Aanhef
GENERIEK SOCIAAL STATUUT WATERSCHAP BRABANTSE DELTA 2013
“Van werk naar werk”
Hoofdstuk 2 Algemeen
2.1 Uitgangspunten
a.De belangen van de organisatie en de medewerkers zijn gelijkwaardig (maar niet gelijk). Sociale, financiële en organisatorische aspecten van de reorganisatie worden daarom bij het voorbereiden en beschouwen hiervan in gelijke mate in beschouwing genomen.
b.De medewerker blijft zoveel mogelijk in de gewijzigde organisatiestructuur de functie vervullen die hij vóór de reorganisatie ook vervulde, (mens volgt functie).
c.Beslissingen over de medewerker in het kader van statusbepaling en plaatsing worden niet eerder genomen dan nadat de medewerker, indien hij dat wenst, is gehoord en hij zijn wensen, belangstelling en alles wat hij van belang acht kenbaar heeft kunnen maken. Hij kan zich in alle gevallen laten bijstaan door een raadsman.
d.Daar waar bedragen staan wordt altijd het bruto bedrag bedoeld, tenzij anders is vermeld.
e.Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat alle medewerkers tijdig, aan de hand van een vooraf vastgestelde planning en regelmatig worden geïnformeerd over de reorganisatie. Het GSS is voor iedere medewerker (digitaal) beschikbaar.
2.2 Bezwarenprocedure Algemene wet bestuursrecht
a.Tegen elk besluit dat het dagelijks bestuur neemt jegens een medewerker kan de medewerker bezwaar maken conform de Algemene Wet Bestuursrecht.
b.Hoofdstuk 6 en 7 Algemene Wet Bestuursrecht zijn met name van toepassing.
c.Het waterschap heeft een adviescommissie conform artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht.
2.3 Vertrouwenspersoon
a.In gezamenlijk overleg zoeken de OR, het GO en de werkgever een externe vertrouwenspersoon voor de looptijd van dit GSS, die benoemd moet zijn voor de in artikel 2.6 GSS bedoelde datum van inwerkingtreding.
b.De werkzaamheden en de procedure zijn vastgelegd in de regeling vertrouwenspersoon reorganisaties, bijgevoegd bij het GSS.
2.4 Hardheidsclausule
a.In die gevallen waarin toepassing van het GSS, ongeacht de fase van het reorganisatieproces, leidt tot individueel onbillijke situaties, kan de medewerker het dagelijks bestuur schriftelijk verzoeken de toepassing van dit statuut te toetsen aan de redelijkheid en billijkheid.
c.Het dagelijks bestuur kan, na zwaarwegend advies van de vertrouwenspersoon, besluiten om ten gunste van de medewerker van dit GSS af te wijken. In voorkomende gevallen wordt de medewerker hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
2.5 Onvoorziene situaties
In gevallen waarin dit GSS niet of niet in redelijkheid voorziet, wordt hierover op basis van overeenstemming overlegd binnen het GO.
2.6 Inwerkingtreding
De looptijd van het GSS als raamwerk is voor onbepaalde tijd. Zodra een beleidsvoornemen tot reorganisatie wordt vastgesteld, wordt tevens bepaald of en zo ja vanaf welke datum het GSS voor die betreffende reorganisatie van kracht is.
2.7 Evaluatie
Om de drie jaar wordt met de OR en in het GO het GSS geëvalueerd. In gezamenlijk overleg kan besloten worden tot een tussentijdse evaluatie en/of wijziging.
Hoofdstuk 3 Statusbepaling
3.1 Voorbereidingscommissie
a.De Voorbereidingscommissie bestaat, afhankelijk van de uitkomsten van het overleg met OR en / of GO en de aard van een reorganisatie uit:
· één lid van het Managementteam (voorzitter);
· de leidinggevende(n) van de bij de reorganisatie betrokken afdeling(en);
· één lid (of plaatsvervangend lid) van de Plaatsingscommissie vanuit de werknemersvertegenwoordiging;
· één personeelsadviseur als ambtelijk secretaris.
b.De Voorbereidingscommissie adviseert de Plaatsingscommissie, op basis van artikel 3.3 over de status van iedere functie.
c.De Voorbereidingscommissie adviseert de Plaatsingscommissie over het plaatsen van alle medewerkers.
3.2 Werkwijze Voorbereidingscommissie
a.De vergaderingen van de Voorbereidingscommissie zijn besloten.
b.De commissieleden ontvangen de belangstellingsregistratieformulieren van de medewerkers, waarop gegevens vermeld zijn met betrekking tot de huidige salarisschaal, scholing en ervaring van de medewerker en de voorkeursfunctie van de medewerker.
c.De Voorbereidingscommissie heeft de bevoegdheid: medewerkers, leidinggevenden en informanten te horen, alle voor de plaatsing van belang zijnde stukken in te zien en medewerkers te vragen mee te werken aan geschiktheidonderzoeken. Dit is niet van toepassing als er sprake is van één op één bestaande functies.
d.De in sub c van dit artikel bedoelde medewerkers kunnen zich laten bijstaan door een raadsman.
e.Een oordeel van de Voorbereidingscommissie over het functioneren van de medewerker wordt gebaseerd op actuele schriftelijke formele beoordelingen opgemaakt bij het waterschap Brabantse Delta. Bij het ontbreken daarvan kunnen inlichtingen over het functioneren van de betreffende medewerker worden ingewonnen bij de leidinggevende.
f.De ambtelijk secretaris en zijn plaatsvervanger zijn geen lid van de Voorbereidingscommissie en hebben geen stemrecht.
3.3 Regels bij statusbepaling
Na vaststelling van het nieuwe formatieplan wordt de status voor iedere functie uit de bestaande organisatie bepaald. De volgende statussen zijn te onderscheiden:
a.bestaande één-op-één-functie;
b.bestaande functie met meer kandidaten;
c.gewijzigde functie;
Bestaande functie: een functie die (nagenoeg) ongewijzigd terugkomt (80/20 regel) na de reorganisatie. De 80/20 regel betekent dat 80% van de organieke werkzaamheden die vóór de reorganisatie verricht werden, terugkomt in de nieuwe functie.
Gewijzigde functie: een functie die in de nieuwe organisatie-opzet voor meer dan 20% wijzigt of in het geheel niet meer voor komt.
Ad a.
Medewerkers met een bestaande functie volgen deze functie. Zij kunnen wel via de belangstellingsregistratie hun belangstelling voor andere functies kenbaar maken. Plaatsing op een door hen opgegeven voorkeursfunctie zal echter uitsluitend plaatsvinden indien hiermee een ander plaatsingsvraagstuk (voor een medewerker met status b. of c.) wordt opgelost.
Ad b.
Wanneer voor een bestaande functie meer kandidaten zijn dan functies, worden medewerkers geplaatst volgens het principe beschreven in artikel 4.5. Medewerkers die hierdoor niet geplaatst kunnen worden vallen onder de bepalingen die gelden voor medewerkers met een ‘gewijzigde functie’.
Ad b
Medewerkers met een gewijzigde functie geven hun functievoorkeuren aan op het belangstellingsregistratieformulier.
3.4 Wijze van statusbepaling
a.De Voorbereidingscommissie stelt op basis van de 80/20-regel en rekening houdend met de organieke functie en eventuele aanvullende of afwijkende afspraken die schriftelijk zijn vastgelegd vast of er sprake is van een bestaande of, gewijzigde functie. In dit artikel wordt bedoeld de voorbereidingscommissie die hoort bij de eerste plaatsingsronde.
b.De medewerker ontvangt de voorlopige statusbepaling van zijn functie. Tegelijkertijd wordt het belangstellingsregistratieformulier meegestuurd.
c.Een medewerker kan binnen één week na toezending van de voorlopige statusbepaling zijn bedenkingen indienen bij de Voorbereidingscommissie.
d.De Voorbereidingcommissie legt het voorstel voor de statusbepaling, eventuele bedenkingen en een daarbij behorend plaatsingsadvies voor aan de Plaatsingscommissie.
e.De Plaatsingscommissie beoordeelt het advies van de Voorbereidingscommissie en adviseert hierover aan het dagelijks bestuur.
3.5 Vaststelling statusbepaling
Het dagelijks bestuur stelt, gelet op het advies van de Plaatsingscommissie, de status van de functies definitief vast en stelt de betrokken medewerkers hiervan formeel op de hoogte.
Hoofdstuk 4 Plaatsing
4.1 Plaatsingscommissie
a.De Plaatsingscommissie is evenwichtig opgebouwd uit een werkgevers- en een werknemersvertegenwoordiging en bestaat, afhankelijk van de uitkomsten van het overleg met OR en / of GO en de aard van een reorganisatie, uit:
· één of twee leden namens de werkgever aangewezen door het dagelijks bestuur;
· één of twee leden namens de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in het Georganiseerd Overleg ;
· één onafhankelijke voorzitter (na overleg met de Secretaris – Directeur) aangewezen door de genoemde vertegenwoordigingen.
b.De Plaatsingscommissie adviseert het dagelijks bestuur over de statusbepaling en het plaatsen van alle medewerkers.
c.Voor ieder lid wordt een plaatsvervanger aangewezen
4.2 Werkwijze Plaatsingscommissie
a.De vergaderingen van de Plaatsingscommissie zijn besloten.
b.De commissieleden ontvangen de statusbepalingen, de belangstellingregistratie en het advies van de Voorbereidingscommissie.
c.De Plaatsingscommissie heeft de bevoegdheid een medewerker, leidinggevenden of informanten te horen.
d.Bij onderscheidenlijke stappen in het plaatsingsproces wordt de betrokken medewerker steeds tijdig geïnformeerd.
4.3 Plaatsingsproces
a.De plaatsing kan in meerdere ronden gebeuren. Dit is het geval als ook leidinggevende functies bij het plaatsingsproces zijn betrokken. Als eerste wordt de hoogst betrokken leidinggevende geplaatst. In de laatste ronde worden de medewerkers geplaatst.
b.De voorbereiding van plaatsingsronden wordt verricht door de Voorbereidingscommissie. Het is de taak van de Plaatsingscommissie om het dagelijks bestuur te adviseren over de definitieve plaatsing van de betrokken medewerkers, conform de regels van dit GSS.
c.Het dagelijks bestuur bekrachtigt de plaatsingen en informeert de medewerkers zo spoedig mogelijk na besluitvorming.
d.Het besluit van het dagelijks bestuur is een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing volgens de Algemene wet bestuursrecht.
4.4 Verloop plaatsingsronde
a.Elke plaatsingsronde start één week na het verschijnen van het functieboek door het openstellen van de functies. Gelijktijdig met de openstelling worden belangstellingsregistratieformulieren naar de medewerkers verzonden.
b.Na de start van de eerste plaatsingsronde (het openstellen van de functies) maken alle medewerkers binnen één week hun belangstelling kenbaar. Bij meerdere plaatsingsrondes is dit onderdeel van de eerste ronde. Bij eventuele niet-plaatsing in enige ronde kan voor de vervolgprocedure aanvullend om een nadere belangstellingsregistratie gevraagd worden.
c.Een week na de start komt de Voorbereidingscommissie bijeen om alle belangstellingsregistratieformulieren te behandelen. Binnen drie weken brengt de Voorbereidingscommissie schriftelijk en gemotiveerd advies uit aan de Plaatsingscommissie.
d.De Plaatsingscommissie brengt binnen één week schriftelijk en gemotiveerd advies uit aan het dagelijks bestuur.
e.Binnen één week nadat de Plaatsingscommissie een advies heeft uitgebracht, ontvangen alle betrokken medewerker een schriftelijk besluit van het bestuursorgaan. In het geval dat het dagelijks bestuur ten aanzien van een medewerker een besluit neemt dat afwijkt van het terzake door de Plaatsingscommissie uitgebrachte advies, wordt dit schriftelijk en gemotiveerd aan de betrokken medewerker meegedeeld.
4.5 Plaatsing
a.Bij de plaatsing in een functie geldt als regel: mens volgt functie, wanneer het gaat om een bestaande functie en er voldoende formatieruimte is.
b.Bij meerdere kandidaten voor één bestaande functie, draagt de Plaatsingscommissie de kwalitatief meest geschikte kandidaat voor. Kwaliteit wordt vertaald in relevante kennis, ervaring en competenties in relatie tot de opengestelde functie. Toepassing van het kwaliteitscriterium wordt bewaakt door de paritaire Toetsingscommissie als bedoeld in 5.2. Als op grond hiervan geen keuze kan worden gemaakt, geldt het anciënniteitbeginsel. Anciënniteit wordt gedefinieerd als de periode dat een medewerker werkzaam is bij Waterschap Brabantse Delta of dienst rechtsvoorgangers.
c.Plaatsing in een functie geschiedt bij voorkeur in een functie met een functieschaal die gelijk is aan de functieschaal in de vorige functie.
d.Als dit niet mogelijk is, kan geplaatst worden in een passende functie die 1 schaal afwijkt van de functie die men op de dag voor de datum van de reorganisatie bekleedde. In geval van een lagere functieschaal geldt de salarisgarantie van artikel 6.1.
e.In die gevallen waar plaatsingsproblemen voorkomen kunnen worden door het plaatsen in een functie met een functieschaal die twee schalen lager is dan de functieschaal van betrokkene op de dag direct voorafgaande aan de datum van de reorganisatie bekleedde, dan wordt dit ook als passend aangemerkt. In dit geval geldt de salarisgarantie van artikel 6.1;
f.In situaties waarin een medewerker uit een eerdere reorganisatie geplaatst is op een functie die twee schalen lager is, heeft de Voorbereiding- en/of Plaatsingscommissie de taak, indien deze medewerker niet direct gelijkwaardig geplaatst kan worden, ten aanzien van deze medewerker een geschikte functie te formuleren, waarbij het huidige functieniveau als uitgangspunt dient. In situaties waarin een medewerker uit een eerdere reorganisatie geplaatst is op een functie die een schaal lager is, is het niet toegestaan dat de medewerker in een passende functie geplaatst wordt conform artikel 4.5e.
4.6 Vast en tijdelijk personeel
De plaatsing zoals omschreven in artikel 4.5 wordt eerst doorlopen met alle medewerkers (full- en parttime) met een vaste aanstelling of met een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef op het moment van de in het beleidsvoornemen tot reorganisatie genoemde inwerkingstredingdatum van de betreffende reorganisatie. Hierna wordt dezelfde procedure doorlopen met medewerkers met een tijdelijke aanstelling op dat moment. Met inachtneming van artikelen 4.3 t/m 4.6 geldt de volgende plaatsingsvolgorde:
1Medewerkers in vaste dienst of met een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef met een ‘bestaande één-op-één-functie’.
2Medewerkers in vaste dienst of met een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef met een ‘bestaande functie met meer kandidaten’.
3Medewerkers in vaste dienst of met een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef die in stap 2 niet geplaatst kunnen worden en medewerkers in vaste dienst of met een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef met een ‘gewijzigde functie’.
4Medewerkers in tijdelijke dienst, anders dan bij wijze van proef, met een bestaande één-op-één-functie’.
5Medewerkers in tijdelijke dienst, anders dan bij wijze van proef, met een ‘bestaande functie met meer kandidaten’.
6Medewerkers in tijdelijke dienst, anders dan bij wijze van proef, die in stap 5 niet geplaatst kunnen worden en medewerkers in tijdelijke dienst, anders dan bij wijze van proef, met een ‘gewijzigde functie’.
4.7 Nog geen plaatsing
Als plaatsing na het doorlopen van de procedure als omschreven in artikel 4.5 en 4.6 niet mogelijk is, wordt het traject door lopen om te komen van werk naar werk, zoals omschreven in hoofdstuk 5: Van werk naar werk.
4.8 Evaluatie van de plaatsing door de medewerker
a.Binnen 12 maanden na de plaatsingsdatum kan de medewerker aangeven dat zijn plaatsing niet geslaagd is. Hij vraagt dan schriftelijk aan het dagelijks bestuur een onderzoek in te stellen naar het al dan niet geslaagd zijn van de plaatsing.
b.Het dagelijks bestuur informeert de medewerker binnen één maand schriftelijk over de uitkomst van het onderzoek.
c.Als het dagelijks bestuur tot het oordeel komt dat de plaatsing wel geslaagd is, deelt het dagelijks bestuur dit als besluit schriftelijk mee.
d.Als het dagelijks bestuur van mening is dat de plaatsing niet geslaagd is, wordt, indien mogelijk, een andere functie aangeboden, binnen of buiten de organisatie, conform het bepaalde in hoofdstuk 5 van dit Statuut.
4.9 Evaluatie van de plaatsing door het dagelijks bestuur
a.Binnen 12 maanden na de plaatsingsdatum kan het dagelijks bestuur gemotiveerd aangeven dat de plaatsing van een medewerker niet geslaagd is en wordt een andere (passende of geschikte) functie aangeboden.
b.Indien dit niet tot een plaatsing leidt is hoofdstuk 5 van toepassing.
c.De medewerker wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van de uitkomsten van het onderzoek.
Hoofdstuk 6 Financiële regelingen
6.1 Salarisgarantie
a.De medewerker die niet in een functie met een gelijke functieschaal kan worden geplaatst en in een functie wordt geplaatst met een lagere functieschaal, heeft recht op alle salarisperspectieven waarop hij volgens zijn oude functie recht had voor zover hij die binnen 5 jaar na datum van de organisatiewijziging, had kunnen bereiken. Wanneer een betrokken medewerker binnen deze 5 jaar de wachtjaren voor een uitloopschaal (5 jaar in de functie waarvan 3 jaar bezoldigd volgens het maximum van de functieschaal) heeft afgerond, behoudt hij de bijbehorende volledige salarisperspectieven.
b.Indien een medewerker op verzoek van het dagelijks bestuur een functie met een lagere functieschaal accepteert, is de salarisgarantie als bedoeld in lid a van toepassing.
c.Indien de medewerker op eigen verzoek wordt geplaatst in een functie met een lagere functieschaal, dan is de salarisgarantie van lid a niet van toepassing.
d.Indien de medewerker als bedoeld in lid c met zijn verzoek beoogt een plaatsingsprobleem bij een andere medewerker te voorkomen en de Plaatsingscommissie bewilligt in dit plaatsingsverzoek, dan blijft de betrokken medewerker het recht op de in lid a bedoelde garantie behouden.
f.Bestaande salarisgaranties uit voorgaande reorganisaties blijven van kracht.
6.2 Toelagen en afkoop
Onderscheid wordt gemaakt tussen persoonsgebonden en functiegebonden toelagen.
6.3 Persoonsgebonden toelage
a.De medewerker behoudt het recht op een tijdelijke, persoonsgebonden toelage totdat de termijn zoals die was afgesproken, is verlopen, mits de gronden voor toekenning nog aanwezig zijn / gelden.
b.De medewerker behoudt het recht op een persoonsgebonden toelage die niet aan tijd gebonden is.
c.Indien voor de medewerker op de reorganisatiedatum of daarna een hogere functieschaal gaat gelden, wordt de gegarandeerde niet tijdelijke persoonsgebonden toelage in het nieuwe salarisbedrag geïncorporeerd of verrekend.
6.4 Functiegebonden toelage
a.Indien de medewerker in de oude functie recht had op een functiegebonden toelage en deze in de nieuwe functie komt te vervallen wordt het verlies van deze toelage gecompenseerd conform de afkoop- of afbouwregeling beschreven in sub c en d van dit artikel.
b.Indien de medewerker in de oude functie recht had op een functiegebonden toelage en in de nieuwe functie opnieuw recht krijgt op een (andere) functiegebonden toelage worden de toelagen met elkaar verrekend. Als het verschil negatief is wordt overgegaan tot compensatie conform de afkoop- of afbouwregeling beschreven in dit artikel.
c.In beginsel wordt het inkomensverlies afgekocht op basis van de contante waarde waarop de medewerker recht zou hebben bij afbouw. De contante waarde wordt berekend met de wettelijke rente zoals gehanteerd door de Belastingdienst.
d.Op verzoek van de medewerker kan worden afgezien van afkoop en volgt geleidelijke afbouw. De afbouw is het eerste jaar 75%, het tweede jaar 50% en het derde jaar 25% van de oorspronkelijke toelage, mits hij de toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van beëindiging, gedurende ten minste twee jaar zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten
e.De afbouwperiode kan nooit langer zijn dan de periode waarover de toelage is genoten.
6.5 Bijzondere reiskostenregeling
De medewerker die tijdelijk (maximaal 1 jaar) een andere standplaats krijgt toegewezen ontvangt voor de extra te reizen kilometers een vergoeding voor dienstreizen gelijk aan de geldende vergoedingsregeling dienstreizen.
6.6 Inconveniëntenregeling reiskosten
a.Aan de medewerker van wie de dagelijkse reisafstand (woon-werkverkeer) door een verandering in de plaats van tewerkstelling op basis van de kortste reisafstand met meer dan in totaal 20 kilometer (vice versa) toeneemt, wordt, onafhankelijk van de nieuw voor hem geldende vergoedingsregeling voor woon-werkverkeer, eenmalig een vergoeding conform sub b toegekend.
b.De vergoeding wordt bepaald volgens de formule: aantal werkdagen in de drie jaar volgend op de reorganisatiedatum X de extra te reizen kilometers X € 0,19.
c.Van de medewerker, aan wie een eenmalige vergoeding conform dit artikel is toegekend en aan wie binnen drie jaar na de reorganisatiedatum ontslag op eigen verzoek wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden binnen drie jaren na de reorganisatiedatum wordt ontslagen, wordt de aan hem toegekende vergoeding naar evenredigheid teruggevorderd.
6.7 Verplaatsingskosten
De medewerker die aan de navolgende voorwaarden voldoet kan gebruik maken van de verplaatsingskostenregeling conform de SAW -bepalingen:
a.de medewerker krijgt als gevolg van de reorganisatie een andere standplaats toegewezen, en;
b.de medewerker gaat wonen in een door het dagelijks bestuur te bepalen woongebied of als het waterschap geen woongebied heeft aangewezen geldt een straal van hemelsbreed 10 kilometer van de nieuwe standplaats, en;
c.de nieuwe woonplaats ligt ten minste 10 kilometer dichter bij de plaats van zijn tewerkstelling ten opzichte van zijn oude woonplaats, en;
d.de verhuizing vindt plaats binnen drie jaar na de reorganisatiedatum.
e.Terugbetalingsverplichtingen vanwege eerder toegekende tegemoetkomingen in verhuiskosten en afkoop op grond van artikel 6.6 komen voor de medewerker die van dit artikel gebruik maakt te vervallen.
6.8 Ambtsjubileumgratificaties
a.Aan de medewerker die ten gevolge van de reorganisatie een functie buiten de waterschapsorganisatie aanvaardt, wordt de gratificatie bij ambtsjubileum evenredig aan het aantal dienstjaren uitbetaald indien in de nieuwe functie de opgebouwde overheidsjaren niet worden overgenomen. Dit recht geldt uitsluitend indien de betrokkene binnen een bepaalde tijd, zoals omschreven in sub b, na de datum van ontslag een ambtsjubileumgratificatie tegemoet zou hebben gezien.
b.De bepaalde tijd zoals bedoeld in sub a van dit artikel bedraagt: 5 jaar vóór een 25-jarig jubileum, 8 jaar vóór een 40-jarig jubileum en 10 jaar vóór een 50-jarig jubileum.
c.De onder lid a bedoelde gratificatie wordt als een bruto = nettobedrag uitbetaald.
6.9 Studiefaciliteiten
Het dagelijks bestuur kan de medewerker met het oog op de aan de (nieuwe) functie verbonden eisen in de gelegenheid stellen zich volledig of gedeeltelijk om-, her- of bij te scholen. De kosten hiervan worden vergoed conform de bepalingen in de SAW, zonder terugbetalingsverplichting.
6.10 Hogere schaal
Indien een medewerker geplaatst wordt in een functie met een hogere functieschaal, leidt de plaatsing op dat moment niet direct tot een bevordering. Een bevordering wordt in een later stadium op basis van de geldende beoordelingscriteria geformaliseerd. Hierover worden in een eerste start-/planningsgesprek afspraken gemaakt.
Bijlage 1 Citaten SAW 1 juli 2013
Artikel 5.5.1 Herplaatsing in het kader van reorganisatie
1De ambtenaar die op basis van een reorganisatie zoals genoemd in artikel 1.1.4 SAW boventallig is verklaard heeft recht op een herplaatsingtermijn van 1,5 jaar.
2Binnen twee maanden na het vaststellen van boventalligheid stelt het dagelijks bestuur in overleg met de boventallig verklaarde ambtenaar een actieplan ‘van werk naar werk’ vast. Het dagelijks bestuur en de ambtenaar komen daarbij een wederzijdse inspanningsverplich-ting overeen om het maximale te doen om betrokkene naar ander werk te begeleiden. In dit actieplan wordt vastgelegd welke re-integratie-instrumenten gedurende de herplaatsingter-mijn zullen worden ingezet.
3Indien na afloop van de herplaatsingtermijn het actieplan voor de boventallige verklaarde ambtenaar niet heeft geleid tot het vinden van werk, komen partijen een vervolgplan over-een. In dit vervolgplan wordt vastgelegd of een wijziging van strategie nodig is, en welke in-strumenten gedurende de WW- en bovenwettelijke WW-fase moeten worden ingezet om de re-integratie alsnog succesvol te laten verlopen.
4Het dagelijks bestuur betaalt, binnen redelijke grenzen, de kosten van het re-integratie-instrumentarium uit het actieplan en vervolgplan.
5Bij gelijke geschiktheid, of te maken geschiktheid, heeft de boventallige of de al ontslagen ambtenaar bij vacatures die na de reorganisatie binnen het waterschap ontstaan de voor-keur boven andere interne of externe kandidaten. Als er meerdere geschikte of geschikt te maken boventallige ambtenaren op de vacature solliciteren, heeft diegene die het langst bo-ventallig is en een uitkering geniet, de voorkeur.
6Het dagelijks bestuur kan op basis van zwaarwegende persoonlijke omstandigheden be-sluiten:
a.de in lid 1 bedoelde herplaatsingtermijn te verlengen met een termijn;
b.het op basis van het in lid 4 bedoelde actieplan ‘van werk naar werk’ overeengekomen re-integratie-instrumentarium, uit te breiden;
c.dat de boventallige of al ontslagen ambtenaar met een bovenwettelijke uitkering, geschikt, of geschikt te maken is voor de betreffende functie.
Voordat het dagelijks bestuur een besluit neemt, wordt advies ingewonnen bij een derde. Deze derde is een paritaire commissie, bij voorkeur in het kader van een organisatiewijziging genoemd in artikel 1.1.4
Artikel 5.5.3 Re-integratie-instrumentarium
Op grond van artikelen 5.5.1 en 5.5.2 SAW kunnen maatwerk afspraken worden gemaakt over het gebruik van re-integratie-instrumenten. Naast de in paragraaf 5.6 genoemde in-strumenten zijn in ieder geval de volgende re-integratie-instrumenten beschikbaar:
a.in kaart brengen van kennis, vaardigheden, belangstelling en mogelijkheden op de arbeidsmarkt, in verschillende vormen;
b.om- her- en bijscholing;
c.detachering, of indiensttreding bij een outplacementbureau of re-integratiebedrijf;
d.begeleiding bij het opzetten van een eigen bedrijf.
Het dagelijks bestuur heeft de mogelijkheid om het re-integratie-instrumentarium uit dit arti-kel aan te bieden aan groepen van ambtenaren die (nog) geen herplaatsingskandidaat zijn maar bij organisatie onderdelen werken waar boventalligheid dreigt.
Artikel 8.1.4 Ontslag bij reorganisatie
1Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrach-ten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.
2Ontslag op één van de in het vorige lid genoemde gronden kan, met inachtneming van het bepaalde in lid 4, slechts plaatsvinden na afloop van de in artikel 2.3.2, lid 3 SAW benoemde herplaatsingtermijn.
3Indien het dagelijks bestuur, op basis van artikel 2.3.2, lid 8 besluit dat de herplaatsing-termijn wordt verlengd, kan het ontslag met inachtneming van het bepaalde in lid 4, op grond van één van de in het eerste lid genoemde gronden slechts plaatsvinden na afloop van de verlengde herplaatsingtermijn.
4Indien aan een ambtenaar op grond van dit artikel ontslag wordt verleend, wordt een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen.
5De ambtenaar aan wie ontslag is verleend op grond van dit artikel, verkrijgt met ingang van de datum van ontslag aanspraak op een uitkering krachtens paragraaf 9.2.
bijlage 2 Begrip reorganisatie
Artikel 1.1.4 Organisatiewijziging
1Indien door het dagelijks bestuur wordt voorgesteld verandering te brengen in de inrich-ting van enig dienstonderdeel, vallend onder het adviesrecht van artikel 25 WOR, dan stelt het dagelijks bestuur de commissie voor georganiseerd overleg als bedoeld in arti-kel 12.1 hiervan op de hoogte.
2Het dagelijks bestuur stelt in geval van een ingrijpende verandering in de inrichting van enig dienstonderdeel regels vast betreffende:
a.de fase waarin ter zake van die verandering het overleg wordt gevoerd met de com-missie als bedoeld in artikel 12.1;
b.de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering betrokken ambtenaren worden gehoord;
c.de personele gevolgen van die verandering.
3.Over het voornemen al dan niet regels als bedoeld in het vorige lid vast te stellen wordt overleg gevoerd met de commissie als bedoeld in artikel 12.1.
WOR
Artikel 25
1De ondernemingsraad wordt door de ondernemer in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit tot:
a.De overdracht;
b.Het vestigen van, dan wel het overnemen of afstoten van de zeggenschap over, een andere onderneming, alsmede het aangaan van, het aanbrengen van een belangrijke verandering in of het verbreken van duurzame samenwerking met een andere onderneming, waaronder begrepen het aangaan, in belangrijke mate wijzigen of verbreken van een financiële deelneming vanwege of ten behoeve van een dergelijke onderneming;
c.…………..
Bijlage 3 Citaten WOR
Artikel 24 (WOR)
1.In de overlegvergaderingen wordt ten minste tweemaal per jaar de algemene gang van zaken van de onderneming besproken. De ondernemer doet in dit kader mededeling over besluiten die hij in voorbereiding heeft met betrekking tot de aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 25 en 27. Daarbij worden afspraken gemaakt wanneer en op welke wijze de ondernemingsraad in de besluitvorming wordt betrokken.
Artikel 25 (WOR)
1.De Ondernemingsraad wordt door de ondernemer in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit tot:
a.overdracht van de zeggenschap over de onderneming of een onderdeel daarvan;
b.het vestigen van, dan wel het overnemen of afstoten van de zeggen schap over, een
f.andere onderneming, alsmede het aangaan van, het aanbrengen van een belangrijke wijziging in of het verbreken van duurzame samenwerking met een andere onderneming, waaronder begrepen het aangaan, in belangrijke mate wijzigen of verbreken van een belangrijke financiële deelneming vanwege of ten behoeve van een dergelijke onderneming;
c.beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of van een belangrijk onderdeel daarvan;
d.belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden van de onderneming;
e.belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming, dan wel in de verdeling van bevoegdheden binnen de onderneming;
f.wijziging van de plaats waar de onderneming haar werkzaamheden uitoefent;
g.het groepsgewijze werven of inlenen van arbeidskrachten;
h.het doen van een belangrijke investering ten behoeve van de onderneming;
i.het aantrekken van een belangrijk krediet ten behoeve van de onderneming;
j.het verstrekken van een belangrijk krediet en het stellen van zekerheid voor belangrijke schulden van een andere ondernemer, tenzij dit geschiedt in de normale uitoefening van werkzaamheden in de onderneming;
k.invoering of wijziging van een belangrijke technologische voorziening;
l.het treffen van een belangrijke maatregel in verband met de zorg van de onderneming voor het milieu, waaronder begrepen het treffen of wijzigen van een beleidsmatige, organisatorische en administratieve voorziening in verband met het milieu;
m.vaststelling van een regeling met betrekking tot het zelf dragen van het risico, bedoeld in artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel a, artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel b, of artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel c, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
n.het verstrekken en het formuleren van een adviesopdracht aan een deskundige buiten de onderneming betreffende een der hiervoor bedoelde aangelegenheden;
o.Het onder b bepaalde, alsmede het onder n bepaalde, voor zover dit betrekking heeft op een aangelegenheid als bedoeld onder b, is niet van toepassing wanneer de andere onderneming in het buitenland gevestigd is of wordt en redelijkerwijs niet te verwachten is dat het voorgenomen besluit zal leiden tot een besluit als bedoeld onder c-f ten aanzien van een onderneming die door de ondernemer in Nederland in stand wordt gehouden.
2De ondernemer legt het te nemen besluit schriftelijk aan de ondernemingsraad voor. Het advies moet op een zodanig tijdstip worden gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.
3Bij het vragen van advies wordt aan de ondernemingsraad een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de in de onderneming werkzame personen zal hebben en van de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen.
4De ondernemingsraad brengt met betrekking tot een voorgenomen besluit als bedoeld in het eerste lid geen advies uit dan nadat over de betrokken aangelegenheid ten minste eenmaal overleg is gepleegd in een overlegvergadering.Ten aanzien van de bespreking van het voorgenomen besluit in de overlegvergadering is artikel 24, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
5Indien na het advies van de ondernemingsraad een besluit als in het eerste lid bedoeld wordt genomen, wordt de ondernemingsraad door de ondernemer zo spoedig mogelijk van het besluit schriftelijk in kennis gesteld. Indien het advies van de ondernemingsraad niet of niet geheel is gevolgd, wordt aan de ondernemingsraad tevens medegedeeld, waarom van dat advies is afgeweken. Voor zover de ondernemingsraad daarover nog niet heeft geadviseerd, wordt voorts het advies van de ondernemingsraad ingewonnen over de uitvoering van het besluit.
6Tenzij het besluit van de ondernemer overeenstemt met het advies van de ondernemingsraad, is de ondernemer verplicht de uitvoering van zijn besluit op te schorten tot een maand na de dag waarop de ondernemingsraad van dat besluit in kennis is gesteld. De verplichting vervalt wanneer de ondernemingsraad zulks te kennen geeft.
Artikel 27 (WOR)
1De ondernemer behoeft de instemming van de ondernemingsraad voor elk door hem voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van:
a.een regeling met betrekking tot een pensioenverzekering, een winstdelingsregeling of een spaarregeling;
b.een werktijd- of een vakantieregeling;
c.een belonings- of een functiewaarderingssysteem;
d.een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden, het ziekteverzuim of het re-integratiebeleid;
e.een regeling op het gebied van het aanstellings-, ontslag- of bevorderingsbeleid;
f.een regeling op het gebied van de personeelsopleiding;
g.een regeling op het gebied van de personeelsbeoordeling;
h.een regeling op het gebied van het bedrijfsmaatschappelijk werk;
i.een regeling op het gebied van het werkoverleg;
j.een regeling op het gebied van de behandeling van klachten;
k.een regeling omtrent de registratie van, de omgang met en de bescherming van persoonsgegevens van de in de onderneming werkzame personen;
l.een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of geschikt zijn voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van de in de onderneming werkzame personen een en ander voor zover betrekking hebbende op alle of een groep van de in de onderneming werkzame personen.
2De ondernemer legt het te nemen besluit schriftelijk aan de ondernemingsraad voor. Hij verstrekt daarbij een overzicht van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de in de onderneming werkzame personen zal hebben. De ondernemingsraad beslist niet dan nadat over de betrokken aangelegenheid ten minste eenmaal overleg is gepleegd in een overlegvergadering. Na het overleg deelt de raad zo spoedig mogelijk schriftelijk en met redenen omkleed zijn beslissing aan de ondernemer mee. Wanneer de ondernemer of de ondernemingsraad te kennen geeft daarop prijs te stellen, wordt de beslissing in een overlegvergadering kenbaar gemaakt.
3De in het eerste lid bedoelde instemming is niet vereist voor zover de betrokken aangelegenheid voor de onderneming reeds inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst, dan wel in een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan.
4Heeft de ondernemer voor het voorgenomen besluit geen instemming van de ondernemingsraad verkregen, dan kan hij de kantonrechter toestemming vragen om het besluit te nemen. De kantonrechter geeft slechts toestemming, indien de beslissing van de raad om geen instemming te geven onredelijk is, of het voorgenomen besluit van de ondernemer gevergd wordt door zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen.
5Een besluit als bedoeld in het eerste lid, dat genomen is, zonder de instemming van de ondernemingsraad of de toestemming van de kantonrechter is nietig, indien de raad tegenover de ondernemer schriftelijk een beroep op de nietigheid heeft gedaan. De raad kan slechts een beroep op de nietigheid doen binnen een maand nadat hetzij de ondernemer hem zijn besluit overeenkomstig de laatste volzin van het tweede lid heeft meegedeeld, hetzij -bij gebreke van deze mededeling- de raad is gebleken dat de ondernemer uitvoering of toepassing geeft aan zijn besluit.
6De ondernemingsraad kan de kantonrechter verzoeken de ondernemer te verplichten zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van een nietige besluit als bedoeld in het vijfde lid. De ondernemer kan de kantonrechter verzoeken te verklaren dat de ondernemingsraad ten onrechte een beroep heeft gedaan op de nietigheid als bedoeld in het vijfde lid.