infrastructurele werken zoals wegen voor auto’s, rotondes, fietspaden of spoorwegen. Voor perceelsontsluitingen is slechts een beperkte lengte nodig.
Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt een vernauwing op van het oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming van het water vermindert. Afhankelijk van de lengte van de dam en de diameter van de duiker treedt opstuwing en verlies aan berging op, wat problemen kan geven bij bijvoorbeeld piekafvoeren. Daarom gaat het waterschap terughoudend om met het toestaan van dammen met duiker in a-wateren.
Als bruggen worden geplaatst zonder ondersteunende pijlers in het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam heeft de brug vrijwel geen effect op de wateraan- en afvoer in het oppervlaktewaterlichaam. Bij lange bruggen worden vaak wel pijlers gebruikt. Daardoor kan de doorstroming enigszins worden beïnvloed, bijvoorbeeld door ophoping van vuil wanneer de ondersteuningspunten/pijlers te dicht op elkaar zijn geplaatst.
Negatieve effecten moeten worden voorkomen.
5.3.2. Onderhoud
Bij een duiker/brug in/over een a-water is het belangrijk dat het doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet wordt belemmerd. Hierbij speelt de afstand tussen in de watergang aanwezige werken een rol. Daarnaast is bij bruggen de hoogte van de brug ten opzichte van het waterpeil van belang, om vuilophoping tegen te gaan en om varend onderhoud mogelijk te houden.
Indien een brug doorloopt op de beschermingszone moet voldoende ruimte voor het uitvoeren van onderhoud overblijven.
5.3.3. Stabiliteit
Bij het aanleggen van een duiker/brug moet rekening gehouden worden met de stabiliteit van de taluds. Bruggen kunnen een aanzienlijk gewicht hebben en als er geen sprake is van een goede ondersteuning, zou dat kunnen leiden tot het verzakken van de taluds. Daarom zijn er toetsingscriteria opgenomen om een goede taludafwerking te waarborgen.
5.3.4. Ecologie/overige gebruiksfuncties
Niet alleen de water aan- en afvoer wordt door duikers beïnvloed. Ze kunnen ook invloed hebben op de waterkwaliteit en ecologie. Door een duiker wordt de oever onderbroken en het open water afgedekt. Dit kan onder andere negatieve gevolgen hebben voor de waterkwaliteit (zuurstofhuishouding) en de migratie van water- en oeverdieren en de verspreiding van plantensoorten. Zowel voor de waterkwaliteit als de waterkwantiteit vanuit ecologisch oogpunt, is het van belang dat er zo min mogelijk duikers voorkomen.
De ecologische effecten van bruggen zijn vele malen kleiner dan bij duikers, omdat de oevers en waterbodem wel doorlopen onder de brug. Daarom gaat bij waterlopen met een vastgestelde ecologische functie de voorkeur uit naar het aanleggen van een brug.
Duikers in waterkeringen zijn ongewenst omdat deze de waterkerende functie aantasten. Wanneer deze toch noodzakelijk zijn voor de ontwatering van het achterliggende gebied, dienen deze duikers te worden voorzien van een waterkerende constructie. Daarnaast moet getoetst worden aan: Beleidsregel algemene toetsingscriteria waterkeringen (beleidsregel 15).
De duiker/brug mag het eventuele gebruik van het oppervlaktewaterlichaam als vaarweg niet belemmeren.
5.3.5. <vervallen>
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
5.4. Toetsingscriteria
5.4.1. Algemeen
5.4.1.1 a-water
1In principe worden er géén duikers en/of bruggen in a-wateren toegestaan. Uitzonderingen hierop zijn:
–Een duiker/brug die nodig is voor perceelsontsluiting en waarbij het perceel niet op andere wijze is, of kan worden ontsloten en er geen sprake is van een redelijk, evident alternatief voor ontsluiting;
–Bij een watergang met een vastgestelde ecologische functie wordt altijd uitgegaan van de aanleg van een brug. Alleen als een brug redelijkerwijs niet mogelijk of ecologisch niet noodzakelijk is, kan gemotiveerd een duiker worden toegestaan. Extra kosten zijn hier geen doorslaggevend argument;
–Percelen die over een afstand van meer dan 100 meter grenzen aan een a-water, kan een extra duiker/brug worden toegestaan om het perceel beter te ontsluiten;
–Bedrijven die vanwege bedrijfshygiënische redenen of andere wetgeving een extra duiker/brug nodig hebben en er geen sprake is van een redelijk, evident alternatief voor deze extra ontsluiting;
–Duikers/bruggen die vanwege infrastructurele werken noodzakelijk zijn
5.4.1.2 b-water
1Duikers/bruggen in b-wateren worden toegestaan, tenzij deze worden aangelegd in gebieden met een vastgestelde ecologische functie, of wijstgebieden. In deze gebieden geldt het algemene uitgangspunt van zoveel mogelijk open water. Duikers/bruggen in een b-water in deze gebieden kunnen hier, naast het afvoeren en bergen van water, de andere functies van de watergang beperken.
2Duikers en bruggen mogen geen wateroverlast of -schaarste geven. Hierbij moet getoetst worden aan water aan- en afvoer, waterberging, ontwatering, afwatering van percelen, etc.
5.4.2. Doorstroming en waterberging
1Afhankelijk van de functie en de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam worden er eisen aan de afmetingen gesteld van de duiker of brug. Daarbij mogen de duikers/bruggen geen significant opstuwend effect geven, het benodigd bergend vermogen niet verminderen, en het doelmatig beheer van het oppervlaktewaterlichaam niet negatief beïnvloeden. Indien er duidelijk een negatief effect is, zal de vergunning niet verleend worden.
2Voor a-wateren geldt dat duikers/bruggen niet langer mogen zijn dan strikt noodzakelijk.
Hierbij wordt onder andere rekening gehouden met:
–verkeer dat over de duiker/brug heen moet waarbij rekening gehouden wordt met de breedte, lengte en de draaicirkel van de voertuigen, en;
–de verkeersveiligheid, en;
–samenvoegingen van ontsluitingen voor meerdere gebruikers tot 1 brug/duiker moeten waar mogelijk gebruikt worden.
3In beginsel zijn pijlers bij bruggen in het doorstroomprofiel van a-wateren niet toegestaan. Indien pijlers toch noodzakelijk zijn, kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden ter waarborging van een goede staat van onderhoud en de water aan en –afvoer in het oppervlaktewaterlichaam.
4De onderkant van de brugconstructie dient bij voorkeur minimaal 0,5 meter boven de hoogwaterlijn te liggen, met name om vuilophoping en opstuwing te voorkomen. De hoogwaterlijn is gerelateerd aan een afvoer die theoretisch eens in de 10 jaar voorkomt (T=10).
Daar waar een duiker wordt aangelegd met een opstuwende functie moet tevens getoetst worden aan de beleidsregels “Peilafwijkingen in een oppervlaktewaterlichaam”.
5.4.3. Onderhoud bij a-wateren
1Daar waar in a-wateren het onderhoud varend wordt uitgevoerd worden geen duikers toegestaan. Uitzonderingen hierop zijn duikers voor infrastructurele werken waar een brug redelijkerwijs niet mogelijk is, extra kosten zijn hier geen doorslaggevend argument. Hierbij dient het onderhoud van het oppervlaktewater gewaarborgd te blijven. Dit kan door bijvoorbeeld een in- en uitlaatplaats voor de maaiboot te realiseren nabij de duiker.
Bruggen moeten zodanig aangelegd worden dat de maaiboot kan passeren. Doorgaans is dit een hoogte van 1,5 meter van de onderkant van de brug ten opzichte van het onderhoudspeil en een doorvaarbreedte van minimaal 3,5 meter.
2De aanleg en aanwezigheid van de duiker/ brug mag het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet belemmeren. Dit betekent dat er voldoende afstand tussen werken aanwezig moet zijn. Hierbij moet ook het buitengewoon onderhoud aan de watergang mogelijk blijven. Om dit te borgen wordt in de vergunning een minimale afstand tussen de werken voorgeschreven. Doorgaans is dit minimaal 10 meter tussen de verschillende werken.
Bij langere duikers dient per 80 meter en bij ieder knikpunt een inspectieput aangelegd te worden.
3Daarnaast moet veilig en doelmatig onderhoud aan de duiker uitgevoerd kunnen worden, bijvoorbeeld het doorspuiten van de duiker. Hiervoor kunnen voorschriften worden opgenomen in de vergunning.
4In de vergunning kan de voorwaarde worden gesteld dat, onverminderd de onderhoudsplichten van de onderhoudsverordening en/of -legger, binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval wordt verwijderd door de vergunninghouder.
5.4.4. Waterkeringen
1Duikers door waterkeringen worden in principe niet vergund. Alleen bij zwaarwegend maatschappelijk belang kan hiervan worden afgeweken. Indien een duiker door een waterkering wordt aangelegd, mag de waterkerende functie van de waterkering niet worden aangetast en moet de duiker voorzien worden van een afsluitconstructie.
5.4.5. Vaarwegen
1De aanleg van een brug mag het eventuele gebruik van een watergang aangewezen als vaarweg niet belemmeren. Dit betekent dat een minimale doorvaarhoogte en breedte van de brug in de vergunning opgenomen kan worden.
2De aanleg van een duiker in een vaarweg, wordt niet toegestaan.
5.4.6. Stabiliteit
1De duiker/brug mag de stabiliteit van de taluds en bodem van het oppervlaktewaterlichaam niet aantasten. In de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden opgenomen ter voorkoming van negatieve effecten.
2Het toe te passen materiaal voor duikers in a-watergangen is in principe beton. Als de aanvrager de gelijkwaardigheid met beton (ter zake van levensduur, opstuwing en drukvastheid) aantoont, wordt ander materiaal ook toegestaan.
5.4.7.
Het plaatsen van objecten op een duiker is toegestaan als:
1Het doelmatig onderhoud van de watergangen en de duiker mogelijk blijft. Dit betekent onder andere dat de onderhoudsmachines de duiker moeten kunnen passeren. Hiervoor is een minimale obstakelvrije doorgang van 4 meter breed noodzakelijk, en;
2Het object op de duiker mag de constructie van de duiker niet negatief beïnvloeden, en;
3De afmetingen van de dam en/of duiker niet wordt gewijzigd.
4Hekwerken op een duiker moeten voorzien zijn van een slot van het waterschap. Indien dit niet mogelijk is, kan de doorgang zodanig worden (af)gesloten zodanig dat het waterschap deze op een eenvoudige manier kan openen
5.4.8. Ecologie/waterkwaliteit
1De negatieve effecten op flora en fauna moeten worden gecompenseerd zodat er geen sprake kan zijn impact op flora en fauna mag niet negatief zijn. Er mag geen sprake zijn van een significante afname van een bepaalde soort en/of een significante afname van de ecologische kwaliteit. Deze negatieve effecten moeten worden gecompenseerd. Vanwege een doorlopende waterbodem is het vaak noodzakelijk om de duiker lager te leggen dan de waterbodem. Doorgaans is dit met een binnenonderkant van de duiker 0,05 meter onder de waterbodem gemeten bij een goede onderhoudstoestand volgens de (Waterschapswet)legger.
2Bij een watergang met een vastgestelde ecologische functie wordt altijd uitgegaan van de aanleg van een brug. Alleen als een brug redelijkerwijs niet mogelijk of ecologisch niet noodzakelijk is, kan gemotiveerd een duiker worden toegestaan. Extra kosten zijn hier geen doorslaggevend argument.
5.4.9. <vervallen>
6. Beleidsregel Dempen en graven oppervlaktewaterlichamen
6.1. Kader
6.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen.
6.1.2. Begripsbepaling
Dempen: Onder dempen wordt in dit kader verstaan het verkleinen van het profiel van het oppervlakte-waterlichaam(geheel of gedeeltelijk dempen).
Graven: Onder graven wordt verstaan: het wijzigen of vergroten van het profiel van het in het bestaande watersysteem aanwezige oppervlaktewaterlichaam en het nieuw graven van een oppervlaktewaterlichaam.
Beschermde gebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. De beschermde gebieden zijn overgenomen uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hieronder valt het Natuurnetwerk Brabant (NNB - opgevuld), inclusief de ecologische verbindingszones (EVZ).
Attentiegebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Bij de attentiegebieden gaat het om beschermingsgebieden van gemiddeld 500 meter rond de zogenaamde "natte natuurparels". Rond de Groote Peel is de 2 kilometerzone uit het aanwijzingsbesluit van de minister van LNV op grond van de Omgevingswet als beschermingsgebied overgenomen. De begrenzing is overgenomen uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zij maken samen met de natte natuurparels deel uit van de ´Attentiezones waterhuishouding’ in de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Beperkt Beschermde Gebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Het betreft gebieden waar een beperkte waterhuishoudkundige bescherming wordt nagestreefd. Bij de nadere uitwerking van de gebiedsaanduiding is nadrukkelijk rekening gehouden met de externe werking (art. 6 Richtlijn 92/43/EEG) ingevolge de Habitatrichtlijn voor met name de gebieden die gelegen zijn in Vlaanderen direct aan de Rijksgrenzen.
Beekdalen: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. De beekdalen betreffen kwelgebieden in het agrarisch gebied die hydrologisch gezien tot de meest waardevolle gebieden van het beheersgebied van het waterschap gerekend kunnen worden.
Wijstgronden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Het betreft een uniek geohydrologisch verschijnsel dat zich langs de Peelrandbreuk voordoet. De Peelrandbreuk vormt de overgang tussen de zakkende gronden (slenk) en stijgende gronden (horst) in Oost Brabant. Langs de breuklijn schuren de gronden langs elkaar waardoor deze slecht doorlatend wordt voor grondwater. Het verschijnsel dat de grondwaterstand op de hoger gelegen horst duidelijk hoger ligt dan in de lager gelegen slenk, wordt als wijst getypeerd. Wijstgronden zijn de gebieden waar dit verschijnsel duidelijk zichtbaar is. Deze gebieden zijn overgenomen uit de Provinciale omgevingsverordening.
Natuurvriendelijke oever: Oever die ten behoeve van de ecologisch toestand en (natte) natuurwaarden is ingericht met een ondiepe 'natte' zone die oever- en watervegetatie de kans biedt zich te ontwikkelen.
6.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op alle a- en b-wateren, en voor c-wateren voor zover dit niet is vrijgesteld onder algemene regel 4.
6.3. Motivering van de beleidsregel
6.3.1. Algemeen
Met een demping of vergroting van oppervlaktewaterlichamen wordt de bestaande afwatering en water-aanvoer veranderd. Een demping mag niet leiden tot een afname van de benodigde bergingscapaciteit van het watersysteem, tenzij deze maatregel is gericht op verbetering van het watersysteem.
Daarnaast wordt de aanleg van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of het vergroten van een bestaand oppervlaktewaterlichaam binnen de beschermde gebieden waterschapsverordening alleen toegestaan, indien deze cumulatief tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van het NNB en/of de Natura 2000 leidt.
6.3.2. <vervallen>
6.3.3. Peilbesluitgebieden
In peilbesluitgebieden wordt uitgegaan van het zogenaamde “stand-still” principe. Bij iedere demping dient de afname van de hoeveelheid open waterberging in principe dan ook minimaal te worden gecompenseerd binnen hetzelfde peilgebied en zo dicht mogelijk bij de ingreep. Het kan echter voorkomen dat er geen mogelijkheid is tot compenseren in hetzelfde peilgebied. Ook voor grote inrichtingsplannen bestaat vaak de wens om te compenseren in een ander peilgebied.
6.3.4. Beschermde gebieden
Door aanpassing van het watersysteem in het verleden zijn veel natte natuurgebieden in Brabant verdroogd. Het Rijk heeft in 2008 een lijst vastgesteld van gebieden die met voorrang moeten worden hersteld. Binnen Brabant zijn deze gebieden bekend als natte natuurparels. Een aantal hiervan is aangemerkt als Natura 2000 gebied. Binnen het Natuurnetwerk Brabant dienen waterhuishoudkundige maatregelen in het teken van verdrogingsbestrijding te staan.
In inrichtingsplannen en beheerplannen (GGOR) zijn de natuurdoelen en de inrichting en beheermaatregelen ter realisatie en bescherming van deze doelen opgenomen. Deze plannen worden benut bij het beoordelen van werkzaamheden van derden.
Gewerkt wordt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de natuur. Heeft een activiteit een hydrologisch effect en is er daarbij sprake van een positief effect op de wezenlijke kenmerken van de natuur dan kan een individuele ingreep in beginsel plaatsvinden indien deze onderdeel uitmaakt van een combinatie van plannen, projecten of handelingen die cumulatief per saldo tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van het NNB en/of de Natura 2000 leidt (“nee tenzij”).
Doorgaans heeft het dempen van een watergang een positief hydrologisch effect voor de beschermde gebieden, en het graven van een watergang een verdrogend effect.
6.3.5. Attentiegebieden
De attentiegebieden vormen de buffer tussen de natte natuurparels en hun omgeving. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen natte natuurparels en omgeving opgevangen te worden. De attentiegebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de natte natuurparels. Daarnaast kunnen in deze gebieden, waar nodig, compenserende maatregelen worden getroffen om uitstralingseffecten vanuit de natte natuurparels naar de omgeving te voorkomen. Het totaal aan maatregelen wordt tenminste getoetst op stand-still op de rand van de natte natuurparel. Bij voorkeur heeft het totaal aan maatregelen binnen deze zone een positief effect op de gewenste natuurontwikkeling binnen de beschermde gebieden.
6.3.6. Beperkt beschermde gebieden
De beperkt beschermde gebieden vormen de buffer tussen de Habitatrichtlijngebieden in Vlaanderen en hun omgeving in Nederland. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen Habitatrichtlijngebieden en omgeving opgevangen te worden. De beperkt beschermde gebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de gebieden in Vlaanderen. Het totaal aan maatregelen wordt tenminste getoetst op stand-still overeenkomstig de werkwijze in attentiegebieden.
6.3.7. Beekdalen
De beekdalen zijn gebieden in de AHS die hydrologisch erg gevoelig zijn. Om de natuur, kenmerkend voor deze gebieden, te beschermen wordt een zelfde beschermingsregime gehanteerd als bij de Beschermde gebieden.
6.3.8. Wijstgronden
In een intentieverklaring (2007) tussen provincie, waterschap, gemeenten, belangenorganisaties en terreinbeheerders zijn afspraken gemaakt om vijf wijstgebieden te herstellen. In het WBP 2010 – 2015 is opgenomen dat het waterschap het wijstverschijnsel in deze gebieden beschermt door activiteiten van derden te reguleren.
Alle activiteiten die het wijstverschijnsel aantasten dienen te worden vermeden. Zoals het doorsnijden van de breuklijn of het treffen van voorzieningen om de grondwaterstand structureel te verlagen.
6.3.9. Onderhoud
Bij het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of het vergraven van een bestaand oppervlaktewater-lichaam, moeten doelmatige onderhoudsmogelijkheden van a-wateren aanwezig blijven.
Dit betekent dat bij de aanleg van a-wateren en het graven van oppervlaktewaterlichamen in de beschermingszone, geborgd moet worden dat een obstakelvrije beschermingszone bestaat.
6.3.10. Stabiliteit
Het is bij nieuwe en te vergraven oppervlaktewaterlichamen belangrijk dat de stabiliteit van oevers en het talud wordt gewaarborgd. Ook het opbarsten van de bodem moet worden voorkomen. Er worden daarom voorschriften gegeven over de taludverhouding en de afwerking van de oever/ taluds.
6.3.11. Ecologie
Ook kunnen (ongewenste) effecten optreden op een aan het oppervlaktewaterlichaam toegekende ecologische functie. Bij een (gedeeltelijke) demping kan de doorstroming verminderen waardoor de waterkwaliteit afneemt. De leefomstandigheden voor planten en dieren kunnen zodanig wijzigen dat het voortbestaan van specifieke planten of dieren wordt bedreigd. In watergangen met een specifieke natuurwaarde kan een aanpassing van het profiel onaanvaardbare gevolgen hebben voor het ecologische systeem. Dat kan reden zijn voor specifieke voorschriften in de vergunning, dan wel het weigeren van een vergunning.
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
6.4. Toetsingscriteria
6.4.1. Dempen
1Er moet worden aangeven op welke manier en op welke plek de vermindering van het benodigde bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt gecompenseerd.
2De compensatie moet bij voorkeur vooraf aan het dempen zijn uitgevoerd.
3Voor dempingen in peilbesluitgebieden geldt:
a.Demping 1:1 compenseren in het zelfde peilgebied; indien niet mogelijk gemotiveerd uitwijken naar b.
b.Demping compenseren in aangrenzend benedenstrooms peilgebied (met lager peil). Indien niet mogelijk, gemotiveerd uitwijken naar c.
c.Demping compenseren in aangrenzend bovenstrooms peilgebied (met hoger peil); indien niet mogelijk gemotiveerd uitwijken naar d.
d.Demping compenseren in het zelfde bemalingsgebied.
Met het afwijken van de hoofdregel (compenseren in hetzelfde peilgebied) moet terughoudend worden omgegaan. Het uiteindelijke resultaat mag geen negatieve invloed hebben op de werking van het watersysteem.
Uitzondering op de regel dat altijd gecompenseerd moet worden, is als het uit oogpunt van verdrogingbestrijding gewenst is dat een watergang gedempt wordt. Er kan dan een vergunning worden verleend zonder dat compensatie van de waterberging noodzakelijk is.
4Een demping mag niet leiden tot wateroverlast of problemen in de waterafvoer.
6.4.2. Graven/vergroten
1Door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen mag geen directe verbinding ontstaan tussen verschillende peilgebieden.
2De aanleg van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of het vergroten van een bestaand oppervlaktewaterlichaam binnen de beschermde gebieden en de beekdalen, wordt alleen toegestaan indien deze cumulatief per saldo tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van het NNB en/of de Natura 2000 leidt.
3Voor attentiegebieden wordt getoetst op stand-still op de rand van de natte natuurparel.
4Voor wijstgronden wordt een waterhuishoudkundige bescherming voorgestaan gericht op minimaal stand-still in de wijstgronden.
5Voor de beperkt beschermde gebieden wordt een waterhuishoudkundige bescherming voorgestaan gericht op minimaal stand-still in de habitatrichtlijngebieden in Vlaanderen.
6Bij het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of het vergraven van een bestaand oppervlaktewaterlichaam, moet doelmatige onderhoud van de a-wateren mogelijk blijven.
7Bij het (ver)graven van een oppervlaktewaterlichaam waaraan een ecologische functie is toegekend, dient in beginsel het talud in de vorm van een natuurvriendelijke oever te worden aangelegd.
8Bij de aanleg van een natuurvriendelijke oever in een a-water, kan de vereiste beschermingszone gecombineerd worden met het talud. Hierbij hangt het af van de grondslag welke taludhelling aanvaardbaar is. Doorgaans is er geen probleem indien het bovenwatertalud 1:8 of flauwer is.
6.4.3. Ecologie
De negatieve effecten op flora en fauna moeten worden gecompenseerd zodat er geen sprake kan zijn van een significante afname van een bepaalde soort en/of een significante afname van de ecologische kwaliteit.
6.4.4. <vervallen>
7. Beleidsregel Kabels en leidingen oppervlaktewaterlichamen
7.1. Kader
7.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen.
7.1.2. Begripsbepaling
Kabels en leidingen: alle kabels en leidingen ongeacht diameter of functie. Voor het oppervlaktewaterlichaam maakt het niet uit of het een kabel of een leiding betreft.
Voorbeelden van leidingen zijn vrij lozende leidingen (bijvoorbeeld rioolleiding), druk- of pijpleidingen (bijvoorbeeld persriool, water, gas). Kabels zijn bijvoorbeeld elektriciteitskabels.
7.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op het aanleggen en vervangen van kabels en leidingen in en nabij a-wateren inclusief beschermingszones door middel van graven en in het profiel van vrije ruimte door middel van een gestuurde boring en graven. Voor overige kabels en leidingen is de algemene regel van toepassing.
7.3. Motivering van de beleidsregel
7.3.1. Algemeen
Kabels en leiding kunnen zowel parallel aan als kruisend ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam worden gelegd. Daarnaast kan de kruising ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam plaatsvinden aan, over of onder kunstwerken, of over of onder het oppervlaktewaterlichaam door.
De genoemde afstandsmaten in de algemene regel over kabels van leidingen zijn ook voor deze beleidsregel van toepassing. Om het aantal kruisingen zo beperkt mogelijk te houden moet er zoveel mogelijk gebundeld worden. Ook moet het geplande tracé noodzakelijk zijn. Als er een redelijk alternatief zonder kruising van waterstaatswerken aanwezig is, dient dat gekozen te worden.
7.3.2. Doorstroming
De wateraan- en afvoer in het oppervlaktewaterlichaam mag niet worden gehinderd. Daarom mogen kabels en leidingen niet in het profiel van het oppervlaktewaterlichaam lopen. Er zijn voorschriften waarop kabels en leidingen ten opzichte van het (legger)profiel dienen te worden aangebracht.
7.3.3. Onderhoud
Van belang is dat kabels en leidingen niet worden beschadigd als onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam worden uitgevoerd.
Bij de aanleg van kabels en leidingen zijn vaak installaties noodzakelijk om deze te laten functioneren. Hierbij kan gedacht worden aan transformator- en schakelkastjes. Bij voorkeur worden deze kastjes buiten de beschermingszone geplaatst. Daar waar dat niet mogelijk is, kunnen de obstakels worden toegestaan indien het beheer en onderhoud van de watergang hierdoor niet wordt gehinderd.
7.3.4. Stabiliteit
Kabels en leidingen worden veelal geplaatst door middel van een open ontgraving en/of een gestuurde boring. Wanneer deze werkzaamheden te dicht op de insteek van een oppervlaktewaterlichaam worden uitgevoerd kan dat een negatief effect hebben op de stabiliteit van de oevers/ taluds. Wanneer een leiding eenmaal is ingegraven of geboord zou het voor kunnen komen dat deze beschadigd raakt. Er kunnen daarom eisen worden gesteld aan de aan te leggen of te verwijderen werken en de wijze van uitvoering.
Tevens kunnen oppervlaktewaterlichamen voorzien zijn van verticale verdediging (kademuren, damwanden, etc). In die gevallen kan het belangrijk zijn om aanvullende voorschriften te stellen.
7.3.5. Ecologie en profiel van vrije ruimte
Kabels en leidingen mogen geen belemmering vormen voor de aanwezige of nog te ontwikkelen ecologische waarden. Bij meanderende oppervlaktewaterlichamen zal de ligging ervan in de tijd kunnen veranderen (profiel van vrije ruimte). Om er voor te zorgen dat de kabel/leiding niet wordt blootgespoeld kunnen nadere eisen aan de diepteligging van de kabel/leiding worden gesteld. Hierbij kan een afweging worden gemaakt tussen de economische levensduur en de snelheid van meanderen.
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
7.4. Toetsingscriteria
7.4.1. Algemeen
1Leidingkruisingen dienen zoveel mogelijk ter plaatse van bestaande duikers en bruggen of een bestaand leidingtracé te worden gerealiseerd.
2Kabels en leidingen die een oppervlaktewaterlichaam kruisen moeten dat oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk haaks kruisen.
3In het profiel van vrije ruimte geldt dat ter bescherming van de kabels of leidingen de oever of de bodem niet mag worden vastgelegd. Zodra als gevolg van meanderen niet meer aan de gestelde normen wordt voldaan, dient de bestaande kabel of leiding door en op kosten van de kabel- of leidingbeheerder te worden aangepast.
4Transformator- en schakelkastjes worden bij voorkeur buiten de beschermingszone geplaatst. Daar waar dat niet mogelijk is, kunnen de obstakels worden toegestaan indien het beheer en onderhoud van de watergang hierdoor niet wordt gehinderd.
7.4.2. Normen
1Voor de maten van het aanleggen van kabels en leidingen ten opzichte van de bodem, het talud en het maaiveld dient bij voorkeur te worden voldaan aan de maten zoals genoemd in de algemene regel van kabels en leidingen. Afwijking daarvan kan alleen wanneer rekening is gehouden met het voorkomen van mogelijke schade en het borgen van voldoende veiligheid.
2In het profiel van vrije ruimte moet de maatvoering voor nieuw te leggen kabels en leidingen dusdanig worden vastgesteld dat toekomstige ontwikkeling mogelijk blijft.
7.4.3. Doorstroming/stabiliteit
1Tijdens de uitvoering van de werken dient de waterafvoer te allen tijde te zijn gegarandeerd.
2Voor eventueel noodzakelijke hulpconstructies bij aanleg in het oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszone, zoals damwanden, bouwputten en omleidingen, die niet onder de algemene regel van bijkomende werkzaamheden vallen, kunnen aanvullende voorschriften worden opgenomen ter bescherming van de doorstroming/stabiliteit.
8. Beleidsregel Oeverbeschermende voorzieningen in oppervlaktewaterlichamen
8.1. Kader
8.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen.
8.1.2. Begripsbepaling
Oeverbeschermende voorziening: een oeverbeschermende voorziening wordt als een werk beschouwd. Met werken wordt bedoeld alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of inrichtingen. Als voorbeeld kunnen genoemd worden beschoeiing, damwand, keerwand, etc.
Oeverafkalving: afslijting veroorzaakt doordat de energie van het water in een beek hoger is dan de weerstand van de bodem/oevermateriaal tegen transport.
Oeverherstel: het terugbrengen van de oever in zijn oorspronkelijke profiel.
Vaarweg: oppervlaktewaterlichaam met de functie vaarweg, zoals aangegeven in de legger vaarwegen en/of de Omgevingsverordening Noord-Brabantvan de Provincie Noord Brabant.
8.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op het plaatsen, behouden, wijzigen en verwijderen van oever-beschermende voorzieningen in a-wateren, en in b-wateren indien de bergings- en de doorstroomcapaciteit van dat b-water verandert.
8.3. Motivering van de beleidsregel
8.3.1. Algemeen
Voor b-wateren is oeverbescherming grotendeels vrijgegeven in de algemene regel. Daar waar afgeweken wordt van deze algemene regel moet getoetst worden aan de beleidsregels 1, Peilafwijkingen in een oppervlaktewater-lichaam, waaronder begrepen onderbemalingen en/of beleidsregel 6 Dempen en graven oppervlaktewater-lichamen.
Oeverbeschermende voorzieningen zijn meestal bedoeld als beschermingsmaatregel tegen oeverafkalving. Voor b-wateren is dit grotendeels vrijgegeven in de algemene regel. Bepalend is of de oeverafkalving een gevaar vormt voor de waterstaat voor de waterstaatkundige functie van het oppervlaktewaterlichaam. Is dit het geval in a-wateren, dan kunnen eventuele (oever)herstelmaatregelen worden uitgevoerd die primair vanuit de taakstelling of de onderhoudsplicht van het waterschap gericht zijn op de waterstaatkundige verzorging van het gebied. Het uitgangspunt bij a-wateren is dat we deze oppervlaktewaterlichamen zo natuurlijk mogelijk inrichten en beheren. Zeker bij de wateren met een ecologische functie en wateren met de functie ‘meandering’. Het vastleggen van de oevers heeft vrijwel altijd een negatief effect op het ecologisch functioneren van de watergang.
Uitzondering op dit algemene uitgangspunt zijn de kanalen en vaarwegen omdat deze meestal niet zijn aangelegd met een natuurdoelstelling.
Het vastleggen van de oevers heeft vrijwel altijd een negatief effect op het ecologisch functioneren van de watergang. Natuurlijke vervorming van de oevers is kenmerkend voor een natuurlijke beek en behoort tot het normaal maatschappelijk risico van de eigenaar of pachter. De bescherming van de individuele eigendommen ligt bij de eigenaar, maar de waterhuishoudkundige belangen wegen zwaarder dan het individuele belang.
8.3.2. Aanpassen van het profiel
Daar waar door het aanleggen van de oeverbeschermende voorzieningen het profiel van de watergang wordt aangepast, moet ook getoetst worden aan de beleidsregel “Dempen en graven oppervlaktewaterlichamen”.
8.3.3. Onderhoud
Het doelmatig onderhoud van de watergang moet gewaarborgd blijven bij en na de aanleg van de oeverbeschermende voorzieningen. Hierbij is het niet de bedoeling om de wijze van onderhoud aan te passen.
8.3.4. Stabiliteit
Werken in het oppervlaktewaterlichaam (in de beschermingszone) kunnen de constructie en stabiliteit van de taluds en eventuele reeds bestaande werken aantasten.
8.3.5. Ecologie
Er zijn verschillende constructies mogelijk om oevers tegen afkalving te beschermen. Harde overgangen tussen water en oever, zoals beschoeiingen en damwanden, hebben een negatief effect op de werking van de ecologische verbindingszone en voor beekherstel belangrijke natuurlijke processen zoals erosie en sedimentatie.
Voorkomen moet worden dat maatregelen van derden tot gevolg hebben dat de KRW doelstellingen niet kunnen worden gehaald. Daarom gaat bij waterlopen die zijn ingericht vanuit beek- en kreekherstel met een vastgestelde ecologische functie de voorkeur uit naar herstel en /of verflauwing in combinatie met beplanting van de oever bij onevenredige aantasting. Als dit niet mogelijk of niet afdoende blijkt, kan gekozen worden voor oeververdediging.
8.4. Toetsingscriteria
8.4.1. <vervallen> - 8.4.2. Ecologie
De negatieve effecten op flora en fauna moeten worden gecompenseerd zodat er geen sprake kan zijn van een significante afname van een bepaalde soort en/of een significante afname van de ecologische kwaliteit.
9. Beleidsregel Onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam
9.1. Kader
9.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen.
9.1.2. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op onttrekkingen uit een oppervlaktewaterlichaam met een debiet vanaf 100 m3 per uur.
Bij bijzondere omstandigheden kan het bestuur op basis van artikel 1.1.7.2 van de waterschapsverordening een onttrekkingsverbod instellen.
10. Beleidsregel Aanpassen maaiveld
10.1. Kader
10.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen.
10.1.2. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op alle beschermingszones langs a-wateren.
10.3. Motivering van de beleidsregel
10.3.1. Stabiliteit
Als aanpassing van het maaiveld binnen de beschermingszone van een a-water wordt uitgevoerd kan hiermee de stabiliteit van het talud of een kunstwerk worden beïnvloed. Er moet voorkomen worden dat het talud inzakt.
10.3.2. Onderhoud
Bij het verhogen van het maaiveld bevindt de nieuwe insteek zich daar waar het doorgetrokken talud het nieuwe maaiveld raakt. Bij het verlagen van het maaiveld bevindt de nieuwe insteek zich daar waar het talud het nieuwe maaiveld raakt. Zie hiervoor de tekening onderaan deze beleidsregel.
De ligging van de nieuwe insteek en de beschermingszone wordt bij significante aanpassing in de vergunning opgenomen.
Ophoging/aanpassing van het maaiveld binnen de beschermingszone kan tot gevolg hebben dat de beschermingszone minder toegankelijk wordt voor het onderhoud. Aangezien de beschermingszone juist bedoeld is om het onderhoud aan de watergang goed mogelijk te maken, moet voorkomen worden dat het onderhoud wordt bemoeilijkt.
Bij een vergunningsaanvraag waarin een maaiveldverandering wordt gecombineerd met het aanbrengen van andere obstakels geldt dat bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag wordt uitgegaan van de insteek en de beschermingszone zoals deze geacht worden te zijn na de verandering van het maaiveld.
10.3.3. <vervallen>
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
10.4. Toetsingscriteria
10.4.1. Stabiliteit en oeverbescherming
Bij het verhogen van het maaiveld wordt de taludhelling bij voorkeur gelijk gehouden aan de bestaande helling. In ieder geval mag de taludhelling niet steiler worden.
10.4.2. Onderhoud
Het maaiveld binnen de beschermingszone moet te allen tijde geschikt blijven voor het uitvoeren van het onderhoud. Bij een maaiveldverlaging wordt in ieder geval bezien of de beschermingszone voldoende drooglegging heeft om machinaal onderhoud uit te voeren. Door het ophogen of verlagen van het maaiveld mag er niet een zodanig hoogteverschil ten opzichte van aansluitende percelen ontstaan, dat de berijdbaarheid van de beschermingszone ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud wordt belemmerd of gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Indien een hoogteverschil ontstaat, moet in ieder geval een overbrugbare aansluiting gemaakt worden met het bestaande omliggende maaiveld.
Het onderhoud van de watergang wordt niet aangepast naar aanleiding van de ophoging/aanpassing van het maaiveld. Dit betekent dat de watergang en beschermingszone geschikt moeten blijven voor het huidige en toekomstige onderhoud.
10.4.3. <vervallen>
11. Beleidsregel Steigers, vlonders, boothellingen en overhangende bouwwerken
11.1. Kader
11.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen.
11.1.2. Begripsbepaling
Overhangend bouwwerk: bouwwerk dat geheel of gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam, of het talud is geplaatst.
Steiger: constructie die over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel.
Vlonder: constructie op het maaiveld grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam.
Boothelling: taludvolgende harde constructie om vaartuigen in het water te geleiden.
Vaarweg: oppervlaktewaterlichaam met de functie vaarweg, zoals aangegeven in de legger vaarwegen en/of de Omgevingsverordening Noord-Brabant van de Provincie Noord Brabant.
11.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op steigers, vlonders, boothellingen en overhangende bouwwerken in a-wateren:
–die een vaarweg zijn, of
–die een vastgestelde ecologische functie hebben, of
–waarvan het onderhoud vanaf de kant plaatsvindt waarbij het werk rust op of steun vindt aan oeverwerken, schanskorven, beschoeiing en dergelijke.
11.3. Motivering van de beleidsregel
11.3.1. <vervallen>
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
11.4. Toetsingscriteria
11.4.1. Onderhoud bij a-wateren
1Steigers, vlonders, boothellingen of overhangende bouwwerken moeten zodanig aangelegd worden dat de maaiboot kan passeren. Doorgaans is dit een doorvaarbreedte van minimaal 3,5 meter.
2De aanleg en aanwezigheid van de steigers, vlonders, boothellingen of overhangende bouwwerken mag het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet belemmeren. Dit betekent dat er voldoende afstand tussen twee werken aanwezig moet zijn. Hierbij moet ook het buitengewoon onderhoud aan de watergang mogelijk blijven. Om dit te borgen wordt in de vergunning een minimale afstand tussen de werken voorgeschreven. Doorgaans is dit bij voorkeur10 meter tussen de verschillende werken.
3In de vergunning kan de voorwaarde worden gesteld dat, onverminderd de onderhoudsplichten van de onderhoudsverordening, binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval wordt verwijderd door de vergunninghouder.
11.4.2. Ecologie
De negatieve effecten op flora en fauna moeten worden gecompenseerd zodat er geen sprake kan zijn van een significante afname van de ecologische kwaliteit.
11.4.3. Vaarwegen
1Aan beide zijden van het oppervlaktewaterlichaam kan een steiger, vlonder, boothellingen of overhangend bouwwerk met de functie aanlegplaats worden aangelegd, en
2Er mag geen hinder voor het scheepvaartverkeer optreden.
11.4.4. <vervallen>
11.4.5. Doorstroming
1De steiger, vlonder, boothelling of het overhangend bouwwerk in een a water, mag geen belemmering veroorzaken voor de water aan en -afvoer.
12. Beleidsregel Water brengen in een oppervlaktewaterlichaam
12.1. Kader
12.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen.
12.1.2. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing voor:
–het afwegen van maatwerkvoorschriften voor het brengen van meer dan 50 m3 water per uur in oppervlaktewaterlichamen;
–het afwegen van een vergunning voor het brengen van meer dan 100 m3 water per uur in oppervlaktewaterlichamen;
13. Beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak
13.1 Kader
13.1.1 Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen.
In deze beleidsregel wordt uitleg gegeven over hoe het waterschap omgaat met hemelwaterlozingen bij een toename van verhard oppervlak en afgekoppeld verhard oppervlak. Dergelijke ontwikkelingen kunnen er voor zorgen dat het ontvangende watersysteem een extra hoeveelheid water (in een korter tijdsbestek) krijgt te verwerken. Dit kan vaker tot wateroverlast leiden waardoor het waterschap eisen stelt aan dergelijke ontwikkelingen om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Bij de inpassing van ontwikkelingen in het bestaande watersysteem moet daarom worden uitgegaan van de volgende principes:
–‘voorkomen van afwentelen’: oplossingen op de ene plaats mogen niet leiden tot problemen elders;
–‘stroomgebiedbenadering’: kijk niet alleen naar het lokale watersysteem maar beschouw het gehele (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling plaatsvindt;
–‘trits’ vasthouden-bergen-afvoeren: zoveel mogelijk water vasthouden, vervolgens water bergen en tenslotte pas water afvoeren.
De verantwoordelijkheid voor het voorkomen van afwentelen van hemelwaterlozingen begint bij de grondeigenaar c.q. degene die verhard oppervlak aanlegt. De initiatiefnemer dient het hemelwater zoveel mogelijk op eigen perceel te houden. Pas als dat redelijkerwijs niet mogelijk is kan hij in overleg met gemeente en waterschap een oplossing zoeken. De gemeente stelt vanuit haar hemelwaterzorgplicht eisen aan de verwerking van hemelwater. Met deze Beleidsregel doet het waterschap dat ook.
13.1.2 Begripsbepaling
Verhard oppervlak: Al het oppervlak dat er voor zorgt dat hemelwater sneller tot afvoer komt naar een oppervlaktewater dan in de huidige situatie zonder verharding.
Toename: Een wijziging van onverhard naar verhard oppervlak. Vervangende nieuwbouw wordt niet beschouwd als toename verhard oppervlak.
Afkoppelen verhard oppervlak: Onder afkoppelen van verhard oppervlak wordt verstaan het onderbreken van de afvoer van op bestaand verhard oppervlak vallend hemelwater via een gemengde of verbeterd gescheiden riolering naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie. In plaats daarvan wordt het hemelwater via infiltratie in de bodem of via afstroming of via hemelwaterriolering naar het oppervlaktewater afgevoerd.
Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO): Het nemen van compenserende maatregelen om te voorkomen dat een versnelde afvoer van hemelwater bij nieuwe ontwikkelingen kan resulteren in over- en onderlast van het ontvangende oppervlaktewatersysteem en het grondwatersysteem.
Voorziening: Een voorziening die moet worden aangelegd om te voorkomen dat de extra hoeveelheid hemelwater ten gevolge van een toename van verhard oppervlak versneld wordt afgevoerd naar het ontvangende watersysteem. In de voorziening wordt water tijdelijk geborgen en/of geïnfiltreerd in de bodem.
13.1.3 Toepassingsgebied
Deze beleidsregel geldt voor de afvoer van hemelwater afkomstig van toename en/of afgekoppeld verhard oppervlak naar oppervlaktewater en er niet wordt voldaan aan de criteria in afdeling 2.6 van de waterschapsverordening.
13.3 Motivering van de beleidsregel
13.3.1 Hydrologisch neutraal ontwikkelen
Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden.
Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.
De realisatie van nieuw verhard oppervlak en afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit betekent dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door het graven van hemelwaterbuffers of het aanleggen van wadi’s. In sommige gevallen kan de voorkeur juist worden gegeven aan het realiseren van compensatie in het bestaande watersysteem of worden aangesloten bij andere compensatievoorzieningen of wateropgaven.
Op welke wijze een ontwikkeling met een toename aan verharding wordt ingepast, is zeer sterk locatie-afhankelijk. Op grond van een integrale afweging, waarbij aspecten als oppervlak verharding, bodemgesteldheid, grondgebruik, huidig functioneren (aanliggend) watersysteem worden meegenomen, komen aanvrager en waterschap tot een optimale inpassing van de ontwikkeling in het bestaande watersysteem. Hierbij is het zaak dat het overleg hierover tussen aanvrager/initiatiefnemer en het waterschap in een zo vroeg mogelijk stadium wordt gestart als onderdeel van het watertoetsproces.
13.3.2 Trits vasthouden-bergen-afvoeren
Wateroverlast door versneld afvoeren (3) van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur van het waterschap uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden (1) aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of het infiltreren van water in de bodem en past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewater- als grondwatersysteem. Als niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt (2). Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.
13.3.3 Optimale inpassing/integrale afweging
Bij een uitbreiding van verhard oppervlak of het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak geldt als uitgangspunt dat bij het bepalen van de noodzakelijke compensatieopgave gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Tevens geldt dat in de afweging oog moet zijn voor andere dan kwantitatief hydrologische aspecten. Dit betekent dat met het invullen van de compensatieopgave andere doelstellingen dan hydrologie kunnen worden gerealiseerd. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de realisatie van ecologische verbindingszones of watersysteemherstelmaatregelen. Ook het toekomstig beheer van de voorziening speelt bij de afweging een belangrijk rol. Er moet zoveel mogelijk voorkomen worden dat er een versnipperd watersysteem ontstaat. Versnippering maakt het watersysteem minder robuust: het leidt tot suboptimaal gebruik van de beschikbare bergingscapaciteit en er is meer sturing nodig. Hieruit volgt in de toetsingscriteria een aantal uitzonderingen voor de toepassing van hydrologisch neutraal ontwikkelen.
13.3.4 Waterhuishoudkundig onderzoek
Het waterschap vindt een waterhuishoudkundig onderzoek noodzakelijk ter onderbouwing van de compensatieopgave en de wijze waarop deze wordt ingevuld. Het onderzoek, dat wordt uitgevoerd in opdracht van de aanvrager/initiatiefnemer, zal in overleg met het waterschap plaatsvinden en maakt bij voorkeur onderdeel uit van het watertoetsproces dat initiatiefnemer/aanvrager en waterschap gezamenlijk doorlopen.
13.3.5 Noodoverloopconstructie
Bij zeer grote neerslaghoeveelheden zal de genoemde voorziening het aangeboden water onvoldoende kunnen verwerken. Een noodoverloopconstructie moet er dan voor zorgen dat het overtollige water gecontroleerd naar een plek wordt afgevoerd waar het geen overlast kan veroorzaken. Dit kan zijn het aangrenzend oppervlaktewater of een laagte op het eigen perceel. De noodoverloopconstructie moet hierbij voldoen aan de algemene regels voor lozingsconstructies.
13.3.6 <Vervallen>
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
13.4 Toetsingscriteria
13.4.1 Waterhuishoudkundig (model)onderzoek
Het waterhuishoudkundig onderzoek voldoet aan de richtlijnen die zijn opgenomen in “Hydrologische uitgangspunten bij de regels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. De uitkomst van het onderzoek moet onderdeel uit maken van de vergunningaanvraag.
13.4.2 Bepalen omvang compensatie
De compensatieplicht is 600 m3 per hectare toename verhard oppervlak, tenzij uit het waterhuishoudkundig onderzoek blijkt dat minder compensatie nodig is. De benodigde capaciteit ligt tussen de kruinhoogte van de noodoverloopconstructie en de bodem van de voorziening. Indien de bodem van de voorziening lager ligt dan de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), dan geldt de GHG als ondergrens. Een vloeistofdichte berging mag wel (deels) onder de GHG liggen.
13.4.3 Voorzieningen
Afvoer
De afvoer uit een voorziening mag maximaal 2 l/s/ha zijn. Indien gebruik wordt gemaakt van een kleinere opvangcapaciteit omdat infiltratie in de voorziening plaatsvindt, moet de voorziening binnen 5 dagen waarbinnen maximaal 2 mm hemelwater per etmaal is gevallen, leeggelopen zijn.
Noodoverloopconstructie
Er moet een noodoverloopconstructie op de voorziening aanwezig zijn. Deze moet worden aangelegd conform de Algemene regel voor lozingsconstructies.
13.4.4 Versnelde afvoer
De uitgangspunten van hydrologisch neutraal ontwikkelen moeten altijd gevolgd worden. Afwijken van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen is mogelijk wanneer:
a.met de versnelde afvoer een verdrogingsknelpunt wordt opgelost of verminderd;
b.met de versnelde afvoer een waterkwaliteitsprobleem wordt opgelost of een ecologische doelstelling wordt gerealiseerd (bijvoorbeeld door doorstroming te creëren);
c.de versnelde afvoer van verhard oppervlak deel uitmaakt van een gebiedsgerichte ontwikkeling waarbij binnen een groter gebied hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld;
d.de versnelde afvoer het gevolg is van afkoppelen van verhard oppervlak;
e.er sprake is van buitendijkse ontwikkelingen.
f.er sprake is van een langlopende ruimtelijke ontwikkeling waarbij er een onevenredige eis ontstaat door vast te houden aan de uitgangspunten.
Voorwaarden hierbij zijn:
a.de versnelde afvoer leidt niet tot overschrijding van normen voor wateroverlast (ook in benedenstroomse gebieden) zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Noord-Brabnat van provincie Noord-Brabant;
b.de versnelde afvoer leidt niet tot aanvullende kosten voor inrichting, beheer of onderhoud voor derden of het waterschap.
14. Beleidsregel Drainage
14.1. Kader
14.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 5.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor het ontwateren van gronden met drainagemiddelen aangewezen.
14.1.2. Begripsbepaling
Drainage: ontwateringsmiddel voor het kunstmatig laag houden van de grondwaterstand welke vrij afstroomt waarbij geen gebruik gemaakt wordt van een pomp(constructie). Vaak wordt dit aangeduid als conventionele drainage.
Peilgestuurde drainage: drainage waarbij de drains niet direct uitmonden in een watergang maar in een zogeheten verzameldrain. Deze verzameldrain mondt uit in een verzamelput. In deze verzamelput zit een verstelbare overloopbuis waarmee de ontwateringsdiepte van de drainage actief kan worden gestuurd. Zie onderstaand figuur.
a.Drainagebuis.
b.Verzameldrain: Zorgt voor de collectieve afwatering van de drainagebuizen naar de verzamelput.
c.Verzamelput: Put waarin de waterafvoer geregeld kan worden.
d.Overloopbuis: Buis waardoor het drainagewater geloosd kan worden op het oppervlakte water.
e.Ontwateringsdiepte: Is de diepte ten opzichte van het maaiveld waarop maximaal ontwaterd wordt. Dit is de hoogte van de (vaste) overloopvoorziening.
f.Afvoerbuis.
g.Maaiveld.
h.Aanlegdiepte drainage.
Beschermde gebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. De beschermde gebieden zijn overgenomen uit de (interim)Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hieronder valt het Natuurnetwerk Brabant (inclusief Natte Natuurparels en Natura 2000 gebieden), inclusief de ecologische verbindingszones (EVZ).
Attentiegebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Bij de attentiegebieden gaat het om beschermingsgebieden van gemiddeld 500 meter rond de zogenaamde "natte natuurparels". Rond de Groote Peel is de 2 kilometerzone uit het aanwijzingsbesluit van de minister van LNV op grond van de Omgevingswet als beschermingsgebied overgenomen. De begrenzing is overgenomen uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zij maken samen met de natte natuurparels deel uit van de ´Attentiezones waterhuishouding’ in de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Beperkt Beschermde Gebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Het betreft gebieden waar een beperkte waterhuishoudkundige bescherming wordt nagestreefd. Bij de nadere uitwerking van de gebiedsaanduiding is nadrukkelijk rekening gehouden met de externe werking (art. 6 Richtlijn 92/43/EEG) ingevolge de Habitatrichtlijn voor met name de gebieden die gelegen zijn in Vlaanderen direct aan de Rijksgrenzen.
Beekdalen: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. De beekdalen betreffen kwelgebieden in het agrarisch gebied die hydrologisch gezien tot de meest waardevolle gebieden van het beheersgebied van het waterschap gerekend kunnen worden.
Wijstgronden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Het betreft een uniek geohydrologisch verschijnsel dat zich langs de Peelrandbreuk voordoet. De Peelrandbreuk vormt de overgang tussen de zakkende gronden (slenk) en stijgende gronden (horst) in Oost Brabant. Langs de breuklijn schuren de gronden langs elkaar waardoor deze slecht doorlatend wordt voor grondwater. Het verschijnsel dat de grondwaterstand op de hoger gelegen horst duidelijk hoger ligt dan in de lager gelegen slenk, wordt als wijst getypeerd. Wijstgronden zijn de gebieden waar dit verschijnsel duidelijk zichtbaar is. Deze gebieden zijn overgenomen uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
14.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op nieuw aan te leggen of te vervangen drainage in de beschermde gebieden waterschapsverordening, aangegeven op de bij de waterschapsverordening behorende kaart.
14.3. Motivering van de beleidsregel
14.3.1. Algemeen
De aanleg van nieuwe drainage vindt doorgaans plaats ter bevordering of behoud van landbouwkundig gebruik.
In alle Beschermde gebieden waterschapsverordening geldt dat het individuele belang van een agrariër niet mag leiden tot schade voor omliggende agrariërs en andere grondgebruikers. Daarnaast mogen de doelen voor waterconservering en natuur niet negatief worden beïnvloed.
14.3.2. De beschermde gebieden onderhouds – of “waterschapsverordening”
14.3.2.1 Beschermde gebieden
Het beschermingsbeleid is in de Beschermde gebieden gericht op instandhouding en waar mogelijk verbetering van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant, waaronder de Natura 2000 gebieden. Gewerkt wordt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de natuur.
In de Beschermde gebieden wordt drainage alleen toegestaan indien deze in combinatie met andere maatregelen cumulatief tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van het NNB en/of de Natura 2000 leidt (“nee tenzij”). Dit noemen we een hydrologische plus. Het gaat daarbij dus om het totaal aan maatregelen die de aanvrager neemt, inclusief maatregelen die het waterschap neemt. Om de versterking van het NNB en/of de Natura 2000, maar ook de agrarische gebieden te verkrijgen stellen de waterschappen GGOR’s op. De GGOR geeft inzicht in wanneer er sprake kan zijn van een hydrologische plus en dus wanneer peilgestuurde drainage in de beschermde gebieden toegestaan kan worden. Indien de GGOR geen duidelijkheid verschaft over de invloed van drainage, moet per individuele aanvraag duidelijk gemaakt worden hoe de hydrologische plus wordt bereikt.
Indien er maatregelen worden uitgevoerd om de natte natuurparels te vernatten, bijvoorbeeld in het GGOR-traject, geeft dit een nieuwe uitgangssituatie waaraan getoetst wordt om verdrogende effecten te voorkomen. Reeds eerder uitgevoerde vernattingsmaatregelen geven dus geen extra ruimte voor drainage.
Uitzondering hierop is drainage die wordt aangelegd als compenserende maatregel. Indien aantoonbaar gemaakt kan worden dat de uitvoering van vernattingsmaatregelen tot (onevenredige) natschade leidt op perceelniveau, kan drainage een maatregel zijn om de natschade zo veel als mogelijk te voorkomen. Hierbij moet ook gekeken worden naar alternatieven, zoals bijvoorbeeld aanleg van extra c-wateren.
De compenserende maatregelen gelden alleen op perceelniveau. Realisatie van de hydrologische plus binnen de beschermde gebieden geldt als randvoorwaarde.
14.3.2.2 Attentiegebieden
De cumulatieve effecten van de maatregelen in de attentiegebieden mogen niet leiden tot een significant negatief effect op het te beschermen doel. Hierbij wordt getoetst op minimaal een stand-still op de rand van de natte natuurparel. Ook hier geeft de GGOR inzicht in wanneer peilgestuurde drainage toegestaan kan worden. Indien de GGOR geen duidelijkheid verschaft over de invloed van drainage, moet per individuele aanvraag duidelijk gemaakt worden hoe de minimale stand-still wordt bereikt.
Het cumulatieve effect wil zeggen dat een drainage afzonderlijk geen effect hoeft te hebben op de rand van de natte natuurparel, maar alle nieuwe drainages die worden aangelegd sinds het in werking treden van deze beleidsregel, als totaal wel effect hebben. De toetsing op cumulatief effect vindt plaats op volgorde van aanvraag. Ter verduidelijking: bij de aanvraag van de eerste drainage wordt de invloed op de rand van de natte natuurparel getoetst. Bij de tweede aanvraag wordt de invloed van de nieuwe drainage bepaald, in combinatie met de eerste drainage. Bij de derde aanvraag wordt de invloed van de nieuwe drainage bepaald, in combinatie met de eerste en de tweede drainage. Et cetera.
Bij toets op het effect wordt gekeken naar een minimaal stand-still op de rand van de natte natuurparel. Stand-still is in dit geval, dat geen enkele grondwaterdaling op de rand van de natte natuurparel wordt toegestaan (0 cm grondwaterverlaging).Voor de attentiegebieden geldt dat nieuwe drainage niet kan worden toegestaan, tenzij aangetoond wordt dat de activiteit geen negatief hydrologisch effect op de natte natuurparel heeft. In dat geval kan een individuele ingreep in beginsel plaatsvinden.
Indien er maatregelen worden uitgevoerd om de natte natuurparels te vernatten, bijvoorbeeld in het GGOR-traject, geeft dit een nieuwe uitgangssituatie waaraan getoetst wordt om verdrogende effecten te voorkomen. Vernattingsmaatregelen geven dus geen extra ruimte voor drainage.
Uitzondering hierop is drainage die wordt aangelegd als compenserende maatregel. Indien aantoonbaar gemaakt kan worden dat de uitvoering van vernattingsmaatregelen tot (onevenredige) natschade leidt op perceelniveau, kan drainage een maatregel zijn om de natschade zo veel als mogelijk te voorkomen. Hierbij moet ook gekeken worden naar alternatieven, zoals bijvoorbeeld ophogen van het perceel.
14.3.2.3 Beperkt beschermde gebieden
De beperkt beschermde gebieden vormen de buffer tussen de Habitatrichtlijngebieden in Vlaanderen en hun omgeving in Nederland. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen Habitatrichtlijngebieden en omgeving opgevangen te worden. De beperkt beschermde gebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de gebieden in Vlaanderen. Het totaal aan maatregelen wordt tenminste getoetst op stand-still overeenkomstig de werkwijze in attentiegebieden.
14.3.2.4 Beekdalen
De natuur in de beekdalen zijn afhankelijk van een goede grondwaterstand. Het beschermingsbeleid in deze gebieden is, net als bij de beschermde gebieden, gericht op instandhouding en waar mogelijk verbetering van de wezenlijke kernmerken en waarden van de ecologie en natuurwaarden. Gewerkt wordt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de natuur.
Derhalve geldt hetzelfde beschermingsbeleid als binnen de beschermde gebieden.
14.3.2.5 Wijstgronden
In een intentieverklaring (2007) tussen provincie, waterschap, gemeenten, belangenorganisaties en terreinbeheerders zijn afspraken gemaakt om vijf wijstgebieden te herstellen. In het HIER MOET AA EN MAAS AANGEVEN WAT DIT MOET WORDEN ->WBP 2010 – 2015 is opgenomen dat het waterschap het wijstverschijnsel in deze gebieden beschermt door activiteiten van derden te reguleren.
Alle activiteiten die het wijstverschijnsel aantasten dienen te worden vermeden. Zoals het doorsnijden van de breuklijn of het treffen van voorzieningen om de grondwaterstand structureel te verlagen.
14.3.3. Peilgestuurde drainage
Peilgestuurde drainage heeft voordelen ten opzichte van conventionele drainage. Peilgestuurde drainage is regelbaar waardoor de mogelijkheid bestaat om water langer vast te houden (conserveren). Dit kan leiden tot een kleinere beregeningsbehoefte in droge periodes en reduceert daarmee de kans op droogteschade. Door peilgestuurde drainage aan te leggen met een kleinere afstand tussen de drains wordt bij een hoger drainageniveau de bewerkbaarheid van het land niet negatief beïnvloed.
Vanwege de voordelen ten opzichte van conventionele drainage schrijft het beleid zowel bij nieuwe als bij vervanging van bestaande drainage altijd peilgestuurde drainage voor.
Peilgestuurde drainage heeft als eigenschap dat er minder drainagewater uitstroomt. Daarnaast is de ontwaterende werking beter beheersbaar dan bij conventionele drainage. Door onderzoeksinstituut Alterra is in 2008 een modelstudie uitgevoerd die dit bevestigd (‘Modelonderzoek naar effecten van conventionele en samengestelde, peilgestuurde drainage op de hydrologie en nutriëntenbelasting’; P.J.T. van Bakel, E.M.P.M. van Boekel, G.-J. Noij, Alterrra-rapport 1647, Alterra, Wageningen 2008).
Een positief effect van peilgestuurde drainage dat zowel op perceelschaal als op gebiedsschaal optreedt is, dat de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) wordt verhoogd ten opzichte van conventionele drainage. De GLG is een belangrijke factor in het herstellen van kwelstromen.
Tevens maakt de gebruikelijke drainagediepte het ook moeilijk om in het kader van GGOR en verdrogingsbestrijding peilverhogende maatregelen te nemen, omdat de uitmondingen eveneens laag liggen en een vrije afvoer van de drains landbouwtechnisch gewenst is. Door het invoeren van peilgestuurde drainage ter vervanging van bestaande drainage (i.p.v. een vervangend conventioneel systeem) wordt op langere termijn naar een meer gewenst drainageregiem toe gewerkt. Hierdoor worden peilverhogingen in het kader van GGOR op langere termijn mogelijk gemaakt in het gebied. Daarnaast neemt op de korte termijn de afvoer van water uit het betreffende perceel af. Dit komt dus ten goede aan de doelstelling van verdrogingsbestrijding omdat daarmee op termijn de grondwaterstand verhoogd kan worden.
Naast deze kwantitatieve aspecten speelt ook waterkwaliteit een rol. Uit het genoemde Alterra-onderzoek blijkt ook dat peilgestuurde drainage van invloed is op de uitspoeling van nitraat en fosfaat. Voor fosfaat geldt dat er weliswaar een iets hogere uitspoeling is bij peilgestuurde drainage ten opzichte van conventionele drainage, maar de uitspoeling vanaf een ongedraineerd perceel is veel hoger. Voor stikstof geldt juist dat de stikstofbelasting bij conventionele drainage fors hoger is dan bij een ongedraineerd perceel maar dat de stikstofbelasting bij peilgestuurde drainage zelfs lager is dan in een ongedraineerd perceel. Geconcludeerd kan worden dat peilgestuurde drainage per saldo positieve effecten op de waterkwaliteit in het oppervlaktewaterlichaam heeft.
Bij peilgestuurde drainage geldt dat de uitmonding tot op zekere hoogte bepaald kan worden door de agrariër zelf. Om te waarborgen dat de gewenste positieve effecten ook daadwerkelijk optreden en te waarborgen dat de werkwijze handhaafbaar is, is het noodzakelijk duidelijke randvoorwaarden te stellen aan de aanleg en beheer van peilgestuurde drainage. Daarbij geldt dat het best handhaafbare beleid het stellen van een maximumdiepte van de uitmondingconstructie is.
Binnen een perceel kunnen hoogteverschillen voorkomen. Om een goede werking van een peilgestuurd drainagesysteem en het stand still op de rand van de natte natuurparel te waarborgen is een compartimentering van het drainagesysteem nodig. Daar waar binnen het perceel het verschil in maaiveldhoogte ten opzichte van het 5% laagste maaiveldniveau meer bedraagt dan 20 cm dient een nieuw compartiment aangelegd te worden. Dit herhaalt zich wanneer het hoogteverschil van het maaiveld van het compartiment verder oploopt dan 20 cm (zie het figuur bij deze beleidsregel). Bij deze toetsing is de Algemene hoogtekaart Nederland (AHN 5x5) leidend.
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
14.4. Toetsingscriteria
14.4.1. Algemeen
1De ontwateringsdiepte is gebiedspecifiek, maar maximaal 0,70 m-mv gemeten vanuit de hoogte van de overloopbuis ten opzichte van de gemiddelde maaiveldhoogte per drainagevlak. Gebiedspecifiek heeft betrekking op ligging, grondslag en hydrologische omstandigheden.
2Daar waar drainage is toegestaan binnen de beschermde gebieden waterschapsverordening moet gebruik worden gemaakt van peilgestuurde drainage. Uitzondering hierop is drainage op percelen met een grondtextuur die zwaarder is dan zware zavel zoals aangegeven op de bodemkaart Nederland. Dan kan traditionele drainage worden toegestaan.
3Bij elke toename in maaiveldhoogte van 20 cm ten opzichte van het 5% laagste maaiveldniveau dient een nieuw compartiment in het peilgestuurde drainagesysteem aangelegd te worden. Bij deze toetsing is de Algemene hoogtekaart Nederland (AHN 5x5) leidend.
4Indien gemeenten maatregelen moeten treffen op grond van artikel 2.16 van de Omgevingswet (afvoer hemelwater en voorkomen grondwateroverlast) en hiervoor drainage de enige oplossing biedt, kan vergunning worden verleend.
14.4.2. Beschermde gebieden
1Nieuwe drainage binnen de beschermde gebieden wordt niet toegestaan. Uitzondering hierop is, als een combinatie van maatregelen in of nabij het betreffende beschermde gebied cumulatief bijdraagt aan het bereiken van waterhuishoudkundige condities van de natuurdoelen in natte natuurparels (hydrologische plus).
Een verbijzondering hiervan is een compensatiemaatregel als gevolg van daadwerkelijke natschade door een vernattingsmaatregel binnen het NNB. Er wordt alleen vergunning verleend voor zover de drainage de natschade compenseert.
2Bij vervanging van bestaande drainage binnen beschermde gebieden wordt de drainage getoetst aan bovenstaande punten. Bij het bepalen van de hydrologische plus wordt uit gegaan van de bestaande situatie. Daarbij geldt dat de diepte waarop de uitmondingconstructie kan worden ingesteld gelijk dient te zijn aan de bestaande diepte, met een maximum diepte van 70 cm beneden het gemiddelde maaiveldniveau.
14.4.3. Attentiegebieden
1Nieuwe drainage binnen attentiegebieden wordt niet toegestaan. Uitzondering hierop is als de cumulatieve effecten van de maatregelen in de attentiegebieden niet leiden tot een significant negatief effect op de Beschermde gebieden Waterhuishouding. Hierbij wordt getoetst op minimaal een stand-still op de rand van de natte natuurparel.
2Bij vervanging van bestaande drainage binnen attentiegebieden wordt de drainage getoetst aan bovenstaande punten. Bij het bepalen van de stand-still wordt uit gegaan van de bestaande situatie.
14.4.4. Beperkt beschermde gebieden
1Aanleg en het vervangen van drainagesystemen kan worden toegestaan, mits deze wordt aangelegd volgens het principe van peilgestuurde drainage. Daarbij geldt als maximale ontwateringsdiepte 70 cm beneden het gemiddelde maaiveldniveau.
14.4.5. Beekdalen
1Drainage binnen de beekdalen wordt niet toegestaan, tenzij de combinatie van maatregels cumulatief bijdraagt aan het bereiken van waterhuishoudkundige condities van de natuurdoelen in de beekdalen (hydrologische plus). Een verbijzondering hiervan is een compensatiemaatregel als gevolg van natschade door een vernattingsmaatregel binnen het NNB. Als deze effecten neutraal of negatief zijn, zal de vergunning geweigerd worden.
2Bij vervanging van drainage binnen beekdalen wordt de drainage getoetst aan bovenstaande punten. Bij het bepalen van de hydrologische plus wordt uit gegaan van de bestaande situatie.
14.4.6. Wijstgronden
1Drainage die tot een structurele daling van de grondwaterstand leidt, kan slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen.
2Drainage die tot een structureel grotere afstand leidt tussen maaiveld hoogte en grondwaterstand kan slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen.
3Het initiatief voor de aanvullende maatregelen ligt bij de aanvrager waarvan de hydrologische effectiviteit van de aanvullende maatregelen door het waterschap wordt beoordeeld.
14A. Beleidsregel profiel van vrije ruimte bij oppervlaktewaterlichamen
14A.1 Kader
14A.1.1 Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen.
14A.1.2 Begripsbepaling
Profiel van vrije ruimte oppervlaktewaterlichamen: de ruimte zoals vastgelegd in de legger ter weerszijden van, boven en onder een waterstaatwerk of een toekomstig waterstaatswerk die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen, zoals ecologische verbindingszones, beekherstel en meandering.
14A1.3 Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op nieuw aan te leggen of te vervangen werken die niet eenvoudig ongedaan te maken zijn in het profiel van vrije ruimte oppervlaktewaterlichamen, aangegeven in de legger oppervlaktewateren.
14A.3 Motivering van de beleidsregel
14A.3.1 Algemeen
Het profiel van vrije ruimte is bedoeld om ruimte vrij te houden voor toekomstige ontwikkeling van de watergang. Het doel van het verbod is het voorkomen van ingrepen die de uit te voeren (her)inrichtingswerkzaamheden ernstig belemmeren of onmogelijk maken. Ook moet worden voorkomen dat (bouw)werken tegen hoge kosten in een later stadium alsnog moeten worden verplaatst of compenserende maatregelen moeten worden uitgevoerd.
Dit profiel van vrije ruimte staat los van de beschermingszone. Voor werken in de beschermingszone moet getoetst worden aan de specifieke regels.
Als een werk niet eenvoudig te verwijderen of te verplaatsen is, wordt de uit te voeren ontwikkeling ernstig gehinderd of onmogelijk gemaakt.
Onder ‘eenvoudig’ wordt verstaan een constructie die met eenvoudige hulpmiddelen (gangbaar gereedschap) snel te verwijderen en bij schade te herstellen is. Bijvoorbeeld een klinkerverharding, afrastering, tuinhuisje of bankje welke niet duurzaam met de grond verbonden is d.m.v. fundamenten.
In ieder geval worden de volgende werken niet aangemerkt als eenvoudig ongedaan te maken:
–nutsleidingen;
–bouwwerken welke duurzaam met de grond verbonden zijn d.m.v. fundamenten;
–infrastructurele werken.
Dergelijke werken vallen dan ook onder de vergunningplicht.
Op het moment dat ontwikkelingen worden uitgevoerd, zal de eigenaar van de eenvoudig ongedaan te maken werken verplicht worden om die werken op eigen kosten te verwijderen. Het plaatsen van een werk in het profiel van vrije ruimte is tijdelijk. Het onomkeerbare karakter is hiermee op eigen risico van de eigenaar van het werk.
14A.3.2 <vervallen>
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
14A.4 Toetsingscriteria
14A.4.1 Algemeen
1In het profiel van vrije ruimte worden alleen eenvoudig ongedaan te maken werken toegestaan.
2In afwijking van criterium 1 kan vergunning voor niet eenvoudig ongedaan te maken werken worden verleend, daar waar aannemelijk is dat het profiel van vrije ruimte in de te voorziene toekomst niet benut zal worden voor uit te voeren ontwikkelingen.
3In afwijking van criterium 1, kan vergunning worden verleend voor niet eenvoudig ongedaan te maken werken, indien de werken niet of anders op zeer moeilijke wijze zijn te realiseren. Daarbij worden door de vergunninghouder zoveel mogelijk compenserende, of indien dat niet kan, mitigerende maatregelen genomen.
14A.4.2 <vervallen>
Beleid Keringen
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
15. Algemene Toetsingscriteria Waterkeringen
15.2. Toetsingscriteria
15.2.1. Geen waterkeringtechnische verweving tussen verschillende functies waterkering
Naast de waterkerende functie kan een waterkering andere functies hebben, zoals wonen, transport, natuur en recreatie. De waterkerende functie van de waterkering is van primair belang; alle andere functies zijn ondergeschikt aan de waterkerende functie.
Tussen de waterkerende voorzieningen (grondlichaam, damwanden e.d.) zoals vastgelegd in de legger en de voorzieningen voor andere functies (woningen e.d.) moet zoveel mogelijk een duidelijke scheiding aanwezig zijn. Zo mag bijvoorbeeld een (deel van een) woning waterkeringtechnisch geen onderdeel zijn van het voor de waterveiligheid noodzakelijke grondlichaam of waterkerende constructie.
15.2.2. Voldoen aan vastgestelde normen
Voor alle handelingen en activiteiten geldt dat de waterkering moet blijven voldoen aan de wettelijk vastgestelde normen c.q. dat geen belemmering wordt opgeworpen om deze normen te bereiken (toekomstige dijkverzwaring).
15.2.3. Beheer en onderhoud moeten op een doelmatige wijze mogelijk blijven
De kering moet te allen tijde bereikbaar blijven voor het doelmatig kunnen uitvoeren van regulier onderhoud. Ook andere beheeractiviteiten, zoals inspectie en monitoring moeten op eenvoudige wijze mogelijk blijven om tijdig noodzakelijke maatregelen te kunnen treffen. Daarnaast mogen activiteiten of werkzaamheden niet leiden tot hogere kosten voor beheer of onderhoud op termijn. Daarbij valt onder meer te denken aan het aanbrengen van voorzieningen, waarbij als neveneffect ongewenste graverij van bijvoorbeeld bevers of dassen in of bij de waterkering plaatsvindt.
Dergelijke voorzieningen worden alleen toegestaan op voldoende afstand van de waterkering of wanneer compenserende maatregelen worden getroffen bijvoorbeeld in de vorm van het aanbrengen van bever- of dassengaas.
15.2.4. Profiel van vrije ruimte voor toekomstige uitbreiding van waterkering
De waterkering moet niet alleen nu maar ook in de toekomst zijn waterkerende functie kunnen blijven behouden. Door klimaatontwikkeling, bodemdaling en aanpassing van normen kan versterking van de waterkering nodig zijn. Voorkomen moet worden dat een dergelijke dijkversterking leidt tot hoge kosten of kapitaalvernietiging. Het waterschap houdt hiermee rekening door het vastleggen van een profiel van vrije ruimte in de legger waterkeringen.
Binnen het profiel van vrije ruimte worden werken alleen toegestaan wanneer een toekomstige dijkversterking niet wordt belemmerd. Hiervan kan worden afgeweken wanneer:
1aannemelijk is dat het profiel van vrije ruimte ter plaatse van het voorgenomen werk in de te voorziene toekomst niet benut zal worden voor een dijkverzwaring;
2sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang en het werk niet of anders op zeer moeilijke wijze is te realiseren. Daarbij worden door de vergunninghouder zoveel mogelijk compenserende, of indien dat niet kan, mitigerende maatregelen genomen;
3het werk een tijdelijk karakter heeft of eenvoudig ongedaan gemaakt kan worden en het werk - door en op kosten van de vergunninghouder – voorafgaand aan een eventuele dijkverzwaring wordt verwijderd / ongedaan gemaakt.
15.2.5. Ontgraven en ophogen
Permanente ontgravingen in / onder het leggerprofiel of profiel van vrije ruimte
Permanente ontgravingen in / onder het leggerprofiel of profiel van vrije ruimte zijn toegestaan mits:
1sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang en
2een vervangende waterkering of waterkerende voorziening wordt aangelegd.
Permanente ontgravingen in de waterkering en beschermingszone A en B
Permanente ontgravingen in de waterkering en de beschermingszones A en B zijn toegestaan mits:
1de ontgraving buiten / boven het leggerprofiel of profiel van vrije ruimte plaatsvinden en
2de ontgraving geen negatief effect heeft op de waterkerende functie en
3de bereikbaarheid van de waterkering voor onderhoud en inspectie niet wordt belemmerd en
4doelmatig beheer en onderhoud van de waterkering mogelijk blijft.
Permanente ophogingen op de waterkering en in beschermingszones A en B
Permanente ophogingen op de waterkering en in beschermingszones A en B zijn toegestaan mits:
1de ophoging geen belemmering vormt voor een toekomstige dijkverzwaring en
2de ophoging geen negatief effect heeft op de waterkerende functie en
3de bereikbaarheid van de waterkering voor onderhoud en inspectie niet wordt belemmerd en
4doelmatig beheer en onderhoud van de waterkering mogelijk blijft.
Tijdelijke ontgravingen en ophogingen
Tijdelijke ontgravingen en ophogingen in de waterkering, de beschermingszones A en B en het profiel van vrije ruimte, bijvoorbeeld ten behoeve van in de beleidsregels 16 tot en met 21 opgenomen werkzaamheden zijn toegestaan mits:
1de ontgravingen en ophogingen geen nadelige invloed hebben op de waterkerende functie en
2de ontgravingen na de werkzaamheden zodanig worden aangevuld en verdicht dat de waterkerende functie van de waterkering wordt geborgd en;
3de ophogingen na de werkzaamheden worden verwijderd en;
4de grasmat / bekleding in oorspronkelijk staat wordt hersteld.
15.2.6. Beperking werkzaamheden in het gesloten seizoen / situaties met hoge waterstanden
Ter beperking van de risico’s op overstromingen tijdens hoogwaterperiodes is een gesloten seizoen vastgesteld waarin werkzaamheden in en nabij waterkeringen alleen onder aanvullende voorwaarden beperkt worden toegestaan. Het gesloten seizoen is van toepassing op primaire en regionale waterkeringen inclusief bijbehorende beschermingszone A en geldt van 1 oktober tot 1 april. Voor compartimenteringskeringen en overige keringen geldt geen gesloten seizoen.
Uitvoering van werkzaamheden in het gesloten seizoen wordt alleen toegestaan wanneer:
1sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang en
2de bereikbaarheid van de waterkering tijdens hoogwater gewaarborgd blijft en
3wordt aangetoond dat de waterkerende functie tijdens de uitvoering van de werkzaamheden ook bij optredend hoog water gewaarborgd blijft.
Uitzondering hierop zijn activiteiten / werkzaamheden die boven het bestaande maaiveld plaatsvinden en geen negatieve invloed hebben op het waterkerende vermogen en de kwaliteit van de grasmat of andere dijkbekleding.
Los van deze periode zijn werkzaamheden - anders dan ter beperking van eventuele calamiteiten - in de waterkeringen en beschermingszone A tijdens hoog buitenwater (primaire waterkeringen) of situaties van potentiële wateroverlast en inzet van waterbergingsgebieden (regionale en overige keringen) niet toegestaan.
Afhankelijk van de lokale omstandigheden en de werkzaamheden waarvoor vergunning wordt aangevraagd, kunnen aanvullende voorschriften in de vergunning worden opgenomen bijvoorbeeld ten aanzien van uitvoeringsperiode en eventueel te treffen (nood)maatregelen tijdens situaties van hoge waterstanden.
15.2.7. Gebruik van de waterkering gaat niet ten koste van de kwaliteit van de grasmat
Voor de sterkte, stabiliteit en veiligheid van de waterkeringen is een goede grasmat op taluds en de kruin vereist. Een goede grasmat is in staat een aanzienlijke golfbelasting te weerstaan en vormt daarmee een belangrijk onderdeel van de sterkte van de waterkering. De sterkte van de grasmat wordt bepaald door de soortendiversiteit, een goede en diepe doorworteling en het ontbreken van kale plekken. De erosiebestendigheid van de grasmat moet kunnen worden gegarandeerd voor aanvang van het gesloten seizoen. Beschadigde grasmatgedeelten moeten ingezaaid worden vóór 1 september met graszaad “Natuurdijk II” (of gelijkwaardig) of er moeten geschikte graszoden aangebracht worden op aangevulde en zorgvuldig verdichte grond met nagenoeg dezelfde samenstelling als de oorspronkelijke grond.
Beweiding
Beweiding op de regionale en primaire waterkering is niet toegestaan, met uitzondering van dieren die zijn aangewezen in de algemene regel 27.
De praktijk heeft uitgewezen dat beweiding met dieren (met uitzondering van schapen en geiten) dermate schadelijk is voor de grasmat dat een goede staat niet te garanderen is. Dit geldt eveneens voor de instandhouding van het dijkprofiel. Dit is zowel van toepassing voor intensief als extensief gebruik. Om deze reden geldt een totaalverbod.
Voor specifiek aangelegde klimaatrobuuste, verheelde keringen zijn uitzonderingen mogelijk, in gevallen waarbij de grasmat niet meer maatgevend is voor de waterveiligheid, omdat bij het ontwerp van deze kering al rekening is gehouden met beweiding door groot vee.
15.2.8. Veiligheid tegen explosies
Explosies in een waterkering of beschermingszone kunnen leiden tot aantasting van de waterkering of de afdichtende laag met daardoor een verhoogd risico op verlies aan stabiliteit of kwel / piping. Het hebben van explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen in beschermingszone B is daarom alleen mogelijk wanneer maatregelen worden getroffen waardoor bij een eventuele explosie geen schade ontstaat aan de afdichtende laag.
16. Beleidsregel Kabels en leidingen waterkeringen
16.1. Kader
16.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 3.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor waterkeringen aangewezen.
16.1.2. Begripsbepaling
Bijzondere waterkerende constructie (BWC): een constructieve voorziening zoals een damwand of een klei- of groutkist die een waterkerende functie vervult.
Het waterschap onderscheidt in het kader van deze beleidsregel een aantal groepen kabels en leidingen:
Kabels: Onder kabels vallen voorzieningen voor het aanleggen, hebben en onderhouden van onder andere elektriciteits-, signaal en telecommunicatievoorzieningen.
Leidingen: Mediumvoerende buisconstructies, die geen lozingswerk zijn, en die niet in open verbinding staan met oppervlaktewater.
Mantelbuizen (drukloze leidingen): Leidingen ter bescherming van (mediumvoerende) leidingen en/of kabels.
Kleine (druk)leidingen: Kleine (druk)leidingen (kleiner of gelijk aan Ø 125 mm en/of een inwendige druk lager en/of gelijk aan 10 Bar) zijn onder andere vrij verval rioleringen, drainage en kleine industriële leidingen.
Grote (druk)leidingen: Grote (druk)leidingen (groter dan Ø 125 mm en/of een inwendige druk hoger dan 10 Bar) zijn onder andere water- en gasleidingen, drukrioleringen, stadsverwarming en industriële leidingen, maar ook leidingen welke onderdeel uitmaken van het hoofdtransportnet. Met name de voorzieningen voor de hoofdtransportnetten worden veelal gezien als kapitaalintensieve werken voor een periode van 50 jaar of meer en/of zijn in de toekomst moeilijk aan te passen. Daarom zijn hiervoor specifieke toetsingscriteria van toepassing.
Huisaansluiting: Een huisaansluiting is het deel van een kabel of leiding dat een directe verbinding vormt tussen één specifiek pand (gebouw met een BAG-adres) en het (distributie)net van de netbeheerder.
Rakettechniek: Grondboortechniek waarbij met een metalen cilinder in combinatie met perslucht een buis (meestal horizontaal) door de bodem wordt geslagen / geperst.
Er wordt in deze beleidsregel onderscheid gemaakt tussen:
–kabels en leidingen die parallel aan de waterkering in de waterkering en / of de beschermingszone worden aangebracht;
–kabels en leidingen die een waterkering kruisen.
16.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op alle kabels en leidingen in een waterkering, beschermingszone A en B en profiel van vrije ruimte met uitzondering van:
1Huisaansluitingen;
2Leidingen in de schil van de compartimenteringskering die vallen buiten het toepassingsgebied van de NEN3650-1.
3Kabels in beschermingszone B.
Voor huisaansluitingen geldt afdeling 3.10 (kabels en leidingen) van de waterschapsverordening.
16.3. Motivering van de beleidsregel
16.3.1. Waterkerende functie
Schade aan leidingen komt regelmatig voor. Dit kan grote gevolgen hebben voor de stabiliteit van de waterkering.
Schade aan de waterkering door verweking of explosie moet worden voorkomen door de leidingen die dit effect kunnen veroorzaken en die niet noodzakelijk binnen het waterstaatswerk en beschermingszone A moeten liggen, daarbuiten aan te leggen.
Kruisingen van leidingen met de waterkering verdienen aparte aandacht. Een leiding die de waterkering kruist, vormt als het ware een tunnel (kwelweg) door of onder de waterkering. Daarom moeten deze kruisingen zo aangelegd worden, dat het risico van falen (van zowel de waterkering als de leiding) zo klein mogelijk wordt.
16.3.2. Drainage
Voor de ontwatering van landbouw- of andere percelen, kan het soms wenselijk zijn drainage aan te leggen. Drainage binnen het waterstaatswerk en beschermingszone A van de waterkering verhoogt echter het risico op het aantrekken van kwelwater. Soms kan drainage waterstaatkundig voordelig zijn, als het de afvoer van spanningswater uit de waterkering bevordert, of als het voorkomt dat hemelwater zich ophoopt tussen de waterkering en een aanberming tegen de waterkering.
16.4. Toetsingscriteria
16.4.1. Kabels en leidingen
1Bij het ontwerp, de aanleg van en het hebben van leidingen en het beheer dient voldaan te worden aan de richtlijnen volgens de geldende normen in de NEN3650-serie.
2Nieuwe en te vervangen kabels en leidingen moeten zoveel mogelijk buiten de waterkering en beschermingszone A worden gelegd.
3Bestaande tracés binnen de waterkering en beschermingszone A kunnen benut blijven en eventueel uitgebreid wanneer:
a.er redelijkerwijs geen mogelijkheden zijn de bestaande tracés te wijzigen, waarbij rekening wordt gehouden met een mogelijke dijkversterking, en
b.de veiligheid van de waterkering door de aanleg voldoende gewaarborgd blijft, en
c.wijziging van het bestaande tracé geen effect heeft op de veiligheid van de waterkering.
4De stabiliteit van de waterkering moet tijdens en na de uitvoering van kabel- en leidingwerkzaamheden worden gegarandeerd.
5De "rakettechniek" is in de waterkering en beschermingszones A en B niet toegestaan.
6Bij alle sleufloze technieken moet middels berekeningen worden aangetoond dat de stabiliteit en het waterkerende vermogen van de waterkering gewaarborgd zijn. . Dit moet gebaseerd zijn op in de buurt van de aanleglocatie uitgevoerd grondmechanisch en hydrologisch onderzoek en/of lokaal bekende parameters.
7Bij grote (druk)leidingen moet bij een open ontgraving middels een berekening aangetoond worden dat er geen negatieve effecten optreden op de stabiliteit en het waterkerende vermogen van de waterkering.
8De toepassing van mantelbuizen parallel aan de waterkering wordt alleen toegestaan:
a.onder een afrit of zijweg of als er sprake is van bundeling van kabels bij een horizontaal gestuurde boring, en
b.de mantelbuis buiten het leggerprofiel wordt gelegd.
9Bij leidingen waarbij als gevolg van falen een erosiekrater kan ontstaan, moet de berekende erosiekrater volledig buiten het leggerprofiel liggen .
10Kabels en leidingen moeten de waterkering zoveel mogelijk haaks kruisen. De leidingkruising moet zoveel mogelijk door middel van een open ontgraving aangelegd worden.
11Het aantal dijkkruisingen dient zo gering mogelijk te zijn.
12Een horizontaal gestuurde boring is alleen toegestaan als uit grondonderzoeken, kwelwegberekeningen en sterkteberekeningen blijkt, dat de waterkerende functie van de waterkering gegarandeerd blijft.
13Toepassing van de gesloten front techniek is alleen toegestaan indien de kruising plaatsvindt op ten minste 1 meter boven het leggerprofiel van de waterkering.
14Toepassing van mantelbuizen bij dijkkruisingen is alleen toegestaan als dit voor het behoud van de stabiliteit van de waterkering nodig is en wanneer sprake is van glasvezelverbindingen of bundeling van een groot aantal kabels.
15Een dijkkruising moet zodanig ontworpen en aangelegd worden dat:
a.de leiding als één stuk binnen het waterstaatswerk en beschermingszones A en B aangelegd wordt, en
b.bij een primaire waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 10 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij aangetoond wordt dat hiervan afgeweken kan worden;
c.bij een regionale waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 6 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij aangetoond wordt dat hiervan afgeweken kan worden;
d.bij een overige waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 6 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij aangetoond wordt dat hiervan afgeweken kan worden. Er wordt geen omgevingsverordening verleend om binnen de waterkering aan een dijkkruisende kabel of leiding een aftakking en/of aansluiting te maken.
16Een dijkkruising moet drukloos gemaakt en afgesloten kunnen worden. Afsluiters dienen zowel aan de binnendijkse als aan de buitendijkse zijde geplaatst te worden en moeten altijd bereikbaar en bedienbaar zijn.
17Kabels en leidingen die buiten gebruik worden gesteld, dienen te worden verwijderd, tenzij:
–dit een groot risico oplevert voor de stabiliteit van de waterkering en/of
–dit technisch niet mogelijk is (bijvoorbeeld dicht tegen woningen met risico voor de fundering daarvan) en/of
–dit ten koste gaat van ecologische, cultuurhistorische of landschappelijke waarden en/of
–dit leidt tot onevenredig hoge kosten.
Bij het verwijderen van kabels en leidingen worden alle kabels en leidingen en toebehoren verwijderd. De sleuf wordt aangevuld en verdicht met grond geschikt voor de functie van de waterkering. Er wordt een grasmat aangelegd die bestand is tegen optredende erosie als gevolg van golfoploop /-overslag.
Wanneer verwijderen van leidingen niet mogelijk is, worden de leidingen volledig afgevuld met drillgrout.
18Leidingen / mantelbuizen van gestuurde boringen die buiten bedrijf worden gesteld worden volledig afgevuld met drillgrout. Eventuele toegangsputten worden volledig verwijderd en de waterkering wordt hersteld c.q. aangevuld en verdicht met grond geschikt voor de functie waterkering. Er wordt een grasmat aangelegd die bestand is tegen optredende erosie als gevolg van golfoploop /-overslag.
16.4.2. Drainage
Voor het aanbrengen en hebben van drainage in het waterstaatswerk en beschermingszone A wordt alleen een omgevingsverordening verleend wanneer de aanvrager aantoont dat er waterstaatkundig geen negatieve effecten ontstaan.
17. Beleidsregel Bouwwerken waterkeringen
17.1. Kader
17.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 3.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor waterkeringen aangewezen.
17.1.2. Begripsbepaling
Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken: bouwwerken die op eenvoudige wijze (c.q. tegen geringe kosten) te verplaatsen of te verwijderen zijn. Voorbeelden hiervan zijn speeltoestellen, prefab tuinhuisjes, hekwerken, tuinmuurtjes, brievenbussen, palen e.d. zonder zware funderingsconstructie.
Bouwwerken met een in de bodem aangebrachte fundering dieper dan 30 cm of 100 cm voor paalvormige bouwwerken worden als niet eenvoudig te verplaatsen beschouwd.
Bestaand bebouwd gebied: gebied dat op grond van het vigerende bestemmingsplan kan worden aangemerkt als gebied met een woon-, bedrijfs- of kantoorfunctie. Hieronder vallen ook agrarische en recreatieve bouwvlakken.
Lintbebouwing: rij van aaneengesloten bouwwerken langs een waterkering in bestaand bebouwd gebied.
Overhoogte: de extra ruimte tussen het bestaande maaiveld (beheerprofiel) van de waterkering en het ter plaatse vastgestelde leggerprofiel danwel profiel van vrije ruimte (zie figuur 17.1).
Figuur 17.1: Principeprofiel waterkering met overhoogte
Steunberm: Extra hoogte aan de zijkant (binnendijks of buitendijks) van een waterkering ter bescherming van de stabiliteit van de waterkering (zie voorbeeld in figuur 17.1).
Pipingberm: Extra hoogte aan de zijkant (binnendijks) van een waterkering als bescherming tegen piping / opbarsten van de bodem (vergelijkbaar met een steunberm, zie figuur 17.1).
17.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op alle bouwwerken op of in een waterkering, inclusief bijbehorende beschermingszones A en B en profiel van vrije ruimte, met uitzondering van:
1eenvoudig verplaatsbare bouwwerken in beschermingszone A; hiervoor is afdeling 3.4 van de waterschapsverordening van toepassing;
2interne verbouwingen; hiervoor is afdeling 3.11 van de waterschapsverordening van toepassing.
17.3. Motivering van de beleidsregel
17.3.1. Bouwwerken in profiel van vrije ruimte
Het profiel van vrije ruimte geeft de contouren aan van een eventuele toekomstige dijkversterking. Binnen het profiel van vrije ruimte mag in principe niet gebouwd worden omdat dit belemmerend werkt op een toekomstige dijkversterking c.q. leidt tot hogere kosten. Voor verbouw van bestaande bebouwing kan onder voorwaarden een vergunning worden verleend.
17.3.2. Bouwwerken in beschermingszone A
Bouwwerken in beschermingszone A hebben (zeker aan de binnenzijde van de waterkering) een minder groot effect op de waterkerende functie dan bouwwerken in de waterkering. Aandachtspunten zijn de stabiliteit vlak bij de teen van de waterkering en het in stand houden van eventuele afdichtende lagen (voorkomen van piping). Daarnaast moet rekening gehouden worden met de ruimte die nodig is voor toekomstige dijkversterking en de mogelijke impact van de bouwwerken op het beheer en onderhoud.
17.3.3. Verbetering bestaande situatie
Op een aantal locaties is sprake van bouwwerken die in het verleden in de waterkering zijn aangelegd, waarbij het werk feitelijk een deel van de waterveiligheidsfunctie heeft overgenomen of waarbij – bijvoorbeeld als gevolg van holle ruimtes (kelders e.d.) sprake is van een qua waterveiligheid moeilijk te beoordelen c.q. te beheren situatie. Bij bouwwerkzaamheden waarbij deze situatie wordt opgeheven/verbeterd, kan onder voorwaarden vergunning worden verleend.
17.3.4. Overhoogte in bestaand bebouwd gebied
Op sommige locaties is sprake van een grote overhoogte van de waterkering, ook boven het profiel van vrije ruimte. Met name in al bestaand bebouwd gebied is maatschappelijk behoefte aan mogelijkheden om hier bouwwerken toe te staan (verdichting). Bij een grote overhoogte hebben bouwwerken weinig invloed op de waterkerende functie en kunnen daarom onder voorwaarden worden toegestaan.
17.3.5. Lintbebouwing
Op en aan de bestaande waterkeringen zijn vaak (historische) bebouwinglinten aanwezig. Maatschappelijk is er behoefte om in open gevallen ruimtes binnen deze bebouwingslinten bebouwing te kunnen plaatsen waarmee weer een aaneengesloten bouwlint ontstaat (ruimtelijke kwaliteit). Vanuit waterveiligheidsoogpunt bestaat echter de voorkeur om zo min mogelijk bebouwing in de waterkering of beschermingszone te hebben (zie ook beleidsregel 15).
Bij een bestaande lintbebouwing is nu al sprake van aangepast beheer; bij een toekomstige dijkversterking zal ook maatwerk geleverd moeten worden. Nieuwbouw of herbouw bij een lintbebouwing kan daarom worden toegestaan wanneer beheer en onderhoud alsmede de kosten voor een toekomstige dijkversterking niet wezenlijk zullen afwijken ten opzichte van de situatie zonder de nieuwbouw of herbouw.
17.3.6. Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken
Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken zijn geen groot bezwaar bij het beheer van de waterkering of een toekomstige dijkversterking. Zij kunnen snel en tegen geringe kosten worden verwijderd of verplaatst wanneer sprake is van een risico voor de waterkerende functie van de waterkering of wanneer de waterkering wordt versterkt.
Eenvoudig verwijderbare bouwwerken kunnen daarom onder voorwaarden worden toegestaan.
17.3.7. Bouwwerken in beschermingszone B
Bouwwerken in beschermingszone B hebben een minder groot effect op de waterkerende functie dan bouwwerken in de waterkering of beschermingszone A. Aandachtspunt is het in stand houden van eventuele afdichtende lagen (voorkomen van piping). Een voorbeeld is de aanleg of het verwijderen van een steiger met een grote hoeveelheid palen.
17.4. Toetsingscriteria
17.4.1. Bouwwerken algemeen
1Hoge bouwwerken en constructies (bijvoorbeeld windmolens en (zend)masten) die diep in de ondergrond verankerd zijn kunnen de stabiliteit van de waterkering nadelig beïnvloeden. Voor dit soort bouwwerken binnen de waterkering en beschermingszone A wordt daarom geen omgevingsverordening verleend;
2In de waterkering en beschermingszone A mogen onder het bouwwerk geen nieuwe holle ruimtes (zoals kruipruimten, ruimtes tussen randbalken e.d.) worden gemaakt of aanwezig zijn;
3De geplande bouwwerkzaamheden mogen niet leiden tot een verslechtering van het waterkerend vermogen, de erosiebestendigheid van de dijkbekleding, de stabiliteit van de waterkering en de weerstand tegen piping.
17.4.2. Nieuwbouw bouwwerk
1Nieuwbouw van bouwwerken op / in de waterkering of in de buitendijkse beschermingszone A is niet toegestaan, tenzij sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang.
2Bouwwerken inclusief funderingen en mogelijke buitendijkse erosiekuilen mogen:
a.het leggerprofiel niet doorsnijden;
b.het profiel van vrije ruimte niet doorsnijden.
Lid 2 is niet van toepassing op funderingspalen in beschermingszone A, in de steunberm en / of pipingberm van de waterkering en in het daarboven gelegen profiel van vrije ruimte mits ze grondverdringend en zonder verbrede voet worden aangebracht;
3Een toekomstige dijkverzwaring binnen het profiel van vrije ruimte moet mogelijk zijn zonder dat hierdoor schade aan het aan te brengen bouwwerk ontstaat.
4Voor een toekomstige dijkverzwaring moet voldoende werkruimte aanwezig blijven.
5Middels berekeningen moet worden aangetoond dat de bebouwing en/of fundatie daarvan geen schade op zal lopen door de belasting van het grondlichaam conform het profiel van vrije ruimte.
17.4.3. Herbouw bouwwerk
1De herbouw van een bestaand bouwwerk op de waterkering of in beschermingszone A is toegestaan wanneer geen aanpassing van de fundering plaatsvindt;
2In overige gevallen wordt de herbouw beschouwd als nieuwbouw.
17.4.4. Uitbreiding bouwwerk
1Een op zichzelf staand bouwwerk dat binnen het profiel van vrije ruimte staat, mag eenmalig worden uitgebreid met maximaal 10% van het bebouwde grondoppervlak;
2Een uitbreiding van een bouwwerk met meer dan 10% van het bebouwd grondoppervlak binnen het profiel van vrije ruimte wordt beschouwd als nieuwbouw.
3In het geval van een uitbreiding van een bouwwerk moet de uitbreiding buiten het leggerprofiel van de waterkering worden gerealiseerd.
4Een uitbreiding binnen de waterkering en beschermingszone A mag niet in de richting van of evenwijdig aan de waterkering plaatsvinden tenzij direct aangrenzende bouwwerken reeds dichter naar de waterkering gebouwd zijn en dit niet binnen afzienbare tijd zal veranderen.
17.4.5. Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken
1In afwijking van de artikelen 17.4.2 tot en met 17.4.4 zijn nieuwbouw, herbouw en uitbreiding van eenvoudig verplaatsbare bouwwerken op een waterkering toegestaan, mits:
a.sprake is van een bouwwerk dat wettelijk is voorgeschreven of
b.sprake is van een bouwwerk ter bescherming van de (verkeers)veiligheid.
2In afwijking van de artikelen 17.4.2 tot en met 17.4.4 zijn nieuwbouw, herbouw en uitbreiding van eenvoudig verplaatsbare bouwwerken op een waterkering toegestaan, mits:
a.het bouwwerk minimaal 1 meter uit de kruin- of teenlijn wordt geplaatst en
b.het bouwwerk boven het bestaande maaiveld staat en
c.de fundering, inclusief mogelijke erosiekuil aan de buitendijkse zijde, het leggerprofiel niet doorkruist.
17.4.6. Verbetering bestaande situatie
1In afwijking van artikel 17.4.2 lid 1 en lid 2 is nieuwbouw op de waterkering toegestaan mits:
a.sprake is van sloop van een bestaand bouwwerk waardoor een verbetering gerealiseerd wordt van de waterkering uit het oogpunt van waterkerend vermogen en
b.de nieuwbouw qua bebouwd grondoppervlak niet groter is dan 110% van het bebouwde grondoppervlak van het gesloopte bouwwerk.
c.de nieuwbouw niet in de richting van of evenwijdig aan de waterkering plaatsvindt tenzij direct aangrenzende bouwwerken reeds dichter naar de waterkering gebouwd zijn en dit niet binnen afzienbare tijd zal veranderen.
17.4.7. Bouwwerken in lintbebouwing
1In afwijking van artikel 17.4.2 lid 1 is nieuwbouw op de waterkering toegestaan mits:
a.De nieuwbouw plaats vindt als opvulling van een lege ruimte in een bestaande lintbebouwing en
b.De nieuwbouw qua afmetingen en ruimtebeslag aansluit op de bestaande bebouwing in de lintbebouwing en
c.De nieuwbouw niet dichter naar de kering wordt gebouwd of dieper dan de bestaande lintbebouwing en
d.De nieuwbouw geen waterkerende functie gaat vervullen (geen functieverweving) en
e.Het beheer en onderhoud van de waterkering alsmede de kosten voor een toekomstige dijkversterking niet wezenlijk zullen afwijken ten opzichte van de situatie zonder de nieuwbouw.
17.4.8. Bouwwerken in bestaand bebouwd gebied met overhoogte
1In afwijking van artikel 17.4.2 lid 1 is nieuwbouw op de waterkering toegestaan mits:
a.Sprake is van bestaand bebouwd gebied en
b.Sprake is van overhoogte boven het profiel van vrije ruimte en
c.De nieuwbouw, inclusief fundering het leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte niet doorsnijden en
d.De nieuwbouw geen negatief effect heeft op de stabiliteit en het waterkerende vermogen van de waterkering.
17.4.9. Bouwwerken in beschermingszone B
1Het plaatsen, aanpassen en verwijderen van bouwwerken in beschermingszone B is toegestaan mits de waterremmende werking van de aanwezige afdichtende bodemlagen niet wordt verminderd.
18. Beleidsregel Wegen, parkeerplaatsen en perceelsontsluitingen waterkeringen
18.1. Kader
18.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 3.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor waterkeringen aangewezen.
18.1.2. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op de aanleg, het onderhoud en het verwijderen van wegen, parkeerplaatsen en perceelontsluitingen op alle waterkeringen inclusief bijbehorende beschermingszones A en profiel van vrije ruimte.
Voor onderhoud aan openbare wegen is afdeling 3.2 van de waterschapsverordening (onderhoud aan openbare wegen) van toepassing.
18.3. Motivering van de beleidsregel
18.3.1. Waterkerende functie
Wegen, parkeerplaatsen en perceelontsluitingen (zoals op- en afritten, trappen en aanbermingen) hebben door hun aanwezigheid en het transport hierover een negatieve invloed op de stabiliteit van de waterkering. Bovendien zorgen op- en afritten voor een vergroting van het grondlichaam, wat aan de ene kant extra stabiliteit betekent, maar aan de andere kant extra belasting voor het bestaande grondlichaam oplevert. Bovendien kan door de toegankelijkheid van verkeer een aanzienlijke verkeersbelasting ontstaan. Trillingen door verkeer kunnen bij met water verzadigde waterkeringen leiden tot verweking. De fundering en verharding mogen geen nadelige invloed hebben op de dijkbekleding. Daarnaast vormen aanbermingen, op- en afritten een extra belasting voor eventueel aanwezige leidingen.
18.3.2. Beheer en onderhoud
Trappen, parkeerplaatsen, op- en afritten en aanbermingen tegen het talud van de waterkering maken doelmatig beheer en onderhoud moeilijker. Dit is niet wenselijk.
Het waterschap is daarom terughoudend in het toestaan van nieuwe aanbermingen, op- en afritten en trappen. Een omgevingsverordening voor de aanleg van aanbermingen, trappen en op- en afritten tegen het talud van de waterkering kan alleen worden verleend als de constructie zo aangelegd wordt dat deze geen belemmering vormt voor het uit te voeren beheer en onderhoud.
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
18.4. Toetsingscriteria
18.4.1. Algemeen
1Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
2In gebieden waar door de aanleg van grondophogingen grote zettingen verwacht worden, moet de initiatiefnemer door middel van berekeningen aantonen dat de ophoging geen nadelige gevolgen heeft voor de waterkering en bijbehorende of inliggende voorzieningen en/of belendende percelen.
3De plaats van aan te leggen trappen, op- en afritten, aanbermingen en wegen, moet worden afgestemd op het regulier beheer en onderhoud van de waterkering.
4De breedte, talud helling, bekleding en samenstelling van de aanberming, op- en afritten en trappen moeten in overeenstemming zijn met de bestemming/functie van het aangevraagde werk en mogen geen afbreuk doen aan LNC-waarden. Nieuwe taludhellingen moeten geleidelijk aansluiten op de waterkering.
5Bij het toetsen van een omgevingsverordeningsaanvraag wordt beoordeeld of het uitvoeren van onderhoud nog op een goede wijze mogelijk is.
18.4.2. Perceelsontsluitingen
1Per perceel gelegen aan de waterkering is één ontsluiting voldoende. Bovendien geldt dat als redelijkerwijs gebruik gemaakt kan worden van bestaande aanbermingen, op- en afritten en/of trappen, hiervan gebruik gemaakt moet worden, al dan niet met een kleine aanpassing daarvan.
2Bij splitsing van percelen moet naar handhaving van de bestaande ontsluiting worden gestreefd. Een nieuwe persceelsontsluiting via de waterkering is slechts vergunbaar bij een aangetoond zwaarwegend belang.
3Nieuwe ontsluitingen via de waterkering kunnen worden toegestaan als er sprake is van inbreidingsplannen binnen de bebouwde kom. Het aantal ontsluitingen naar de waterkering moet dan binnen het plan tot een minimum worden beperkt.
4Op- en afritten en trappen moeten buiten leggerprofiel van de waterkering aangelegd worden en mogen de stabiliteit en de taludbekleding van de waterkering niet negatief beïnvloeden.
5Wanneer de op- en afrit wordt aangelegd op een waterkering die in onderhoud is bij het waterschap, moet de constructie zodanig worden opgebouwd dat de op- en afrit geen schade ondervindt als het gangbaar onderhoudsmaterieel door of namens het waterschap hiervan gebruik maakt. De vergunninghouder moet zelf zorgen voor het onderhoud aan de op- en afrit of de trap en bijbehorende voorzieningen.
18.4.3. Parkeerplaatsen
1Voor de aanleg van een parkeerplaats op de waterkering wordt alleen vergunning verleend als parkeren op eigen terrein niet mogelijk is.
2De parkeerplaats moet voorzien zijn van een halfopen verharding.
3Voor de aanleg van de parkeerplaats mag geen aanberming aan de waterkering worden gemaakt.
4Wanneer de parkeerplaats wordt aangelegd op een waterkering die in onderhoud is bij het waterschap, moet de constructie zodanig worden opgebouwd dat de parkeerplaats geen schade ondervindt als het gangbaar onderhoudsmaterieel bij onderhoud van de waterkering door of namens het waterschap hiervan gebruik maakt. De vergunninghouder moet zelf zorgen voor het onderhoud aan de parkeerplaats en bijbehorende voorzieningen.
18.4.4. Wegen
1De wegverharding en onderliggende fundering dient zodanig aangelegd te worden dat de verkeers-belasting voldoende wordt verspreid naar het onderliggende grondlichaam en zonder dat er negatieve effecten op kunnen treden met betrekking tot de constructie en functie van de waterkering. Dit is van toepassing op zowel wegreconstructies als voor aanleg van nieuwe wegen.
2Verkeersvoorzieningen, zoals reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV)-borden, komportalen en openbare verlichting, die het leggerprofiel doorsnijden zijn toegestaan mits ze vanuit verkeersveiligheid noodzakelijk zijn.
3Voorzieningen in het buitentalud of in de buitenkruinlijn zijn toegestaan mits ze vanuit verkeersveiligheid noodzakelijk zijn.
19. Beleidsregel Bodemonderzoek waterkeringen
19.1. Kader
19.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 3.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor waterkeringen aangewezen.
Begripsbepaling
Bodemonderzoek: onderzoek naar de opbouw en eigenschappen van de in de waterkering of de bodem aanwezige grondlagen / stoffen inclusief het daarin aanwezige (grond)water
Hoogwaterperiode: periode waarin een sterk verhoogde waterstand voorkomt
Kwelscherm: Een ondoorlatende constructie voor verlenging van de kwelweg
Exploratieboring: Een boring ter verkenning van de mogelijke winning van delfstoffen
Oplengen: het plaatsen van een opzetstuk op een bestaande peilbuis
19.1.2. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op grondmechanisch onderzoek in alle waterkeringen met uitzondering van de schil van compartimenteringskeringen.
Deze beleidsregel is tevens van toepassing op exploratieboringen en seismisch onderzoek in beschermingszones A en B.
Voor grondmechanisch onderzoek, met uitzondering van seismisch onderzoek en exploratieboringen, in beschermingszones A en B geldt afdeling 3.12 van de waterschapsverordening.
19.4. Toetsingscriteria
19.4.1. Sonderingen, boringen en (peil)buizen voor grond- en grondwateronderzoek.
1Het uitvoeren van boringen en sonderingen en het plaatsen van peilbuizen in de waterkering is toegestaan mits:
a.sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang of
b.sprake is van een wettelijke verplichting (bijvoorbeeld verplicht milieuonderzoek) en
c.het uitvoeren van het onderzoek elders niet mogelijk is
2In verband met de stabiliteit van de waterkering moeten de boorgaten worden gedicht met ondoorlatend materiaal.
3Het uitvoeren van boringen en sonderingen tijdens een situatie van verhoogde waterspanning in de bodem (bijvoorbeeld bij tijdens een hoogwaterperiode) is niet toegestaan.
4Het waterkerende vermogen van de waterkering moet tijdens en na de uitvoering van het onderzoek worden gegarandeerd.
5De uitspoeling van gronddeeltjes moet worden voorkomen, bijvoorbeeld door het plaatsen van een kwelscherm bij peilbuizen die langere tijd blijven staan.
6De peilbuis moet – in geval van een hoogwaterperiode – opgelengd kunnen worden.
19.4.2. Overige onderzoeken
1Seismische onderzoeken en exploratieboringen in de waterkering of beschermingszone A zijn niet toegestaan.
2Seismische onderzoeken en exploratieboringen in beschermingszone B zijn toegestaan mits:
a.de uitvoering van deze onderzoeken / boringen buiten het gesloten seizoen en buiten de hoogwaterperioden gebeuren
b.aangetoond wordt dat de werkzaamheden geen nadelige invloed zullen hebben op de stabiliteit en waterkerende functie van de waterkering.
20. Beleidsregel bodemenergiesystemen en grondwateronttrekkingen bij waterkeringen
20.1. Kader
20.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 3.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor waterkeringen aangewezen.
20.1.2. Begripsbepaling
Bodemenergiesysteem: systeem om energie uit de bodem te halen.
Er zijn 2 typen bodemenergiesystemen:
1open systeem; hierbij wordt grondwater opgepompt en teruggevoerd in de bodem. De warmteoverdracht vindt boven de grond plaats;
2gesloten systeem of bodemwarmtewisselaars; hierbij wordt vloeistof door lussen rondgepompt in een gesloten systeem in de bodem. Warmte overdracht vindt in de bodem plaats.
20.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel geldt voor alle bodemenergiesystemen en grondwateronttrekkingen in c.q. onder alle waterkeringen en beschermingszones A en profiel van vrije ruimte.
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
20.4. Toetsingscriteria
20.4.1. Algemeen
1Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
2Boringen ten behoeve van bodemenergiesystemen en grondwateronttrekkingen in de waterkering zijn niet toegestaan.
3De toe te passen kabels en leidingen moeten voldoen aan de beleidsregel voor kabels en leidingen.
4Voor het plaatsen, houden en verwijderen van verticale buizen moet worden voldaan aan de beleidsregel 19: ‘Grondmechanisch onderzoek’.
5Voor het onttrekken van grondwater moet worden voldaan aan de beleidsregel 22: ‘Grondwater’;
6De stabiliteit en het waterkerende vermogen van de waterkering moeten tijdens en na de uitvoering van de boringen worden gewaarborgd.
7Bij het verwijderen van bodemenergiesystemen of grondwateronttrekkingsbuizen moeten de gaten in de bodem, zodanig laagsgewijs worden aangevuld en verdicht dat geen kwelstromen kunnen ontstaan via de af te dichten gaten.
8In de vergunning zullen voorschriften worden opgenomen voor het buiten gebruik stellen van het bodemenergiesysteem.
20.4.2. Plaats van de boringen
1De boringen moeten zo ver mogelijk uit de waterkering plaatsvinden en
2De boringen mogen binnen het profiel van vrije ruimte plaatsvinden en
3De afwerking van de boring, de warmtewisselaar, de ontvang- en verdeelput moeten worden geplaatst buiten of boven het profiel van vrije ruimte en
4Het bodemenergiesysteem moet altijd aan dezelfde zijde (binnen- of buitendijks) van de waterkering worden geplaatst als het object waarvoor het geïnstalleerd wordt.
20.4.3. Boren en afdichten
1Door de houder van de onttrekkingsinrichting dient binnen 4 weken na uitvoering van de boring de beschrijving van het veldwerk zoals die vereist is krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (BRL SIKB protocol 2101 Mechanisch boren), aan het bestuur te worden gestuurd.
2Behalve voor het boren van het bodemenergiesysteem mogen er geen verdere ontgravingen worden gedaan.
20.4.4. Aanvullende criteria voor open systemen
De mate van risico op de waterkering moet gekwantificeerd worden met een 3-dimensionaal grondwatermodel waarbij rekening wordt gehouden met variatie van de dikte van de bodemlagen, doorlaatfactoren en situering van de onttrekkings- en retourfilters. Dergelijke berekeningen zijn verplicht en moeten bij de aanvraag om een vergunning worden toegevoegd.
20.4.5. Ondiepe grondwateronttrekkingen
Ondiepe onttrekkingsputten voor bijvoorbeeld veedrenking of beregening, moeten worden geplaatst buiten de waterkering.
21. Beleidsregel beplanting waterkeringen
21.1. Kader
21.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 3.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor waterkeringen aangewezen.
21.1.2. Begripsbepaling
Beplanting: bomen, struiken en laagblijvende planten die worden aangebracht om de tuin in te richten, natuur te ontwikkelen of het landschap te verfraaien.
21.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op het aanbrengen en onderhouden van beplanting op alle waterkeringen en in bijbehorende beschermginszone A..
Voor het verwijderen en snoeien van beplanting geldt afdeling 3.8 van de waterschapsverordening.
21.3. Motivering van de beleidsregel
21.3.1. Waterkerende functie
Bij de toetsing of bomen, struiken en planten invloed hebben op de waterkering, zijn de volgende aspecten belangrijk:
1Schaduwwerking. Door schaduwwerking kan het gras, de standaard taludbekleding, onder bomen en struiken minder goed groeien. De erosiebestendigheid van het talud komt hiermee in gevaar. Daarom wordt er in de toetsingscriteria voor bomen en struiken een horizontale afstand tot de waterkering aangehouden.
2Stabiliteit. Om de stabiliteit van een waterkering te garanderen, zijn bepaalde afmetingen nodig. Doorsnijding van de waterkering en aanliggende gronden met bijv. een wortelkluit van een boom of struik, maakt de waterkering minder stabiel. Omgewaaide bomen kunnen door het ontstane gat van de wortelkluit de waterkering ernstig beschadigen.
3Piping. Piping is een verschijnsel waarbij, door een erosieproces, onder een waterkering tunnels ontstaan. Kleilagen in en onder de waterkering voorkomen piping. Het wortelstelsel van bomen en struiken zou door deze kleilagen heen kunnen dringen, waardoor de kans op piping toeneemt. In de toetsingscriteria komt dit aspect tot uiting in de verticale afstand tot het leggerprofiel.
Afhankelijk van het dijkmateriaal (klei of zand) en de omstandigheden waarin de boom wortelt (wisselende grondwaterstand, natte of juist droge omstandigheden) zijn sommige soorten bomen en struiken wel of juist niet geschikt.
21.3.2. Beheer en onderhoud
Het talud van de waterkering is bekleed met erosiebestendig materiaal (gras of harde bekleding). Bij gebruik van een andere vorm van bodembedekking is inspectie door het waterschap niet (goed) mogelijk. Daarom wordt geen omgevingsverordening verleend voor het vervangen van de bestaande taludbekleding door een andere vorm van taludbedekking, ook niet in combinatie met een bodembedekker.
21.4. Toetsingscriteria
21.4.1. Bestaande bomen en struiken
Dode, zieke, (gedeeltelijk) omgewaaide, zwaar beschadigde en gerooide bomen en/of struiken moeten worden verwijderd. De wortelresten moeten worden uitgefreesd en het uitgefreesde materiaal dient uit de wortelgaten te worden verwijderd en afgevoerd. In de wortelgaten moet kleigrond van (nagenoeg) dezelfde samenstelling als de dijkbekleding worden aangebracht en zorgvuldig laagsgewijs worden verdicht. Vervolgens moeten de wortelgaten worden voorzien van geschikte graszoden of vóór 1 september worden ingezaaid met graszaad “Natuurdijk II” (of gelijkwaardig) ten behoeve van de ontwikkeling van een goed doorwortelde grasmat voor aanvang gesloten seizoen.
21.4.2. Nieuwe bomen en struiken
1Nieuwe bomen en struiken op het buitentalud van de primaire en regionale waterkering en tot een afstand van 10 meter uit de buitenteen van de primaire waterkering worden niet toegestaan. Hierop gelden de volgende uitzonderingen:
–Bomen en struiken in tuinen van buitendijkse panden waar, door middel van constructieve maatregelen, ten behoeve van de reeds aanwezige werken de erosiebestendigheid van het buitentalud gegarandeerd is.
–Er is sprake van een hoog liggend voorland, waardoor bomen en struiken buiten het leggerprofiel geplaatst kunnen worden.
2Nieuwe bomen en struiken op de waterkering en tot 4 meter uit de binnenteen van de primaire waterkering worden niet toegestaan. Hierop zijn enkele uitzonderingen:
–Indien er sprake is van aanzienlijke landschappelijke- ecologische en/of culturele waarden kan, onder voorwaarden, vergunning worden verleend voor nieuwe bomen en struiken.
–Indien sprake is van een (zeer) brede kruin kan, onder voorwaarden, vergunning worden verleend voor bomen en struiken op de kruin. Te allen tijde moet een zone van 5 meter vanuit de buitenkruinlijn obstakelvrij blijven ten behoeve van onderhoud en inspectie van de waterkering;
3Nieuwe bomen en struiken, inclusief de ontgrondingskuil, moeten buiten het leggerprofiel van de waterkering worden geplaatst en op termijn goed vervangbaar zijn. Voor bomen wordt uitgegaan van een schijfvormige ontgrondingskuil met een diepte van 1 meter en een straal, vanuit het hart van de boom, van 2 meter. Voor struiken wordt eveneens uitgegaan van een schijfvormige ontgrondingskuil, met een diepte van 0,5 meter en een straal, vanuit het hart van de struik, van 1 meter.
4Voor nieuwe bomen en struiken op of in de schil van een compartimenteringskering gelden geen restricties voor de locatie ten opzichte van het leggerprofiel mits:
–het profiel van de waterkering na plaatsing in oorspronkelijke staat wordt hersteld en
–beheer en onderhoud van de waterkering niet worden belemmerd.
21.4.3. Herplanten van bomen en struiken
Herplanten, het vervangen van bestaande bomen en struiken, wordt beoordeeld als het aanbrengen van nieuwe bomen en struiken.
21.4.4. Onderhoud van bomen en struiken
1Bomen op de waterkering dienen zodanig te worden gesnoeid, dat zich een takvrije stamlengte van 4 meter hoog kan ontwikkelen. Dit vanwege bereikbaarheid en inspectie van de waterkering en om voldoende licht op de grasmat toe te laten. Het snoeihout en bladval moeten worden verwijderd en afgevoerd. Knotten moet minimaal eens in de drie jaar geschieden.
2De grasmat moet worden hersteld zodra er schade is ontstaan die te wijten is aan aanwezigheid van bomen en/of struiken (ontworteling, schaduwwerking, wortelopschot, afgewaaide takken etc.).
21.4.5. Inspectie van bomen
Periodieke controle, inspectie en schouw naar de conditie en stabiliteit van de bomen bij waterkeringen is noodzakelijk. Hiervoor kan de methodiek Visual Tree Assesment (VTA) worden gevolgd, of een vergelijkbare methodiek. Het is van belang dat bomen bij de waterkering niet kunnen omwaaien en tot instabiliteit van de waterkering kunnen leiden.
Beleid Grondwater