Aanhef
Bekendmaking
De verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft op 9 juli 2025 de Nota peilbeheer (2025) vastgesteld.
Deze nota biedt de beleidskaders voor het peilbeheer en de peilbesluiten waar het waterschap verantwoordelijk voor is.
Besluit
De verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap van Rijnland,
gelezen het voorstel van dijkgraaf en hoogheemraden van 10 juni 2025, kenmerk 25.044851,
en gelet op artikelen 2.17 en 2.41 van de Omgevingswet,
besluit:
1De nota peilbeheer vast te stellen.
2De nota van beantwoording op de zienswijzen op de conceptnota peilbeheer vast te stellen.
De Nota peilbeheer (2025) luidt als volgt:
De visie van het peilbeheer is drieledig:
De volgende uitgangspunten zijn richtinggevend voor het peilbeheer:
Bijlagen
1Drooglegging en ontwatering
Drooglegging is het verschil tussen het maaiveld en het waterpeil. De ontwateringsdiepte is het verschil tussen het maaiveld en de grondwaterstand, zoals aangegeven in de figuur hieronder. Het waterpeil en de grondwaterstand zijn niet 1 op 1 gelijk aan elkaar. In zandige gebieden is de relatie vrij direct, door de goede doorlatendheid van deze bodems. Bij klei- en veenbodems is deze relatie veel zwakker. Door het aanleggen van drainage wordt extra ontwaterd en de ontwateringsdiepte daarmee vergroot. Bij percelen met bemalen drainage is de relatie tussen slootpeil en grondwaterstand losgekoppeld en heeft het peilbesluit nauwelijks invloed op de vochthuishouding in een perceel. De pomp in de put waar de drains op afwateren bepaalt dan het grondwaterpeil.
De ontwateringsdiepte en de bodemopbouw beïnvloedt de vochthuishouding en die is erg bepalend voor de geschiktheid voor het grondgebruik. Het grondgebruik is dan ook sterk gerelateerd aan de bodemopbouw, met uitzondering van woonwijken waar is opgehoogd. De gewenste ontwatering wordt beïnvloed door middel van de slootafstand en eventuele aanwezige drainage én de drooglegging. Bij het peilbesluit is daarom de drooglegging een belangrijke factor waarop het in te stellen peil wordt gebaseerd.
Voor de te kiezen droogleggingen zijn richtwaarden opgesteld, rekening houdend met normale gemiddelde meteorologische omstandigheden. Met het Nederlandse weer en (veranderend) klimaat is er daarom regelmatig sprake van afwijking van deze normaal gemiddelde situatie en is altijd sprake van variatie in de grondwaterstand. In onderstaande tabel zijn de richtwaarden gegeven voor droogleggingen. Deze gelden ook voor te vergunnen peilen in peilafwijkingen.
Bodemtype
Grondgebruik
Veen
[m]
Klei
[m]
Moerige gronden
[m]
Zand
[m]
Grasland
≤ 0,40*
0,80 – 0,95
0,85 – 0,90
0,85 – 0,90
Akkerbouw
-
0,90 – 1,25
0,95 – 1,10
0,90 – 1,05
Glastuinbouw
0,55
0,85
-
0,55 – 0,80
Boomteelt
0,45
0,85
-
-
Bollenteelt
-
-
-
0,45 – 0,70
Agrarisch + natuur
≤ 0,40
-
-
-
Natuur
Afhankelijk van natuurdoeltype
Stedelijk**
1,20
*Drooglegging van ~40 cm is de richtlijn, maar kleiner kan bij voldoende draagvlak.
** Stedelijk gebied is doorgaans opgehoogd met zandig materiaal, waardoor de genoemde droogleggingsrichtlijn maar beperkt geldt voor de verschillende bodemsoorten. Ook hebben veel stedelijke gebieden een kleinere drooglegging, zeker wanneer ze zonder kruipruimte of kelder zijn gebouwd, of in veengebied staan.
2Vormen van peilregimes
Onderstaande tabellen beschrijven de vormen van peilbeheer die Rijnland toepast.
Vast peil
Beschrijving
Gehele jaar vast peil
Voordelen
Vaste condities voor berging, drainage en kwel/infiltratie van grondwater
Nadelen/
Beperkingen
Geen aansluiting op ecologische processen
Niet op maat facilitering agrarisch of natuurlijk landgebruik
Toepasbaarheid
Vooral in stedelijk gebied ter voorkoming van
(grond-)wateroverlast
In droogmakerijen waar peilverlaging tot extra kwel leidt
Zomer- en winterpeil
Beschrijving
Onderscheid tussen hoger peil in de zomer en lager peil in de winter
Overgang in voor- en najaar afhankelijk van weersomstandigheden
Verschil tussen zomer- en winterpeil sterk gebiedsafhankelijk
Voordelen
Optimale condities voor agrarisch landgebruik door extra berging te creëren in de winter en grondwateraanvulling mogelijk te maken in voorjaar en zomer
Nadelen/
Beperkingen
Weinig aansluiting op ecologische processen
Vraagt extra water in de zomer als de watervraag het hoogst is en aanvoer vaak lastig is
In zowel de zomer- als de winterperiode mag het peil geen ongewenste effecten hebben op berging, kwel, ecologische omstandigheden, etc.
Toepasbaarheid
Effectief voor faciliteren agrarisch landgebruik
Maatwerk voor marge tussen zomer- en winterpeil
Schommelend peil: Flexibel – natuurlijk
Beschrijving
Peil natuurlijk laten fluctueren door omstandigheden (neerslag/verdamping) met een boven- en (meestal een) ondergrens
Voordelen
Sluit aan bij ecologische processen
Minder inlaten en uitmalen nodig en daarmee een meer zelfvoorzienend watersysteem
Nadelen/
Beperkingen
Weinig beheersbaar waardoor lage (grond-)waterstanden en inlaatbehoefte samen kan vallen in meest kritische periode (nazomer veenweidegebied met extra veenoxidatie)
Gevolgen faciliteren landbouwgronden suboptimaal
Bij boven- en ondergrens mag het peil geen ongewenste effecten hebben op berging, kwel, ecologische omstandigheden, afkalving oevers, uitspoeling stoffen, etc.
Peilfluctuatie vraagt wat van de inrichting van het gebied (inundatiezones) en watergangen en moet mogelijk gepaard gaan met andere inrichtingsmaatregelen (bv. onderwaterdrainages)
Toepasbaarheid
Natuurgebieden, recreatiegebieden, (nieuw) bebouwd gebied
Voor het faciliteren van andere functies zijn gevolgen onvoldoende bekend
Schommelend peil: Dynamisch – actief gestuurd
Beschrijving
Actief peilbeheer door middel van uitmalen en inlaten met een boven- en ondergrens
Bandbreedte kan variëren gedurende de seizoenen en is doorgaans groter dan de beheermarges die nu rondom zomer- en winterpeil worden aangehouden
Voordelen
Meer flexibiliteit in peilsturing
Meer doelen met het peilbeheer te behalen, door meer ruimte voor peilschommelingen
Grondwater- of bodemvocht gestuurd peilbeheer mogelijk
Nadelen/
Beperkingen
Vergt goede afstemming/sturing tussen bodem- en watersysteem om droogte- en natschade te voorkomen
Vergt grotere inzet van de peilbeheerder
Waterbeheerder mengt zich meer in de verantwoordelijkheid voor grondwater, wat bij terreineigenaren ligt
Eventuele onbedoelde afwijkingen van het peil moeilijker geautomatiseerd te signaleren
Kan extra uitspoeling van stoffen of oeverafkalving veroorzaken
Toepasbaarheid
Landbouwgebieden en stedelijk gebied
Nog kennisvragen over gevolgen voor functies en impact op het waterbeheer buiten én binnen
3Begrippenlijst
Actualisatietermijn
Vaste termijn die werd opgelegd met als doel te borgen dat een peilbesluit actueel is. Wanneer deze termijn verstreken is moet het peilbesluit worden herzien. De plicht om peilbesluiten actueel te houden is nog steeds opgenomen in de omgevingsverordeningen van de Provincies Noord- en Zuid-Holland maar de rigide vaste actualisatietermijn is weggelaten. Daarmee is het de verantwoordelijkheid van het waterschap om in te schatten of een peil nog actueel is en zo niet te herzien.
Beheermarge
Geeft de onvermijdelijke variatie aan van het peil binnen een peilvak door bijvoorbeeld de inzet van een gemaal of door de wind.
Bosbo
Beheersysteem dat ondersteunt bij het operationele peilbeheer in Rijnland en de peilen veelal automatisch inregelt.
Draineren
•Draineren doet men via drainage, bestaande uit leidingen (drains) in de grond, waar water kan infiltreren. Dit is gericht op het vergroten van de ontwatering, zodat het land voldoende draagkracht heeft en natschade wordt voorkomen. De drainage komt boven of in de sloten uit en het peilbeheer kan invloed hebben op de drainagewerking.
•Onderwaterdrainage wordt onder het slootpeil aangelegd waarbij water passief de buizen in- en uit kan lopen. Doel is ontwateren in natte perioden en beperken van het uitzakken van grondwaterpeilen in droge perioden. Het peilbeheer stuurt de drainage werking
•Bij bemalen- of drukdrainage kan actief het grondwaterpeil worden beïnvloed door bemaling (afvoer) of infiltratie (aanvoer). De drains komen meestal in een pompput uit en zijn dus onafhankelijk van het peilbeheer.
Drooglegging
Afstand tussen de maaiveldhoogte en het waterpeil.
Droogleggingsrichtlijnen
Geven de bandbreedtes van de drooglegging die past bij de functie. De richtlijnen zijn uitgesplitst voor de verschillende soorten grondgebruik en bodemtype. De richtlijnen zijn gebaseerd op theoretische modellen en praktijkervaring voor gemiddelde situaties. Onder specifieke omstandigheden zoals kwel/infiltratie of wijze van drainage kan aanleiding zijn voor afwijking.
Dynamisch peilbeheer
Een type schommelend peilbeheer waar het peil actief wordt gestuurd tussen een vastgesteld minimum en maximum, rekening houdend met het seizoen en de (afwijkingen) van het ‘gemiddelde’ weer. Zie ook Bijlage 2.
Flexibel peilbeheer
Een type schommelend peilbeheer waar het peil op natuurlijke wijze (neerslag + verdamping) schommelt tussen een vastgesteld minimum en maximum. Wanneer de grenzen bereikt worden, stuurt Rijnland actief (uitmalen of inlaten). Zie ook Bijlage 2.
Landgebruik (functie)
De functie/bestemming zoals deze door de algemene democratie is bepaald en vastgelegd in een formeel ruimtelijk plan.
Wateroverlastnormering
Normering voor bescherming tegen wateroverlast zoals vastgelegd in omgevingsverordeningen van de provincies. Deze normering differentieert per landgebruik. Hij geeft aan hoeveel land maximaal mag inunderen vanuit de watergangen bij een bepaalde herhalingskans. De herhalingskans is gerelateerd aan de neerslagstatistiek van het KNMI. Zie ook hier voor meer info.
Onderbemaling
Een peilafwijking, dus een gebied, waar het waterpeil lager wordt gehouden dan in het aangrenzende peilvak, doorgaans met een pomp.
Ontwatering
Afstand tussen de maaiveldhoogte en de grondwaterstand.
Opbarsten
Verstoring van de bodem doordat de grondwaterdruk in het onderliggende zandpakket groter is dan het gewicht van de bovenliggende bodemlagen
Operationele marge
Geeft aan hoeveel speelruimte de peilbeheerder heeft om af te wijken van het streefpeil bij extreme omstandigheden, zoals langdurige droogte of zware verwachte neerslag.
Peilafwijking
Een gebied met een afwijkend peil ten opzichte van het peilvak. Een peilafwijking kan vergunningplichtig zijn (zie de Waterschapsverordening), maar wordt niet bestuurlijk vastgesteld.
Peilindexatie
Het peil tussentijds aanpassen aan de bodemdaling waardoor de drooglegging gelijk blijft. De aanpassing vindt dan plaats zonder aparte peilbesluitprocedure, maar wordt vastgelegd in het peilbesluit zelf.
Peilregime
Geeft aan of het peil het hele jaar door op eenzelfde peil staat of dat deze (per seizoen) verschilt. Mogelijk peilregimes zijn: vast peil, zomer- en winterpeil, flexibel peil en dynamisch peil. Dit wordt verder uitgelegd in bijlage 6.2.
Versnippering
Proces waarbij peilvakken worden opgeknipt. Dit is over het algemeen niet wenselijk, maar kan in sommige gevallen uitkomst bieden om bijvoorbeeld bodemdaling beter te kunnen remmen.
Voormalen
Voormalen is het actief uitmalen van water uit de watergangen wanneer veel neerslag is voorspeld. Hiermee creëren we extra bergingsruimte, zodat we actief de kans op wateroverlast verkleinen.