Waterschapswetten

Beleidsregel Aanbrengen verhard oppervlak 2024

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard · geldt sinds 1 januari 2024

Aanhef

Deze beleidsregel gaat over het aanbrengen van meer dan 500 m2 verhard oppervlak waarvan de neerslag geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, op een oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht, voor zover vergunningplichtig op grond van artikel 2.2, vierde lid, van de waterschapsverordening van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze beleidsregel geeft specifieke richtlijnen en toetsingscriteria voor een specifieke activiteit. Daarnaast gelden altijd de bepalingen met betrekking tot de zorgplicht en de algemene regels uit de waterschapsverordening

Toetsingscriteria voor aanbrengen verhard oppervlak

1. Algemeen

1.1. Kader

Het aanbrengen van meer dan 500m2 verhard oppervlak waarvan de neerslag geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, op een oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht binnen het beheergebied van HHSK is vergunningplichtig op grond van art. 2.2 lid 4 van de waterschapsverordening (WSV). Onder het aanbrengen van verhard oppervlak verstaan we het zodanig inrichten of bewerken van de bodem dat minder water in de ondergrond kan worden opgenomen en/of daar tijdelijk kan worden vastgehouden. Lid 5 van artikel 2.2 WSV bepaalt dat onder verhard oppervlak ook wordt verstaan: dakoppervlak en glastuinbouw.

Op lozingen kan tevens hoofdstuk 3 van de WSV van toepassing zijn, met name par.3.2, par.3.4 en par.3.10. Deze beleidsregel heeft geen betrekking op het aanbrengen van terreinverharding bij waterkeringen zoals bedoeld in par. 5.3 van de WSV; daar gaat het om het beschermen van waterkeringen tegen aantasting door het aanbrengen of wijzigen van terreinverharding. Wel kan op het aanbrengen van verhard oppervlak bij waterkeringen gelijktijdig WSV art. 2.2 lid 4 van toepassing zijn; en daarmee ook deze beleidsregel.

1.2. Doel

Deze beleidsregel geeft aan hoe het hoogheemraadschap vergunningaanvragen voor deze activiteit beoordeelt, hoe belangen worden afgewogen en welke voorwaarden aan de vergunning kunnen worden verbonden. De regels in de Waterschapsverordening over deze activiteit zijn, op grond van art. 2.1 van de WSV, gericht op:

a.de goede werking van het watersysteem;

b.het bewaren en beheersen van de samenhang tussen onderdelen van het watersysteem;

c.(het beschermen van de chemische kwaliteit van grondwaterlichamen; en)

d.de andere doelen, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid.

De andere relevante doelen uit art. 1.2 WSV voor deze activiteit zijn vooral de doelen uit art.1.2 lid 1, a: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste in samenhang met het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van de watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.

Op grond hiervan wordt er bij de beoordeling van de aanvraag in het bijzonder op gelet dat de activiteit geen onevenredige nadelige gevolgen heeft voor:

a.het beschermen van inwoners en bedrijven tegen wateroverlast en overstromingen;

b.het in stand houden van een effectief watersysteem;

c.het in stand houden van het waterpeil; en

d.een duurzame, kostenefficiënte manier van het beheren en onderhouden van waterstaatswerken.

Toelichting: Bij het wijzigen of aanleggen van waterstaatswerken stellen wij eisen, zodat de nieuwe situatie duurzaam voldoet aan de te stellen eisen, met het oog op de functies van het gebied. Bij het aanbrengen van verharding als bedoeld in artikel 2.2, vierde en vijfde lid, WSV gaat het voornamelijk om het voorkómen van ongewenste peilschommelingen en stroming van het oppervlaktewater (‘het systeemgedrag’) door een toename van verhard oppervlak.

1.3. Leeswijzer

In paragraaf 2 staat wanneer een waterhuishoudingsplan onderdeel is van de vergunningaanvraag en wat behandeld wordt in een waterhuishoudingsplan. In paragraaf 3 staat aan welke criteria het systeemgedrag van het oppervlaktewater moet voldoen na het aanbrengen van verhard oppervlak. In paragraaf 4 staat hoe de omvang van het verharde (het te verharden) oppervlak wordt bepaald. In paragraaf 5 staat hoe de compenserende maatregelen worden getoetst die nodig zijn om aan de criteria voor het systeemgedrag te voldoen.

5. Toetsen/vaststellen compensatiemaatregelen

5.1. Algemeen

Deze paragraaf bevat regels die altijd gelden voor compensatiemaatregelen voor het aanbrengen van afwaterend verhard oppervlak. Afhankelijk van de soort compensatiemaatregel gelden daarnaast de regels uit de paragrafen 5.2, 5.3 of 5.4.

Op de compensatiemaatregelen kunnen, afhankelijk van aard, omvang en locatie, ook andere vergunningplichten uit de WSV van toepassing zijn, zoals die voor het aanleggen of wijzigen van een waterstaatswerk (art.2.2 lid 1), activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor kwel of wegzijging (art.2.3), grondverzet (par.5.2).

12) Voor compenserende maatregelen voor het effect van een toenemend verhard oppervlak, en om bij een functiewijziging te gaan voldoen aan de wateroverlastnormen die daarvoor gelden, geldt de volgende voorkeursvolgorde:

(1) Berging in de vorm van oppervlaktewater;

(2) Berging in de vorm van een bergingsgebied;

(3) Alternatieve oplossingen; uitsluitend waar oppervlaktewater of bergingsgebied in bepaalde gevallen niet haalbaar zijn.

(4) Afvoeren van extra water naar elders: dit is in principe ongewenst, maar is soms – over zo kort mogelijke afstanden - onvermijdelijk bij (1), (2) of (3).

Overeenkomstig de Nota Watersystemen HHSK hanteren we de voorkeursvolgorde (trits) ‘vasthouden, bergen, afvoeren’. Onder vasthouden verstaan we primair dat de neerslag, daar waar die valt, op natuurlijke wijze infiltreert in de ondergrond; dit is betrokken bij het bepalen van het netto verhard oppervlak in paragraaf 4.

Ad (1) Berging in oppervlaktewater: dit is een robuuste oplossing die goed kan worden vastgelegd en in stand gehouden op grond van de legger en de Onderhoudsverordening van HHSK. Nadere uitgangspunten voor deze vorm van compensatie staan in paragraaf 5.2.

Ad (2) Bergingsgebied: soms ontbreekt redelijkerwijs de ruimte voor berging in oppervlaktewater of is dit om andere (waterstaatkundige) redenen niet gewenst of uitvoerbaar. In dat geval kan berging in de vorm van een bergingsgebied worden overwogen. Een bergingsgebied wordt eveneens vastgelegd in de legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet en de functie moet wettelijk ook zijn vastgelegd in het gemeentelijke Omgevingsplan. Nadere uitgangspunten voor deze vorm van compensatie staan in paragraaf 5.3.

Ad (3) Alternatieve oplossingen: voor zover berging in oppervlaktewater of een bergingsgebied niet tegen redelijke kosten kan worden gerealiseerd, kan in bepaalde gevallen worden overwogen om alternatieve oplossingen te realiseren. Nadere uitgangspunten voor alternatieve oplossingen staan in paragraaf 5.4.

Ad (4) Afvoeren van (extra) water naar elders is in principe ongewenst (‘niet afwentelen’) maar is soms onvermijdelijk waar voorzieningen ad (1), (2) of (3) op enige afstand van het aan te brengen verhard oppervlak liggen. Aan de desbetreffende oppervlaktewateren en kunstwerken worden waar nodig eisen gesteld overeenkomstig criterium 5) van deze beleidsregel en eventuele andere vergunningplichten uit de WSV.

13) Een eventueel surplus (‘overmaat’) aan compensatiemaatregelen van een bepaalde activiteit kan alleen worden toegerekend aan andere activiteit voor zover die voor die laatste activiteit voldoet aan de uitgangspunten van deze beleidsregel en afspraken hierover zijn vastgelegd tussen de initiatiefnemer en HHSK.

Om te bepalen of een overmaat aan compenserende maatregelen van een bepaalde effectief is voor een volgende activiteit, moeten die maatregelen voldoen aan de andere criteria uit deze beleidsregel voor die volgende activiteit. In de praktijk zal dat alleen het geval zijn voor activiteiten binnen hetzelfde peilgebied en/of op korte afstand en binnen een beperkte tijdsspanne vanaf de oorspronkelijke activiteit.

14) Het (waterstaatkundig) onderhoud van de compenserende voorzieningen berust, tenzij anders wordt bepaald, bij de initiatiefnemer. Indien voor HHSK meer dan reguliere beheer- en onderhoudskosten ontstaan dan komen die ten laste van de initiatiefnemer.

Het ligt voor de hand dat de initiatiefnemer het onderhoud van de compenserende maatregelen en voorzieningen verzorgt. De situatie en functie van de voorzieningen kunnen het echter wenselijk maken dat een andere partij het onderhoud uitvoert. Voor zover het onderhoud door HHSK wordt uitgevoerd worden de meerkosten verrekend voor zover die de gangbare kosten in vergelijkbare situaties te boven gaan (kostenveroorzakingsbeginsel, zie Nota Watersystemen HHSK).

15) De omvang van de compensatie in oppervlaktewater ligt altijd tussen de 5% en 20% van de netto toename van het verhard oppervlak.

Om te voorkomen dat in gebieden met een grote drooglegging of andere bijzondere situaties te sterke wisselingen in het oppervlaktewaterpeil gaan optreden of andere vormen van achteruitgang plaatsvinden, moet altijd minimaal 5% open waterberging worden gerealiseerd, of het equivalent daarvan in de vorm van bergingsgebied (5.3) of alternatieve oplossingen (5.4).

Om te voorkomen dat in gebieden met een zeer geringe drooglegging onevenredig veel open waterberging zou moeten worden gerealiseerd, is de hoeveelheid gemaximeerd op 20% van de netto toename van het verhard oppervlak; of het equivalent daarvan in de vorm van bergingsgebied (5.3) of alternatieve oplossingen (5.4).

5.2. Compensatie in oppervlaktewater

Naast de bepalingen uit paragraaf 5.1 gelden bij compensatie in de vorm van oppervlaktewater de volgende regels:

16) Waterberging in de vorm van oppervlaktewater wordt, voor zover redelijkerwijs mogelijk, gerealiseerd in het peilvak waarop het verharde oppervlak afwatert, op zo kort mogelijke afstand daarvan.

Om ongewenste peilschommelingen te voorkomen met het effect van het verharden moet worden gecompenseerd in het oppervlaktewater waarop de versnelde afvoer vanaf dat oppervlak van invloed is. Dus binnen het peilgebied waarin het verharde oppervlak ligt of in het aangrenzende peilgebied voor zover het daarop afwatert. Het aanleggen of verruimen van oppervlaktewaterlichamen is ook vergunningplichtig op grond van artikel 2.2 lid 1 van de WSV en/of de regels over grondverzet uit par.5.2 WSV.

17) Waar realisatie van compenserende waterberging in hetzelfde peilvak redelijkerwijs niet mogelijk is kan worden overwogen om waterberging in een aangrenzend benedenstrooms peilvak te realiseren, mits dit geen nadelige effecten heeft in beide peilvakken of elders in het gebied.

Als het effect van extra verhard oppervlak niet wordt gecompenseerd in hetzelfde peilvak wordt het water versneld afgevoerd naar een eventueel aangrenzend lager peilvak. In dat peilvak moeten dan compenserende maatregelen worden getroffen. En aan de wateren en kunstwerken waarlangs het wordt afgevoerd worden eisen gesteld overeenkomstig criterium 5) van deze beleidsregel, en in het kader van eventuele andere vergunningplichten uit de WSV, zoals voor het wijzigen van waterstaatswerken (WSV art.2.2 lid 1).

5.3. Compensatie in bergingsgebied

Naast de bepalingen uit paragraaf 5.1 gelden bij compensatie in de vorm van bergingsgebied de volgende regels:

18) Voor het realiseren van compensatie in de vorm van een bergingsgebied wordt altijd per geval een afweging gemaakt.

Het realiseren van een bergingsgebied stelt gezien de wettelijke uitgangspunten niet alleen eisen vanuit de waterhuishouding, maar de status (functie) moet ook in het omgevingsbeleid (omgevingsplan) van de gemeente zijn vastgelegd. Eventuele andere functies moeten met de bergingsfunctie te verenigen zijn. Het beheer en onderhoud van het bergingsgebied met de bijbehorende waterstaatkundige voorzieningen moet zijn gewaarborgd, ook voor de langere termijn.

Het aanleggen of wijzigen van een bergingsgebied is ook vergunningplichtig op grond van artikel 2.2, lid 1 van de WSV.

5.4. Alternatieve oplossingen

Naast de bepalingen uit paragraaf 5.1 gelden bij compensatie in de vorm van alternatieve oplossingen de volgende regels:

19) Waar in bestaand stedelijk gebied de ruimte voor berging in oppervlaktewater of bergingsgebied redelijkerwijs ontbreekt kunnen alternatieve oplossingen worden overwogen.

In de praktijk zijn deze alternatieve oplossingen veelal technisch oplossingen (‘kunstgrepen’) die het water tijdelijke vasthouden. Zoals in par. 5.1 is aangegeven geven wij, met het oog op een robuust en toekomstbestendig waterbeheer, de voorkeur aan oppervlaktewater (par.5.2) of bergingsgebied (par. 5.3). In bestaand stedelijk gebied is de ruimte hiervoor echter niet altijd tegen redelijke kosten beschikbaar; alleen in dat geval zijn wij bereid om alternatieve oplossingen te overwegen, onder de hiernavolgende uitgangspunten en overwegingen.

20) Per geval wordt getoetst of de alternatieve oplossing vanuit een oogpunt van waterbeheer aanvaardbaar is. De effectiviteit moet worden onderbouwd met praktijkgegevens of berekeningsmodellen.

De alternatieve voorziening moet de neerslag effectief kunnen verwerken, opslaan en weer af kunnen voeren.

21) De voorzieningen hebben robuuste afmetingen en worden zo min mogelijk versnipperd.

Robuuste afmeting houdt minimaal in dat de voorziening buien die eens in de honderd jaar vallen kunnen opvangen, nu en zolang de voorziening aanwezig is, rekening houdend met veranderende klimaatomstandigheden.

22) Met het oog op instandhouding, toezicht en handhaving hanteren we de volgende voorkeursvolgorde:

1Zichtbare voorzieningen in de publieke ruimte.

2Voorzieningen in de openbare ruimte die niet (direct) zichtbaar zijn, zoals ondergrondse voorzieningen.

3Zichtbare voorzieningen buiten de openbare ruimte.

4Niet (direct) zichtbare voorzieningen buiten de openbare ruimte.

Voorzieningen in de openbare ruimte kunnen eventueel ook worden vastgelegd in het omgevingsbeleid van de gemeente, of in afspraken tussen de gemeente en HHSK. En de werking en aanwezigheid van zichtbare voorzieningen is beter en gemakkelijke te controleren en te garanderen dan van voorzieningen die niet zichtbaar zijn. Daarom houden we deze voorkeursvolgorde aan.

23) De beschikbaarheid, het beheer en het functioneren moeten, ook op de langere termijn, afdoende zijn gewaarborgd. De initiatiefnemer dient bij de aanvraag altijd een beheer- en onderhoudsplan en een monitoringsplan in.

Omdat de alternatieve voorzieningen (meestal) geen waterstaatswerken zijn in de zin van de Omgevingswet, kan de instandhouding niet via legger en onderhoudsverordening van HHSK worden gegarandeerd. Op de langere termijn is vastlegging van de instandhouding en het beheer in een vergunning veelal niet afdoende en moet dit op aanvullende wijze worden gewaarborgd. Bijvoorbeeld in een overeenkomst of een kadastraal vastgelegd kettingbeding, zodat ook toekomstige eigenaren of gebruikers daaraan gebonden zijn.

24) De ledigingstijd van de voorziening ligt tussen 1 en 2 mm per uur of gebeurt op verzoek van het hoogheemraadschap.

De alternatieve voorzieningen moet na gebruik weer op tijd geleegd zijn voor een volgende bui. Te snelle lediging kan te grote belasting geven voor het oppervlaktewater.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.