Aanhef
Deze beleidsregel gaat over diverse activiteiten in het beperkingengebied van openbare wegen in de Krimpenerwaard, voor zover vergunningplichtig op grond van de waterschapsverordening Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.
Opmerkingen met betrekking tot de regeling
Deze beleidsregel geeft specifieke richtlijnen en toetsingscriteria voor een specifieke activiteit. Daarnaast gelden altijd de bepalingen met betrekking tot de zorgplicht en de algemene regels uit de waterschapsverordening.
Toetsingscriteria voor activiteiten met betrekking tot het wegbeheer
1. Algemeen
1.1. Kader
Het uitvoeren van verschillende activiteiten in en langs openbare wegen in de Krimpenerwaard binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) is in veel gevallen vergunningplichtig op grond van de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Deze beleidsregels geven aan hoe het hoogheemraadschap vergunningaanvragen voor het uitvoeren van enkele van deze activiteiten beoordeelt, hoe belangen worden afgewogen en welke eisen daarbij kunnen worden gesteld.
De vergunningplicht voor de verschillende activiteiten in en langs de openbare wegen is vastgelegd in de artikelen 11.10, 11.14, 11.17, 11.22, 11.26, 11.31, 11.32, 11.35, 11.38, 11.39 en 11.42 van de waterschapsverordening. Voor de activiteiten geldt in bepaalde gevallen een meldplicht.
1.2. Doel
Deze beleidsregels geven uitleg aan de regels in de waterschapsverordening over activiteiten welke volgens de waterschapsverordening Hoofstuk 11 gericht zijn op het behoeden van de staat en werking van openbare wegen voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wegen, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg behoort en het behoeden van de ecologische kwaliteit van eco-bermen voor nadelige gevolgen van activiteiten in die bermen.
In hoofdstuk 3, 4 en 5 zijn specifieke beleidsregels opgenomen voor vergunningaanvragen voor activiteiten met betrekking tot uitwegen, kabels en leidingen en aansluitende wegverhardingen. Vergunningaanvragen voor andere activiteiten worden beoordeeld op grond van, hoofdstuk 2.
In de afbeelding op de volgende pagina zijn ter verduidelijking een aantal van de gebruikte begrippen weergegeven.
4. Beleidsregel kabels en leidingen
4.1. Toelichting op de regels
Het is noodzakelijk om de aanleg van kabels en leidingen in de directe omgeving van de openbare weg te reguleren. Kabels en leidingen kunnen de weg aantasten. Voor de aanleg van kabels en leidingen moet er in de weg gegraven of geboord worden. Schade en lekkages komen regelmatig voor en kunnen grote gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid en de instandhouding van de weg. Wanneer bijvoorbeeld vloeistof uit een leiding lekt, stroomt de grond mee en ontstaan er verzakkingen. Schade en lekkages zijn bovendien moeilijk op tijd te constateren. Is er schade dan vraagt dat vaak veel hersteltijd. Het aantal kabels en leidingen in de openbare weg moet daarom zo beperkt mogelijk worden gehouden.
4.2. In alle wegen zonder eco-bermen geldende regels
Deze regels gelden voor kabels en leidingen in alle categorieën van wegen zonder eco-bermen.
1) Kabels en leidingen die een weg kruisen worden aangelegd door middel van een sleufloze techniek. Alleen als dit niet mogelijk is dan worden kabels en leidingen aangelegd door middel van een open ontgraving.
Het door middel van een sleufloze techniek aanbrengen van kabels en leidingen in de weg heeft de voorkeur omdat de weg zonder ontgraving op grotere diepte wordt gekruist en er geen kans op schade is aan de weg. Er zijn echter situaties waarbij toepassen van een sleufloze techniek niet mogelijk is. Bijvoorbeeld als de bestaande kabel of leiding waarop aangesloten wordt al onder de wegverharding ligt.
2) Kabels en leidingen die een weg kruisen moeten de weg zoveel mogelijk haaks kruisen. De kruising moet zo kort mogelijk worden gehouden.
Het is van belang om schade aan de weg te beperken. Door een kruising zo kort mogelijk te houden is de kans op schade aan de wegen kleiner. Mocht een haakse kruising niet mogelijk zijn dan zal dat door de initiatiefnemer moeten worden onderbouwd.
3) Kabels en leidingen die parallel aan de weg worden aangelegd, worden aangelegd buiten de weg. Als er geen andere oplossing is dan de kabels en leidingen binnen de weg te leggen moet aangetoond worden waarom het gaat om een onvermijdelijke situatie en er geen reëel alternatief bestaat.
Het aanleggen van kabels en leidingen evenwijdig aan de weg is niet in het belang van het in stand houden, het onderhoud van de weg en voor toekomstige verbeteringswerken. Gezien bijvoorbeeld maatschappelijke en ruimtelijke belangen en beperkingen is er soms echter geen andere oplossing dan de kabel of leiding langs de weg te leggen.
4) Kabels en leidingen die parallel aan de weg worden aangelegd, worden aangelegd buiten de wegverharding in de berm door middel van een sleufloze techniek of door middel van een open ontgraving. Aanleg van de kabels en leidingen door middel van een open ontgraving is alleen toegestaan als:
-de kabels en leidingen worden aangelegd met een minimale gronddekking van 0,65 meter;
-de sleuf kan worden gegraven op minimaal 0.65 meter uit de kant van de rijbaan;
-er wordt gewerkt buiten het profiel dat ligt onder de lijn die een hoek van 45 graden maakt met de zijkant van de wegverharding, zie afbeelding.
Om schade aan de wegfundering te voorkomen moeten kabels en leidingen op voldoende afstand uit de wegverharding en buiten een wegprofiel worden aangelegd. Kabels en leidingen worden aangelegd met een minimale gronddekking zodat de berm gebruikt kan worden, zonder dat de kabel of leiding daardoor beschadigd.
5) Kabels en leidingen die over een weg heen gaan worden met de onderkant van een kabel of leiding minimaal 4,20 meter boven de weg aangelegd. Voor de hoogte wordt uitgegaan van de feitelijk aanwezige weghoogte.
Als een kabel of leiding niet in een weg kan worden ingegraven maar er overheen gaat moet in verband met het gebruik van de weg voldoende hoogte onder de kabel of leiding aanwezig zijn. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een bovengronds elektriciteitsnet.
6) Proefsleuven of las- of aansluitgaten die in de openbare weg worden gegraven hebben een oppervlakte van maximaal 4 m². Bij een grotere oppervlakte zal de weg ter plaatse van de proefsleuven of las- of aansluitgaten over de gehele wegbreedte moeten worden voorzien van een nieuwe fundering en asfaltverharding.
Het is van belang om de oppervlakte van proefsleuven of las- of aansluitgaten te beperken. Hierdoor is de schade aan de wegen kleiner. Mocht een grotere oppervlakte noodzakelijk zijn dan zal dat door de initiatiefnemer moeten worden onderbouwd. Aan het herstel van de weg kunnen nadere voorschriften worden verbonden.
4.3. In wegen met eco-bermen geldende regels
1) Kabels en leidingen die een weg met een eco-berm kruisen worden aangelegd door middel van een sleufloze techniek. Het boren van de kabels en leidingen vindt plaats vanaf een punt buiten de weg.
Door het door middel van een sleufloze techniek aanbrengen van kabels en leidingen in de weg met een eco-berm is er geen ontgraving nodig in de berm. Hierdoor vindt er geen verstoring plaats van de ondergrond en flora en fauna in de berm.
2) Kabels en leidingen die parallel aan de weg met een eco-berm worden aangelegd, worden aangelegd buiten de weg. Als er geen andere oplossing is dan de kabels en leidingen binnen de weg te leggen, moeten de kabels en leidingen worden aangelegd door middel van een sleufloze techniek. Het boren van de kabels en leidingen vindt plaats vanaf een punt buiten de weg.
3) Kabels en leidingen die over een weg met een eco-berm heen gaan worden met de onderkant van een kabel of leiding minimaal 4,20 meter boven de weg aangelegd. Voor de hoogte wordt uitgegaan van de feitelijk aanwezige weghoogte.
Als een kabel of leiding niet in een weg kan worden ingegraven maar er overheen gaat moet in verband met het gebruik van de weg voldoende hoogte onder de kabel of leiding aanwezig zijn. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een bovengronds elektriciteitsnet.
4) Niet meer in gebruik zijnde kabels en leidingen mogen alleen uit de eco-bermen worden verwijderd als wordt aangetoond dat het verwijderen van de kabels en leidingen noodzakelijk is. In dat geval kunnen extra voorschriften worden opgenomen ten aanzien van de werkperiode, werkwijze, fasering en afwerking van de sleuven. Niet verwijderde kabels en leidingen blijven in beheer en onderhoud bij de eigenaar van de kabels of leidingen.
De voorkeur gaat uit naar niet verwijderen van buiten bedrijf gestelde kabels en leidingen uit de eco-bermen. Hierdoor wordt voorkomen dat er schade ontstaat of verstoring plaats vindt van de ondergrond en flora en fauna in de berm. De eigenaar van de kabels en leidingen blijft verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de kabels of leidingen.
5) Proefsleuven of las- of aansluitgaten die in de openbare weg worden gegraven hebben een oppervlakte van maximaal 4 m². Bij een grotere oppervlakte zal de weg ter plaatse van de proefsleuven of las- of aansluitgaten over de gehele wegbreedte moeten worden voorzien van een nieuwe fundering en asfaltverharding.
Het is van belang om de oppervlakte van proefsleuven of las- of aansluitgaten te beperken. Hierdoor is de schade aan de wegen kleiner. Mocht een grotere oppervlakte noodzakelijk zijn dan zal dat door de initiatiefnemer moeten worden onderbouwd. Aan het herstel van de weg kunnen nadere voorschriften worden verbonden.