3. Activerings- en afschrijvingsbeleid
Investeren en activeren
3.1 Criteria van een investering
•Investeringen moeten worden geactiveerd indien:
a) Er sprake is van meerjarig nut en
b) De totale verkrijgings- of vervaardigingsprijs € 100.000 of meer bedraagt (inclusief btw).
•Kosten aan een bestaand actief die expliciet leiden tot levensduurverlenging moeten worden geactiveerd indien zij voldoen aan de genoemde voorwaarden. Dit geldt ook voor aanpassingen om te voldoen aan wet- en regelgeving die invloed hebben op de waarde en de levensduur.
•Indien niet aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, moeten de kosten in de exploitatie worden verantwoord in het jaar waarin de kosten gemaakt zijn. Dit geldt dus ook voor onderhoudskosten wanneer deze niet levensduur verlengend zijn.
•Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd, ongeacht de verkrijgingsprijs.
•Kosten voor onderzoek en ontwikkeling mogen alleen geactiveerd worden als aan alle criteria onder a tot en met d wordt voldaan.
a) het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen,
b) de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat
c) het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren én
d) de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.
•Activa die niet voldoen aan de investeringscriteria, maar wel een samenhangend geheel vormen (ideaalcomplex), worden in de exploitatie verantwoord als het jaarlijks terugkerende vervangingskosten voor vrijwel hetzelfde bedrag betreft. Dit geldt bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, voor de jaarlijkse vervanging van (een deel van) de IT faciliteiten.
•Voor investeringen waar een subsidie voor wordt verleend, gelden de voorwaarden die zijn opgenomen in de betreffende subsidieregeling. Hiervoor wordt indien nodig maatwerk toegepast.
3.2 Categorieën investeringskredieten
•Investeringen kunnen een verschillende aard hebben, bijvoorbeeld voor de vervanging van een bestaand actief of voor de realisatie van een geheel nieuw actief. We onderscheiden de volgende categorieën investeringskredieten:
a) Gevoteerd krediet: het algemeen bestuur heeft het krediet volledig gevoteerd (A krediet).
b) Gemandateerd krediet: het algemeen bestuur voteert bij de begrotingsbehandeling het krediet, waarna het dagelijks bestuur gemandateerd is een besluit te nemen over het daadwerkelijk beschikbaar stellen van het krediet, rekening houdend met de daarvoor geldende kaders (B krediet).
c) Nog niet gevoteerde kredieten: het project is opgenomen in de planning met een indicatieve raming. Het algemeen bestuur moet nog een besluit nemen over het project en votering van het benodigde investeringsbedrag (C krediet).
•Investeringen kunnen ook gedeeltelijk gevoteerd zijn. Het algemeen bestuur heeft dan al een besluit genomen over de start van het project en een voorbereidingskrediet beschikbaar gesteld (A krediet), maar moet nog een besluit nemen over het beschikbaar stellen van het uitvoeringskrediet (C krediet).
3.3 Algemeen voorbereidingskrediet
•Het algemeen voorbereidingskrediet is een door het algemeen bestuur gevoteerd verzamelkrediet van waaruit het dagelijks bestuur voor individuele projecten een voorbereidingskrediet beschikbaar kan stellen, mits wordt voldaan aan de voorwaarden. Doel van het algemeen voorbereidingskrediet is een effectieve voorbereiding van projecten waarna het bestuur onderbouwd en weloverwogen een besluit kan nemen over de uitvoering.
•Vanuit de totale bedrijfsvoering gelden hiervoor de volgende voorwaarden:
a) Het algemeen voorbereidingskrediet bedraagt € 2.000.000.
b) Uit het algemeen voorbereidingskrediet kan per investeringsproject maximaal € 200.000 beschikbaar worden gesteld door de daartoe bevoegde (gemandateerde) functionaris. Dit geschiedt in de vorm van een getekende projectopdracht.
c) Binnen 2 jaar na beschikbaar stellen van het voorbereidingskrediet dient een voorstel tot votering van het uitvoeringskrediet voorgelegd te worden aan het algemeen bestuur. Afhankelijk van de aard en omvang van het krediet kan dit via een separaat kredietvoorstel of als onderdeel van de begroting.
d) Wanneer niet aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, wordt het algemeen bestuur via een separaat besluit of als onderdeel van een P&C-product voorgesteld een voorbereidingskrediet beschikbaar te stellen. Ook voor investeringsprojecten die een bestuurlijk gevoelig karakter hebben, wordt een voorstel voorgelegd aan het algemeen bestuur.
e) In de jaarstukken wordt verantwoording afgelegd over de inzet van het algemeen voorbereidingskrediet en de voortgang van de lopende voorbereidingskredieten die beschikbaar zijn gesteld uit het algemeen voorbereidingskrediet.
f) Voor kredieten die beschikbaar zijn gesteld uit het algemeen voorbereidingskrediet gelden dezelfde criteria en voorwaarden als voor de reguliere (voorbereidings)kredieten als opgenomen onder artikel 3.6.
3.4 Autorisatie van investeringen
•Conform artikel 7 van de financiële verordening autoriseert het algemeen bestuur met het vaststellen van de begroting de voorgenomen investeringen per programma (bijlage 1 van de begroting). Daarbij geeft het algemeen bestuur aan van welke investeringen zij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen.
•Voor de investeringskredieten die bij de begroting zijn geautoriseerd, neemt het dagelijks bestuur een besluit over het daadwerkelijk beschikbaar stellen van het krediet.
•Als blijkt dat het benodigde investeringskrediet hoger is dan het bij de begroting geautoriseerde bedrag kan het dagelijks bestuur hier niet over besluiten, maar wordt een separaat voorstel voorgelegd aan het algemeen bestuur.
•Bij de begroting geautoriseerde kredieten dienen te starten in het begrotingsjaar en worden volgens de planning uiterlijk in het daarop volgende begrotingsjaar afgerond.
•Voor investeringskredieten waarvoor bij de begrotingsbehandeling geen autorisatie is verleend, legt het dagelijks bestuur voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een separaat investeringsvoorstel voor aan het algemeen bestuur.
3.5 Ontwikkelingen op investeringen
•Voor investeringskredieten die aan het eind van het jaar niet kunnen worden afgesloten, wordt het algemeen bestuur bij de jaarrekening voorgesteld het restant over te hevelen naar het volgend boekjaar. Het kan zowel gaan om de kosten die nog niet volledig gemaakt zijn of inkomsten die nog niet volledig zijn ontvangen.
•Een overschrijdingen of dreigende overschrijding op een investeringskrediet moet altijd aan het algemeen bestuur worden voorgelegd. Dit kan via een separaat voorstel, via in de bestuursrapportage of tijdig achteraf conform artikel 9 van de Financiële verordening.
•Op basis van artikel 9 van de Financiële verordening is het dagelijks bestuur bevoegd de voor een investering geraamde uitgaven zonder toestemming vooraf van het algemeen bestuur te overschrijden binnen de hierna genoemde financiële kaders als deze mutaties passen binnen het vastgestelde beleid. Een dergelijk feit wordt altijd achteraf gerapporteerd aan het algemeen bestuur.
a) De overschrijding op de uitgaven (dan wel onderschrijding op de inkomsten) bedraagt niet meer dan 5% van het investeringskrediet tot een maximum van € 1.000.000.
b) Om te voorkomen dat voor geringe financiële afwijkingen vooraf een besluit aan het algemeen bestuur moet worden voorgelegd omdat deze de 5% overschrijdt, hanteren we hiervoor een ondergrens van € 250.000.
•In het geval van een dergelijke overschrijding neemt het dagelijks bestuur hier een besluit over. Conform artikel 9 lid 4 kan deze bevoegdheid niet gemandateerd worden.
Waarderen
3.6 Bepalen verkrijgings- of vervaardigingsprijs
•Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
•De verkrijgingsprijs is de inkoopprijs plus bijkomende kosten. Bijkomende kosten zijn kosten die noodzakelijk zijn om het actief in gebruik te kunnen nemen. Zowel kosten van externen als van eigen medewerkers zijn te kwalificeren als bijkomende kosten.
•De vervaardigingsprijs bestaat uit de aanschafkosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en alle overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. Hier vallen ook de kosten van externen en van eigen medewerkers onder als die direct aan een investering zijn toe te rekenen.
•Voor de te activeren kosten van eigen medewerkers gelden de volgende voorwaarden:
a) Alleen uren van direct bij de totstandkoming van het actief betrokken medewerkers die hier een substantiële bijdrage aan leveren (doorgaans een project), worden geactiveerd. Dit dient als zodanig te worden vastgelegd en goedgekeurd.
b) Uren van ondersteunende medewerkers (bijvoorbeeld financiën en secretariaat) worden in beginsel niet geactiveerd, tenzij deze subsidiabel zijn.
c) Kosten van eigen medewerkers worden ten laste van het krediet gebracht op basis van het werkelijk aantal uur vermenigvuldigd met het van toepassing zijnde intern tarief.
d) Uitsluitend uren in de uitvoeringsfase volgens Projectmatig werken (bestaande uit ontwerp, voorbereiding en daadwerkelijke uitvoering) worden ten laste van respectievelijk het krediet gebracht. Uren in de andere projectfases (de initiatieffase, definitiefase en nazorgfase) komen ten laste van de exploitatie. Voor de initiatief- en definitiefase is dit in lijn met de criteria voor een investering als opgenomen onder 3.1. Voor de nazorgfase geldt dat het project dan al is afgerond en overgedragen aan beheer- en onderhoud binnen de reguliere exploitatie.
•Uren dienen tijdig verantwoord en goedgekeurd te worden met het oog op de financiële verantwoording en rechtmatigheid.
3.7 Overprogrammering
•Overprogrammering wordt toegepast omdat individuele projecten om tal van redenen kunnen vertragen. Bijvoorbeeld door de weersomstandigheden, openbare procedures, meer tijd nemen voor het participatieproces vergunningen die nog niet rond zijn, we de grond nog niet in ons bezit hebben of doordat de aannemer meer tijd nodig heeft. Overprogrammering draagt eraan bij dat we in het geval van vertraging snel verder kunnen met een ander project.
•In de begroting en bijbehorende meerjarenraming worden bruto investeringsbedragen vermeld. Dit is meer dan we daadwerkelijk verwachten te realiseren. Van de bruto investeringsvolumes uit de begroting en bijbehorende meerjarenraming wordt circa 85% financieel technisch doorgerekend. Op basis van de werkelijk bekende omstandigheden kan hier op projectniveau vanaf worden geweken om een zo realistisch mogelijke inschatting te krijgen.
•Voor een juiste tariefbepaling worden de bruto investeringsvolumes gecorrigeerd voor overprogrammering en worden de bijdrages van derden in mindering gebracht.
Afschrijven
3.8 Afschrijvingsbeleid
•De afschrijvingstermijn is gebaseerd op de verwachte economische levensduur. De restwaarde wordt op nihil gesteld.
•Afschrijving vindt plaats volgende de lineaire methode.
•Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven, tenzij deze een onverbreekbaar onderdeel vormen van een object. In dat geval worden gronden en terreinen gelijk conform het object afgeschreven tot de restwaarde van de grond. Daar waar gronden duurzaam aan de bedrijfsvoering zijn verbonden wordt de restwaarde op nihil gesteld.
•Afschrijving vindt plaats vanaf het eerst volgende boekjaar nadat de investering gereed komt.
•Voor investeringskredieten waarvan de uitvoering langer duurt dan 2 jaar, wordt indien mogelijk gewerkt met deelfases (watersysteembeheer) of afzonderlijke componenten (waterketen). In dat geval wordt na afronding van een deelfase c.q. component gestart met afschrijven vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin de betreffende deelfase c.q. component gereed komt.
•Op het moment dat een investering volledig is afgeschreven op basis van de economische levensduur wordt deze niet per definitie direct vervangen, maar wordt een afweging gemaakt over de noodzakelijkheid hiervan.
•Investeringen worden naar gelang hun aard afgeschreven volgens de in de navolgende tabel vermelde afschrijvingstermijnen. Voor activa waar al op wordt afgeschreven, vindt geen herwaardering plaats in het geval van een langere verwachte economische levensduur.
•Indien de verwachte economische levensduur niet wordt gehaald of er sprake is van verwachte duurzame waardevermindering, is een extra afschrijving noodzakelijk.
•Indien de verwachte economische levensduur van een investering afwijkt van de in tabel opgenomen afschrijvingstermijn kan het algemeen bestuur besluiten hier vanaf te wijken. Dit wordt in dat geval als onderdeel van het betreffende investeringsvoorstel als separaat besluitpunt opgenomen.
3.9 Tabel afschrijvingstermijnen
Onderwerp
Jaren
a.
Vervoermiddelen, machines, apparaten, software en werktuigen
5
b.
Bedrijfsgebouwen en woonruimten
40
c.
Technische installaties in bedrijfsgebouwen en woonruimten
15
d.
Veiligheidsvoorzieningen, telefooninstallaties, kantoormeubilair
10
e.
Primaire waterkeringen
40
f.
Overige waterkeringen
40
g.
Waterlopen en eenvoudige watersysteemkunstwerken
40
h.
Bouwkundig deel watersysteemgemalen
40
i.
Mechanisch en elektrisch deel watersysteemgemalen
15
j.
Transportleidingen en bouwkundig deel transportgemalen
40
k.
Mechanisch en elektrisch deel transportgemalen
15
l.
Bouwkundig deel zuiveringsinstallaties en slibverwerkingsinstallaties
40
m.
Mechanisch en elektrisch deel zuiveringsinstallaties en slibverwerkingsinstallaties
15
n.
Telemetrie voor de aansturing van gemalen, zuiveringsinstallaties en andere voorzieningen
10
o.
Beschoeiing
15
p.
Baggeren (achterstallig) / herprofileren
20
q.
Depot berging saneringsspecie
10
r.
Overige materiële vaste activa op basis van verwachte economische levensduur
nnb
s.
Bijdrage aan het HoogWaterBeschermingsProgramma (Deltafonds)
30
4. Reserves en voorzieningen
Reserves
4.1 Algemeen
•Het instellen van een reserve, het bepalen van de doelstelling en het vaststellen van de benodigde omvang is de bevoegdheid van het algemeen bestuur. Dit geldt eveneens voor het wijzigen of opheffen van een reserve.
•Reserves behoren tot het eigen vermogen van het waterschap.
•Reserves worden onderscheiden naar:
a) algemene reserve (weerstandsreserve)
b) bestemmingsreserves voor tariefegalisatie, waaronder wordt verstaan reserves die dienen om schommelingen op te vangen in de belastingtarieven
c) overige bestemmingsreserves.
•Een bestemmingsreserve is een reserve waaraan het algemeen bestuur van het waterschap een bepaalde bestemming heeft gegeven.
•Het algemeen bestuur kan besluiten aan een reserve (of een deel daarvan) een andere bestemming te geven dan waarvoor de bestemminsgreserve oorspronkelijk in het leven was geroepen.
•In de begroting en de jaarrekening wordt conform de vigerende verslaggevingsregels verantwoording afgelegd over de stand en het verloop van de reserves.
•Aan de reserves wordt geen rente toegevoegd Met uitzondering van de categoriereserves, omdat dit in wezen een nog te betalen (nog te ontvangen) bedrag is aan (van) die betreffende categorie.
4.2 Algemene reserve (weerstandsreserve)
•De algemene reserve (weerstandsreserve) is bestemd voor het opvangen van de financiële consequenties van risico’s op het moment dat deze zich voordoen.
•Risico analyse is een continue proces zowel binnen de projectorganisatie als binnen de reguliere bedrijfsvoering. Bij de begroting en de jaarrekening wordt gerapporteerd over de stand van zaken en voortgang.
•De weerstandsreserve wordt bepaald per taak. Het uitgangspunt voor de omvang van de weerstandsreserve watersysteembeheer is € 1.600.000 en voor waterzuiveringsbeheer € 1.750.000.
•Bij de begroting en de jaarrekening wordt getoetst of de weerstandsreserve toereikend is door de totaal benodigde weerstandscapaciteit volgend uit de risico-inventarisatie af te zetten tegen de weerstandsreserve. Deze verhouding wordt de weerstandsratio genoemd. Als hieruit een weerstandsratio kleiner dan 1 in het gematigde scenario blijkt, is de omvang van de weerstandsreserves mogelijk niet toereikend. In dat geval wordt een voorstel voorgelegd aan het algemeen bestuur om dit te herstellen.
•Naast de algemene reserve voor het opvangen van de financiële consequenties van risico’s wordt in de begroting rekening gehouden met een post voor onvoorziene kosten van in beginsel € 300.000, evenredig verdeeld naar de taken.
4.3 Bestemmingsreserves
•De bestemmingsreserves voor tariefegalisatie worden onderverdeeld in:
a) egalisatiereserves per taak met als doel schommelingen in de netto lasten en daaruit voortvloeiende belastingtarieven op te vangen.
b) categoriereserves per belastingcategorie met als doel de jaarlijkse hoeveelheidverschillen in de belastingeenheden binnen de categorieën te verrekenen.
•De egalisatiereserve wordt gebruikt om tariefschommelingen af te vlakken. De egalisatiereserve voor watersysteembeheer bedraagt minimaal 8% van de netto lasten in het begrotingsjaar. De egalisatiereserve voor zuiveringsbeheer bedraagt minimaal 7% van de netto lasten in het begrotingsjaar.
•De categoriereserves worden gebruikt om de jaarlijkse hoeveelheidverschillen in de belastingeenheden binnen de verschillende belastingcategorieën te verrekenen.
•Een categorieserve behoort toe aan de betreffende groep belastingplichtigen. Er is geen sprake van verschuivingen tussen categorieën.
•Een positief dan wel negatief saldo binnen een categoriereserve wordt in maximaal 5 jaar tijd terug gebracht tot nihil, op voorwaarde dat een eventueel negatieve saldo opgevangen kan worden binnen de egalisatiereserve van de betreffende taak.
•In afwijking van voorgaande wordt voor de categorie gebouwd een ondergrens van € 1.000.000 gehanteerd om fluctuaties in de WOZ ontwikkeling op te vangen.
•De overige bestemmingsreserves zijn reserves die een specifieke vooraf bepaalde bestemming hebben.
•De omvang van de overige bestemmingsreserves wordt bepaald op basis van een gedegen financiële onderbouwing.
•Onttrekkingen aan een overige bestemmingsreserve worden op begrotingsbasis geraamd voor zover dit redelijkerwijs is in te schatten.
5. Beleid rentetoerekening
5.1 Algemeen
•De rentekosten worden berekend met behulp van het rente-omslagpercentage. Via het rente-omslagpercentage worden de totale rentelasten (van het eigen vermogen en het vreemd vermogen) omgeslagen naar alle lopende en in afschrijving zijnde investeringsprojecten. De wijze van financieren (met eigen of met vreemd vermogen) speelt daardoor geen rol.
•Het rente-omslagpercentage wordt jaarlijks vastgesteld bij behandeling van de begroting.
•De berekende rente over reserves en voorzieningen en het rentepercentage dat wordt toegepast bij de uitwerking van afzonderlijke investeringsbesluiten wordt jaarlijks vastgesteld bij behandeling van de begroting. Dit wordt gebaseerd op de renteontwikkelingen op de markt. De norm die hierbij wordt gehanteerd is het gemiddelde rentepercentage voor vaste geldleningen met een looptijd van 20 jaar.
•Bij het opstellen van de jaarrekening worden de werkelijke percentages toegepast.
5.2 Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)
•Gelet op de omvang en impact van de uitvoering van de dijkversterkingstrajecten in het kader van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) vereist de accountant dat hier als onderdeel van het financieel beleid expliciet op in wordt gegaan.
•Vanuit de uitvoering van HWBP projecten dienen we als waterschap in basis 10% van de uitvoeringskosten voor eigen rekening te nemen. De overige 90% van de uitvoeringskosten worden gesubsidieerd.
•Eventuele rentekosten zijn niet subsidiabel.
•De subsidiebijdrage vanuit het HWBP is gemaximeerd per project per jaar (op dit moment € 40 miljoen). Op het moment dat de uitvoeringskosten in enig jaar hoger zijn dan de maximale jaarlijkse subsidiebijdrage van het HWBP, kan er sprake zijn van voorfinanciering.
•De nog te ontvangen subsidiebijdragen worden op de balans verantwoord als ‘nog te ontvangen bedragen’.
•Voorfinanciering brengt rentekosten met zich mee. Ten aanzien van de rentekosten van de voorfinanciering volgen we de bestendige gedragslijn. Dit betekent dat deze rentekosten onderdeel zijn van de berekening van de renteomslag.
•Op het moment dat er meer subsidie wordt ontvangen dan dat er uitgaven zijn, wordt de balanspositie hierop aangepast. Daarnaast draagt dit op dat moment in positieve zin bij aan de liquiditeitspositie van het waterschap waardoor er minder financiering aangetrokken hoeft te worden voor de overige investeringsprojecten.
5.3 Rentetoerekening aan reserves en voorzieningen
•Over de reserves en voorzieningen wordt rente berekend. Dit wordt gedaan omdat dergelijke vermogensbestanddelen dienen als financieringsbron. Doordat het waterschap beschikt over reserves en voorzieningen vermindert de behoefte aan vreemd vermogen waarover rente moet worden betaald.
•De over de reserves en voorzieningen berekende rente wordt niet aan de reserves en voorzieningen toegevoegd (met uitzondering van de categoriereserves). Deze rente wordt als baat in de exploitatierekening verantwoord. Tegenover deze baat staat een even grote rentelast, omdat de reserves vastliggen en (extern) niet rentedragend kunnen worden uitgezet.
5.4 Rentetoerekening totale vaste activa
•De rente over de boekwaarde per 1 januari van de gereedgekomen investeringen wordt ten laste van de exploitatie gebracht.
•De rente over de boekwaarde per 1 januari van de nog in onderhanden werk zijnde investeringen (waarop nog niet wordt afgeschreven) wordt toegevoegd aan de totale uitgaven binnen onderhanden werk.
•Voor een project dat bestaat uit meerdere fases wordt op het moment dat een fase is afgerond, gestart met afschrijven. Voor de fase die nog niet gereed is en waar dus nog niet op wordt afgeschreven, wordt de rente over het gemiddeld geïnvesteerd vermogen van het kalenderjaar toegerekend aan het in onderhanden werk zijnde project.
•Voor een project dat bestaat uit meerdere componenten wordt op het moment dat een component is opgeleverd, gestart met afschrijven. Voor het deel dat nog niet gereed is en waar dus nog niet op wordt afgeschreven, wordt de rente over het gemiddeld geïnvesteerd vermogen van het kalenderjaar toegerekend aan het in onderhanden werk zijnde project.
•De rente van de grondbank wordt jaarlijks ten laste van de exploitatie gebracht.
•Op investeringsprojecten waarop een onderhoudstermijn van toepassing is, wordt voor dat jaar geen rente toegevoegd aan de boekwaarde van het in onderhanden werk zijnde project, maar wordt de berekende rente ten laste van de exploitatie gebracht. Het project moet in dat betreffende jaar volledig afgerond en geactiveerd worden.
6. Toerekenen van kosten
6.1 Kostentoerekening
•Kostentoerekening
1Kostentoerekening verschilt dus van kostentoedeling: het volgens een vast percentage toedelen van de kosten binnen de watersysteemtaak aan de belastingcategorieën Ingezetenen, Gebouwd, Ongebouwd en Natuur.
is de manier waarop het waterschap al haar kosten toerekent naar de wettelijke taken watersysteembeheer en waterzuiveringsbeheer.
•Lasten en baten worden zoveel mogelijk direct toegerekend aan de taken watersysteembeheer en waterzuiveringsbeheer volgens de Beleids- en Beheerproducten (BBP)-systematiek van de Unie van Waterschappen.
•Conform de Wet modernisering waterschapsbestel vindt kostentoerekening op de volgende niveaus plaats:
a) van de BBP-producten naar de taken Watersysteembeheer en Waterzuiveringsbeheer
b) van de ondersteunende producten naar de taken Watersysteembeheer en Waterzuiveringsbeheer
c) van de totale kosten van de taken Watersysteembeheer en Waterzuiveringsbeheer naar de bestuurlijke programma’s.
•Als directe toerekening van de BBP-producten aan een van beide taken niet mogelijk is, vindt naar taak een procentuele verdeling plaats volgens het overzicht in bijlage 1. In bijlage 1 is eveneens de verdeling naar de bestuurlijke programma’s opgenomen.
6.2 Kostenverdeling
•Kostenverdeling gaat over de wijze waarop de kosten van de ondersteunende producten over de twee taken worden verdeeld.
•Kosten van ondersteunende producten worden via verdeelsleutels toegerekend aan de primaire kostendragers watersysteembeheer en zuiveringsbeheer. Dit gebeurt op basis van het aandeel in de directe kosten of op basis van het aandeel van de directe uren aan de taken toegerekend volgens het overzicht in bijlage 2. Het aandeel in de directe kosten wordt berekend op basis van de kosten voor goederen en diensten en bijdrage aan derden. Deze geven het beste de relatie tussen de werkzaamheden en de taken weer.
7. Resultaatbepaling en -bestemming
7.1 Resultaatbepaling (saldo van de exploitatierekening)
•Het resultaat wordt bepaalt met het opstellen van de jaarrekening.
•Resultaatbepaling geeft inzicht in
a) de exploitatierekening naar kosten- en opbrengstensoorten
b) de exploitatierekening naar de waterschapstaken
•Baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop ze betrekking hebben (baten- en lastenstelsel). De belangrijkste uitgangspunten hiervoor zijn:
a) het voorzichtigheidsprincipe: heeft als doel te voorkomen dat de financiële positie van een organisatie te rooskleurig wordt voorgesteld. Dit houdt in dat verliezen en risico’s moeten worden opgenomen zodra ze bekend zijn, maar dat winst pas mag worden opgenomen als deze daadwerkelijk is gerealiseerd.
b) het realisatieprincipe: volgens dit principe mag een opbrengst pas worden verantwoord op het moment dat deze is gerealiseerd, dus wanneer het economische voordeel daadwerkelijk is verdiend. Dit betekent meestal: bij levering van goederen of diensten, niet bij ontvangst van betaling. Het zorgt ervoor dat opbrengsten niet te vroeg worden geboekt.
c) het matchingprincipe: houdt in dat kosten en opbrengsten zoveel mogelijk worden toegerekend aan de periode waar ze betrekking op hebben.
•Winsten worden slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd.
•Verliezen en risico’s die hun oorsprong vinden vóór het einde van het boekjaar worden verantwoord in dat boekjaar wanneer deze voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn (voorzienbaar).
•Begrote stortingen of onttrekkingen aan de reserves worden bij het opstellen van de jaarrekening analoog verwerkt.
•Bij het opstellen van de jaarrekening zijn voor de zuiverings(rechten)heffing de definitieve aanslagen (eindafrekeningen) nog niet volledig bekend. Tot de baten in een verslaggevingsjaar worden daarom gerekend de opgelegde en nog op te leggen aanslagen die betrekking hebben op het onderhavige verslaggevingsjaar en het saldo van de definitieve aanslagen (eindafrekeningen) ten opzichte van de voorlopige aanslagen over voorgaande verslaggevingsjaren.
7.2 Resultaatbestemming
•De jaarrekening wordt ter vaststelling aangeboden aan het algemeen bestuur met daarin het resultaat voor bestemming.
•Het algemeen bestuur wordt, indien van toepassing, een voorstel gedaan voor bestemming van een deel van het resultaat. Daaruit volgt het resultaat na bestemming.
•Per waterschapstaak wordt een voorstel voorgelegd aan het algemeen bestuur voor verdeling van het resultaat na bestemming.
•Voor de watersysteembeheertaak wordt vervolgens per belastingcategorie een voorstel voorgelegd aan het algemeen bestuur voor verdeling van het resultaat na bestemming naar de categoriereserves en egalisatiereserve.
9. Overige onderwerpen
9.1 Beleid met betrekking tot bepaling van afkoopsommen
•Afkoopsommen worden berekend volgens de netto contante waarde methode.
•De uitkomst van de netto contante waarde berekening is het uitgangspunt voor onderhandelingen met externe partijen.
•Nadat (onder voorbehoud) overeenstemming tussen partijen is bereikt, wordt hier een voorstel voor voorgelegd aan het algemeen bestuur.
•Het algemeen bestuur wordt voorgesteld om voor de te ontvangen afkoopsom een bestemmingsreserve te vormen of om dit via het exploitatieresultaat toe te voegen aan de reserves.
9.2 Beleid met betrekking tot penvoerder zijn
•In beginsel zijn we terughoudend met het op ons nemen van de coördinerende en administratieve rol binnen een samenwerkingsverband en het betalen en vervolgens doorbelasten van kosten aan de samenwerkende partij(en). Oftewel met het optreden al penvoerder. Vanuit het doel van de samenwerking kan dit echter toch worden overwogen. In dat geval wordt de afweging om als penvoerder op te treden, voorgelegd aan het dagelijks bestuur.
•In de met samenwerkende partij(en) te sluiten overeenkomst moet ingegaan worden op de btw consequenties. Dit omvat in ieder geval of er sprake is van een btw belaste prestatie of een btw vrijgestelde prestatie. Indien er sprake is van een btw belaste prestatie, dienen zowel de bedragen exclusief btw en de bedrage inclusief btw te worden opgenomen in de overeenkomst.
Bijlage 1 Kostentoerekening
BBP
WSB
ZUIV
BELEIDSVELDEN / BELEIDSPRODUCTEN
PRIMAIRE BEHEERPRODUCTEN
Kwantiteit
Kwaliteit
601
Planvorming
6011
Eigen plannen
60112
Waterbeheerplan
X
X
60115
Thema- en gebiedsgerichte plannen
X
X
60116
Calamiteitenplannen
X
X
60117
Innovatie
X
X
6012
Plannen van derden
60121
Plannen van derden
X
X
611
Aanleg en onderhoud waterkeringen
6111
Beheersinstrumenten waterkeringen
61111
Legger waterkeringen
X
61112
Beheerregister waterkeringen
X
61113
Veiligheidstoetsing waterkeringen
X
6112
Aanleg en onderhoud waterkeringen
61121
Aanleg en verwerving primaire waterkeringen
X
61122
Onderhoud primaire waterkeringen
X
61123
Aanleg en verwerving regionale waterkeringen
X
61124
Onderhoud regionale waterkeringen
X
61125
Aanleg en verwerving overige waterkeringen
X
61126
Onderhoud overige waterkeringen
X
61127
Voorzieningen verwante belangen waterkeringen
X
61128
Muskusrattenbestrijding
X
6113
Dijkbewaking en calamiteitenbestrijding
61131
Dijkbewaking en calamiteitenbestrijding
X
621
Inrichting en onderhoud watersystemen
6211
Beheersinstrumenten watersystemen
62111
Peilbesluiten
X
62112
Waterakkoorden
X
62113
Legger waterlopen en kunstwerken
X
62114
Beheersregister waterlopen en kunstwerken
X
6212
Aanleg, verbetering en onderhoud watersystemen
62121
Aanleg en verwerving waterlopen*
X
62122
Onderhoud waterlopen*
X
62123
Bouw en verwerving kunstwerken passieve waterbeheersing
X
62124
Onderhoud kunstwerken passieve waterbeheersing
X
62125
Kwaliteitsmaatregelen in oppervlaktewater
X
62126
Voorzieningen verwante belangen watersystemen
X
62127
Muskusrattenbestrijding
X
6213
Baggeren van waterlopen en saneren van waterbodems
62132
Verwijdering en verwerking van verspreidbare baggerspecie
X
62133
Verwijdering en verwerking van niet-verspreidbare baggerspecie
X
62134
Bijdragen aan derden voor baggeren
X
62135
Saneringsprogramma
X
62136
Sanering van waterbodems
X
6214
Beheer hoeveelheid water
62141
Bouw en verwerving kunstwerken actieve waterbeheersing
X
62142
Onderhoud kunstwerken actieve waterbeheersing
X
62143
Bediening kunstwerken actieve waterbeheersing
X
6215
Calamiteitenbestrijding watersystemen
62151
Calamiteitenbestrijding watersystemen
X
6216
Monitoring watersystemen
62161
Monitoring waterkwantiteit
X
62162
Monitoring waterkwaliteit
X
631
Bouw en exploitatie zuiveringstechnische werken
6311
Getransporteerd afvalwater
63111
Bouw en verwerving transportstelsels
X
63112
Onderhoud transportstelsels
X
63113
Beheer transportstelsels
X
6312
Gezuiverd afvalwater
62121
Bouw en verwerving zuiveringsinstallaties
X
63122
Onderhoud zuiveringsinstallaties
X
63123
Beheer zuiveringsinstallaties
X
63124
WVO-heffing effluent
X
63125
Subsidies afhaakproblematiek
X
63126
IBA-inrichtingen
X
6313
Verwerkt slib
63131
Bouw en verwerving sliverwerkingsinstallaties
X
63132
Onderhoud slibverwerkingsinstallaties
X
63133
Beheer slibverwerkingsinstallaties
X
63134
Afzet slib/restproducten
X
6314
Afvalwaterbehandeling door derden
63141
Afvalwaterbehandeling door derden
X
661
Regulering
6611
Beheer keur VTHbeleid
66111
Beheer keur VTHbeleid
X
6612
Vergunningen en meldingen
66121
Vergunningen en meldingen
X
6613
Adviezen vergunningen
66131
Wabo-adviezen
X
66132
Adviezenwaterwet aan andere waterbeheerders
X
6614
Toezicht
66141
Toezicht
X
6615
Handhaving
66151
Bestuursrechtelijke handhaving
X
X
66152
Strafrechtelijke handhaving
X
6616
Regulering lozingen
66161
Rioleringsplannen
X
X
66162
Subsidies lozingen
X
X
66163
Stimulering derden aanpak diffuse emissie
X
681
Heffing en invordering
6811
Belastingheffing
68111
Kostentoedeling en belastingverordening
X
X
68112
Aanslagen huishoudens en forfaitaire bedrijfsruimten
X
X
68113
Aanslagen zuiveringsheffing overige bedrijven
X
68114
Aanslagen watersysteemheffing gebouwd, ongebouwd en natuur
X
68115
Aanslagen verontreinigingsheffing
X
68116
Verzoek-, bezwaar en beroepsschriften huishoudens en forfaitaire bedrijfsruimten
X
X
68117
Bezwaar- en beroepsschriften zuiveringsheffing overige bedrijven
X
68118
bezwaar- en beroepsschriften watersysteemheffing gebouwd, ongebouwd en natuur
X
68119
Bezwaar- en beroepsschriften verontreinigingsheffing
X
6812
Invordering
68121
Betalingsverwerking aanslagen
X
X
68122
Kwijtschelding
X
X
68123
Invorderingsmaatregelen aanslagen
X
X
691
Bestuur en externe communicatie
6911
Bestuur
69111
Bestuur
X
X
69112
Bestuursondersteuning
X
X
69113
Beheer niet-reglementaire zaken
X
X
6912
Externe communicatie
69121
Externe communicatie
X
X
Bijlage 2 Toerekening ondersteunende Producten
Ondersteunende producten
Doorverdeling op basis van:
totaal directe uren
totaal directe
m2 naar
kosten
licenties naar
per product per
kosten per product
afdelingen
per werkplek naar
afdelingen
taak
per taak
afdelingen
Centraal management
x
Management- en bestuursrapportages
x
Organisatiebeleid en -beheer
x
Algemeen bestuurlijke en juridische ondersteuning
x
Interne voorlichting
x
Concern control en financieel beleid
x
Meerjarenraming en begroting
x
Comptabiliteit
x
Informatiebeleid en automatisering
x
Centraal (geo)-grafische informatie
x
Personeelsbeleid en -beheer
x
Huisvesting
x
Interne faciliteiten
x
Kwaliteitszorg, Arbo en milieu
x
Bemonstering en analyse
x