Aanhef
Deze beleidsregel gaat over activiteiten voor het aanbrengen, in stand houden en verwijderen van beplanting in het beperkingengebied van waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen, voor zover vergunningplichtig op grond van de waterschapsverordening Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.
Opmerkingen met betrekking tot de regeling
Deze beleidsregel geeft specifieke richtlijnen en toetsingscriteria voor een specifieke activiteit. Daarnaast gelden altijd de bepalingen met betrekking tot de zorgplicht en de algemene regels uit de waterschapsverordening.
Toetsingscriteria voor Beplanting
1. Algemeen
1.1. Kader
Het aanbrengen of verwijderen van beplanting binnen het beheergebied van HHSK is in veel gevallen vergunningplichtig op grond van de waterschapsverordening.
De vergunningplicht voor beplanting is vastgelegd in paragraaf 7.1 van de Waterschapsverordening. In oppervlaktewaterlichamen geldt voor het aanbrengen van beplanting in of bij een oppervlaktewaterlichaam in bepaalde gevallen een meldplicht en in andere gevallen een vergunningplicht. Voor het aanbrengen en verwijderen van beplanting in de kernzone van een waterkering geldt in een aantal gevallen een meldplicht. In alle andere gevallen geldt in de kernzone van waterkeringen een vergunningplicht.
De beplanting waar deze beleidsregel op doelt is het aanbrengen, hebben of verwijderen van opgaande (hout) beplanting, gewassen en vaste planten. Maaibare beplanting zoals de grasmat op waterkeringen of in onderhoudsstroken langs oppervlaktewaterlichamen wordt niet gerekend tot beplanting die vergunninplichtig is op grond van de Waterschapsverordening.
Deze beleidsregel gaat niet over het aanbrengen, in stand houden of verwijderen van beplanting bij een windwatermolen (wsv H10), voor zover dat gebeurt buiten het beperkingengebied van een waterkering of oppervlaktewaterlichaam. Binnen het werkingsgebied van windwatermolens gelden, aanvullend op eventueel van toepassing zijnde regels vanuit deze beleidsregel, regels op grond van hoofdstuk 10 van de Waterschapsverordening.
1.2. Doel
Deze beleidsregel geeft aan hoe het hoogheemraadschap vergunningaanvragen voor het aanbrengen of verwijderen van beplanting beoordeelt, hoe belangen worden afgewogen en welke eisen daarbij kunnen worden gesteld. De regels in de Waterschapsverordening over beplanting zijn volgens de Waterschapsverordening paragraaf 7.1 gericht op:
a.het beschermen van waterstaatswerken en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water en het aan- en afvoeren van water;
b.het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen; en
c.het vervullen van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het varen.
2. Beplanting in en bij OPPERVLAKTEWATERLICHAMEN
2.1. Voor alle oppervlaktewaterlichamen geldende regels
Deze regels gelden voor beplanting in het beperkingengebied van alle categorieën van oppervlaktewaterlichamen.
Deze regels gelden naast aanvullende specifieke regels per situatie.
1) Het aanbrengen van opgaande (hout) beplanting binnen de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam, anders dan in het kader van het aanbrengen van natuurvriendelijke oevers, wordt niet toegestaan.
Opgaande (hout) beplanting (niet maaibaar) zoals bomen en struiken belemmeren het functioneren van de watergang en de mogelijkheid om onderhoud uit te voeren. Er zijn situaties denkbaar waarbij het, afwijkend van de overige criteria uit deze beleidsregel, vanuit bijvoorbeeld het oogpunt van natuurbeheer wenselijk is beplanting binnen een oppervlaktewaterlichaam te realiseren. Afgezien van de specifieke uitgangspunten en situaties uit deze beleidsregel wordt per geval beoordeeld hoe het belang daarvan zich verhoudt tot het waterstaatkundig belang en of/hoe dat afdoende kan worden gewaarborgd. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor (delen van) beplanting die uitsteken boven het water.
2) Het aanbrengen van beplanting in een oppervlaktewaterlichaam ten behoeve van een natuurvriendelijke oever wordt toegestaan onder de voorwaarde dat de beplanting van de natuurvriendelijke oever buiten het minimaal benodigde watervoerende profiel aangebracht wordt.
Door het aanbrengen van de beplanting voor de natuurvriendelijke oever buiten het benodigde watervoerende profiel wordt het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam voor het aan- en afvoeren van water niet belemmerd.
3) Bij een vergunningaanvraag kijken we naar de omvang of situatie als de boom of beplanting volgroeid is.
Jonge aanplant is vaak klein en lijkt weinig problematisch. Over een aantal jaren is deze aanplant gegroeid of volgroeid. Daarom moet bij het plaatsen rekening gehouden worden met de verwachtte groei.
4) Bij de beoordeling van de activiteit wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen van en eisen aan het watersysteem.
Gezien de verwachte levensduur van eenmaal aangebrachte beplanting (vooral bomen) moet voldoende ruimte in stand blijven voor toekomstige ontwikkelingen en aanpassingen van het watersysteem, mede in verband met ruimtelijke ontwikkelingen en klimaatveranderingen. Deze bepaling is ook van belang waar water wordt gegraven tot in de onmiddellijke nabijheid van beplanting: het water moet ook dan doelmatig onderhouden kunnen worden.
5) In vaarwegen en andere bevaarbare wateren kunnen nadere eisen worden gesteld met het oog op de vaargelegenheid. De Beleidsuitwerking Varen HHSK biedt hiervoor nadere uitgangspunten.
Op veel wateren in het beheergebied wordt gevaren. Aan beplanting kunnen nadere eisen worden gesteld om de scheepvaart (recreatievaart) niet onnodig te beperken of te hinderen en ervoor te zorgen dat het vaarverkeer veilig en vlot gebruik kan blijven maken van het water. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om de breedte en de doorvaarthoogte van het water, om ruimte voor eventuele toekomstige verbeteringen van het vaarwater en om zichtlijnen in bochten en bij kunstwerken, zoals bruggen.
6) Het oppervlaktewaterlichaam en de bijbehorende kunstwerken moeten op een duurzame, kostenefficiënte manier kunnen worden beheerd en onderhouden.
De aanwezigheid van beplanting langs een oppervlaktewaterlichaam kan het onderhoud en de inspectie bemoeilijken. Onder beheer verstaan wij ook de inspectie, bediening en vervanging van kunstwerken. De onderhoudsverplichtingen mogen ook niet – zonder overeenstemming daarover – worden afgewenteld op anderen. Onevenredige meerkosten voor het waterschap moeten worden voorkomen.
2.2. Beplanting bij oppervlaktewaterlichamen voor aan- en afvoer
De bepalingen in deze paragraaf gelden, naast de bepalingen uit 2.1, binnen de beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen voor aan- en afvoer.
7) Beschermingszones worden vrijgehouden van beplanting voor zover dat nodig is voor de uitvoering van het onderhoud van het water.
De beschermingszones langs een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer zijn in veel gevallen tevens van belang om het onderhoud van het water te kunnen uitvoeren, bijvoorbeeld met rijdend materieel. De beschermingszones moeten dan vrij blijven van obstakels waardoor het onderhoud niet op doelmatige wijze kan worden uitgevoerd.
8) Waar geen onderhoudsstrook hoeft te worden vrijgehouden mag beplanting worden aangebracht tot minimaal 0,50 m uit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam.
Het profiel van de watergang moet in stand gehouden kunnen worden. Bij opgaande (hout) beplanting in de taluds en dichter dan 0,5 meter uit de insteek van de watergang wordt dit lastig. In specifieke gevallen zoals natuurvriendelijke oevers kan hier een uitzondering op gemaakt worden, zie criterium regel 1.
9) In oppervlaktewaterlichamen voor aan- en afvoer bedraagt de afstand tot een gemaal ten minste 10 meter; bij een ander kunstwerk kan, afhankelijk van de situatie, eventueel met minder afstand worden volstaan.
Voldoende afstand tussen beplanting en waterstaatkundige kunstwerken is nodig in verband met onderhoud en inspectie en om(daarbij) schade te voorkomen. Het hangt van de situatie en de aard van het kunstwerk af hoeveel afstand nodig is. Veelal geldt hierbij een ondergrens van 5 meter. Uitzonderingen kunnen eventueel worden overwogen op basis van criterium 1 van deze beleidsregel.
Volledig vrije onderhoudsstrook
Een volledig vrije onderhoudsstrook is vaak nodig in situaties met beperkte vrije ruimte, zoals langs bebouwing of kassen. Er is dan sprake van een onderhoudsstrook waar met rijdend materieel onderhoud uitgevoerd wordt.
10) In volledig vrije onderhoudsstroken wordt geen vergunning verleend voor het aanbrengen van beplanting.
Om onderhoudsmaterieel te laten passeren zonder risico op schade aan boom of materieel is het van belang om ruimte vrij te houden op en boven de onderhoudsstroken. De volledige breedte van de onderhoudsstroken moet tot een hoogte van tenminste 4,00 meter vrij zijn van takken, bomen, struiken en ander belemmerend groen. Zie Figuur 2.
Figuur 2: Volledig vrije onderhoudsstrook
Niet volledig vrije onderhoudsstrook
In situaties met veel vrije ruimte kan incidentele beplanting of een bomenrij in de onderhoudsstrook aanwezig zijn.
11) Bomen in een onderhoudsstrook worden alleen toegestaan als er (blijvend) voldoende manoeuvreerruimte voor het onderhoudsmaterieel aanwezig is.
Dit kan als hier bij de ruimtelijk inrichting rekening mee gehouden is, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van parallelle infrastructuur, waardoor hier geen bebouwing of andere belemmeringen te verwachten zijn.
12) Voor bomen in een onderhoudsstrook geldt dat er tussen bomen minimaal een ruimte van 5,00 meter breed beschikbaar is.
13) Bomen in een onderhoudsstrook moeten zo worden onderhouden dat tot een hoogte van tenminste 4 meter geen takken aanwezig zijn.
Om onderhoudsmaterieel te laten passeren zonder risico op schade aan boom of materieel is het van belang dat er voldoende manoeuvreerruimte is, de bomen ver genoeg uit elkaar staan en hoog genoeg (zie Figuur 3) opgesnoeid blijven.
Figuur 3: Onderhoudsstrook met bomen
14) Incidentele beplanting als bosschages en dergelijke, wordt op de onderhoudsstrook toegelaten mits deze het doelmatig machinaal onderhoud niet belemmeren. Parallel aan het water mag zo’n bosschage daarom niet langer dan 3,00 m zijn.
Met het oog op voorkomen van hittestress, schaduw voor waterleven, beleving, biodiversiteit moet er ruimte zijn voor enkele bomen en struiken nabij het water.
15) Beplanting in een onderhoudsstrook wordt op een afstand van minimaal 0,5 meter uit de insteek aangebracht.
2.3. Aanvullende beoordelingscriteria voor beplanting m.b.t. krw-oppervlaktewaterlichamen
Onderdeel 1. Toepassingsbereik beoordelingscriteria uit deze paragraaf
De regels in deze paragraaf gelden voor:
a.beplanting die van invloed kan zijn op een krw-oppervlaktewaterlichaam; en
b.beplanting die wordt geplaatst in een oppervlaktewaterlichaam dat door de Provincie Zuid-Holland als krw-oppervlaktewaterlichaam is aangewezen of in de directe omgeving daarvan.
In subonderdeel b van het eerste onderdeel is een dynamische verwijzing opgenomen naar het regionaal waterprogramma van PZH. Op deze manier hoeft de beleidsregel niet opnieuw te worden vastgesteld iedere keer dat PZH een wijziging aanbrengt in de lijst met krw-oppervlaktewaterlichamen.
Onderdeel 2. Algemeen aanvullend criterium: krw-oppervlaktewaterlichamen
1Voor de activiteit wordt alleen een omgevingsvergunning verleend als is voldaan aan de voorwaarden uit artikel 1.12a van de Waterschapsverordening, voor zover deze voorwaarden betrekking hebben op een krw-oppervlaktewaterlichaam.
2De achteruitgang van de chemische toestand en de achteruitgang van de ecologische toestand aangewezen krw-oppervlaktewaterlichamen wordt voorkomen, net als het belemmeren van een verbetering van die toestanden.
3Voor zover het gaat over een stof of kwaliteitselement uit bijlage III van Besluit kwaliteit leefomgeving die voor krw-oppervlaktewateren geldt, wordt achteruitgang van de toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam geacht te zijn voorkomen als het krw-oppervlaktewaterlichaam:
a.in dezelfde toestandsklasse is gebleven of in een hogere terecht is gekomen; of
b.in de laagste toestandsklasse niet is verslechterd.
Een omgevingsvergunning voor een activiteit wordt geweigerd als die activiteit ertoe leidt dat achteruitgang optreedt van de chemische of ecologische toestand van een door PZH aangewezen krw-oppervlaktewaterlichaam of dat verbetering van die toestand wordt belemmerd.
Of sprake is van achteruitgang van die toestand of belemmering van verbetering daarvan wordt beoordeeld op grond van artikel 2.10 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het gaat over de chemische toestand, en op grond van artikel 2.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het gaat over de ecologische toestand.
Onderdeel 3. Hardheidsclausule
In afwijking van het tweede onderdeel kan een omgevingsvergunning worden verleend, voor zover:
a.is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 1.12b van de waterschapsverordening;
b.de omvang van de activiteit niet meer dan één procent van het ecologisch areaal beslaat; en
c.de omvang van de activiteit een negatief effect heeft op niet meer dan één procent van het ecologisch relevante areaal per kwaliteitselement, waarbij ook rekening wordt gehouden met eventuele cumulatieve effecten.
Deze hardheidsclausule volgt uit artikel 1.12b van de waterschapsverordening en wordt ingekleurd met landelijk beleid. De één-procent-regel is landelijk beleid dat door HHSK wordt overgenomen. Bij het vaststellen of een activiteit binnen de grenzen van de één-procent-regel valt zijn andere activiteiten relevant, omdat cumulatieve effecten ervoor kunnen zorgen dat de één-procent-grens wordt overschreden.
3. Beplanting bij WATERKERINGEN
3.1. Bij alle waterkeringen geldende regels
Deze regels gelden voor beplanting in alle categorieën van waterkeringen. Deze regels gelden naast de specifieke regels per situatie.
16) Bij een vergunningaanvraag kijken we naar de omvang of situatie als de boom of beplanting volgroeid is.
Jonge aanplant is vaak klein en lijkt weinig problematisch. Over een aantal jaren is deze aanplant gegroeid of volgroeid. Daarom moet bij het plaatsen rekening gehouden worden met de verwachtte groei.
17) Bij een vergunningaanvraag beschouwen we herplanten als het aanbrengen van nieuwe bomen en planten.
Het vervangen van bestaande beplanting op dezelfde locatie is ongewenst als dit volgens de regels van nieuwe beplanting niet zou worden toegestaan. Hiermee wordt bevorderd dat bestaande situaties die niet aan de huidige beleidsregels voldoen, maar waarvoor nog geen aanleiding is om deze actief te saneren, steeds minder voor zullen komen.
18) Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag wordt geen rekening gehouden met de mogelijk versterkende eigenschappen van een wortelpakket.
Een wortelpakket kan in theorie een dijk ook versterken. Dat is alleen lastig aan te tonen. Vandaar dat we dat niet meewegen bij het beoordelen van een vergunningaanvraag.
19) De aanwezigheid van beplanting mag inspectie en beheer van de waterkering niet onevenredig belemmeren en de zichtbaarheid van de waterkering is voldoende gewaarborgd.
De waterkeringen moeten inspecteerbaar blijven om schadebeelden zoals scheuren, verzakkingen, graverij en dergelijke te kunnen constateren. Afhankelijk van de situatie is een bodem bedekkende begroeiing of een hoge dichte haag daarom niet altijd toelaatbaar.
3.2. Primaire waterkeringen en voorliggende waterkeringen
Deze regels gelden naast die van 3.1
Boomvrij profiel
Om de risico’s van vooral bomen zoveel mogelijk te beperken, is een ‘boomvrij profiel’ bepaald, zie Figuur 5. In het profiel zijn afmetingen vastgelegd. De afstanden worden gemeten vanuit de kniklijnen (kruin- en teenlijnen) van het feitelijk aanwezige profiel.
Bij bomen wordt onderscheid gemaakt in hoge bomen (>5m) en lage bomen (< 5 m) vanwege het verschil in risico tussen deze twee categorieën.
Figuur 5: boomvrij profiel PWK en VWK
20) Werkzaamheden in de kernzone van de primaire waterkering die de waterkerende toestand verminderen worden uitgevoerd buiten het stormseizoen.
Ieder jaar voor 1 oktober inspecteren we de dijken, zowel de buitenzijde, kruin als de binnenzijde. We kijken of de dijken in orde en klaar zijn voor het ‘stormseizoen’ van 1 oktober tot 15 april. Tijdens het ‘stormseizoen’ zijn werkzaamheden op of in het buitentalud van dijken verboden. De dijken zijn als het ware ‘gesloten’ voor werkzaamheden, vandaar dat we ook spreken over het ‘gesloten seizoen’. Het doel van dit ‘gesloten seizoen’ is het beschermen van de dijk. De dijk moet in die periode het sterkst zijn, omdat de kans op (langdurig) hoogwater en storm dan groot is.
21) Bij een type 1-constructie kan in sommige gevallen van het boomvrij profiel worden afgeweken, zoals aangegeven in paragraaf 3.6.
Beheer en onderhoud moeten mogelijk blijven, maar een type 1-constructie kan bezwaren rondom de effecten op de veiligheid wegnemen.
22) Bij een zeer brede dijkkruin (overdimensionering) is een vergunning mogelijk voor bomen en beplantingen op de kruin.
Deze situaties komen vrij weinig voor. Per geval zal bekeken moeten worden in hoeverre er sprake is van overdimensionering en welke mogelijkheden die biedt. Een voorbeeld is de Maasboulevard in Rotterdam.
23) In een vergunning voor beplanting wordt een voorwaarde opgenomen dat snoeihout en bladafval van de boom of bomen telkens zo spoedig mogelijk uit de kernzone van de waterkering worden verwijderd.
Snoeihout en bladafval mogen niet op de grasmat blijven liggen omdat de erosiebestendigheid hierdoor afneemt.
Hoge bomen
Onder hoge bomen worden bomen verstaan die hoger dan 5 meter kunnen groeien en niet door onderhoud lager dan 5 meter blijven.
24) Plaatsen van hoge bomen mag alleen op een vlak deel (niet in het talud).
25) Het wortelpakket van hoge bomen moet buiten het boomvrije profiel blijven. Een standaard wortelpakket heeft een diepte van 1 meter en een cirkel met een straal van 2 meter rondom de boomstam. De dijkbekleding bij de voet van de stam moet erosiebestendig worden afgewerkt en onderhouden.
Om niet voor elke boomsoort een wortelomvang vast te hoeven stellen wordt uitgegaan van een standaard wortelpakket. Hiervan kan worden afgeweken als dit aantoonbaar niet passend is bij het type boom.
26) De afstand tussen bomen moet minimaal 5 meter zijn.
Dit is zowel vanwege de toegankelijkheid met onderhoudsmaterieel als vanuit een kleiner risico op grote ontgrondingen bij windworp nodig.
Lage bomen
Onder lage bomen worden bomen verstaan die blijvend worden onderhouden op een hoogte lager dan 5 meter boven maaiveld, zoals leibomen en knotbomen.
27) Plaatsen van lage bomen mag alleen op een vlak deel (niet in het talud) en buiten het boomvrijprofiel. Hierbij hoeft geen rekening te worden gehouden met het wortelpakket.
Het risico op ontgronding door omwaaien is bij lage bomen aanzienlijk kleiner, daarom zijn de eisen voor de locatie wat minder hoog dan bij hoge bomen.
28) Lage bomen moeten worden onderhouden op een maximale hoogte van 5 meter.
29) Knotten moet minimaal eens in de drie jaar geschieden.
Overige (hout)beplanting
Hieronder vallen struiken en laagblijvende beplanting om de tuin in te richten en de omgeving te verfraaien.
30) We verlenen geen vergunning voor een andere vorm van taludbekleding dan gras-, asfalt of steenbekleding, ook niet in combinatie met een bodembedekker
De kruin, het talud en het horizontale gedeelte van de berm moeten vrij blijven van beplanting anders dan gras om de erosiebestendigheid te borgen. Een grasbekleding kan ook een op de waterkering afgestemd kruiden- of bloemrijk mengsel zijn. Asfalt of steen: zie desbetreffende regels/beleidsregel
31) Er wordt geen beplanting toegestaan binnen een afstand van 0,5 meter uit de teenlijn van de dijk.
Er moet een strook van minimaal 0,5 meter vrijgehouden worden van beplanting in verband met de erosiebestendigheid en toegankelijkheid voor onderhoud en inspectie.
32) Beplanting op overdimensionering (een grotere dijk dan voor de waterveiligheid nodig is) mag als er geen gevaar is voor erosie.
Per geval zal moeten worden bekeken in hoeverre er sprake is van overdimensionering. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de legger en van ontwerptekeningen. Een mogelijke toepassing is bijvoorbeeld bij een haakse op- en afrit op 0,5 meter uit de doorgetrokken (fictieve) kruinlijn.
33) Buitendijks mag beplanting worden aangebracht op vlakke delen minimaal 5 meter uit de dijk.
Bij voorland op gelijke hoogte als de kruin wordt gemeten uit de (doorgetrokken theoretische) kruinlijn, bij aanwezigheid van een talud vanuit de teenlijn.
Verwijderen bestaande bomen en/of (hout)beplanting
34) In de vergunning wordt een voorschrift ogenomen dat dode, zieke, (gedeeltelijk) omgewaaide, zwaar beschadigde of gerooide bomen en beplanting moeten worden verwijderd.
35) Bij verwijdering van bomen en beplanting worden ook de wortelresten verwijderd.
Achtergebleven wortelresten vergaan na verloop van tijd waardoor holle ruimten kunnen ontstaan die weer lekkages kunnen veroorzaken.
36De wortelgaten moeten worden gevuld en gedicht met kleigrond van dezelfde samenstelling als de dijkbekleding en ingezaaid met een voor waterkeringen geschikt graszaadmengsel.
Een voor waterkeringen geschikt graszaadmengsel is een mengsel voor dijken van het type D1 of D2.
3.3. Achterliggende waterkeringen
Deze regels gelden naast die van 3.1
Achterliggende waterkeringen (voorheen secundaire waterkeringen) zijn waterkeringen die achter de primaire waterkering liggen en daar voor extra veiligheid zorgen bij falen van de primaire waterkeringen. Het beplantingsbeleid voor achterliggende waterkeringen is vooral gericht op het in stand houden van het huidige profiel, in overeenstemming met de voor deze regionale waterkeringen door PZH vastgestelde norm ‘Handhaven (theoretisch) profiel legger’.
Het leggerprofiel is vastgelegd in de legger, zoals bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, die is te vinden via www.hhsk.nl.
In Figuur 6 is schematisch aangegeven hoe dit er in profiel uitziet.
Figuur 6: Profiel Achterliggende waterkering
37) In de strook van 2,5 meter uit de as van de waterkering worden geen bomen toegestaan.
Bomen vormen, zeker als ze ouder zijn, een serieuze belemmering voor het uitvoeren van onderhoud ten behoeve van het in stand houden (ophoging) van het minimaal benodigde profiel.
38) Andere beplanting dan bomen is vergunbaar, voor zover het leggerprofiel hiervoor niet doorgraven wordt en het wortelpakket buiten dit profiel blijft.
Het minimale profiel van de waterkering moet zijn waterkerende functie blijven behouden. Doorgravingen en wortelpakketten kunnen deze functie bedreigen.
3.4. Boezemwaterkeringen en Peilscheidingen A en B
Deze regels gelden naast die van 3.1
Boezemwaterkeringen en peilscheidingen A voorkomen dat er water vanuit een hoger gelegen oppervlaktewaterlichaam de polder instroomt. Hiervoor moet de kade hoog en sterk genoeg zijn.
Peilscheidingen B voorkomen vooral dat er water van een hoger gelegen peilgebied naar een lagergelegen peilgebied stroomt. In het werkingsgebied van een peilscheiding B is alleen het plaatsen van bomen vergunningplichtig.
In de regels voor dit soort waterkeringen wordt het leggerprofiel van de waterkering als uitgangspunt genomen. De leggers, zoals bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, met daarin de profielen zijn te vinden via www.hhsk.nl.
Figuur 7: Voorbeeld boom op waterkering
Figuur 8: Voorbeeld struik op waterkering
39) De wortels blijven buiten het leggerprofiel van de waterkering (ook aan het eind van de levensduur van de beplanting (bomen 100 jaar, struiken en overige beplanting 50 jaar), rekening houdend met de optredende bodemdaling).
Zoals in figuur 7 en 8 is geïllustreerd, moet met profielen aangetoond worden dat de planthoogte en afstand zo zijn dat het minimale leggerprofiel niet doorsneden zal worden. Voor peilscheidingen B geldt dit alleen voor bomen.
40) Tenzij er redenen zijn om ergens anders vanuit te gaan (bijvoorbeeld vanwege bijzondere bomen) wordt voor het wortelpakket van de volgende afmetingen uitgegaan:
•bomen 4x1 m (Figuur 7);
•struiken en kleine bomen (knotwilgen, e.d.) 2 x 0,5 m (Figuur 8);
•lage beplanting worteldiepte 0,3 m.
41) Als beplanting voor onderhoud in de weg staat moet deze eenvoudig verwijderd kunnen worden of tegen ophoging rond de kluit kunnen.
Dit soort waterkeringen wordt in veel gevallen met een zekere regelmaat opgehoogd. De huidige wijze van beheer en onderhoud moet in stand kunnen blijven.
42) Bij kades die droogtegevoelig zijn (vetgedrukte dijkvakken in Bijlage 1: Lijst kadevakken en in rood aangegeven op bijlage 2: Kaart droogtegevoeligheid) mag er geen significante wateronttrekking plaats vinden. Hiertoe worden zowel de locatie als de onderlinge afstand en het type boom beoordeeld. Bomen zijn (en worden) niet hoger dan 5 meter en hebben een minimale onderlinge afstand van 10 meter (afgezien van de overige bepalingen).
Bij droogtegevoelige kades kan de onttrekking van water uit de bodem door bomen leiden tot versnelde verdroging. Dit kan weer leiden tot stabiliteitsproblemen en versnelde zettingen. Bij de indeling in droogtegevoelige kades is gekeken of buiten de eerste vijf meter uit de waterlijn veenpakketten aanwezig zijn.
3.5. Beplanting bij constructies in waterkeringen
Deze regels gelden naast die van 3.1 t/m 3.4
Er wordt onderscheid gemaakt in verschillende typen constructies. Elk type constructie brengt mogelijkheden en beperkingen met zich mee.
Type 1
Type 1-constructies bepalen de sterkte en hoogte van de dijk. Type 1-constructies zijn vaak een diepwand (betonnen wand diep in de dijk) of een kistdam (twee aan elkaar verankerde damwanden parallel in dijk). In plaats van een diepwand kan ook een zeer zwaar uitgevoerde damwand als type 1-constructie worden gebruikt.
Figuur 9: Voorbeelden van een type 1-constructie. In de eerste afbeelding een diepwand in de tweede afbeelding een kistdam.
43) Bij type 1-constructies gelden minder strenge eisen aan de erosiebestendigheid van het binnentalud. De inrichting van het binnentalud moet wel zodanig zijn dat het grondlichaam van de dijk in stand blijft.
Dat betekent dat het talud niet uit losse aarde mag bestaan, te inspecteren is en ook bereikbaar voor onderhoud is. Het buitentalud moet wel volledig erosiebestendig blijven om het ontwerp van de dijk in stand te houden. Voorbeeld van wat eventueel wel mag, is een lage smalle heg (hoogte <1m, breedte <0,5m).
44) Er moet rekening worden gehouden met een overgangszone van 5 meter tussen een gronddijk en een type 1-constructie.
Ter hoogte van de eerste 5 meter van de constructie blijven daarom de regels van een gronddijk zonder constructie van toepassing.
45) In principe blijft de vrije ruimte achter een type 1-constructie behouden voor toekomstige aanpassingen/versterkingen van de dijk.
Het boomvrij profiel blijft in deze situaties van toepassing. Dit is ook conform het bebouwingsbeleid voor gronddijken.
Type 2
Type 2-constructies bestaan meestal uit damwandconstructies. Ze worden aangebracht, omdat er onvoldoende ruimte is om de dijk in de grond te versterken. Type 2-constructies vormen samen met de gronddijk de waterkering en hebben alleen invloed op de stabiliteit van de waterkering.
Figuur 10: Voorbeeld van type 2-constructie
46) Omdat type 2-constructies alleen invloed hebben op de stabiliteit, gelden naast aanvullende eisen rondom deze constructies dezelfde uitgangspunten voor beplanting als voor een gronddijk.
Het hoogheemraadschap streeft op termijn naar dijkprofielen, waarbij deze constructies niet meer nodig zijn. Daarom biedt het beleid geen extra mogelijkheden voor beplanting bij type 2-constructies.
47) Het gebied van 3 meter rondom een type 2-constructie moet vrij blijven van permanente objecten, bomen en overige houtbeplanting.
Klimop en andere eenvoudige, niet diep wortelende beplanting is in sommige gevallen wel toegestaan. Wel is daar vooraf onze toestemming voor nodig.
48) Aanwezige drainagevoorzieningen moeten bereikbaar blijven.
Bij de constructies zijn vaak drainagevoorzieningen aangebracht voor de afvoer van grondwater. Voorzieningen als doorspuitputten moeten bereikbaar blijven voor het uitvoeren van onderhoud.
Erosieschermen
Erosieschermen zijn aangebracht om te voorkomen dat de dijk van buitenaf erodeert. Het schermt vervangt op voorland (een deel van) de buitenbekleding.
49) Aan de rivierzijde van het scherm kan het voorland op een niet-erosiebestendige wijze worden ingericht. Wel moet rekening worden gehouden met een overgangszone van 5 meter naar het voorland waar geen scherm is aangebracht.
Bijlage 1: Lijst kadevakken (Droogtegevoeligheid BWK)
BLE 001
BLE 048
PPA 002
ROT 027
SCH 017
BLE 002
BLE 049
PPA 003
ROT 028
SCH 018
BLE 004
BLE 050
PPA 005
ROT 029
SCH 019
BLE 005
BLE 051
PPA 006
ROT 030
SCH 020a
BLE 006
BLE 052
PPA 008
ROT 031
SCH 020b
BLE 008
BLE 053
PPA 010
ROT 032
SCH 021
BLE 009
BLE 054
PPA 011
ROT 033
SCH 022
BLE 010
BLE 055
PPA 012a
ROT 034
TMP 001
BLE 011
EDP 001
PPA 012b
ROT 035
TMP 002
BLE 012
EDP 002
PPA 013a
ROT 036
VLI 001
BLE 013
EDP 003
PPA 013b
ROT 037
VLI 002
BLE 014
EDP 004
PPA 016
ROT 038
VLI 003
BLE 015
EDP 005
PPA 018
ROT 039
VLI 004
BLE 016
EDP 006
PPA 020
ROT 040
VLI 005
BLE 017
EDP 007
PPA 022
ROT 041
VLI 006
BLE 018
GHI 001
PPA 023a
ROT 042
VLI 007
BLE 019
GHI 002
PPA 023b
ROT 043
VLI 008
BLE 020
GHI 003
RKP 001
ROT 044
VLI 009
BLE 021
GHI 004
RKP 002
ROT 045
VLI 010
BLE 022
GOU 001
ROT 001
ROT 046
VLI 011
BLE 023
GOU 002
ROT 002
ROT 047
VLI 012
BLE 024
GOU 003
ROT 003
ROT 048
VLI 013
BLE 025
GOU 004
ROT 004
ROT 049
VLI 014
BLE 026
GOU 005
ROT 005
SCH 001a
ZES001
BLE 027
GOU 006
ROT 006
SCH 001b
ZES002
BLE 028
GOU 007
ROT 007
SCH 002a
ZES003
BLE 029
KMG 001
ROT 008
SCH 002b
ZES004
BLE 030
LDS010
ROT 009
SCH 003
ZES005
BLE 031
LDS011
ROT 010
SCH 004a
ZES006
BLE 032
LDS012
ROT 011
SCH 004b
ZES007
BLE 034
LDS013
ROT 012
SCH 005
ZES008
BLE 035
LDS014
ROT 013
SCH 006
ZES009
BLE 036
LDS018
ROT 016
SCH 007
ZMK 001
BLE 038
LDS019
ROT 017
SCH 008
ZMK 002
BLE 039
LDS020
ROT 018
SCH 009
ZMK 003
BLE 040
LDS021
ROT 019
SCH 010
ZPP 001a
BLE 041
MVG 001
ROT 020
SCH 011a
ZPP 001b
BLE 042
MVG 002
ROT 021
SCH 011b
ZPP 002
BLE 043
MVG 003
ROT 022
SCH 012
ZPP 004
BLE 044
MVG 004
ROT 023
SCH 013
ZPP 005
BLE 045
MVG 005
ROT 024
SCH 014
ZPP 006
BLE 046
PPA 001a
ROT 025
SCH 015
ZPP 007
BLE 047
PPA 001b
ROT 026
SCH 016
ZPP 009