Waterschapswetten

Nota peilbeheer in vrij afwaterend gebied, 2022

Waterschap Aa en Maas · geldt sinds 20 februari 2024

Aanhef

Het Algemeen Bestuur van waterschap Aa en Maas;

gelezen het voorstel van het Dagelijks Bestuur van 18 januari 2022;

gezien het advies van de Commissie Algemene Financiële Zaken van 3 februari 2022;

overwegende dat:

-Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet, verwijzingen naar regelgeving in beleidsnota’s hier op aangepast dienen te worden;

-de nota peilbeheer in vrij afwaterend gebied, vastgesteld door het algemeen bestuur in 2020, louter redactioneel aangepast moet worden ten behoeve van de Omgevingswet en de Waterschapsverordening en er geen inhoudelijke wijzigingen noodzakelijk zijn;

B E S L U I T :

1De nota peilbeheer in vrij afwaterend gebied in te trekken;

2De nota peilbeheer in vrij afwaterend gebied 2022 vast te stellen

3Dit besluit treedt in werking op 20 februari 2024

Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur d.d. 25 februari 2022,

Het algemeen bestuur,

de secretaris,

Pieter Sennema

de dijkgraaf,

Mario Jacobs

Nota peilbeheer in vrij afwaterende gebieden

Hoofdstuk 3 Doelen

3.2 Doelen waterbeheerplan en betekenis voor peilbeheer

3.2.1 Veilig & Bewoonbaar

WBP doel

Voldoende beschermd tegen wateroverlast.

Wensen ten aanzien van het peilbeheer

Zorgen dat er voldoende ruimte in het watersysteem is om een neerslag piek op te vangen. Dit vraagt eerder om lage dan om hoge stuwpeilen. In het geval van calamiteiten is het peilbeheer gericht op het principe vasthouden – bergen – afvoeren. Dit is geregeld in calamiteitenplannen. De (eventuele) inzet van waterbergingsgebieden is daar onderdeel van.

Om wateroverlast als gevolg van natte omstandigheden te verhelpen kan het waterschap lagere stuwpeilen instellen en/of maaien om extra berging en afvoer te creëren.

3.2.2 Voldoende water & Robuust watersysteem

WBP doel

Gewenste peil voor de functies landbouw, natuur en wonen;

Robuust en veerkrachtig watersysteem;

Transparantie en draagvlak over beheer en onderhoud.

Wensen ten aanzien van het peilbeheer – functies landbouw, natuur en wonen

•Functie accentgebied agrarische ontwikkeling (landbouw)

Peilbeheer is afgestemd op landbouwkundig gebruik in bepaalde momenten in het jaar (voorbewerking, zaaien, oogsten). Een toenemend aantal agrariërs heeft geen moeite met hogere peilen in de winter, als ze in het voorjaar het land maar op kunnen. Met peilverlaging in het voorjaar gaat echter een deel van het geconserveerde water verloren, wat voor de kieming van gewassen niet gunstig is. Agrariërs hebben onder voorwaarden ruimte om door middel van LOP stuwen en peilgestuurde drainage voor een optimaal peilbeheer op perceelsniveau te zorgen.

De gewenste drooglegging in agrarisch gebied is afhankelijk van de grondslag en de teelt. Voor de peilbesluitgebieden is in de beleidsnota peilbesluiten uitgegaan van de waarden uit het Cultuurtechnisch Vademecum: een drooglegging in de zomer van 40 cm voor gras op zand en 70 cm in de winter en 60 cm voor akkerbouw op zand in de zomer en 90 cm in de winter. Deze waarden zijn in de praktijk in vrij afwaterende (zand)gebieden vaak niet toereikend voor andere belangen. In de vrij afwaterende (zand)gebieden, waar de voorliggende nota peilbeheer over gaat, worden de waarden uit het Cultuurtechnisch Vademecum losgelaten en wordt er voor het jaarronde streefpeil uitgegaan van een drooglegging van 40 cm onder maaiveld ongeacht de grondslag en teelt

•Functie gemengd landelijk gebied

Gebied waarbinnen verschillende functies in evenwicht met elkaar worden ontwikkeld. Agrarische functies worden in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend.

Land- en tuinbouw zijn de grootste ruimtegebruikers. De wensen ten aanzien van het peilbeheer komen overeen met die van de functie ‘accentgebied agrarische ontwikkeling’. De positie van de sector varieert van sterke landbouwclusters voor glastuinbouw, boomteelt en intensieve veehouderij tot een gemengd gebied met landbouw, stedelijke functies, recreatie en toerisme, natuurfuncties en verbrede landbouw.

•Functie groenblauwe mantel

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. Het kerngebied groenblauw wordt ommanteld om kernen te versterken en te verbinden. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Binnen de groenblauwe mantel zijn ook de zogenaamde beheersgebieden van de ecologische hoofdstructuur opgenomen. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten de EHS. Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het wijstverschijnsel op de Peelrandbreuk in Oost Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de zogenaamde Naad van Brabant. De groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

Peilbeheer in deze gebieden is voor het watersysteem gericht op oeverontwikkeling, vismigratie tijdens het migratieseizoen (1 maart – 1 juli) en doorspoelen nutriëntenconcentraties (voorkomen interne eutrofiering). Daarnaast is peilbeheer gericht op het behoud of de ontwikkeling van bijzondere waarden (bijvoorbeeld kwel, hoge actuele of potentiele natuurwaarden). Peilbeheer is niet gericht op het bedienen van een verdere ontwikkeling van intensieve landbouwfuncties.

•Functie kerngebied groenblauw

Peilbeheer is gericht op het behoud of de ontwikkeling van bijzondere waarden (bijvoorbeeld kwel, hoge actuele of potentiele natuurwaarden). Afhankelijk van de locatie betekent dit het bevorderen van hoge grondwaterstanden, het terugbrengen van kwel of het bevorderen van een natuurlijke dynamiek.

•Functie kernen in landelijk gebied en stedelijk concentratiegebied

Het peilbeheer in bewoond gebied is gericht op de woonfunctie, de (oever)ecologie en eventuele recreatieve functies. Voor de verwerking van water dat bij hevige neerslag overstort uit de riolering, is de wens om daarop te anticiperen met wat lagere peilen. In de Omgevingsverordening is een lijst met vaarwegen opgenomen. Voor deze vaarwegen, die in ons beheergebied vooral in Den Bosch liggen, is een voldoende waterstand ten behoeve van bevaarbaarheid van belang.

•Wensen ten aanzien van het peilbeheer – robuust en veerkrachtig watersysteem

•Waterconservering

Waterconservering vraagt om jaarrond zo hoog mogelijke peilen waarbij het belang van maximaal conserveren op de hoge gronden van onder meer de Peelhorst het grootst is. Deze hoge gronden zijn infiltratiegebieden en gelden als buffer en bron voor kwelgebieden en de lager gelegen gronden in de beekdalen van beken zoals de Aa en de Raam, zie figuur 5 voor grafische en versimpelde weergave. Deze hogere gronden hebben over het algemeen een kleiner risico op wateroverlast en is conservering door hogere peilen makkelijker in te zetten.

Figuur 5: Maximaal conserveren op de hoge gronden van o.a. de peelhorst en optimaal conserveren op de lagere gronden in de beekdalen (uit Visie GGOR Leigraaf)

In de beekdalen en andere kwelgebieden wordt gestreefd naar een optimale waterconservering waarbij de natuurlijke dynamiek van hogere winterpeilen en wat lagere zomerpeilen een factor is voor het ecologisch laten functioneren van beken. Daarnaast zijn op deze gronden de risico’s op wateroverlast over het algemeen groter en zal de conservering optimaal ingezet worden. Voor zowel de hoge als de lage gronden wordt uitgegaan van een streefpeil waarbij er jaarrond een drooglegging is van 40 cm. Met een beheermarge kan er meer onderscheid gemaakt worden in de verschillende gronden waar er maximaal en optimaal geconserveerd wordt en kan er ingespeeld worden op de wisselende omstandigheden. Bij zeer droge omstandigheden wordt de conserveringsmarge ingezet. Onderstaande tabel geeft weer hoe waterconservering wordt ingezet in tijd en ruimte met bijbehorende streefpeilen uitgedrukt in droogleggingen. Dit zijn algemene uitgangspunten en maatwerk in het gebied is geboden. Hoe er wordt omgegaan met wisselende (weer)omstandigheden in de verschillende seizoenen staat in meer detail beschreven in paragraaf 5.4

Risico op wateroverlast

lager

hoger

Streefpeil jaarrond onder normale omstandigheden

40cm onder maaiveld

40cm onder maaiveld

Streefpeil bij droge omstandigheden

40-20 cm onder maaiveld

40cm onder maaiveld

Streefpeil bij zeer droge omstandigheden

20-0 cm onder maaiveld

40-20 cm onder maaiveld

Streefpeil bij natte omstandigheden

40-60 cm onder maaiveld

60cm onder maaiveld

Streefpeil zeer natte omstandigheden

Peilbeheer valt onder calamiteitenbeheer

Peilbeheer valt onder calamiteitenbeheer

Tabel 1: waterconservering in tijd en ruimte uitgedrukt in drooglegging.

•Wateraanvoer

Aanvoerwater volgt een lange route om vanuit de Maas of kanalen naar een bepaald aanvoergebied te komen. Om een zekere hoeveelheid door een aanvoerwatergang te krijgen, is een bepaald verhang, noodzakelijk. Hoe groter het verhang, hoe meer doorstroming er plaats kan vinden en hoe meer water er aangevoerd kan worden. Het gevolg hiervan kan zijn: hogere peilen boven in het stuwvak, of andersom: lagere peilen in het benedenstroomse deel van een stuwvak. Wateraanvoer heeft consequenties voor de chemische waterkwaliteit (zie Gezond en Natuurlijk Water).

3.2.3 Gezond & Natuurlijk Water

WBP doel

Ecologisch goed functionerend watersysteem.

Geen problemen met de (chemische) waterkwaliteit.

Wensen ten aanzien van het peilbeheer

Peilbeheer in waterlopen met de functie waternatuur (beekherstel) en ‘ruimte voor watersysteemherstel’ is gericht op herstel stromingsdynamiek en vismigratie tijdens het migratieseizoen (1 maart – 1 juli).

Bij de KRW- waterlichamen ‘sloten en kanalen’ (M-type) is met name de impact van het peilbeheer op de oeverzone van belang. Er geldt de volgende voorkeursvolgorde:

•Hoog winterpeil, lager zomerpeil (Winterpeil > Zomerpeil);

•Jaarrond één peil (winterpeil = zomerpeil).

Bij dit laatste type peilbeheer wordt jaarrond één peil gehanteerd. In het voorjaar moet plotselinge peilverlaging (bijvoorbeeld voor landbewerking) of plotselinge peilverhoging (bijvoorbeeld voor waterconservering) zoveel mogelijk worden voorkomen.

Bij ‘beken’ (R-type, stromende wateren) is, naast een goede ontwikkeling van de oeverzone, een goede ontwikkeling van morfologische- en stromingsprocessen van belang. Herstel van een natuurlijke afvoerdynamiek (geen peilbeheer) van een beeksysteem is hierin een sleutelfactor. Peilbeheer heeft hier invloed op, maar meestal alleen in samenhang met inrichting. Het waterschap geeft hier in beekherstel- en GGOR-projecten integraal invulling aan.

Voor de chemische samenstelling van het water is het beperken van de afspoeling van stoffen in het voor- en najaar van belang. Dit kan door een geschikt samenspel tussen agrariër (waar en wanneer bemesten) en peilbeheerder (wanneer hoge peilen instellen). Als het grond- en oppervlaktewaterpeil hoog is, komt opgebrachte mest sneller tot afstroming bij een bui. Daarnaast heeft de inlaat van water vanwege peilhandhaving, doorspoeling en doorvoer invloed op de chemische samenstelling van het water. Het waterschap houdt daarmee rekening bij de gebiedsgerichte uitwerking van het peilbeheer.

Hoofdstuk 4 Afweging

4.1 Hoe wegen we af?

4.1.1 Voldoende & Robuust – Gezond & Natuurlijk – Veilig & Bewoonbaar (1)

Voorbeeldgebieden waar alle WBP doelen in samenhang bediend kunnen worden, zijn heringerichte beekdalen, met een beekdalbrede benadering. Hier is het peilbeheer het meest integraal. We hanteren een vast peil waarbij de risico’s voor veiligheid aanvaardbaar zijn, we grote peilschommelingen in het voorjaar voorkomen om een goede ecologische ontwikkeling te bewerkstelligen, we water conserveren daar waar nuttig en effectief en vullen we de grondwatervoorraad aan indien noodzakelijk. Om hier te komen is een synergetische aanpak van inrichting, onderhoud en beheer nodig. Onder de paraplu van het Deltaplan Hoge Zandgronden werkt het waterschap de komende decennia samen met partners aan dit ‘robuuste watersysteem’.

4.1.2 Voldoende & Robuust – Gezond & Natuurlijk (2)

Gebieden waar voldoende water en gezond & natuurlijk water de boventoon voeren, zijn bijvoorbeeld EHS gebieden en delen van de groenblauwe mantel om natuurgebieden heen. Hierbij wordt zo lang mogelijk een hoog vast peil aangehouden, om water te conserveren ten behoeve van de grondwatervoorraad en om peilschommelingen in het voorjaar te voorkomen. Er wordt terughoudend omgegaan met peilverlagingen in het voorjaar. Wanneer de peilen richting de zomer gaan uitzakken wordt de aanvoer zo opgebouwd dat het waterpeil gelijkmatig toe- of afneemt. In de oogstperiode, in de late zomer en het najaar, zijn wel tijdelijke peilverlagingen mogelijk.

Hoge peilen voorjaar en hoge peilen zomer (aanvoer) vinden plaats in de gebieden waar waterconservering gewenst en effectief is. Dit zijn de hogere delen van het gebied (infiltratiegebieden en intermediaire gebieden). Water conserveren in beekdalen en kwelgebieden is vaak minder gewenst (zie paragraaf 4.1.4). Dit betekent dat voorkeursgebieden voor waterconservering voornamelijk gelegen zijn binnen de districten Raam, Boven Aa en delen van Beneden Aa.

In deze gebieden wordt begonnen met water conserveren in de haarvaten (niet- KRW waterlopen) en vervolgens in de benedenstroomse waterlopen daarvan.

Niet in alle gevallen is wateraanvoer mogelijk. Voorbeelden hiervan zijn het stroomgebied Hooge Raam, Kleine Aa, de Maashorst en de bovenloop van de Goorloop

→ Consequentie: Dit type peilbeheer richt zich vooral op hooggelegen en tussenliggende infiltratiegebieden. Met waterconservering wordt droogteschade beperkt en wordt via infiltratie ook een bijdrage geleverd aan de watervoorziening in de omgeving.

→ Hogere winterpeilen – iets lagere zomerpeilen vinden plaatsen in de robuuste beken: provinciale functie waternatuur en deels verweven. Dit zijn tevens KRW- waterlichamen die aangemerkt zijn als stromend watertype. Daar waar deze beken niet samenvallen met wateraanvoer is dit type peilbeheer kansrijk.

→ Restrictie: minimale peilschommelingen in het voorjaar (tot 1 juni);

→ Risico: toenemende kans op wateroverlast in de winter.

In alle andere KRW waterlichamen is sprake van de combinatie met wateraanvoer, waardoor ten behoeve van de ecologische ontwikkeling geen optimaal peilbeheer mogelijk is. In de zomer worden hogere peilen gehanteerd en de stromingsdynamiek is gereguleerd. Indien mogelijk wordt de wateraanvoer pas opgestart na 1 juli in verband met de ecologische ontwikkeling van de oeverzone.

Daar waar voldoende water en gezond & natuurlijk water samenvallen met de provinciale functie ‘groenblauwe mantel’ ontstaat op het eerste oog geen knelpunt. In deze situatie is het agrarisch belang ondergeschikt. In de praktijk blijkt dit echter niet altijd zo eenvoudig en ligt de groenblauwe mantel ook in intensief agrarisch gebied. Generiek beleid is daarom niet goed mogelijk. Het waterschap brengt de belangen in beeld, weegt het peilbeheer gebiedsgericht af in het GGOR.

In gebieden waar het agrarisch landgebruik valt binnen de categorie ‘accent agrarisch gebied’ is het peilbeheer afgestemd op deze functie. Binnen deze gebieden is voor de daarin gelegen waterlichamen een minder hoge ecologische toestand haalbaar.

4.1.3 Gezond & Natuurlijk – Veilig & Bewoonbaar (3)

Zomerpeilen worden lager ingesteld ten behoeve van een meer natuurlijke afvoerdynamiek. Hierdoor ontstaat het type peilbeheer ‘vast peil’ op een relatief laag streefpeilniveau. Het waterschap past dit peilbeheer toe in herstelde beken, die niet beekdalbreed zijn hersteld.

Hoge winterpeilen – iets lagere zomerpeilen komen voor in de robuuste beken: provinciale functie waternatuur en deels verweven. Dit zijn tevens KRW- waterlichamen die aangemerkt zijn als stromend watertype. Daar waar deze beken niet samenvallen met wateraanvoer is dit type peilbeheer kansrijk.

→ Restrictie: minimale peilschommelingen in het voorjaar (tot 1 juni);

→ Risico: toenemende kans op wateroverlast in de winter en uitzakkende grondwaterstanden in de zomer.

4.1.4 Veilig & Bewoonbaar – Voldoende & Robuust (4)

Het waterschap hanteert wat hogere winterpeilen om het grondwater aan te vullen. Dit betekent: meer risico op wateroverlast op lage percelen, in overleg met de grondeigenaren. Het waterschap beheerst het risico door op basis van neerslagvoorspellingen en grondwaterstanden het peil aan te passen. We spreken dan van debietgestuurd of grondwatergestuurd peilbeheer. Dit is een actieve vorm van peilbeheer, waar de groeiende beschikbaarheid en nauwkeurigheid van informatie en tools (zie paragraaf 5.3) een belangrijke randvoorwaarde voor is. Het stroomgebied van de Leigraaf is een voorbeeld waar dit peilbeheer wordt toegepast.

BIJLAGE 1 Peilbeheer: van voorkomen wateroverlast naar integrale kijk

De afgelopen decennia heeft het watersysteem én de door mensen toegekende functie van het watersysteem vele veranderingen ondergaan (zie Figuur 14). Vanaf de jaren ’50 was het waterbeheer erop gericht om Oost-Brabant droge voeten te geven. Beken werden genormaliseerd en het land werd ingericht ten behoeve van bewoning en het verbouwen van voedsel. Na een aantal droge jaren in de jaren zeventig schaften veel agrariërs beregeningssinstallaties aan. De meeste beregeningsinstallaties onttrekken uit het grondwater; een klein deel doet dat vanuit het oppervlaktewater.

Figuur 14: Ontwikkelingen in het watersysteem in Noord-Brabant vanaf de jaren ‘60

Deze ontwikkelingen, samen met toenemende onttrekkingen in de drinkwater- en (voedingsmiddelen)industriesector, leidden tot een daling van grondwaterstanden. Het besef nam toe dat natuurgebieden verdroogden, dat landbouwgewassen in de zomer onvoldoende aan water konden komen en dat de strategische grondwatervoorraad onder druk kwam te staan. Eind jaren ’80 groeide de aandacht voor het tegengaan van verdroging in natuurgebieden. Na een aantal relatief droge jaren begin jaren ’90 kwam ook de waterconservering in de landbouw op gang, met name door het plaatsen van honderden LOP-stuwen vanaf de eeuwwisseling en meer recent de peilgestuurde drainage. Ook zijn sinds die tijd de aanvoermogelijkhedenuit de Maas toegenomen.

Naast aandacht voor verdroging, kwam er ook steeds meer aandacht voor de kwaliteit van het water. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft hieraan een grote impuls gegeven. Aan de hand van stroomgebiedbeheerplannen in 2009, 2015, 2021 en 2027 is de KRW stevig verankerd in het waterbeheer. Op nationale schaal maakten rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afspraken in het Nationaal Bestuursakkoord Water. Met name de normen voor wateroverlast zoals opgenomen in artikel 2.2 en 2.3 van de Omgevingsverordening Noord Brabant zijn bepalend voor het peilbeheer.

Klimaatverandering en veranderende eisen vanuit verschillende gebruiksfuncties leidden in 2009 tot een brede gezamenlijke coalitie van overheden en maatschappelijke partners: het Deltaplan Hoge Zandgronden (DHZ). In DHZ streeft een toenemend aantal partijen naar “Een maatschappelijk gewenst voorzieningenniveau voor voldoende schoon water voor een […] klimaatbestendig, economisch vitaal en ecologisch leefbaar gebied”. De inzet van moderne datatechnieken zoals neerslagradar, remote sensing en automatische stuwen bieden extra mogelijkheden om het peilbeheer nog adequater uit te kunnen voeren.

Hoe heeft het peilbeheer zich ontwikkeld onder invloed van deze ontwikkelingen?

Het peilbeheer bij Aa en Maas heeft zich aan de hand van de hierboven genoemde ontwikkelingen steeds opnieuw aangepast:

•In de jaren ’60 – ’80 gericht op afvoer van overtollig water.

•Sinds eind jaren ’90 langzaam bredere belangenafweging, onder andere waterconservering, verdroging en ecologische waterkwaliteit. De complexiteit neemt hierdoor toe, zeker waar functies elkaar geografisch raken en strijdige wensen hebben ten aanzien van het peilbeheer. In Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime projecten worden deze belangen tegen elkaar afgewogen.

•Meer sturingsmogelijkheden door toenemende wateraanvoer uit de Maas (o.a. via de Noordervaart) vanaf de jaren ’90.

•Beide voorgaande punten hebben geleid tot hogere oppervlaktewaterpeilen dan pakweg 20 jaar geleden.

•Meer sturingsmogelijkheden door het op orde brengen van de legger en het beheerregister, en het toenemend gebruik van nieuwe data en software.

•Het zorgen voor droge voeten blijft ook anno 2014 een belangrijke taak voor het peilbeheer, maar sinds 2001 wel volgens het concept vasthouden – bergen – afvoeren. De normen voor wateroverlast zijn een belangrijk uitgangspunt voor het te voeren peilbeheer.

BIJLAGE 2 Overzicht wet- en regelgeving

In deze bijlage geeft het waterschap aan met welke wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening, waterbeheer en overig relevant beleid rekening wordt gehouden bij afwegingen in het peilbeheer. Naast een korte beschrijving is aangegeven hoe dat beleid doorwerkt op streefpeilbesluiten en het peilbeheer. Ten behoeve van de uniformiteit van het beleid is dit overzicht zoveel mogelijk gelijk gehouden aan het overzicht dat als bijlage is opgenomen bij de Beleidsnota peilbesluiten, zoals vastgesteld in 2011.

Ruimtelijke wet- en regelgeving

Omgevingswet

Bescherming natuurgebieden

De Omgevingswet richt zich ook op gebiedsbescherming van natuurgebieden. De Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn) vormen de kern van de gebiedsbescherming. Daarnaast zijn er Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Landschappen, Nationale Parken, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en wetlands die beschermd moeten worden. De hoogte van de peilen, het type peilbeheer en de inrichting van de peilvakken kunnen effecten hebben voor deze gebieden.

Voor de Natura 2000gebieden moet conform de Omgevingswet een habitattoets uitgevoerd worden. Met de habitattoets wordt vastgesteld of de toekomstige peilen in en rondom een Natura 2000gebied kunnen worden toegelaten, en zo ja onder welke voorwaarden. Peilwijzigingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, mogen niet plaatsvinden zonder vergunning. Dit betreft bijvoorbeeld peilverlagingen in of nabij Natte natuurparels. Voorafgaand aan het instellen van de peilen of het uitvoeren van de inrichtingsmaatregelen moet dan een ontheffing van de Natuurbeschermingswet aangevraagd worden.

Bij het opstellen van de streefpeilbesluiten moet nadrukkelijk rekening gehouden worden met de effecten voor de beschermde natuurgebieden. Zo nodig moeten compenserende of mitigerende maatregelen opgenomen worden in het streefpeilbesluit.

Bescherming flora en fauna

De Omgevingswet richt zich ook op de soortenbescherming van beschermde en bedreigde planten en diersoorten. De hoogte van de peilen, het type peilbeheer en de planning van de eventuele inrichtingsmaatregelen kunnen effecten hebben voor deze soorten. Wanneer door het streefpeilbesluit het leefgebied van een beschermde of bedreigde soort wordt aangetast, valt het streefpeilbesluit onder de Omgevingswet. Voorafgaand aan het instellen van de peilen of het uitvoeren van de inrichtingsmaatregelen moet dan een ontheffing aangevraagd worden. Afhankelijk van de categorie van de beschermde soort (tabel 1, 2 of 3) en het type werkzaamheden kan de Gedragscode Flora en Fauna voor waterschappen gehanteerd worden. In dat geval is geen ontheffing nodig.

Bij het opstellen van de streefpeilbesluiten moet rekening gehouden worden met de effecten voor de beschermde en bedreigde soorten. Zo nodig moeten compenserende of mitigerende maatregelen opgenomen worden in het streefpeilbesluit.

Omgevingsvisie Noord-Brabant

In de Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant heeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid vastgelegd. Hierbij worden vier ruimtelijke structuren onderscheiden: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur heeft de provincie ambities en beleid geformuleerd.

De groenblauwe structuur omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waaronder de ecologische hoofdstructuur, waar natuur en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. De structuur bestaat voornamelijk uit beken en andere waterlopen en uit bos en natuurgebieden. Daarnaast liggen ook gebieden met een andere functie (zoals agrarisch of recreatie) binnen de groenblauwe structuur die van belang zijn voor de natuur en waterfuncties. Naast behoud en ontwikkeling van natuurwaarden biedt de groenblauwe structuur ruimte aan een natuurlijk en robuust watersysteem. Niet alleen voor een goed waterbeheer (waaronder hoogwaterbescherming en waterberging) maar ook voor de ontwikkeling van de natuur.

Het landelijk gebied ligt buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur. Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Land- en tuinbouw zijn de grootste ruimtegebruikers. De positie van de sector varieert daarbij van sterke landbouwclusters voor glastuinbouw, boomteelt en intensieve veehouderij tot een gemengd gebied met landbouw, stedelijke functies, recreatie en toerisme, natuurfuncties en verbrede landbouw.

De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De infrastructuur bestaat uit een fijnmazig en samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, vaarwegen, luchthavens en buisleidingen.

De ruimtelijke gevolgen van het provinciale beleid zijn in de structuurvisie vastgelegd. De bijbehorende gevolgen voor het waterbeheer zijn vastgelegd in het provinciaal waterplan, zoals ruimte voor water, het verdrogingsbeleid en duurzame ontwikkeling van de landbouw. Dit is relevant voor de streefpeilbesluiten.

Omgevingsplannen gemeenten

Gemeenten zijn volgens de Omgevingswet verplicht om voor hun hele grondgebied één of meerdere omgevingsplannen vast te stellen. De onder de wet Ruimtelijke ordening opgestelde bestemmingsplannen dienen voor eind 2029 omgebouwd te worden tot een omgevingsplan. Gemeenten hebben de ruimte om hun omgevingsplannen globaler en flexibeler te maken dan de oorspronkelijke bestemmingsplannen. Bovendien beperkt een omgevingsplan zich niet uitsluitend tot de ruimtelijke ordening omdat ook andere regels ter bescherming van de fysieke leefomgeving in het plan kunnen worden opgenomen.

Water wet- en regelgeving

Kaderrichtlijn Water (KRW)

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is erop gericht om in 2027 een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken. In het grondwater moet in 2015 sprake zijn van een goede chemische en kwantitatieve toestand. Voor de uitwerking hiervan moeten maatregelen vastgesteld worden waarmee de kwaliteitsdoelen van de KRW bereikt kunnen worden. Deze maatregelen zijn opgenomen in het Stroomgebiedbeheerplan van de Maas (SGBP).

Een deel van de te nemen maatregelen voor het halen van de KRW doelen heeft een directe of indirecte relatie met het peilbeheer, zoals in §3.2.3 beschreven.

Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (2003) hebben de betrokken overheden (Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen) besloten om in de periode tot 2015 het watersysteem in Nederland te verbeteren en op orde te houden. Het NBW bevat taakstellende afspraken ten aanzien van veiligheid en wateroverlast en procesafspraken ten aanzien van watertekorten, verdroging, verzilting, water(bodem)kwaliteit, sanering waterbodems en ecologie. Deze zijn uitgemond in plannen en afspraken op regionaal, gemeentelijk en waterschapsniveau. In het NBWactueel (2008) zijn deze intenties bevestigd en waar nodig zijn de afspraken geactualiseerd en aangevuld. In 2011 is een nieuw Nationaal Bestuursakkoord Water afgesloten, met daarin een nadruk op structurele kostenbesparing door betere samenwerking.

Een deel van de te nemen maatregelen in het kader van de NBW heeft een directe relatie met het peilbeheer. Deze maatregelen zijn opgenomen in de provinciale waterplannen en waterbeheerplannen van de waterschappen. Via deze plannen werkt het NBW door in de streefpeilbesluiten.

Nationaal Waterprogramma

Een belangrijk thema in het Nationaal Waterprogramma is de versterking tussen water en ruimte. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Verder moet het water schoner worden met een natuurlijke inrichting. Hiervoor wordt voor de toekomst vastgehouden aan een combinatie van aanpakken van stoffen bij de bron en verbeteren van de inrichting van het watersysteem. Dit gebeurt met de uitvoering van de stroomgebiedbeheerplannen op grond van de Kaderrichtlijn Water.

Via de provinciale plannen op het gebied van water en ruimte en het Stroomgebiedbeheerplan van de Maas (SGBP) werkt het Nationaal Waterprogramma door in de streefpeilbesluiten.

Provinciaal Waterplan

Op het moment van schrijven van de nota peilbeheer, is een nieuw Provinciaal Milieu- en Waterplan in de maak. Het vigerende Provinciaal Waterplan (PWP) 2010 – 2015 bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant (deel A) en het is ook het beheerplan voor grondwateronttrekkingen (deel B). Op de bijbehorende plankaart zijn de waterhuishoudkundige functies weergegeven. Deze sluiten op hoofdlijnen aan bij de ruimtelijke functies, namelijk water voor natuur, water voor de groenblauwe mantel, water voor het landelijk gebied en water in bebouwd gebied. Vanwege de relevantie is een aangepaste kaart opgenomen als figuur 4 van deze nota.

Het plan geeft uitgangspunten, strategieën en voorkeursvolgorden voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten. Daarnaast toetst de provincie aan de hand van het PWP ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid.

Voor het peilbeheer is vooral het hoofdstuk “Omgaan met waterkwantiteit” van belang. Hierin geeft de provincie aan hoe om te gaan met te weinig of te veel water in landbouwgebied, natuurgebieden en bebouwd gebied.

De landbouwwatervoorziening is primair een taak van de waterschappen. Om te komen tot een grotere mate van regionale zelfvoorzienendheid, in combinatie met meer bedrijfszekerheid voor de landbouw, gaat de provincie uit van de volgende voorkeursvolgorde bij de watervoorziening, geldend onder normale omstandigheden.

-Voorkeur 1. Verkleinen van de watervraag. Op gebiedsniveau kunnen waterschappen de watervraag verkleinen door de ontwatering niet te richten op de meest laaggelegen percelen maar op de meer gemiddelde situatie.

-Voorkeur 2. Betere benutting van gebiedseigen water. Conservering van gebiedseigen water op momenten dat het water ruim voorhanden is, kan voorzien in de waterbehoefte in perioden met een neerslagtekort. De provincie gaat na of deze aanpak is te combineren met de toepassing van peilgestuurde drainagesystemen.

-Voorkeur 3. Aanvoeren van gebiedsvreemd water. De provincie hanteert als uitgangspunt bestaande afspraken over nieuwe of vervangende wateraanvoer na te komen, mits daarbij geen maatschappelijke belangen significante schade oplopen en de baten in redelijke mate opwegen tegen de kosten.

-Voorkeur 4. Onttrekken van grondwater. Het uitgangspunt van de provincie is het binnen de randvoorwaarden optimaal maken van het onttrekken van grondwater voor landbouwberegening. Bijvoorbeeld door de participatie in een door de landbouworganisaties te ontwikkelen systeem, dat het toedienen van vocht aan gewassen optimaliseert door middel van geavanceerde technieken om vochttekorten te voorspellen.

Voor de natuurgebieden in Noord-Brabant is verdroging een van de belangrijke knelpunten. Er lopen verschillende sporen voor de aanpak hiervan. De provincie heeft de Natte natuurparels aangewezen als TOPgebied, waar de verdrogingsaanpak met voorrang moet plaatsvinden. Hiervoor zijn afspraken gemaakt in de reconstructie en gebiedsplannen. Daarnaast loopt het traject van het opstellen van de beheerplannen voor de Natura 2000gebieden. Deze processen zijn op elkaar afgestemd door de waterafhankelijke delen van de Natura 2000gebieden samen te laten vallen met een aantal Natte natuurparels.

De kwantitatieve stedelijke wateropgave heeft betrekking op overlast uit hemelwater, oppervlaktewater en grondwater. Het waterschap en de gemeenten zijn samen de meest aangewezen instanties om de regie te nemen bij de bestrijding van wateroverlast in bebouwd gebied. De provincie heeft vanuit de regierol voor het Gewenst Grond en Oppervlaktewater Regime (GGOR) de potentiële grootschalige grondwaterproblemen in bebouwd gebied geïnventariseerd en de resultaten ter beschikking van de gemeenten gesteld. Gemeenten kunnen hiermee in ruimtelijke plannen rekening houden via de watertoets of waterplannen. Het waterschap werkt het GGOR uit op peilvakniveau via het streefpeilbesluit.

Stroomgebiedbeheerplan van de Maas (SGBP)

De maatregelen waarmee de kwaliteitsdoelen van de KRW bereikt kunnen worden, zijn vastgelegd in stroomgebiedbeheerplannen. Het beheergebied van Waterschap Aa en Maas valt onder het Stroomgebiedbeheerplan van de Maas.

Een deel van de te nemen maatregelen voor het halen van de KRWdoelen heeft een directe relatie met het peilbeheer. Deze maatregelen zijn opgenomen in het Waterbeheerplan Aa en Maas.

Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas

Het Waterbeheerplan Aa en Maas geeft inzicht in de keuzen die het waterschap heeft gemaakt ten aanzien van het ontwikkelen, beheren en in stand houden van een gezond en veerkrachtig watersysteem binnen zijn beheergebied. Hierin zijn het nationaal en provinciaal waterplan doorvertaald naar het beheergebied van Aa en Maas. Tevens is rekening gehouden met de concrete maatregelen uit het Stroomgebiedbeheerplan van de Maas (SGBP) en het NBW. Voor deze nota peilbeheer is gebruik gemaakt van het Ontwerp Waterbeheerplan Aa en Maas 2016 – 2021.

In het waterbeheerplan is onder andere de ambitie opgenomen om uiterlijk in 2021 in alle zandgebieden een GGOR proces gestart te zijn, met een streefpeilbesluit als slotstuk. In hoofdstuk 3 is gebruik gemaakt van de doelbeschrijvingen uit het waterbeheerplan.

Stedelijk Waterplan

Conform het NBWactueel hebben gemeenten en waterschappen voor 2009 gezamenlijk de stedelijke wateropgave in kaart gebracht. Tevens moeten afspraken gemaakt zijn over een maatregelenprogramma en bijbehorende financiering. Hiervoor is per gemeente in samenwerking met het waterschap een waterplan opgesteld of in voorbereiding.

In het stedelijk waterplan kunnen nieuwe wensen opgenomen zijn ten aanzien van het peil, peilvakken en peilbeheer. Deze wensen komen tot uiting in het GGOR proces.

Overig relevante wet en regelgeving

Verdrag van Malta

In het Verdrag van Malta is de bescherming van archeologische vindplaatsen beschreven. De ligging van de archeologische monumenten, waarden en trefkansen is weergegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant. Daarnaast kan de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden ook opgenomen zijn in de structuurvisie of bestemmingsplannen. In de regels bij een bestemmingsplan kan opgenomen zijn dat een omgevingsvergunning aangevraagd moet worden voor werkzaamheden in een archeologisch waardevol gebied, bijvoorbeeld bij een peilverlaging of voor de inrichtingsmaatregelen. Deze vergunning moet voorafgaand aan het instellen van de peilen of het uitvoeren van de inrichtingsmaatregelen aangevraagd worden.

Bij het opstellen van de streefpeilbesluiten moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden. Zo nodig moeten compenserende of mitigerende maatregelen opgenomen worden in het peilbesluit.

Natuurbeheerplan (SNL) en Natura 2000 beheerplannen Provincie Noord-Brabant

Ten behoeve van de uitvoering van het nieuwe Stelsel voor Natuur en Landschapsbeheer (SNL) heeft de provincie een natuurbeheerplan opgesteld. In dit beheerplan begrenzen de Gedeputeerde Staten de gebieden waar subsidiëring van beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen kan plaatsvinden. Het natuurbeheerplan geeft per (deel)gebied aan welke natuur en landschapsdoelen van toepassing zijn. In Natura 2000 beheerplannen wordt vastgelegd hoe en wanneer de natuurdoelen voor een Natura 2000 gebied gehaald worden. Het Natuurbeheerplan en Natura 2000 beheerplan stellen zo nodig aanvullende eisen ten aanzien van het uitvoeren van bepaalde (peil)beheermaatregelen.

Waterschapsverordening van Waterschap Aa en Maas

In de waterschapsverordening staan de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Als er (bouw)werkzaamheden uitgevoerd worden heeft degene die dat wil doen een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten van het waterschap nodig. Zijn de gevolgen acceptabel voor het watersysteem, dan wordt onder voorwaarden een omgevingsvergunning afgegeven. Zo is bij een in de waterschapsverordening bepaalde omvang een omgevingsvergunning nodig voor het aanbrengen van dammen en duikers, het dempen of wijzigen van een watergang of het onttrekken van water voor bijvoorbeeld beregening.

BIJLAGE 3 Invloed peilbeheer op doelen WBP

Deze bijlage beschrijft de invloed van peilbeheer op de doelen van het WBP. Deze samengevatte kennis is de onderbouwing van de geuite wensen ten aanzien van het peilbeheer. Deze kennis komt voort uit een aantal in opdracht van waterschap Aa en Maas opgestelde kennisdocumenten (RoyalHaskoningDHV, 2013).

Veilig en bewoonbaar

Het waterschap maakt onderscheid in

1) wateroverlast door overstroming vanuit de watergang en;

2) wateroverlast als gevolg van natte omstandigheden.

Voor wateroverlastdoor overstroming gelden werknormen die zijn vastgelegd in de Verordening Water van de provincie Noord-Brabant. Met ´voldoende beschermd tegen wateroverlast´ wordt bedoeld dat overstroming vanuit de watergang niet vaker gebeurt dan vanuit de Verordening Water is opgelegd. Bij de toetsing wordt ervan uitgegaan dat er sprake is van een calamiteit en alle stuwen op de laagste stand zijn gezet om zo de maximale afvoercapaciteit te benutten. Het Dagelijks Bestuur heeft besloten dat in gebieden die onder de norm voor wateroverlast zitten, geen opvulling van de norm voor wateroverlast mag plaatsvinden zonder dat dit met het gebied is afgestemd. Dit betekent dat peilverhogingen altijd afgestemd moeten worden met de betrokkenen.

Wateroverlast als gevolg van natte omstandigheden komt veel vaker voor dan wateroverlast door overstroming. Het gaat hier om overvloedige neerslag die niet snel genoeg afgevoerd kan worden. Ongewenste effecten hiervan zijn bijvoorbeeld natte kelders (stedelijk gebied), zompige grond met onvoldoende draagkracht voor machines (landbouw) en regenwaterlenzen in kwelgebieden (natuur, o.a. wijst).

Voldoende water en robuust watersysteem

Het waterschap streeft naar het optimale peil en debiet in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Door hogere peilen te hanteren en water aan te voeren streeft het waterschap naar een adequate en duurzame watervoorziening voor de diverse gebruiksfuncties. Het doel van een goed gevulde grondwatervoorraad is van belang voor vele gebruiksfuncties, maar het middel (waterconservering door peilopzet) kan leiden tot geringe droogleggingen op lage percelen.

De waterhuishoudkundige functie is de basis voor de afweging van het gewenste peil, omdat die aansluit bij de ruimtelijke structuur van een bepaald gebied. Deze ruimtelijke structuur is vastgelegd in de Omgevingsverordening. Daarnaast is het niet altijd gewenst of mogelijk om binnen een peilvak voor elk type grondgebruik een apart optimaal waterpeil in te stellen, dan is de waterhuishoudkundige functie leidend.

Binnen een beschermingsgebied (o.a. EHS) geldt een standstill principe voor verdroging. Buiten de beperkingengebieden wordt het peilbeheer zoveel mogelijk afgestemd op landbouwkundig gebruik en stedelijk gebied. Hier gelden geen kwantitatieve ontwateringsnormen c.q. droogleggingsnormen vanuit de Keur. In Nederland wordt doorgaans gewerkt met de drooglegginsnormen uit het Cultuurtechnisch Vademecum (1988), onder andere in de beleidsnota peilbesluiten. De ervaring leert dat deze droogleggingsnormen aan de droge kant zijn voor vrij afwaterend (zand)gebied. In de praktijk (bijvoorbeeld in de GGOR Landhorst) worden deze droogleggingsnormen toegepast als maximale drooglegging.

Gezond en natuurlijk water

De provincie heeft in het Provinciaal Waterplan de doelen voor een ecologisch goed functionerend watersysteem vastgesteld. In het WBP is aangegeven dat, ondanks het nemen van diverse maatregelen, de doelen voor de KRW nog niet in zicht zijn. Eén van de oorzaken in het niet bereiken van KRW-doelen is het huidige (traditionele) peilbeheer, met lage peilen in de winter en hoge peilen in de zomer. Dit peilbeheer is ongunstig voor de kieming van planten en opgroeiomstandigheden voor visbroed en jonge vissen (zie Figuur).

Figuur 15: Invloed 'traditioneel' peilbeheer op ecologie.

Figuur 16: Gewenst peilbeheer voor een ecologisch goed functionerend systeem

De chemische samenstelling van het water is een doel op zich en een belangrijke pijler voor een goed ecologisch functionerend watersysteem. De concentraties in het oppervlaktewater worden met name beïnvloed door:

1) het effluent uit RWZI’s,

2) de aanvoer van gebiedsvreemd water en

3) de (oppervlakkige) afvoer van grondwater uit/vanaf landbouwpercelen.

Daarnaast spelen chemische processen in het water en de oeverzone een rol, zoals bijvoorbeeld vastlegging en denitrificatie, met name als functie van waterdiepte en watertemperatuur. Doorspoeling van stilstaand water door het creëren van hydraulisch verhang heeft veelal een positief effect op de ecologische en chemische waterkwaliteit.

Omdat natschade gevoelige gronden, zeker bij gebruik als akker, de meeste uit- en afspoeling van toegediende meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen kennen, verdient gebruik als grasland de voorkeur. Van landbouwpercelen afstromend water bevat doorgaans hogere concentraties meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. Wanneer in greppels en C-watergangen dit water al zoveel mogelijk wordt geconserveerd, bereikt een lagere vracht de hoofdwaterlopen.

BIJLAGE 4 Verklarende woordenlijst

AB

Algemeen Bestuur

A-watergangen

Waterlopen met een maatgevende aan- en/of afvoer van meer dan 30 liter per seconde. Van A-watergangen zijn ligging, vorm en afmeting (incl. dwarsprofiel) vastgelegd in de legger

afvoeren

zie: ‘water afvoeren’

B-watergangen

Waterlopen met een maatgevende afvoer van minder dan 30 liter per seconde. Uitgezonderd de Categorie C waterlopen. Van B-watergangen is minimaal de ligging vastgelegd in de legger

beheer

overheidszorg met betrekking tot een of meer afzonderlijke watersystemen of onderdelen daarvan, gericht op de in Omgevingswet artikel 1.3 en 4.23 genoemde doelstellingen (uit:Omgevingswet, Bijlage bij artikel 1.1., onderdeel A. Begrippen)

bergen

zie: ‘water bergen’

C-watergangen

Waterlopen met een maatgevende afvoer van minder dan 10 liter per seconde, die slechts dienstig zijn aan één belanghebbende.

C-watergangen zijn vrijgesteld van opname in de legger.

compensatie

compenserende maatregelen zijn maatregelen die in laatste instantie worden toegepast om eventuele schade die werkzaamheden veroorzaken zoveel mogelijk teniet doen. In eerste instantie worden mitigerende maatregelen toegepast en pas daarna compenserende maatregelen (uit: WBP 2016-2021)

conserveren

zie: ‘water conserveren’

Cork (verdrag van Cork)

in 2003 is door de Brabantse waterschappen het verdrag van Cork ondertekend, waarin aandacht gegeven wordt aan de aanpak van verdroging. Het verdrag bestaat uit een lijst van prioritaire verdroogde (waterafhankelijke) gebieden (Natte natuurparels / Corkgebieden) welke hersteld moeten worden (uit: WBP 2016-2021)

DAW

Deltaplan Agrarisch Waterbeheer, een plan van LTO Nederland waarin staat hoe de land- en tuinbouw kan bijdragen aan het oplossen van de wateropgaven, in combinatie met het versterken van de land- en tuinbouw (uit: WBP 2016-2021)

DB

Dagelijks Bestuur

DHZ

Deltaplan Hoge Zandgronden. Programma waarin overheden en maatschappelijke organisaties samen werken aan een klimaatbestendige ruimtelijke inrichting en watersysteem.

drooglegging

het verschil tussen het maaiveld en het waterpeil in de waterloop. Het waterschap heeft als peilbeheerder invloed op de drooglegging van percelen die via de betreffende waterloop afwateren. De ontwateringsdiepte is daarmee wat anders dan de drooglegging.

EHS

Ecologische Hoofdstructuur .Netwerk van kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones waarbinnen flora en fauna zich kunnen handhaven en uitbreiden (uit: WBP 2016-2021)

EVZ

Ecologische verbindingszone.Ecologische zone die deel uitmaakt van de EHS en dienst doet als migratieroute voor organismen tussen kerngebieden en natuurontwikkelingsgebieden (uit: WBP 2016-2021)

GGOR

Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime. Er wordt onderscheid gemaakt in GGOR-Landbouw en GGOR-Natuur.

grondwater

water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen (uit: Omgevingswet, Bijlage bij artikel 1.1., onderdeel A. Begrippen)

infiltreren van water:

in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater (uit: Omgevingswet, Bijlage bij artikel 1.1., onderdeel A. Begrippen)

kaderrichtlijn water (KRW)

Europese richtlijn die als doel heeft de duurzame bescherming van ecosystemen en watervoorraden (uit: WBP 2016-2021)

mitigerende maatregelen

Verzachtende, effect beperkende maatregelen.

NAP

Nieuw Amsterdams Peil (hoogtepeil)

NVO

Natuurvriendelijke oever

onttrekken van grondwater

onttrekken van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting

(uit: Omgevingswet, Bijlage bij artikel 1.1., onderdeel A. Begrippen)

onttrekkingsinrichting

inrichting of werk, bestemd voor het onttrekken van grondwater

(uit: Omgevingswet, Bijlage bij artikel 1.1., onderdeel A. Begrippen)

ontwatering (~sdiepte)

het verschil tussen het maaiveld en het grondwaterpeil. De perceeleigenaar kan met behulp van technische maatregelen invloed uitoefenen op de ontwateringsdiepte. De ontwateringsdiepte is daarmee wat anders dan de drooglegging.

oppervlaktewaterlichaam

samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna (uit: Omgevingswet, Bijlage bij artikel 1.1., onderdeel A. Begrippen)

peilbeheer

Actief sturen op waterpeilen door middel van een kunstwerk

peilbeheerder

Medewerker beheer en onderhoud die vanuit het waterschap onder andere is belast met het peilbeheer in een bepaald rayon. Een rayon is ongeveer 10 bij 10 km groot.

streefpeil

De hoogte van het waterpeil waarnaar gestreefd wordt, weergegeven in meter boven Nieuw Amsterdams Peil.

stuwpeil

De hoogte aan de bovenkant van de stuwklep, weergegeven in meter boven Nieuw Amsterdams Peil.

verdroging

Verandering van de hydrologische omstandigheden in een natuurgebied, hetgeen leidt tot afname van kenmerkende, grondwaterafhankelijke levensgemeenschappen en soorten.

waterbeheer

de overheidszorg die is gericht op de in artikel 2.1 genoemde doelstellingen (uit: Omgevingswet, Bijlage bij artikel 1.1., onderdeel A. Begrippen)

WBP

Afkorting voor WaterBeheerPlan, een document waarin het waterschap voor een periode van 6 jaar beschrijft welke doelen het nastreeft en op welke manier het waterschap die doelen wil gaan bereiken.

water bergen

Water (kortstondig) vasthouden in het beekdal of op lage percelen om de piekafvoer te reduceren. Grotere gebieden worden onder water gezet om benedenstroomse gebieden te beschermen

water conserveren

Water gedurende langere periode hoger houden om droogteschade te voorkomen, verdroging van natuur tegen te gaan en kwel te stimuleren. Dit gebeurt bijvoorbeeld door toepassing van LOP-stuwen en ophoging van de slootbodem

water vasthouden

De afvoer van water uit het eigen lokale systeem kortstondig actief vertragen of stremmen om benedenstrooms overstromingen te voorkomen. Dat gebeurt met waterbeheermaatregelen zoals knijpstuwen, wallen en knijpduikers

waterkwaliteit

De chemische en biologische kwaliteit van water.

waterkwantiteit

De wijze waarop een bepaalde hoeveelheid water door het studiegebied stroomt (waterhuishouding).

watersysteem

samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken (uit: Omgevingswet, Bijlage bij artikel 1.1., onderdeel A. Begrippen)

ZLTO

Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie.

Literatuur

Nationaal Waterplan 2009 – 2015

Provinciaal Waterplan 2010 – 2015

Waterbeheerplan Aa en Maas 2010 – 2015

Ontwerp Waterbeheerplan Aa en Maas 2016 – 2021

Overeenkomst van Cork

Beleidsnota peilbesluiten Aa en Maas (2011)

Omgevingswet – via http://wetten.overheid.nl/xxxxxxxxxxx/

Programma GGOR Landbouw - Een passende watervoorziening voor elke regio. Website Aa en Maas. Vastgesteld door het Algemeen bestuur van waterschap Aa en Maas op 1 maart 2013.

Intentieverklaring beregeningsbeleid

RHDHV (2013) Kennisdocument waterconservering (inclusief daarin benoemde literatuur). In opdracht van waterschap Aa en Maas.

RHDHV (2013) Kennisdocument natuurlijk peilbeheer (inclusief daarin benoemde literatuur). In

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.