Waterschapswetten

Beleidsuitwerking Peilbeheer - 2026

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard · geldt sinds 20 maart 2026

Aanhef

De verenigde vergadering van Schieland en de Krimpenerwaard;

op voordracht van dijkgraaf en hoogheemraden van Schieland en de Krimpenerwaard van 14 oktober 2025

B E S L U I T :

De beleidsuitwerking peilbeheer (2025) vast te stellen en de beleidsuitwerking peilbeheer (2018) in te trekken.

[De aanhef bevat een kennelijke verschrijving, hier wordt bedoeld: De beleidsuitwerking peilbeheer (2026) vast te stellen en de beleidsuitwerking peilbeheer (2018) in te trekken.]

Samenvatting

Het beheer van de waterstanden in sloten, plassen en vaarten, ook wel peilbeheer genoemd, is een van de kernactiviteiten van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). Het gebied van HHSK ligt vrijwel volledig onder zeeniveau. HHSK stelt op basis van een brede belangenafweging vast wat het beste waterpeil is voor een bepaald gebied. Vervolgens proberen we in de praktijk de waterstanden zo goed mogelijk te handhaven volgens dit peil, dat we vastleggen en toelichten in een peilbesluit.

Bij de belangenafweging voor een peilbesluit zijn onder meer het grondgebruik volgens het omgevingsplan, milieufactoren, risico’s op schade en de beheer- en betaalbaarheid van het watersysteem van belang, waarbij het grondgebruik volgens het omgevingsplan in principe leidend is.

Het hoogheemraadschap kiest waar passend vanuit de belangenafweging en waar praktisch haalbaar voor een vorm van flexibel peilbeheer. Het peil van het oppervlaktewater wordt daarbij binnen vooraf bepaalde marges geregeld, en niet op één hoogte gehouden.

In grote delen van het gebied van HHSK daalt de bodem. Daarbij is regelmatig de vraag of de waterstanden de bodemdaling volgen, of niet.

In stedelijk gebied en glastuinbouwgebied passen we de waterpeilen niet of beperkt aan aan bodemdaling. We verwachten dat eigenaren en gebruikers van terreinen zorg dragen voor voldoende hoogte van terreinen, bebouwing en voorzieningen.

In agrarisch veenweidegebied zoeken we naar een balans tussen enerzijds grondgebruik (veelal melkveehouderij) mogelijk blijven maken, en anderzijds (de maatschappelijke kosten van) bodemdaling en uitstoot van broeikasgas uit veen te beperken.

We streven in peilgebieden in het agrarisch veenweidegebied naar 40 cm gemiddelde drooglegging in de zomerperiode – of lager als dat nu al de situatie is. Dit betekent dat de gemiddelde hoogte van de grond in een peilgebied in een droge periode maximaal 40 cm boven het slootpeil ligt.

Waar dit het geval is, is het vertrekpunt bij een peilafweging om de peilen aan te passen (te verlagen) op basis van de opgetreden bodemdaling. Dit wordt ook ‘peilen indexeren’ genoemd.

Waar de gemiddelde zomerdrooglegging groter is dan 40 cm, is het vertrekpunt om de peilen een periode niet aan te passen aan bodemdaling tot deze drooglegging is bereikt.

Bij peilbesluiten op basis van deze beleidsuitwerking kijken we met nadruk naar de deelgebieden binnen een peilgebied die een veel kleinere drooglegging hebben dan het gemiddelde van het peilgebied. Mocht dit tot problemen leiden, dan overwegen we bij het opstellen van een peilbesluit om peilgebieden te splitsen

Randvoorwaarde bij een keuze voor peilindexatie is dat het niet leidt tot onaanvaardbare, onomkeerbare schade. Waar peilaanpassing niet meer mogelijk is op korte of langere termijn, brengen we dit onder de aandacht van de desbetreffende belanghebbenden en instanties, zodat die hiermee rekening kunnen houden in het gebruik, de functietoekenning en de ontwikkeling van het gebied.

Het vaststellen van de begrenzing van peilgebieden is onlosmakelijk verbonden met de peilafweging. We streven naar vergroting van de veerkracht en doelmatigheid van het watersysteem door niet onnodig veel peilgebieden te creëren en de totale lengte aan peilscheidingen beperkt te houden. Concreet betekent dit dat we in peilbesluiten onderzoeken of we peilgebieden kunnen samenvoegen. Bij zeer grote peilgebieden kan juist een splitsing overwogen worden.

Soms kunnen lokale belangen vragen om een andere waterstand dan in het omringende peilgebied. HHSK kan dan op basis van de waterschapsverordening een vergunning verlenen voor een ‘afwijkend peil’. Het toetsingskader hiervoor is uitgewerkt in de beleidsregel afwijkende peilen. Nieuwe vergunningen voor permanente onderbemalingen worden niet verleend.

Nieuwe vergunning voor hogere peilen kunnen onder voorwaarden worden verleend. HHSK spant zich in om bestaande afwijkende peilen op te heffen of samen te voegen, indien dit mogelijk is vanuit het grondgebruik. Als een afwijkend peil na herbeoordeling bestaansrecht heeft, wordt een individuele vergunning verleend.

Door sturing via gemalen, stuwen en inlaten voeren we het peilbeheer in de praktijk uit. De mate van sturing hangt af van de weersomstandigheden. Het waterschap kan sturing inzetten om te anticiperen op neerslag, droogte of wind. De sturing beïnvloedt ook de waterkwaliteit; ecologisch en chemisch. Ook kan sturing nodig zijn om te voorkomen dat te zout rivierwater wordt ingelaten om de wateren op peil te houden. Met de sturing streeft HHSK ernaar om problemen en nadelige effecten niet naar de toekomst (afwenteling in tijd) of naar andere plaatsen (afwenteling in ruimte). Zo proberen we met het peilbeheer ons gebied nu en in de toekomst op een duurzame manier leefbaar te houden.

Begrippenlijst

Afwijkend peil:

Een afgebakend gedeelte van een peilgebied waarvoor een vergunning van toepassing is voor een van het peilbesluit afwijkend waterpeil. Dit kan zowel een hoger als lager waterpeil betreffen. Ook “peilafwijking” genoemd.

Bandbreedte:

Het verschil tussen een boven- en ondergrens, bijvoorbeeld bij een flexibel waterpeil.

Beheermarge:

De beheermarge is de tijdelijke afwijking van het waterpeil in een peilgebied die optreedt als gevolg van natuurlijke verschijnselen en ingrepen die nodig zijn om het na te streven peil te handhaven. Voorbeelden hiervan zijn: tijdelijk verhang door aan- en uitzetten van het gemaal, verhoging van het waterpeil tijdens wateraanvoer of door opwaaiing of afwaaien.

Bodemdaling:

De mate waarin de bovenkant van de bodem daalt in een bepaalde tijd. Diverse processen kunnen de daling veroorzaken. Ook "maaivelddaling” genoemd.

Drooglegging:

Het hoogteverschil tussen het waterpeil in een waterloop en het naastgelegen grondoppervlak/maaiveld.

Flexibel peil:

Een peilregime waarin een waterstand tussen een vastgestelde onder- en bovengrens wordt nagestreefd. Dit kan op verschillende manieren ingevuld worden.

Fundering op staal:

Een funderingswijze waarbij de muren rechtstreeks op de bodem rusten. Dit in tegenstelling tot een fundering op palen, waarbij de muren via palen op een diepere bodemlaag rusten.

Hoogwatervoorziening:

Vergunde peilafwijking waar een hoger waterpeil wordt gevoerd dan in het vastgestelde peilgebied. Ook “opmaling” genoemd.

Indexatie:

Geleidelijke aanpassing van het waterpeil aan een verandering, zoals de maaivelddaling. Ook “peilindexatie” genoemd.

Maaivelddaling:

De mate waarin de bovenkant van de bodem daalt in een bepaalde tijd. Diverse processen kunnen de daling veroorzaken. Ook “bodemdaling” genoemd.

Onderbemaling:

Vergunde peilafwijking waar een lager waterpeil wordt gevoerd dan in het vastgestelde peilgebied.

Ontwateringsdiepte:

Het verschil tussen het maaiveld (bovenzijde grond) en de grondwaterstand op dat punt.

Opmaling:

Vergunde peilafwijking waar een hoger waterpeil wordt gevoerd dan in het vastgestelde peilgebied. Ook “hoogwatervoorziening” genoemd.

Peil:

Hoogte van het oppervlaktewater ten opzichte van NAP (Normaal Amsterdams Peil). Ook “waterpeil” genoemd.

Peilafweging:

Afweging met bijbehorende onderbouwing op welke hoogte het waterpeil ingesteld moet worden.

Peilafwijking:

Zie: “afwijkend peil”.

Peilbeheer:

Inspanningsverplichting voor het beheren van de waterstand van het oppervlaktewater in een bepaald gebied, gericht op het handhaven van het vastgestelde peilregime of waterhoogte binnen de vastgestelde bandbreedte.

Peilbesluit:

Besluit van een waterschap over de hoogte van het waterpeil.

Peilgebied:

Een peilgebied is een waterstaatkundige eenheid waarbinnen hetzelfde waterpeil of peilregime wordt beheerd.

Peilfixatie:

Het gelijk houden van het waterpeil ten opzichte van NAP, ook als er sprake is van maaivelddaling.

Peilindexatie:

Geleidelijke aanpassing van het waterpeil aan een verandering, zoals de maaivelddaling. Ook “indexatie” genoemd.

Peilscheiding:

Een object (zoals een dam) dat oppervlaktewater tegenhoudt, zodat het niet naar een peilgebied met een lager peil kan stromen. Peilscheidingen hebben over het algemeen een kleinere kerende hoogte dan waterkeringen.

Schouwpeil:

In het peilbesluit vastgesteld peil dat het referentieniveau vertegenwoordigd voor het voeren van de schouw, het beoordelen van vergunningen en het uitvoeren van onderhoud aan watergangen. Bij een flexibel peil wordt in het algemeen uitgegaan van de ondergrens.

Vast peil:

Een peilregime waarbij één waterpeil wordt nagestreefd.

Waterkering:

Een object (zoals een dijk of dam) dat oppervlaktewater tegenhoudt, zodat het niet naar lager liggend land kan stromen.

Waterpeil:

Zie: “peil”

Waterstand:

Hoogte van het oppervlaktewater op een bepaald moment ten opzichte van NAP (Normaal Amsterdams Peil).

Weging van het Waterbelang

De inschatting van de gevolgen voor het watersysteem en -beheer van een ruimtelijk plan. Eerder ook bekend als ‘Watertoets’.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.