Waterschapswetten

Brabant breed plaagsoortenbeleid, 2022

Waterschap Aa en Maas · geldt sinds 20 februari 2024

Aanhef

Het Dagelijks Bestuur van waterschap Aa en Maas;

overwegende dat:

-Per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking is getreden en dat verwijzingen naar regelgeving in beleidsnota’s hier op aangepast dienen te worden;

-Het Brabant breed plaagsoortenbeleid, vastgesteld door het dagelijks bestuur in 2021, louter redactioneel aangepast moet worden ten behoeve van de Omgevingswet en de Waterschapsverordening en er geen inhoudelijke wijzigingen noodzakelijk zijn;

B E S L U I T :

1Het Brabant breed plaagsoortenbeleid in te trekken;

2Het Brabant breed plaagsoortenbeleid, 2022 vast te stellen

3Dit besluit treedt in werking op 20 februari 2024

Aldus vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur d.d. 30 januari 2024,

Het dagelijks bestuur,

de secretaris,

Pieter Sennema

de dijkgraaf,

Mario Jacobs

Hoofdstuk 4: Strategie en beheer

4.1 Preventie

4.1.1 Bronaanpak

Bronaanpak betekent ingrijpen als er een nieuwe vestiging van plaagsoorten gesignaleerd is. Bij voorkeur is dit na de eerste melding. Soorten verspreiden zich uit zichzelf, maar verspreiding van soorten kan ook optreden door werkzaamheden die het waterschap uitvoert, zoals herinrichtings-, bagger- en onderhoudswerkzaamheden. Daarom dient voorafgaand van elk project bepaald te worden op welke manier het risico van verspreiding van plaagsoorten tegengegaan kan worden. Hierbij is het cruciaal dat de plaagsoort opgemerkt en herkend wordt. In hoofdstuk 5 wordt hier nader op ingegaan.

Bronaanpak betekent ook communiceren: zorgen dat mensen weten wat een plaagsoort is en hoe ze moeten handelen. In paragraaf 5.7.2 wordt dit nader uitgewerkt.

Het risico op verspreiding kan worden tegengegaan door bijvoorbeeld:

•Bij het oplossen van vismigratieknelpunten de verspreiding van plaagsoorten in de overweging mee te nemen (het afwegen van de risico’s op de vestiging van plaagsoorten in een nog plaagsoortenvrij gebied, versus de bereikbaarheid van het gebied voor gewenste soorten);

•Af te graven grond vooraf te inventariseren op plaagsoorten, zodat duidelijk is of en waar deze hergebruikt kan worden;

•Bij onderhoudswerkzaamheden alert te zijn op het risico op (verspreiding van) plaagsoorten en vooraf na te gaan hoe verspreiding voorkomen kan worden;

•Te voorkómen dat plaagsoorten zich met grondtransport, afvoer van maaisel of via onderhoudsmaterieel kunnen verspreiden naar ‘schone’ gebieden.

Beleidsuitgangspunten:

-Het waterschap grijpt zo snel mogelijk in bij een nieuwe vestiging van plaagsoorten.

-Het waterschap voorkomt verspreiding tijdens onderhoudswerkzaamheden.

4.1.2 Ecosysteem weerbaar maken

Systemen die ecologisch en hydrologisch robuust zijn, kunnen tegen een stootje, dus ook tegen belasting met plaagsoorten. Het realiseren en onderhouden van een weerbaar watersysteem en robuuste waterkeringen past bij de taken van het waterschap. Met behulp van inrichting en onderhoud kan het ecosysteem weerbaarder gemaakt worden, zodat het voldoende veerkracht heeft en plaagsoorten minder kans krijgen om zich te vestigen en daardoorminder overlast veroorzaken. Deze aanpak past bij de manier waarop het onderhoud nu al uitgevoerd wordt, in navolging van de Omgevingswet. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een goed gesloten begroeiing op keringen, zodat plaagsoorten zich minder gemakkelijk kunnen vestigen. Ook kan met het stimuleren van beschaduwing langs beken de groei van bepaalde probleemplanten worden ontmoedigd. Dit dient in de initiatiefase van elk project en in de uitvoeringsplannen van de beheerafdeling meegenomen te worden, als hiervoor al mogelijkheden bekend zijn. Het terugdringen van nutriënten maakt het ecosysteem ook weerbaarder, omdat woekerende waterplanten vaak profiteren van voedselrijk water. Het terugdringen van nutriënten is een van de maatregelen die nodig zijn om de doelen van de Kaderrichtlijn Water te behalen.

Een aandachtspunt is dat het weerbaar maken van ecosystemen gezien het intensieve land- en watergebruik in Nederland niet overal mogelijk is.

Beleidsuitgangspunt: Het waterschap streeft naar een zo robuust en daarmee weerbaar mogelijke inrichting van watersystemen, taluds en keringen om vestiging en woekering van plaagsoorten te voorkomen.

4.7 Tegenstrijdigheden

4.7.1 Beschermde soorten en plaagsoorten komen voor op dezelfde locatie

De waterschappen dienen zich – net als eenieder in Nederland – te houden aan de Omgevingswet. Onder deze wet zijn alle van nature in het wild levende soorten beschermd. Dit houdt in dat voor die soorten een zorgplicht geldt om natuurlijke instandhouding te waarborgen. Dit kan conflicteren met actief. Onder bepaalde omstandigheden en aan voorwaarden verbonden, kan worden overwogen een hogere prioriteit toe te kennen aan de bestrijding van plaagsoorten dan aan de beschermde status van specifieke soorten.

In de praktijk doen zich geregeld situaties voor waarin plaagsoorten aanwezig zijn op locaties waar ook beschermde soorten voorkomen, of waar de ecologie van grote waarde is. Effectief bestrijden van de plaagsoorten vraagt daar bijvoorbeeld om het afgraven van het wortelmateriaal, of om het helemaal kaal maaien van de locatie. Het bestrijden van de plaagsoort levert daarmee op de korte termijn schade op voor beschermde soorten of ecologisch waardevolle plekken. Op de lange termijn is het bestrijden van de plaagsoort er juist op gericht om de ecologisch waardevolle soorten te behouden.

Een voorbeeld hiervan doet zich voor op locaties waar het waterschap grote waternavel wil verwijderen, maar dit niet kan doen omdat de natuurbeheerder van die locatie geen toestemming verleent vanwege de aanwezigheid van rode lijst soorten. Waterschap en natuurbeheerder treden hier met elkaar in gesprek. Het belang van natuurbescherming en het belang van plaagsoortenbestrijding lijken hier tegenover elkaar te staan. Als een plaagsoort op korte óf langere termijn natuurwaardes bedreigt zet het waterschap in op het bestrijden van de plaagsoort, waarbij zo min mogelijk schade wordt aangebracht aan de betreffende gewenste soorten en er goed overleg plaatsvindt met de natuurbeheerder. Als hier ingrijpende ruimtelijke inrichtingsmaatregelen aan te pas komen, dient hiervoor een ontheffing bij de provincie aangevraagd te worden. Voor het beheren van een dergelijke locatie volstaat een door een ecoloog goedgekeurd werkprotocol.

4.7.2 Onzichtbare tegenstrijdigheden

Watercrassula levert een ‘onzichtbare’ tegenstrijdigheid op. Deze soort verdringt gemakkelijk andere soorten, zoals zonnedauw en andere rode lijstsoorten. Voor watercrassula is nog geen doeltreffende bestrijdingsmethode gevonden. Deze plant verspreidt zich heel makkelijk en snel en valt bijna niet op tussen andere planten, het is een hele kleine plant met kleine blaadjes en bloemetjes. Dat is bij het uitvoeren van onderhoud erg lastig, want hoe kun je rekening houden met plaagsoorten als je niet weet dat ze er zijn? Het waterschap zal in veel gevallen ongemerkt de plaagsoort niét bestrijden.

Hoofdstuk 5: Organisatie en proces

5.2 Do

5.2.1 Bepalen strategie

De eerste stap betreft het kiezen van een strategie. Om tot deze strategie te komen wordt de beslisboom uit paragraaf 4.6 gebruikt. Het is voor ieder waterschap zaak de keuze van strategieën op een integrale manier te maken door de juiste inhoudelijk betrokken collega’s hierbij te betrekken.

5.2.2 Coördinatie en uitvoering (inclusief nazorg)

Wanneer de strategie gekozen is wordt deze, gecombineerd met het werkprotocol van de betreffende plaagsoort, tot uitvoer gebracht. Hierbij hoort ook het traject van nazorg, zie paragraaf 4.5. Een voorbeeld hiervan is het controleren op en handmatig verwijderen van nieuwe uitlopers van grote waternavel op een traject waar recent is ingezet op eliminatie door rigoureus alles te verwijderen.

1De uitvoering van de bestrijding van plaagsoorten is een taak van de operationele uitvoerende teams in de buitendienst: de rayons/districten en de dijkbeheerders. De voorbereiding, uitvoering en evaluatie wordt centraal aangestuurd en gevolgd door de interne ‘werkgroep plaagsoorten’.

5.2.3 Registratie en monitoring

Het registreren en monitoren van plaagsoorten vormt een wezenlijk sturingsonderdeel van het beheer en daarmee van de PDCA cyclus (Plan Do Check Act).

Registratie en monitoring is essentieel voor:

•Het bepalen van de aard en ernst van plaagsoorten in het gebied;

•Het prioriteren van de aanpak van de plaagsoorten;

•De beoordeling van waar welke bestrijdingsstrategie nodig is;

•Het volgen van de effectiviteit van de bestrijding (type maatregel, uren, middelen en kosten);

•Kennis van plaagsoorten actualiseren;

•Het evalueren en aanpassen van het beleid;

•De benodigde informatie (verspreidingsgegevens) leveren voor landelijk beleid (o.a. EU verordening; zie hoofdstuk 2: bestaande beleidskaders en Europese Exoten Verordening ).

•Onderbouwing van de strategie t.b.v. communicatie met andere partijen;

2Dit betekent dat medewerkers in het veld (zoveel mogelijk in combinatie met reguliere beheer- en onderhoudswerkzaamheden) noteren waar ze welke plaagsoorten aantreffen en deze doorgeven aan de verantwoordelijke afdeling. Dit gebeurt zoveel mogelijk digitaal. Gebruiksvriendelijke apps stimuleren dit.

Naast het interne gebruik van deze registratiegegevens worden deze per waterschap centraal geregistreerd in de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). Hierdoor ontstaat een waardevol actueel overzicht van de plaagsoorten in het beheergebied en in de rest van de provincie. Deze gegevens zijn ook door externen te raadplegen.

Beleidsuitgangspunt: registratie, opslag en ontsluiting van verspreidingsgegevens van plaagsoorten zal vanaf 2021 binnen elk waterschap centraal worden georganiseerd en gefaciliteerd voor de gehele organisatie.

5.2.4 Kennisontwikkeling

Er zijn nog veel kennisleemtes op het gebied van de problemen die plaagsoorten veroorzaken en effectieve bestrijdingsmethodes. Zo is van de groep ‘watergebonden planten’ redelijk goed inzicht in de problemen die deze soorten veroorzaken, maar er is landelijk nog onvoldoende kennis beschikbaar over de invloed van de groep ‘watergebonden dieren’. Verwacht wordt dat deze een negatief effect hebben op inheemse ecosystemen en dat dit daarmee ook effect kan hebben op de te realiseren ecologische doelen van o.a. de KRW.

De focus bij planten en dieren ligt vooralsnog bij soorten die voorkomen in het eigen beheergebied en waarvan bekend is dat deze kunnen leiden tot schade. Het is belangrijk dat (inter)nationale ontwikkelingen in mogelijkheden van innovatieve/nieuwe bestrijdingsmethoden verkend en in de gaten gehouden worden op toepasbaarheid (handelingsperspectief). Bij het kiezen van de juiste bestrijdingsmogelijkheden laat het waterschap zich bij voorkeur voorlichten door officiële instanties zoals de Nederlandse Voedsel –en Warenautoriteit (NVWA), de STOWA en kennisinstituten.

Het waterschap deelt zijn kennis en houdt het kennisniveau m.b.t. plaagsoorten op nationaal niveau (en Vlaanderen) actueel door deel te nemen aan werkgroepen, contact te houden met STOWA, kennisinstituten, Team Invasieve Exoten (NVWA) en de Unie van Waterschappen (UvW). Zo hebben de Brabantse waterschappen zitting in de Werkgroep Plaagsoorten, onderdeel van het Platform Watersysteemonderhoud (PWSO) van de UvW. Deze werkgroep functioneert als adviesgroep voor beleidsmakers, bestrijders, onderzoekers en overheden.

Beleidsuitgangspunt: het waterschap houdt zich op de hoogte van de landelijke kennisontwikkelingen en zal relevante onderzoeken naar het effect, de bestrijdingswijze en -effectiviteit van voor het waterschap relevante plaagsoorten volgen en waar wenselijk initiëren of stimuleren (via met name STOWA).

5.7 Communicatie en opleidingen

5.7.1 Interne communicatie

Het is van belang om te zorgen voor een goede voorlichting en opleiding van waterschapsmedewerkers in het veld en (inhuur)personeel. Speciale aandacht moet uitgaan naar de aannemers (o.a. uitvoering bagger- en maaibestekken).

Onderstaande media zijn hiervoor (digitaal) beschikbaar:

•Veldgids beheer & onderhoud;

•Factsheets per soort;

•Werkprotocollen en werkinstructies;

•Presentaties in werkoverleggen/voorlichtingsmomenten aannemers (toolbox bijeenkomsten);

•Intranet of ander intern platform;

•Geoweb;

•Herkenningskaarten, gidsen van het ministerie of andere waterschappen.

Bijlage 1: Wettelijk kader

INTERNATIONALE KADERS

•Europese Verordening (1143) betreffende preventie en beheer van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten – 2015

De Europese Verordening beschrijft invasieve uitheemse soorten (IUS) als een grote veroorzaker van het verlies aan biodiversiteit naast het feit dat zij sociale en economische schade toebrengen. De EU vindt de aanpak van IUS van cruciaal belang om de EU-doelstelling te behalen om tegen 2020 het biodiversiteitsverlies tot stilstand te hebben gebracht. De doelstelling van de verordening is het instellen van een EU-kader van acties ter voorkoming, beperking en vermindering van de negatieve gevolgen van IUS op biodiversiteit en ecosystemen en om de economische en sociale schade te verminderen. Met de verordening wordt gestreefd om meer afstemming tussen de lidstaten te bereiken om IUS preventief en reactief aan te pakken. Dit in lijn met de internationale verplichtingen uit hoofde van het Biodiversiteitsverdrag uit 1993. Om deze doelstellingen te behalen worden er maatregelen ingesteld die zijn gericht op de bewuste introductie van IUS in de Unie en de bewuste uitzetting ervan in het milieu, de onbewuste introductie en uitzetting van IUS, de noodzaak voor het instellen van een systeem voor vroege waarschuwing en snelle reactie en de noodzaak om de verspreiding van IUS door de Unie te beheersen.

Voor de soorten die op de lijst staan, geldt een algemeen verbod om ze in te voeren, te kweken, te fokken, te verhandelen en te bezitten. Hiernaast geldt voor soorten die zich nog niet gevestigd hebben in ons land, de verplichting om deze volledig en permanent te verwijderen.

•Kaderrichtlijn Water – 2000

De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die voorschrijft dat de waterkwaliteit van de Europese wateren vanaf 2015 aan bepaalde eisen moet voldoen. De maatlatten opgesteld ten behoeve van de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water meten het functioneren van het aquatische ecosysteem, daarbij rekening houdend met alle aanwezige stressfactoren. Het is dus een integrale beoordeling, die niet expliciet gericht is op exotische soorten, plaagsoorten en hun effecten. Als soorten echter gaan domineren in een watersysteem, dan worden andere soorten vaak verdrongen en zal de ecologische waterkwaliteit laag zijn volgens het maatlattensysteem. Een lage maatlatscore is voor de waterkwaliteitsbeheerder aanleiding om de oorzaak van de verlaagde ecologische kwaliteit te onderzoeken. Bij alle oorzaken, dus ook bij plaagsoorten, zal de waterbeheerder maatregelen op basis van kosteneffectiviteit afwegen ten opzichte van de baten van die maatregelen.

De Kaderrichtlijn Water stelt verplichtingen ten aanzien van de ecologische kwaliteit van watersystemen. De Kaderrichtlijn Water kan daarmee een aanleiding zijn om maatregelen tegen plaagsoorten in te zetten.

•De Bern Conventie: Convention on the Conservation of European Wildlife and Natural Habitats – 1982

De Bern Conventie beschermt de wilde flora en fauna en hun habitats. Onder de Bern Conventie is een werkgroep (“group of experts”) opgericht rond invasieve exoten. Deze werkgroep heeft zo’n twintigtal aanbevelingen geschreven die richting geven aan de aanpak van invasieve exoten. Daarnaast heeft de Bern Conventie een stuk als opzet voor Code of Conducts cq. Gedragscodes voor invasieve planten opgesteld waarin ook wet- en regelgeving in verschillende landen rond invasieve planten wordt beschreven.

De Bern Conventie heeft de eerste aanzet tot beleidsvorming rond invasieve exoten gegeven, maar schept geen directe verplichtingen voor de waterschappen.

•Biodiversiteitsverdrag: Convention on Biological Diversity - 1993

Deze internationale overeenkomst geeft in algemene bewoordingen aan hoe de verbonden landen hun biodiversiteit dienen te beschermen. Nederland heeft hier een National Biodiversity Strategy and Action Plan op gemaakt waar ook in algemene termen het speerpunten van het biodiversiteitsbeleid aangegeven worden. Plaagsoorten en invasieve exoten worden slechts zijdelings benoemd.

Het Biodiversiteitsverdrag geeft input voor nationaal beleid.

NATIONALE KADERS

•Visserijwet- 1963

Alle activiteiten die ondergebracht kunnen worden onder de handeling “vissen”, vallen onder de Visserijwet. Daarnaast is de wet van toepassing op een aantal soorten, als bedoeld in artikel 1.2 van de Visserijwet (Uitvoeringsregeling visserij). In het bijzonder op de Amerikaanse rivierkreeft en Chinese wolhandkrab. Op basis van de Visserijwet kunnen nadere beperkingen worden gesteld aan de bevissing, alsmede aan het uitzetten van de in de Visserijwet genoemde soorten. De genoemde beperkingen kunnen afhankelijk van de situatie (soort, gebied) ofwel in de vorm van generieke regelgeving, ofwel in de vorm van nadere beperkingen in uit te geven vergunningen, hun beslag krijgen.

•Omgevingswet 2024

In de Omgevingswet staan beschermingsregels voor de Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Vanwege de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 2024 is de wet Natuurbescherming komen te vervallen. Zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming zijn nu in de Omgevingswet geregeld. Exoten komen van nature niet voor in Nederland, deze vallen buiten de Omgevingswet. Deze nota gaat echter over plaagsoorten. Onder strenge voorwaarden kan van de Omgevingswet in dat soort gevallen worden afgeweken.

De Omgevingswet geeft de kaders aan binnen waar binnen het plaagsoortenbeleid moet blijven. De provincies zijn hiervan bevoegd gezag. Eventuele ontheffingen moeten ook bij hen worden aangevraagd.

Conform de Omgevingswet (artikel 10.3 lid 1 en 2) zijn de aanliggende eigenaren verplicht om maaisel dat vrijkomt bij het onderhouden van leggerwaterlopen. De verplichtingen van de Omgevingswet heeft direct betrekking op de afvoer van maaisel met plaagsoorten.

Voortvloeiend uit de Omgevingswet zijn aanliggende eigenaren verplicht om maaisel met plaagsoorten te ontvangen.

•Protocol Zwemmersjeuk (Trichobilharzia) - 2012

De omgang met zwemmersjeuk is in de (inter)nationale wetgeving niet expliciet geregeld. Het doel van het protocol is om vast te leggen hoe op een eenduidige manier omgegaan kan worden met zwemmersjeuk. Het protocol is een hulpmiddel waarin staat aangegeven wie, wanneer welke stappen kan nemen.

Waterschap Rivierenland volgt de handreiking bij het opstellen van risicoprofielen voor zwemmersjeuk.

•Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden– 2007

De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biocide (Wgb) regelt de toelatingen van bestrijdingsmiddelen (gewasbeschermingsmiddelen en biociden). Uitgangspunt is dat het verboden is een bestrijdingsmiddel op de markt te brengen en te gebruiken als er geen toelating voor dat middel is. Het middel mag bovendien alleen toegepast worden voor het toegelaten gebruik. De toelatingen en gebruiksvoorschriften zijn terug te vinden op de website van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Middelen om dieren te doden heten biociden. Voor het doden van dieren zal over het algemeen geen toegelaten middel bestaan in Nederland en zal er vrijstelling bij de NVWA moeten worden aangevraagd.

Zodra gewasbeschermingsmiddelen of biociden ingezet worden als deel van een maatregel tegen een plaagsoort dan moet voldaan worden aan de wettelijke gebruiksvoorschriften van die middelen. Anders dient vrijstelling aangevraagd te worden van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

•Teeltvoorschrift wilde haver

Dit teeltvoorschrift verplicht ondernemers in bepaalde provincies wilde haverplanten van hun terrein te verwijderen en te vernietigen voordat het zaad begint uit te vallen of uiterlijk:

o vóór 1 juli in de provincies Utrecht, Zuid-Holland, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en Limburg;

o vóór 15 juli in de provincies Groningen, Friesland, Drenthe, Flevoland, Overijssel en Noord-Holland.

•Teeltvoorschrift knolcyperus

Voor percelen die met knolcyperus zijn besmet, geldt een teeltverbod. Op deze percelen mogen geen akkerbouwgewassen en tuinbouwgewassen worden geteeld. Ook de teelt van maïs en graszoden is dan verboden. Daarnaast moet de gebruiker van het perceel maatregelen nemen om de knolcyperus te vernietigen en verspreiding tegen te gaan. Bovendien gelden maatregelen voor het gewas dat op het veld staat, op het moment dat de knolcyperus wordt aangetroffen.

Het teeltvoorschrift schept verplichtingen voor ondernemers, niet voor water- of terreinbeheerders. Desondanks is het raadzaam als waterschappen de verplichtingen, indien nodig, naleeft om als overheid bij te dragen aan de eliminatie van wilde haver.

•Convenant waterplanten – 2010

Het convenant waterplanten was een overeenkomst tussen de Unie van Waterschappen, diverse handelaren in waterplanten, de branche van tuicentra en waterplantenkwekers en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het convenant waterplanten is opgeheven maar wordt hier aangehaald omdat het in de waterschapswereld een bekende overeenkomst was. Eén van de bepalingen van het convenant was dat de waterschappen jaarlijks gegevens aanleveren over het vóórkomen en bestrijden van de soorten onder het convenant waterplanten. De waterplantenhandel zegde met de ondertekening van het convenant toe de soorten onder bijlage 1 niet meer te verhandelen. Bijlage 2 soorten werden alleen verkocht begeleid met informatie over de invasiviteit van de soort met de waarschuwing ze niet in het oppervlaktewater te gooien. De labels van de bijlage 2 soorten waren voorzien van het logo van het convenant waterplanten.

Het convenant waterplanten is opgeheven met de komst van de exotenverordening.

•Blauwalgenprotocol – 2012

Het blauwalgenprotocol wordt met enige regelmaat ge-update. De laatste versie stamt uit 2012 en geeft handvaten hoe om te gaan met blauwalgen op locatie. Het protocol bevat een schema om het risiconiveau per locatie te bepalen en beschrijft de monitoringsmethodes en hoe de resulterende data te interpreteren.

Waterschap Rivierenland volgt het blauwalgenprotocol voor monitoring van en informatievoorziening over blauwalgen in een zwemwaterlocatie.

•Regelgeving en leidraad beheersing eikenprocessierups - 2013

Vanuit een analyse van verschillende wetten wordt geconcludeerd “dat gemeenten, boom- en terreineigenaren, terreinbeheerders en wegbeheerders de bestrijding van eikenprocessierupsen (epr) actief ter hand moeten nemen. Daarbij zal men in het oog moeten houden dat ook monitoring van de ontwikkeling van epr en waarschuwen voor de aanwezigheid van epr onderdeel kan zijn van de taak van bovenstaande groepen eigenaren en beheerders.” (Visser en Goudzwaard, 2011).

De Leidraad beheersing eikenprocessierups biedt professionele beheerders de bouwstenen om goede beheerkeuzes te maken. Naast het uitgewerkte stappenplan voor risico-inventarisatie, waarnemen en registreren en beheersmaatregelen, biedt de leidraad informatie over de eikenprocessierups, de te treffen voorzorgsmaatregelen bij de bestrijding, over het opruimen van rupsrestanten, het juridisch kader en aandachtspunten voor het inrichten van de organisatie en communicatie bij instanties. De leidraad bevat ook een beslisschema om te bepalen welke methode in aanmerking komt, aan de hand van risicoinventarisatie en monitoring.

•De wetgeving geeft aan dat het waterschap op de aanwezigheid van de eikenprocessierups moet wijzen.

REGIONALE KADERS

•Distelverordeningen provincies:

Het doel van de distelverordening is het voorkómen van overlast door grotere concentraties van de moeilijk te bestrijden akkerdistel en/of akkermelkdistel. Elke provincie heeft zijn eigen distelverordening:

o Distelverordening provincie Zuid-Holland – 1986: Met de distelverordening kunnen Burgemeester & Wethouders van een gemeente, grondeigenaren en grondgebruikers verplichten de gronden te zuiveren van distels behorende tot de soort Cirsium arvense (= akkerdistel);

o Distelverordening provincie Utrecht - 1994: De rechthebbende van gronden is verplicht deze te zuiveren van akkerdistel (Cirsium arvense) en akkermelkdistel (Sochus arvensis) voordat zij in bloei komen indien deze distels overlast voor de aangrenzende gronden kunnen veroorzaken;

o Akkerdistelverordening Noord-Brabant – 2007: De gebruikers, eigenaren, erfpachters of vruchtgebruikers van gronden zijn verplicht eigen gronden, voor zover het betreft landbouwgronden of een strook van 100m daaraan grenzend, te zuiveren van akkerdistels (Cirsium arvense), voordat zij tot bloei komen.

Op basis van de distelverordeningen van de provincies dienen de waterschappen overlast door grotere concentraties van akkerdistel en akkermelkdistel te voorkómen.

Bijlage 2: plaagsoorten waar deze nota van toepassing op is

Soort

Soortgroep

Prioriteit voor waterschap

Afghaanse duizendknoop

Landplant

Middel

Alligatorkruid

Waterplant

Laag

Amerikaans bezemgras

Landplant

Laag

Amerikaanse brul-/stierkikker

Amfibie

Laag

Amerikaanse voseekhoorn

Zoogdier

Middel

Amoergrondel

Vis

Laag

Aziatische hoornaar

Insect

Middel

Ballonrank

Landplant

Laag

Bastaardduizendknoop

Landplant

Hoog

Beverrat

Zoogdier

Hoog

Blauwband

Vis

Laag

Boheemse duizendknoop

Landplant

Hoog

Californische rivierkreeft

Geleedpotige

Hoog

Chinese struikklaver

Landplant

Laag

Chinese wolhandkrab

Geleedpotige

Hoog

Egeria densa

Waterplant

Laag

Fraai lampenpoetsergras

Landplant

Laag

Geelbuikschildpad

Reptiel

Middel

Geelwangschildpad

Reptiel

Laag

Geknobbelde amerikaanse rivierkreeft

Geleedpotige

Hoog

Gestekelde duizendknoop

Landplant

Middel

Gestreepte koraalmeerval

Vis

Laag

Gevlekte amerikaanse rivierkreeft

Geleedpotige

Hoog

Gewone gunnera

Landplant

Middel

Grijze eekhoorn

Zoogdier

Laag

Grote kroosvaren

Waterplant

Laag

Grote vlotvaren

Waterplant

Laag

Grote waternavel

Waterplant

Hoog

Heilige ibis

Vogel

Laag

Hemelboom

Landplant

Middel

Hoog pampagras

Landplant

Laag

Huiskraai

Vogel

Laag

Hydrilla verticillata

Waterplant

Laag

Indische mangoeste

Zoogdier

Middel

Japans steltgras

Landplant

Middel

Japanse duizendknoop

Landplant

Hoog

Japanse klimvaren

Landplant

Laag

Kleine waterteunisbloem

Waterplant

Laag

Knolcyperus

Landplant

Middel

Kudzu

Landplant

Laag

Lettersierschildpad

Reptiel

Hoog

Marmerkreeft

Geleedpotige

Middel

Mesquite

Landplant

Laag

Moeraslantaarn

Waterplant

Laag

Muntjak

Zoogdier

Laag

Muskusrat

Zoogdier

Hoog

Nieuw-Zeelandse landplatworm

Invertebraat

Hoog

Nijlgans

Vogel

Middel

Ongelijkbladig vederkruid

Waterplant

Laag

Oosterse hop

Landplant

Laag

Pallas' eekhoorn

Zoogdier

Laag

Parelvederkruid

Waterplant

Laag

Perzische berenklauw

Landplant

Hoog

Reuzenbalsemien

Landplant

Middel

Reuzenberenklauw

Landplant

Hoog

Rivierkreeften

Geleedpotige

Hoog

Rode amerikaanse rivierkreeft

Geleedpotige

Hoog

Rode neusbeer

Zoogdier

Laag

Roodwangschildpad

Reptiel

Middel

Rosse stekelstaart

Vogel

Laag

Roze rimpelgras

Landplant

Laag

Sachileense duizendknoop

Landplant

Hoog

Schijnambrosia

Landplant

Middel

Siberische grondeekhoorn

Zoogdier

Laag

Smalle theeplant

Waterplant

Laag

Smalle waterpest

Waterplant

Laag

Sosnowsky's berenklauw

Landplant

Hoog

Struikaster

Landplant

Middel

Talgboom

Landplant

Laag

Treurmaina

Vogel

Laag

Verspreidbladige waterpest

Waterplant

Laag

Wasbeer

Zoogdier

Middel

Wasbeerhond

Zoogdier

Laag

Watercrassula

Waterplant

Laag

Waterhyacint

Waterplant

Laag

Watersla

Waterplant

Laag

Waterteunisbloem (grote)

Waterplant

Laag

Waterwaaier

Waterplant

Middel

Wilgacacia

Landplant

Laag

Zijdeplant

Landplant

Middel

Zonnebaars

Vis

Laag

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.