Aanhef
Inzagetermijn van 17 juni 2024 tot en met 29 juli 2024
Het Dagelijks Bestuur van het waterschap Aa en Maas heeft op 7 juni 2024 het definitief Projectplan Herinrichting Lage Raam en bijbehorende Nota van Zienswijzen vastgesteld.
Maatregelen
We gaan de beek tussen de Hapseweg (N264) en de Beerschemaasweg (Escharen) meer natuurlijk inrichten en zorgen voor een goed waterpeil voor landbouw en natuur. Dit doen we door o.a. de volgende maatregelen uit te voeren:
•We maken een deel van de beek breed en ondiep zodat het bij buien water kan bufferen in de ondiepe delen. Dit noemen we ook wel een moerasbeek. Zo heeft de beek een beter profiel voor natte situaties.
•Langs de beek liggen landbouwgronden waarvoor een robuust watersysteem gunstig is. Dit houdt in dat er goed ingespeeld moet kunnen worden op peilschommelingen als gevolg van klimaatverandering (voldoende water bij droogte en niet te veel water bij flinke buien). We verhogen daarom het waterpeil bij de nieuw te bouwen stuw Egweg in Escharen, stuw Meisevoort nabij Tongelaar en de stuw Kammerberg.
•We leggen een waterberging aan om Grave te beschermen tegen wateroverlast, in het geval van een extreme weerssituatie.
•We planten bomen en struiken zodat de beek mooi opgaat in het gebied. Dit noemen we ook wel een beekdallandschap.
•Ten behoeve van de recreatieve ontsluiting van het gebied leggen we onder andere struinpaden aan langs de beek en kano opstapplaatsen.
Inzage
Het definitief projectplan en de daarop betrekking hebbende stukken kunt u op werkdagen van 09.00-17.00 uur inzien op de volgende locatie:
•Pettelaarpark 70, 5216 PP ’s-Hertogenbosch.
Het definitief projectplan en de daarop betrekking hebbende stukken zijn tevens als bijlage bij deze bekendmaking opgenomen. Meer informatie over het project vindt u op www.aaenmaas.nl/lageraam.
Het ontwerp-projectplan en de daarop betrekking hebbende stukken hebben van 27 november 2023 tot en met 8 januari 2024 ter inzage gelegen. Er zijn tijdig zienswijzen ingediend. Deze zijn meegewogen bij de definitieve besluitvorming en hebben geleid tot beperkte wijziging van het projectplan. De indieners van een zienswijze zijn hierover geïnformeerd.
Beroep kan worden ingesteld tot en met 29 juli 2024.
Het beroepschrift wordt gericht aan rechtbank Oost-Brabant, sector bestuursrecht, Postbus 90125, 5200 MA ‘s-Hertogenbosch. Bij het indienen van een beroepschrift bent u griffierecht verschuldigd.
Het beroepschrift bevat tenminste:
-naam en adres indiener;
-dagtekening;
-een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht;
-de gronden van beroep (onderbouwing);
-uw handtekening.
Op dit besluit is de Crisis- en Herstelwet van toepassing. Dat betekent dat de belanghebbende in het beroepschrift moet aangeven welke beroepsgronden hij aanvoert tegen het besluit. Na afloop van de termijn kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Wij verzoeken belanghebbenden in het beroepschrift te vermelden dat de Crisis- en Herstelwet van toepassing is.
U kunt ook digitaal beroep instellen bij genoemde rechtbank via:
https://mijn.rechtspraak.nl/keuze. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden.
Uitvoering maatregelen
Het besluit treedt in werking, ook al wordt een beroepschrift ingediend. Dit betekent dat de maatregelen opgenomen in het projectplan kunnen worden uitgevoerd. Wilt u dit voorkomen, dan kunt u gelijktijdig of na het indienen van een beroepschrift een zogenaamde “voorlopige voorziening” vragen bij de Voorzieningenrechter van voornoemde rechtbank. Ook in dit geval bent u griffierecht verschuldigd. Een voorlopige voorziening is in feite het nemen van een tijdelijke maatregel, bijvoorbeeld het schorsen van het besluit gedurende de tijd die nodig is om het beroep te behandelen. Voorwaarde om zo’n voorlopige voorziening te vragen is, dat er sprake is van een spoedeisend belang.
Wij verzoeken u vriendelijk een afschrift van het beroep en/of het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te zenden aan het Dagelijks Bestuur van waterschap Aa en Maas, Postbus 5049, 5201 GA ’s-Hertogenbosch.
Wilt u meer weten?
Gelijktijdig met de bekendmaking (publicatie) liggen de stukken ter inzage. De inzagetermijn eindigt met het einde van de beroepstermijn.
Voor vragen kunt u contact opnemen met projectleider Patrick Oomens, bereikbaar op telefoonnummer 06-22 40 71 88 of per mail poomens@aaenmaas.nl. Ook kunt u contact opnemen met omgevingsmanager Steven Haarbosch, op telefoonnummer 06 – 212 23 247 of per mail shaarbosch@aaenmaas.nl.
’s-Hertogenbosch, 17 juni 2024
Herinrichting Lage Raam Definitief-projectplan Waterwet
3. Projectdoelstellingen
3.2 Projectdoelstellingen
3.2.1 Robuust watersysteem
Bij de inrichting van de Lage Raam wordt als uitgangspunt de missie van het waterschap voor ogen gehouden: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.”
In een robuust watersysteem is er voldoende water beschikbaar voor droge periodes en kunnen hoge neerslagpieken adequaat afgevoerd of (tijdelijk) geborgen worden. In de optimalisatie van het bestaande watersysteem naar een robuust watersysteem houden we rekening met de verschillen in grondgebruik zoals landbouw, natuur en bebouwing. De benadering is gericht op het hele watersysteem. De optimalisatie houdt rekening met de verschillende waterthema’s en doelgroepen. De effecten op de omgeving zijn integraal in beeld gebracht.
Bij de herinrichting van het watersysteem anticiperen we op klimaatverandering. Het systeem wordt minder droogtegevoelig door verhoging van peilen in het gebied en de herinrichting van de Lage Raam (zie ook paragraaf 3.2.2). Hiermee houden we extra water vast in het gebied om verdroging van landbouw en natuur tegen te gaan. Tegelijkertijd voldoen we aan de normen die worden gesteld aan de afvoer van water tijdens (hevige) buien zoals beschreven in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Bij de toetsing houden we rekening met een klimaatscenario van 2030. Daarnaast realiseren we extra maatregelen in het watersysteem zodat beter gestuurd kan worden op het voorkomen van wateroverlast in het gebied.
3.2.2 Natuurlijke inrichting van de beek
De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een EU-richtlijn die integrale eisen stelt aan de waterkwaliteit. De gestelde eisen voor een watergang zijn afhankelijk van het beoogde streefbeeld. Voor de Lage Raam wordt als streefbeeld een ‘Moerasbeek (R20) – verweven beekherstel’
3Vanuit de KRW worden waterlichamen onderverdeeld in verschillende doeltypen. Elk waterlichaam behoort tot één watertype. Dit type geeft aan wat de algemene karakteristiek van het waterlichaam. In dit geval is het streefbeeld voor de Lage Raam type R20: Moerasbeek – verweven beekherstel. Dit is bestuurlijk vastgesteld volgend bepaalde maatlatten en streefbeelden.
beoogd. Zie als voorbeeld de dwarsdoorsnede van het streefbeeld in Figuur 3.1 en voor de beoogde locatie Figuur 2.1. In de ‘Factsheet KRW’ bij het Stroomgebiedbeheerplan
4Factsheet KRW - Behorende bij Stroomgebiedbeheerplan SGBP2 2015-2021, versie 5. Waterschap Aa en Maas, 11 februari 2020.
van waterschap AA en Maas is beschreven in hoeverre aan de vereisten van een moerasbeek wordt voldaan.
De KRW-opgave voor de Lage Raam bestaat uit de inrichting van de Lage Raam als ‘Moerasbeek (R20) – verwerven beekherstel’. Het optimale profiel voor een moerasbeek bestaat uit de beekloop, een beekmoeras en overstromingszone (zie par. 3.2.2). Door de ligging van de Lage Raam in het landelijk gebied zijn er mogelijkheden een optimale moerasbeek te realiseren. Echter is er op sommige locaties langs de Lage Raam niet overal voldoende ruimte voor realisatie van de optimale moerasbeek met drie zones. Dit in verband met bebouwing en aangrenzende agrarische percelen. Het plan voorziet in de maximaal haalbare invulling van de KRW-opgave binnen deze beperkingen.
Figuur 3.1: Dwarsdoorsnede van een moerasbeek
5Verdonschot, R.C.M., Runhaar, J., Buijse, A.D., Bijkerk, R., Verdonschot, P.F.M. (2016) Doorstroommoerassen en moerasbeken; typebeschrijvingen en ontwikkeling maatlatten voor de biologische kwaliteitselementen. Zoetwatersystemen, Wageningen Environmental Research, Wageningen UR, Wageningen.
In het stroomgebiedbeheerplan is de ambitie benoemd om de beek voor 2027 te optimaliseren door het aanpassen van de profielvorm, het vergroten van het percentage ondergedoken waterplanten en de variatie in substraat (het percentage hout en zand ten opzichte van het percentage slib).
Het streefbeeld voor de natuurlijke inrichting van de Lage Raam is een moerasbeek: een smallere beekloop, daarnaast een beekmoeras dat overgaat in een overstromingszone (Figuur 3.1). De moerasbeek komt van nature voor in laagtes op de hoge zandgronden die eenzijdig afstromen, maar een zeer klein verhang (hoogteverschil tussen begin en eindpunt van de beek is minder dan 0,5 m/km) en/of een lage afvoer hebben. Deze situaties komen vaak voor op de hoger gelegen plateaus of in de vlakkere gedeeltes van beekdalen.
In gebieden waar agrarisch gebruik bepalend is, krijgt de moerasbeek in de toekomstige situatie een gegraven loop en worden stuwen aangelegd om het waterpeil te reguleren. Deze stuwen worden passeerbaar voor vis. Naast de beekloop zijn brede moeraszones aanwezig (tot 25 meter breed). Deze moeraszones zijn permanent nat door toestromend grondwater of een vast streefpeil met een optimale waterdiepte van 40 à 50 cm.
Het waterpeil zakt in de zomer niet te ver uit; hierdoor wordt de ontwikkeling van bomen/struiken voorkomen. De begroeiing in het moeras zorgt voor de aanwezigheid van veel organisch materiaal in de vorm van afgestorven planten en ingewaaid blad. Daarnaast zorgt dood hout voor extra structuurvariatie. Als gevolg van het kleine verhang en/of lage afvoeren is de stroomsnelheid in de loop laag en groeit de waterloop gemakkelijk dicht. Net achter de stuwen en op locaties waar meer hoogteverschil aanwezig is en overstromingen geen probleem vormen, is de beekzone van de loop verkleind om meer stroming te creëren. Hier is de loop zo veel mogelijk beschaduwd en bestaat de bodem uit zand, grind, dood hout en bladpakketten.
De permanent natte zones zijn begroeid met voedselrijke en hoogproductieve moerasvegetaties, met Riet, Lisdodde, Liesgras, Grote egelskop, Gele lis e.d. Op de iets hoger gelegen delen ontwikkelt zich wilgenstruweel. Ook in de waterloop komen vooral soorten van voedselrijke situaties voor, zoals Liesgras, Mannagras en Smalle waterpest.
Figuur 3.2: Streefbeeld van een verweven moerasbeek (R20)
6Waterschap Aa en Maas, Ecologische streefbeelden watersysteem, Eisen voor ecologische inrichting en beheer & onderhoud. Juni 2021
De moerasbeek dient idealiter te voldoen aan de volgende voorwaarden2,3,4:
Beekloop:
•Een jaargemiddelde waterdiepte van 10 tot 70 cm.
•Waterbreedte 1 tot 8 meter.
•Een jaargemiddelde stroomsnelheid van > 3 tot 50 cm/s.
•Beschaduwing > 50%.
•Sinuositeit
7De sinuositeit is een verhoudingsgetal dat de mate van meandering van een rivier beschrijft. Dit verhoudingsgetal wordt uitgedrukt als S = LW/LV, waarin LW de lengte van de waterloop is en LV de lengte van de vallei.
> 1,06.
•Droogval < 10%.
•Stagnatie (stilstaand water, niet stromend) < 52 dagen.
•Dood hout (% in waterloop) > 1%.
Moeraszone:
•Voor het beheertype (ambitietype) moeras geldt een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) van 30-50 cm boven maaiveld, een gemiddelde voorjaars grondwaterstand (GVG) van 5-40 cm boven maaiveld en een Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) van 10-15 cm onder maaiveld. Indien op plekken verhouting (boom/struik groei) wordt toegestaan zijn de grenzen wat ruimer en mag het vaker droog vallen. Bij voorkeur wordt gedurende het hele jaar een streefpeil gehanteerd van 40 tot 50 cm boven maaiveld om verhouting te voorkomen.
Overstromingszone:
•Voldoende capaciteit voor waterberging om bij een regenbui met een hoogwatergebeurtenis T=25 (NBW-norm akkerbouw) te voorkomen dat de aangrenzende percelen (buiten het moerasbeekprofiel) overstromen. T=25 betekent dat de kans op wateroverlast gemiddeld 1 keer in de 25 jaar mag zijn.
De gemiddelde waterstanden in de nieuwe beekloop mogen het hele jaar, dus zowel in het zomer- als in het winterhalfjaar niet meer dan 10 cm afwijken van het huidige streefpeil om verdroging of vernatting van aangrenzende agrarische percelen te voorkomen. Uitzonderingen zijn de trajecten waar doelbewust een peilverhoging wordt gerealiseerd, zie paragraaf 3.2.1.
Figuur 3.3: Referentiebeeld Biebrza National Park in Polen, met beekzone, moeraszone en overstromingszone. Bron: Oomen Landschap
Uit de analyse van de Raam blijkt dat met name de hydrologische sleutelfactoren knelpunten vormen.
Zowel de afvoerdynamiek (debietfluctuatie, stromingssnelheid en stromingsvariatie), natte doorsnede (profielvorm en materiaal) en stagnatie zijn onder het gewenste niveau. Daarnaast belemmert het voedselrijke karakter van het oppervlaktewater de ontwikkeling van de gewenste soortenrijke natuur in de beken.
De focus van de maatregelen in dit projectplan ligt op maatregelen die zoveel mogelijk recht doen aan de streefbeelden van een moerasbeek. De voorgenomen maatregelen richten zich daarbij op verbetering van beschaduwing van het wateroppervlak, het percentage onderwaterplanten en vergroten van de variatie substraat. Echter is er op sommige locaties langs de Lage Raam niet overal voldoende ruimte voor realisatie van de optimale moerasbeek met drie zones. Dit in verband met bebouwing en aangrenzende agrarische percelen. Ook is het niet altijd mogelijk om overal exact te voldoen aan het ideale streefbeeld van een moerasbeek. Zo is gebleken dat het niet haalbaar is om een optimale waterdiepte van 10 tot 70 cm en een breedte van 1 tot 8 meter te realiseren van de beekloop omdat hiermee niet kan worden voldaan aan de gewenste hydraulische afvoercapaciteit in dit gebied. Het plan voorziet in de maximaal haalbare invulling van de KRW-opgave binnen deze beperkingen waarmee wordt voldaan aan de KRW doelen in dit gebied (zie ook paragraaf 5.3).
Figuur 3.4: Voorbeeld van de aanleg van houtpakketten in de Graafsche Raam
3.2.3 Vismigratie
Kunstwerken zoals stuwen en gemalen in een watersysteem kunnen een barrière vormen voor de migratie van vis in het gebied. Onderdeel van de KRW-opgave is het opheffen van bestaande vismigratieknelpunten en voorkomen dat migratieknelpunten ontstaan bij het realiseren van nieuwe kunstwerken.
In het plangebied zijn acht bestaande vismigratieknelpunten vastgesteld (zie Figuur 3.5). Daarnaast dienen de nieuwe stuw Egweg en stuw Meisevoort ook vispasseerbaar te zijn.
Figuur 3.5: Knelpunten vismigratie plangebied Lage Raam
Bij het oplossen van een vismigratieknelpunt gaat de voorkeur altijd uit naar het verwijderen van de barrière. In de praktijk is dit niet altijd mogelijk, want een stuw willen we vaak behouden om het waterpeil goed te kunnen regelen, en is een vispassage in dat geval nodig. De vispassages die binnen dit plangebied worden overwogen:
•Een natuurlijke vispassage is een vispassage die de natuurlijke beekloop benadert en waarin (vrijwel) geen kunstmatige onderdelen zijn aangebracht, zoals stortstenen. Een natuurlijke vispassage draagt bij aan (het herstel van) natuurlijk beekhabitat en aan de stromingsdynamiek. De aanleg van een natuurlijke vispassage vraagt veel ruimte en biedt minder flexibiliteit om water vast te houden.
•Een semi-natuurlijke vispassage of bekkenpassage is een vispassage in een waterloop of nevenbeek, waarin kunstmatige onderdelen zijn aangebracht om het peilverschil te overbruggen, zoals drempels van stortstenen. Een semi-natuurlijke vispassage biedt een habitat voor stromingsminnende soorten. Het vraagt vooral bij de keuze van een nevenbeek om relatief veel ruimte. Daarnaast biedt het ook minder flexibiliteit om water vast te houden. Het ruimtebeslag is echter kleiner dan bij een natuurlijke vispassage.
•Een technische vispassage is opgebouwd uit kunstmatige materialen, zoals beton, metaal, hout en/of kunststof. Het is een compacte constructie die meestal naast, maar soms op of gecombineerd met een stuw wordt geplaatst. Technische vispassages vragen weinig ruimte, hebben de beste mogelijkheden om het peil te blijven reguleren, maar bieden vrijwel geen extra habitat.
3.2.4 Natuurvriendelijke oevers (NVO)
In 2019 is een watersysteemanalyse opgesteld door het waterschap
8RHDHV (2019), Watersysteemrapportage KRW-Waterlichamen Aa en Maas Knelpuntenanalyse en doelbereik
. Hierin zijn KRW knelpunten beschreven en blijkt dat een natuurvriendelijke oever (NVO) kan bijdragen aan de oplossing. Binnen het plangebied geldt een opgave NVO’s voor het laatste deel van het Peelkanaal en de watergang die de Lage Raam met de Laarakkerse Waterleiding verbindt (zie Figuur 3.6). Kleinschalige maatregelen geven een doelmatige invulling aan de opgave NVO’s. Hierbij is rekening gehouden met de profielvorm, begroeiing, onderhoud, kansen en beperkingen van de betreffende watergang.
Figuur 3.6: Opgave natuurvriendelijke oevers
3.2.5 Waterberging
De stad Grave valt binnen het beheergebied van waterschap Aa en Maas en is kwetsbaar voor wateroverlast vanuit het regionale systeem, met name vanuit de Graafsche Raam. Bij een combinatie van hoge regionale afvoer en hoge Maasstanden loopt het peil in de Graafsche Raam op tot een niveau waarbij wateroverlast optreedt in Grave. Om de stad in de toekomst te beschermen tegen overstroming zoeken we ruimte om overtollig water tijdelijk te parkeren: waterberging. De keuze en onderbouwing voor deze waterbergingslocatie en de bijbehorende eisen zijn opgesteld in een milieueffectrapportage (MER).
9Arcadis (2018), Milieueffectrapport Hoogwateraanpak Grave: in het kader van de gebiedsaanpak Raam.
Om de kans op wateroverlast in de stad te verminderen wordt een waterberging van 600.000 m3 voorzien (zie Figuur 3.7). De beoogde waterberging is al vastgesteld in het huidige bestemmingsplan
10‘Buitengebied, herziening 2018’ (gemeente Grave), ‘Buitengebied Mill en Sint Hubert, herziening 2018’ (gemeente Mill en Sint Hubert) en ‘Buitengebied 2010, herziening 2016 (2019; gemeente Cuijk)
.
Figuur 3.7: Beoogde kade en waterbergingscontouren zoals vastgesteld in het bestemmingsplan10
De waterberging wordt mogelijk gemaakt middels de realisatie van de nieuwe Stuw Egweg. Concreet gelden daarbij de volgende eisen:
•De nieuwe Stuw Egweg dient tot 8,90 m+NAP opgezet te kunnen worden waardoor ca. 600.000 m3 waterberging gerealiseerd wordt en maximaal 127 hectare inundeert.
•Ter hoogte van Stuw Egweg dienen kades te worden gerealiseerd haaks op de Lage Raam waarbij water tot 8,9 m+NAP wordt gekeerd.
•Kade dient te voldoen aan de eisen voor een overige kering zoals geformuleerd in het 'MER Hoogwateraanpak Grave'.
•Bij de inzet van de waterberging dient rekening te worden gehouden dat er geen berging/overstroming plaatsvindt op locaties buiten de contour van het vastgestelde bestemmingsplan voor deze waterberging.
3.2.6 Ecologische verbindingszone (EVZ)
Een ecologische verbindingszone is een strook natuur langs de beek met bijvoorbeeld bloemrijk grasland of waterpoelen. Deze strook is een verbinding tussen natuurgebieden. Planten en dieren hebben zo meer leefruimte en verplaatsen zich veilig. De Graafsche Raam is in het Waterbeheerplan 2022-2027
11Waterschap Aa en Maas (2022), Waterbeheerplan 2022-2027
van waterschap Aa en Maas opgenomen als ecologische verbindingszone en als zodanig ook opgenomen in het Natuur Netwerk Brabant (NNB) van de provincie Noord-Brabant. In 2021 zijn streefbeelden uitgewerkt voor de ecologische verbindingszones in het beheergebied van waterschap Aa en Maas
12Waterschap Aa en Maas (2021), Ecologische streefbeelden voor ecologische verbindingszones
. In die streefbeelden is de verbindingszone Graafsche Raam voorzien als migratieroute voor de das en een leefgebied voor amfibieën (kamsalamander en poelkikker). Binnen het plangebied van de Lage Raam dient te worden aangesloten op de ecologische verbindingszone van de Graafsche Raam ten noorden van het plangebied Lage Raam (Figuur 3.8).
13TAUW (2022), Projectplan Waterwet : Beekherstel en ecologische verbindingszone Graafsche Raam
Voor traject 0: Beerschemaasweg tot Stuw Egweg gelden concreet de volgende doelen:
•Ten behoeve van de doelsoorten kamsalamander en poelkikker dient langs de Lage Raam één poel ingericht te worden als leefomgeving. Deze dient binnen 400 meter van de bestaande poelen te liggen.
•Ten behoeve van de doelsoort das dient langs de watergang de inrichting te bestaan uit bosjes. houtwallen, ruigte, vochtige weides, maïsakkers en boomgaarden. Tijdens de uitwerking van het ontwerp is geconstateerd dat de bestaande situatie in dit traject hier al aan voldoet.
•Langs de Raam dient bloemrijk grasland gerealiseerd te worden.
Figuur 3.8: EVZ opgave Lage Raam
3.2.7 Benutten van kansen voor recreatie en cultuurhistorie
Het plan voor de Lage Raam biedt kansen om de recreatiemogelijkheden en cultuurhistorie in het gebied te verbeteren. Langs de Raam bevinden zich op verschillende locaties wandelpaden. Daarnaast wordt de Raam gebruikt als kanowater en visstek. In het project kunnen deze elementen worden versterkt of verbeterd.
Dit geeft kansen om de recreatie in en langs de Lage Raam te bevorderen, uiteraard met in acht neming van de natuurwaarden. Samen met de omgeving is gekeken naar kansen langs de Raam om recreatiemogelijkheden in het gebied aan te brengen en hoe cultuurhistorische en landschapswaarden versterkt kunnen worden.
Concreet worden de volgende meekoppelkansen benut:
•Verbeteren van recreatieroutes: Bij de ingangen van het gebied komen informatiepunten of informatieborden van de Verborgen Raamvallei. Ook wordt een doorgaande fietsroute met een gedeeltelijk nieuw fietspad en diverse nieuwe struinpaden binnen het plangebied gerealiseerd. Er komen nieuwe kano opstapplaatsen en een recreatief uitzichtpunt. Hierbij wordt rekening gehouden met dorps-ommetjes en bestaande wandelroutes;
•Zichtbaar en beleefbaar maken van de Peel-Raamstelling: Zo wordt bij de inrichting van het Peelkanaal de cultuurhistorische waarde van dit defensiekanaal behouden en wordt de zichtbaarheid van kazematten behouden in het gebied;
•Behoud en versterking van de landgoederen rondom de Lage Raam; bij de inrichting van nieuwe elementen langs de Lage Raam wordt rekening gehouden met de landschappelijke elementen en waarden van de landgoederen in het gebied;
•Behoud en versterking van cultuurhistorische en landschapswaarden in het gebied: hierbij wordt rekening gehouden met de historische en deels nog bestaande verkaveling in en rondom het beekdal. Ook wordt met de beplanting in het ontwerp rekening gehouden met natuurlijke en cultuurhistorische waarden in het gebied waarbij natuurlijke bosschages, solitaire bomen, houtwallen, knipscheerhagen en (elzen)singels landschappelijk worden ingepast.
5. Effecten van het plan
5.4 Waterkwantiteit
5.4.1 Oppervlaktewater
Bij de uitwerking van het gebiedsplan Raam zijn de verschillende ontwerpopgaven (zie hoofdstuk 3) met betrekking tot de inrichting van het watersysteem hydrologisch getoetst aan de geldende normen en randvoorwaarden. Daarvoor is gebruik gemaakt van door het waterschap Aa en Maas ontwikkelde hydrologische modellen voor het oppervlaktewatersysteem (SOBEK). Met dit model zijn diverse varianten doorgerekend waarbij de volgende scenario’s zijn getoetst:
•Stationair: Gemiddelde zomerafvoer (10% van een maatgevende afvoer dat 1 keer per jaar voorkomt)
•Stationair: Gemiddelde winterafvoer (30% van een maatgevende afvoer dat 1 keer per jaar voorkomt)
•Stationair: T=1 (Maatgevende afvoer dat 1 keer per jaar voorkomt)
•Stationair: T= 25 (Klimaatscenario 2030: 170% van de maatgevende afvoer)
•Dynamisch: T=25 (Klimaatscenario 2030: GHG90 bui)
•Dynamisch: T=100 (Klimaatscenario 2030: GHG 110 bui)
Toetsing robuust watersysteem
De overstromingsanalyse laat zien dat de overstromingen in de Lage Raam, ondanks de bewust gerealiseerde peilverhoging en verondiepingen, niet voor extra knelpunten zorgen (Figuur 5.1). De overstroming blijft vrijwel overal beperkt tot de aangewezen inundatiegebieden (overstromingsgebieden) waarbij wordt voldaan aan de NBW-normen in het gebied. Met de maatregelen wordt een robuust watersysteem gecreëerd waarin voldoende ruimte is voor waterberging en afvoer van water tijdens piekbuien. Hierbij wordt al rekening gehouden met een klimaatscenario 2030.
De gemiddelde waterstanden in de nieuwe beekloop wijken in het hele jaar, dus zowel in het zomer- als in het winterhalfjaar niet meer dan 10 cm af van het huidige streefpeil om verdroging of vernatting van aangrenzende agrarische percelen te voorkomen. Uitzonderingen zijn de trajecten waar doelbewust een peilverhoging wordt gerealiseerd, zie paragraaf 3.2.1.
De peilverschillen in de verschillende situaties (gemiddeld 1 keer per jaar: T=1 en gemiddeld 1 x per 25 jaar: T=25) laten zien dat de peilverhoging bij de stuwen leidt tot een vernatting, welke doordringt tot in de zijlopen (voornamelijk bij Mill en Haps). Dit leidt echter niet tot (extra) overstroming of knelpunten anderzijds.
Figuur 5.1: Inundatiediepte (overstromingsdiepte) in een T=25 situatie in meters ten opzichte van het maaiveld
Ook voor de uitzonderlijke situatie dat wateroverlast dreigt te ontstaan in de stad Grave, voorziet dit plan in de inrichting en inzet van een waterbergingsgebied (zie paragraaf 5.4.3). In die uitzonderlijke situatie zal tijdelijk ook overlast ontstaan door hoge (grondwater)peilen die op dat moment, gegeven de omstandigheden, niet voorkomen kunnen worden.
Toetsing natuurlijke inrichting van de beek
Ten behoeve van de KRW-doelen worden maatregelen genomen zoals het verleggen van de beekloop, creëren van een moeraszone naast de beek en het plaatsen van (vispasseerbare) stuwen. De begroeiing in het moeras zorgt voor de aanwezigheid van veel organisch materiaal in de vorm van afgestorven planten en ingewaaid blad. Daarnaast zorgt dood hout voor extra structuurvariatie. Als gevolg van het kleine verhang en/of lage afvoeren is de stroomsnelheid in de loop laag en groeit de waterloop gemakkelijk dicht. Net achter de stuwen en op locaties waar meer verhang aanwezig is en overstromingen geen probleem vormen, is de beekzone van de loop verkleind om meer stroming te creëren. Hier is de loop zo veel mogelijk beschaduwd en bestaat het bodemsubstraat uit zand, grind, dood hout en bladpakketten. Op basis van de voorgenomen inrichtingsmaatregelen en hydrologische toetsing wordt verwacht dat hiermee voldoende invulling wordt gegeven aan de KRW-doelen die voor dit waterlichaam gelden.
De voorgenomen maatregelen leiden op veel plaatsen tot een toename van de stroomsnelheden in de beekloop. In de gemiddelde zomersituatie (en wintersituatie) wordt vrijwel overal voldaan aan de minimale stroomsnelheid van 3 cm/sec. De bekkenpassage om stuw Kammerberg zorgt voor relatief hoge stroomsnelheden (meer dan 50 cm/sec). Het ontwerp dient hier richting de uitvoering te worden geoptimaliseerd om de passage beter vispasseerbaar te maken.
Het KRW-streefbeeld met betrekking tot de waterdieptes (gemiddeld tussen de 10 en 70 cm jaarrond) wordt niet gehaald. De beek wordt dieper aangelegd om ook voldoende water tijdens piekbuien af te kunnen voeren. Dit streefbeeld is, rekening houdend met de overstromingsrisico’s, niet reëel, en daarom wordt bewust afgeweken van dit criterium. De verwachting is dat het afwijken van deze eis geen gevolgen heeft voor het behalen van de KRW doelen op dit gebied. Wel voldoet de moeraszone aan het criterium van een gewenste waterdiepte van 40 – 50 cm gemiddeld.
5.4.2 Grondwater
Met de inrichting van de Raam wordt een robuust watersysteem gecreëerd waarmee extra water wordt vastgehouden om verdroging van landbouw en natuur tegen te gaan. Tegelijkertijd wordt voldaan aan de normen die worden gesteld aan de afvoer van water tijdens (hevige) buien zoals beschreven in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Daarnaast worden extra maatregelen in het watersysteem gerealiseerd zodat beter gestuurd kan worden op het voorkomen van wateroverlast in het gebied.
Methodiek
Met behulp van een grondwatermodel is onderzocht wat de effecten van voorgenomen maatregelen zijn op de grondwaterstanden. Voor de grondwaterberekeningen is gebruikt gemaakt van een regionaal grondwatermodel, genaamd GRAM2.0. Dit model is door waterschap Aa en Maas ontwikkeld. Voor aanvang van de werkzaamheden is eerst het grondwatermodel beoordeeld en verder verbeterd om te kunnen gebruiken om het effect van de geplande maatregelen op de grondwaterstanden in beeld te brengen voor de Lage Raam. De verbeteringen betroffen onder andere:
•Aanpassing van het Maaspeil naar de situatie zoals na de peilverhoging bij Grave.
•Toevoegen van drainage in het model, op basis van informatie die geleverd is door de betreffende per perceel eigenaren.
•Controle en eventuele verbeteringen van de werking van sloten en beken in het gebied.
•Toevoegen van de nieuwe maaiveldhoogtekaart (AHN4).
De resultaten van de huidige (referentie)situatie zijn getoetst aan de peilbuisgegevens in het gebied. De resultaten zijn ook beoordeeld door de begeleidingsgroep van waterschap Aa en Maas en in keukentafelgesprekken met de omgeving. Deze controles bevestigen dat het model realistische en betrouwbare resultaten oplevert.
Tijdens het ontwerpproces is uitvoerige afstemming geweest met de omgeving (zie ook Hoofdstuk 9) waarbij verschillende varianten met het grondwatermodel zijn doorgerekend. Hierbij zijn diverse varianten berekend waarbij verschillende peilverhogingen zijn doorgerekend bij de nieuwe stuw Egweg, Meisevoort en de Gagel en de bestaande stuw Kammerberg. De ambities voor peilverhoging zijn onderzocht in de watersysteemanalyse en een studie naar optimalisatie peilbeheer. Daarbij is steeds in een complexe situatie gezocht naar de optimale balans tussen landbouw- en natuurfuncties. Uit deze studies blijkt dat de ontworpen peilopzetten een forse bijdrage leveren aan de projectdoelen. Dit betreft een goede balans tussen de grondwaterstandsverhoging in Natuur Netwerk Brabant tegenover acceptabele ongewenste (te mitigeren) neveneffecten voor de omgeving. De resulterende peilopzetten zijn: + 40 cm bij de te bouwen stuw Egweg; +55 cm bij de te verplaatsen stuw Meisevoort; +60 cm bij de nieuwe stuw De Gagel en +20 cm bij de bestaande stuw Kammerberg.
Het grondwatermodel is per scenario doorgerekend voor de periode 2002-2021. Voor de doorvertaling van de effecten worden de grondwaterstanden in de periode 2010-2017 nader beschouwd. Hiermee wordt voorkomen dat de droge jaren van 2018, 2019 en 2020 leiden tot een onderschatting van de potentiële overlast en natschade door vernatting.
De effecten zijn doorvertaald naar verschillen in grondwaterstanden voor een gemiddelde winter-, voorjaar- en zomersituatie.
20Ze geven de resultaten weer van een wintersituatie: de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), voorjaarssituatie: gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) en zomersituatie: gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). De afkortingen komen terug in de figuren.
Daarnaast wordt nader beschreven wat de specifieke consequenties zijn voor landbouw en natuur in het gebied.
Voor de effecten voor landbouw is met behulp van de Waterwijzer Landbouw (WWL) gedetailleerder inzicht gegenereerd. Met de waterwijzer landbouw is het mogelijk om de verschillen in grondwaterstanden door te vertalen in procentuele mate van verbetering of verslechtering van de potentiële droogteschade of natschade van landbouwgewassen in het gebied. De WWL-regionaal gebruikt informatie over het landgebruik
21Op basis van de Basisregistratie Gewaspercelen (BRP) is per rekencel van 25x25 m het meest voorkomende en duurste gewas bepaald over de periode 2013 t/m 2020.
, bodemtype en een gedetailleerd grondwaterstandsverloop. Het geeft inschatting van een effect, in termen van direct en indirecte effecten. Directe effecten zijn het gevolg van transpiratiereductie gedurende het groeiseizoen. Deze transpiratiereductie is uitgesplitst naar aandeel in droogte- zuurstof- en/of zoutstress. Indirecte effecten zijn het gevolg van een verschuiving in het groeiseizoen in verband met te natte omstandigheden om grondbewerking te kunnen uitvoeren.
Resultaten algemeen
Zie bijlage 4 voor de gepresenteerde figuren in hogere resolutie. De resultaten tonen de effecten van alle voorgenomen maatregelen uit het plan. Ze laten zien dat alle voorgenomen maatregelen gemiddeld leiden tot een verhoging van de gemiddelde grondwaterstanden (zie Figuur 5.2, Figuur 5.3, Figuur 5.4). Lokaal geeft het echter ook verlagingen.
De verlagingen van de gemiddelde grondwaterstanden zijn hoofdzakelijk op de locaties waar bewust compenserende maatregelen zijn voorzien om grondwateroverlast te voorkomen. Voorbeelden van die compenserende maatregelen zijn de opwaardering van de sloot bij de Rotscheweg en het creëren van een bypass bij de Tochtsloot
22N.a.v. zienswijzen is de bypass verlegd naar de situatie zoals die in het voorlopige ontwerp (VO) was voorzien. Om deze reden is een extra inzet in de figuur toegevoegd om een impressie te geven van het verwachte effect is voor dit gebied (o.b.v. resultaten hydrologie VO).
. Ook daalt de grondwaterstand tussen de referentiesituatie en de nieuwe situatie door het afgraven van grond en slenken/nevengeulen langs de Raam. Netto wordt het op deze locaties in de praktijk natter doordat in de nieuwe situatie het grondwater dichter bij het maaiveld komt te liggen.
Figuur 5.2: Verschil grondwaterstanden wintersituatie (GHG) in het definitieve ontwerp ten opzichte van de referentie (huidige situatie). De rode en oranje kleur is een verlaging van de grondwaterstand. De blauwe kleur is een verhoging en wordt donkerder naarmate de verhoging van de grondwaterstand groter is.
Figuur 5.3: Verschil grondwaterstanden voorjaarsituatie (GVG) in het definitieve ontwerp ten opzichte van de referentie (huidige situatie). De rode en oranje kleur is een verlaging van de grondwaterstand. De blauwe kleur is een verhoging en wordt donkerder naarmate de verhoging van de grondwaterstand groter is.
Figuur 5.4: Verschil grondwaterstanden zomersituatie (GLG) in het definitieve ontwerp ten opzichte van de referentie (huidige situatie). De rode en oranje kleur is een verlaging van de grondwaterstand. De blauwe kleur is een verhoging en wordt donkerder naarmate de verhoging van de grondwaterstand groter is.
Met de gemiddelde stijging van het grondwater (vernatting) wordt voldaan aan de doelstellingen voor een robuust watersysteem. Hierbij is sprake van meer water vasthouden en een verminderde kwetsbaarheid voor droge periodes voor zowel landbouw als natuur. Tevens zorgt de mogelijkheid tot het vasthouden van water, de extra sturing door automatische stuwen en gemalen en de ruimte die wordt gecreëerd in de vorm van moeras- en overstromingszones voor een systeem dat voldoet aan de NBW-normen. Hierbij wordt al rekening gehouden met een klimaatscenario van 2030. Tevens worden mitigerende maatregelen voorzien om lokale schade en overlast in het plangebied te minimaliseren (zie ook paragraaf 7.1). Hiermee is het watersysteem in staat om het water beter vast te houden voor droogtebestrijding, maar ook om water voldoende te bergen of af te voeren in natte periodes en bij piekbuien.
Effecten Landbouw
De veranderingen in grondwaterstand in het landbouwgebied rondom de bestaande en nieuwe natuur hebben mogelijk gevolgen voor de opbrengsten van landbouwgewassen. In landbouwgebieden met een relatief beperkte drooglegging kunnen grondwaterstandsstijgingen per saldo zorgen voor opbrengstderving.
In landbouwgebieden die in de referentiesituatie (huidige situatie) al relatief diepe grondwaterstanden hebben zullen grondwaterstandsstijgingen per saldo zorgen voor opbrengsttoename omdat (grond)water langer beschikbaar blijft voor het landbouwgewas. Hiermee wordt ook de noodzaak tot beregening beperkt.
De seizoensdynamiek heeft hier ook invloed op waarbij in het voorjaar extra opbrengstderving kan ontstaan bij natte situaties en in de zomer juist een opbrengsttoename kan ontstaan in droge situaties.
Voor de landbouw leiden de geplande maatregelen tot het beter vasthouden van water in het gebied. Hierdoor daalt de potentiële opbrengstderving in de zomer gemiddeld met 1-5%, en lokaal met 5-10% (Figuur 5.5). Dit betekent minder droogteschade in de zomer. Verder geldt dat er in het voorjaar sprake is van lokaal nadelige effecten. De potentiële opbrengstderving in landbouwgebieden waar sprake is van extra vernatting stijgt in een aantal gebieden met 1-5%, lokaal kan ook hogere opbrengstderving ontstaan.
De volgende generieke maatregelen worden ingezet om de potentiële nadelige gevolgen in het gebied te minimaliseren:
•Extra bypass met onderbemaling (met een nieuw gemaal, stuw en duiker) in de Tochtsloot bij Meisevoort
•Nieuw gemaal bij stuw 108KGS bij monding Roode Beek in het Millsveld
•Opwaarderen van de bestaande sloot richting de Lage Raam bij de Rotscheweg
•Verbeteren afwatering bestaande sloten vanuit Campagnelaan-Zeisweg naar de Lage Raam
Op een aantal specifieke locatie waar nog negatieve effecten ontstaan wordt in overleg met de eigenaren lokale mitigerende maatregelen getroffen (zie par. 7.2).
Figuur 5.5: Verschilkaart in % opbrengstderving: afname droogteschade (boven) en toename natschade (onder) over periode 2010-2017
Effecten Natuur
In het projectgebied zijn de bestaande ambitietypen natuur samengevat in vier categorieën. Dit betreft kwelafhankelijke natuur, moeras, vochtige tot natte natuur en droge natuur. In Figuur 5.6 is de ruimtelijke ligging van deze natuurtypen weergegeven. Op basis van deze verdeling is getoetst in hoeverre sprake is van een verbetering van de grondwatersituatie voor de gewenste natuurtypen in dit gebied.
De omstandigheden voor de natuur verbeteren omdat het natter wordt. De hydrologische omstandigheden voor de natuur verbeteren omdat:
•Door het verhogen van de beekbodem de hydrologische basis omhoog komt, waardoor kwelomstandigheden in de aanliggende natuurgebieden verbeteren.
•Het waterpeil via bestaande en nieuwe stuwen omhoog wordt gebracht in het gebied.
•Het beekprofiel smaller wordt, in combinatie met de realisatie van een inundatiezone (overstromingszone) (winterbed), waardoor het water langer wordt vastgehouden en minder snel wordt afgevoerd.
•Diverse habitatverbeteringen in het gebied worden uitgevoerd. Deze hebben een positief effect op de te ontwikkelen (natte)natuurwaarden zoals het creëren van moeras- en inundatiezones (overstromingszones) en realiseren van bekkens, slenken, nevengeulen, poelen, ecologische verbindingszones en natuurvriendelijke oevers.
Op basis van Figuur 5.2 en Figuur 5.3 lijkt het afgraven van de grond voor de inundatiezone (overstromingszone), en de creatie van slenken/nevengeulen, lokaal tot verdroging te leiden doordat de grondwaterstanden iets lager komen te liggen ten opzichte van de huidige situatie. Echter wordt het hier in de praktijk wel degelijk natter doordat de grondwaterstanden dichter bij het maaiveld komen te liggen omdat bestaande grond wordt afgegraven. Er kan dus worden geconcludeerd dat in zijn algemeenheid sprake is van een netto vernatting in de natuurgebieden wat leidt tot betere omstandigheden voor natuur (Figuur 5.7).
Figuur 5.6: Ligging gewenste natuurtypen in projectgebied de Raam
In Figuur 5.7 wordt de verbetering van de aanwezige natuur gepresenteerd voor een zomer en voorjaarssituatie. In dit gebied geldt dat elke vorm van vernatting tot betere omstandigheden leidt voor de natuur. Als gevolg van de maatregelen is sprake van een gewenste vernatting in de natuurgebieden langs de Raam in de winter, voorjaar en zomersituatie. Ook is sprake van een toename van kwel in de zomersituatie waar de aanwezige natuur in drogere periodes in het bijzonder van profiteert.
Figuur 5.7: Mate van vernatting als gevolg van de geplande maatregelen bij een zomersituatie: GLG (links) en een voorjaarssituatie: GVG (rechts). De blauwe contouren tonen de vernatting die tot positieve effecten leidt voor de natuur in het gebied. Hoe donkerder de contouren, hoe groter het positieve effect voor natuur.
Figuur 5.8: Verschil in toename/afname van kwel/wegzijging als gevolg van de geplande maatregelen bij een zomersituatie (links) en een wintersituatie (rechts). De blauwe contouren tonen de toename kwel die tot positieve effecten leidt voor de natuur in het gebied. Voor natuur is de zomersituatie bijzonder relevant. Dan is het wat droger in het natuurgebied en profiteert de begroeiing van de extra kwel.
5.4.3 Waterberging
Om de kans op overstroming vanuit de beek de Graafsche Raam van de stad Grave te verminderen, wordt er bovenstrooms de nieuw te plaatsen stuw Egweg een waterbergingsgebied gerealiseerd.
De keuze en onderbouwing voor deze waterbergingslocatie en bijbehorende eisen zijn opgenomen in een milieueffectrapportage (MER) ten behoeve van het bestemmingsplan . Om wateroverlast te voorkomen wordt een waterberging voorzien die tijdelijk in staat moet zijn om 600.000 m3 aan water te bergen, hierbij zal circa 127 hectare inunderen binnen de contouren zoals opgenomen in het bestemmingsplan
23‘Buitengebied, herziening 2018’ (gemeente Grave), ‘Buitengebied Mill en Sint Hubert, herziening 2018’ (gemeente Mill en Sint Hubert) en ‘Buitengebied 2010, herziening 2016 (2019; gemeente Cuijk)
. Deze contouren zijn ook opgenomen in dit plan (zie Figuur 5.9). Bij inzet van de waterberging tot een overstromingsniveau van 8,9 m+NAP valt de overstroming binnen de waterbergingscontour. Bij de uitwerking van een inzetprotocol waterberging wordt nader gedetailleerd hoe de inzet van de waterberging zo gestuurd wordt dat in verschillende omstandigheden wordt voorkomen dat de inzet van de waterberging leidt tot nadelige gevolgen buiten de waterbergingscontour. De inzet van het waterbergingsgebied beperkt de kans dat in extreme situaties (bij een combinatie van hoogwater op de Maas en een grote afvoer op de Raam) de Graafsche Raam in de stad Grave het kritieke niveau van 8,10 m +NAP overschrijdt.
Een van de bijbehorende eisen uit de MER is het realiseren van kades haaks op de Lage Raam waarbij het water tot 8,9 m +NAP gekeerd kan worden. Deze kade krijgt de status overige kering en komt op de legger (zie paragraaf 8.1). Op grond van de Keur zijn ter plaatse van de overige keringen beperkingen van toepassing voor bouwwerken, beplanting, ontgravingen of ophogingen, boringen of sonderingen en kabels en leidingen
24Keur waterschap Aa en Maas 2015 Artikel 3.4
. Echter zijn er voor het gebruik van percelen als tuin of bouwland vrijstellingen van toepassing die zijn opgenomen in de Algemene regels van Waterschap Aa en Maas
25Algemene regels Keur 2015. Algemene regel 29. Gebruik van percelen als tuin en bouwland
. Algemene richtlijnen met betrekking tot beheer en onderhoud zijn opgenomen in het B&O plan (bijlage 3).
Het waterbergingsgebied komt ook op de legger. Daarmee dient de perceeleigenaar binnen de contour van het bergingsgebied te gedogen dat deze grond vanuit het oppervlaktewaterlichaam (de Lage Raam) tijdelijk inundeert en/of dat water tijdelijk op deze grond wordt vastgehouden
26Beleidsregels Keur 2015. Beleidsregel 4. Beleidsregel Werkzaamheden in bergingsgebieden.
. Daarnaast is het op grond van de Keur verboden zonder vergunning binnen de contouren van het bergingsgebied het maaiveld te verhogen, waterkerende constructies aan te brengen, wijzigen of verwijderen en bouwwerken aan te brengen of te wijzigen
27Keur waterschap Aa en Maas 2015 Artikel 3.2
. Dit heeft als doel om de bergingscapaciteit in stand te houden. De waterberging wordt onderhouden door onderhoudsplichtigen op basis van perceeleigendom binnen de contour van het bergingsgebied. Hiervoor zijn algemene richtlijnen met betrekking tot het onderhoud opgenomen in het B&O plan (bijlage 3).
Doordat de kades en het waterbergingsgebied worden opgenomen in de legger zijn bovengenoemde beperkingen van toepassing (conform de Keur21,24, vanaf 1 januari 2024 de Waterschapsverordening), zie ook paragraaf 8.1.
Als onderdeel van het calamiteitenbestrijdingsplan van waterschap Aa en Maas wordt een inzetprotocol voor de waterberging opgesteld. Hierin worden alle voorbereidende acties beschreven, de acties die nodig zijn met betrekking tot de inzet, sturing en leegloop van de waterberging en de benodigde acties na hoogwater.
Figuur 5.9: Toetsing overstroming bij een vast waterniveau van 8,9 m+NAP