Waterschapswetten

Legger regionale waterkeringen - Uitgangspunten

Hoogheemraadschap van Rijnland · geldt sinds 12 oktober 2011

Bijlage 1

Artikel 1: Definities

In deze legger wordt verstaan onder:

a.beheer waterkeringen: de overheidszorg met betrekking tot een of meer afzonderlijke waterkeringen of onderdelen daarvan, gericht op de in de Wet genoemde doelstellingen;

b.beschermingszone: aan een waterstaatswerk grenzende zone, die als zodanig in de legger is opgenomen;

c.bestuur: het dagelijks bestuur;

d.buitenbeschermingszone: aan de beschermingszone grenzende zone, die als zodanig in de legger is aangegeven;

e.coupure: doorsnijding van een dijklichaam waarvan de opening bij hoogwater kan worden afgedicht;

f.eigenaar: degene die krachtens het kadastrale register eigenaar is van het betreffende perceel;

g.kadevak: alle waterkeringen zijn in de legger opgedeeld in kadevakken. De afmetingen van het leggerprofiel, en dus ook de afmetingen van de kern- en beschermingszone zullen per kadevak verschillen.

h.keur: verordening met gebod en verbodsbepalingen die van toepassing zijn op o.a. waterkeringen (dijken en kades) en watergangen.

i.kernzone: het centrale gedeelte van het waterstaatswerk, dat als zodanig in de legger is aangegeven;

j.kunstwerken: alle mechanische en/of betonnen werken die een functie hebben in het functioneren van het waterstaatkundig systeem;

k.legger Waterwet: staat van waterstaatswerken, als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet waarop de ligging, vorm, afmetingen en constructie van de betrokken waterstaatswerken zijn aangegeven;

l.legger Waterschapswet: legger van waterstaatswerken, als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet, waarvan de vaststelling is voorgeschreven bij of krachtens wet of bij verordening, en waarin de onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen zijn aangegeven;

m.maaiveld: bovenkant (hoogte) of oppervlak van het natuurlijk of aangelegd terrein;

n.onderhoudsplicht: de aansprakelijkheid voor onderhoud van bij het waterschap in beheer zijnde objecten, zoals in de legger, in voorschriften bij vergunningen of anderszins is aangegeven;

o.onderhoudsplichtigen: natuurlijke personen of rechtspersonen die verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van de waterkeringen;

p.wild: muskusratten en overig wild, dat beschadigingen kan aanbrengen aan de waterkering;

q.peilvak: een geografisch afgebakend gebied waar hetzelfde waterpeil wordt nagestreefd;

r.profiel van vrije ruimte: de ruimte ter weerszijden van en boven een waterkering die naar het oordeel van het bestuur nodig is voor toekomstige verbeteringen aan de waterkering en in de legger Waterwet is vastgesteld;

s.regionale waterkering: regionale waterkering zoals vastgelegd in de provinciale Waterverordening Rijnland;

t.Verenigde Vergadering: het hoogste orgaan van een waterschap oftewel het algemeen bestuur;

u.waterkeringen: kunstmatige hoogten, waterscheidingen en die (gedeelten van) natuurlijke hoogten of hooggelegen gronden, met inbegrip van de daarin of daaraan aangebrachte werken, die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben;

v.watersysteem: samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken en grondwaterlichamen;

w.watervergunning: vergunning als bedoeld in de Wet;

x.werken: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of inrichtingen met toebehoren.

Bijlage 2

Buitengewoon onderhoud

Gewoon onderhoud

Alle regionale keringen, met uitzondering van de hieronder genoemde regionale keringen

Rijnland

Kadastrale eigenaren

Grenzen overige buurwaterschappen

Op grond van artikel 3, lid 3 van het reglement is Rijnland samen met het aangrenzende waterschap belast met de zorg voor de instandhouding van de op de grens tussen de waterschappen gelegen waterkeringen (meestal landscheidingen). Afspraken zijn gemaakt met sommige waterschappen dat het waterschap dat door de kering wordt beschermd (feitelijk) het buitengewoon onderhoud uitvoert. De kosten worden gedeeld.

Kadastrale eigenaren

Waterkeringen langs Noordzeekanaalboezem

RWS/Rijnland

Kadastrale eigenaren

Waterkeringen niet in feitelijk beheer van Rijnland

Formeel Rijnland, feitelijk betreffende gemeente

Betreffende gemeente

De kadastrale eigenaar kan via een contract de uitvoering van het onderhoud overdragen aan de gebruiker of een andere derde partij. Desalniettemin blijft de kadastrale eigenaar verantwoordelijk voor het onderhoud.

Bijlage 3 Bijzondere profielen

Een (geheel) verholen waterkering

Het Leggerprofiel en het Profiel van vrije ruimte voor de (geheel) verholen waterkering wordt vastgesteld volgens de ‘standaard’- benadering (zie hoofdstuk 3), waarbij aan de hand van de omgevingskenmerken (bodemopbouw, normklasse, etc.) het vereiste profiel wordt vastgesteld. Hierbij wordt een kerende hoogte gehanteerd die wordt afgeleid op basis van het maaiveldniveau in het verre achterland wat door de kade tegen overstroming wordt beschermd. Opgemerkt wordt dat de middenkruinlijn is GIS is weergegeven. In figuur a is het leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte schematisch weergegeven.

Figuur a: Leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte van (geheel) verholen waterkering

Half verholen kade met binnendijkse bebouwing

Het Leggerprofiel en het Profiel van vrije ruimte voor de verholen waterkering wordt vastgesteld volgens de ‘standaard’- benadering (zie hoofdstuk 3), waarbij aan de hand van de omgevingskenmerken (bodemopbouw, normklasse, etc.) het vereiste profiel wordt vastgesteld. Hierbij wordt een kerende hoogte gehanteerd die wordt afgeleid op basis van het maaiveldniveau in het verre achterland wat door de kade tegen overstroming wordt beschermd. Opgemerkt wordt dat de middenkruinlijn is GIS is weergegeven. In figuur b is het leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte schematisch weergegeven.

Figuur b: Leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte van half verholen waterkering

Waterkerend dijklichaam met binnendijkse bebouwing

Voor waterkerend dijklichaam met binnendijkse bebouwing, wordt het leggerprofiel gekozen (beperkt) tot buitendijkse kant van de kering. Dit keuze beidt de mogelijkheid voor een binnendijkse dijkversterking. Het bepalen van de breedte van de kernzone, beschermingszones en buitenbeschermingszones volgen de ‘standaard’ benaderen zoals in paragraaf c beschreven. Opgemerkt wordt dat de middenkruinlijn is GIS is weergegeven. In figuur c is het leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte schematisch weergegeven.

Figuur c: Leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte van keringen met binnendijkse bebouwing

Bijlage 4 Risico van piping

Risico van Piping via voorkomende tussenzandlagen

In de holocene deklaag komen plaatselijk tussenzandlagen voor. In beginsel kan daarmee ook bij ondiep buitenwater het optreden van piping via dergelijke tussenzandlagen niet op voorhand uitgesloten worden. Er kan echter van uit worden gegaan dat in alle ondiepe buitenwateren de waterbodem wel een meer of minder dikke waterremmende laag zal bevatten. Deze bestaat uit afgezette slib of bagger, en al dan niet meer of minder dikke van nature al aanwezige cohesieve afzettingen daaronder. Deze veronderstelling is mede gebaseerd op de praktijkervaring dat ter plaatse van ondiep buitenwater voor zover bekend nooit spontaan piping is opgetreden. Piping kan daarmee in theorie alleen optreden indien de waterremmende laag in de waterbodem wordt doorbroken en een intredepunt ontstaat. In de Leidraad toetsen op veiligheid regionale keringen worden hiervoor twee mogelijke oorzaken onderscheiden, namelijk baggerwerk en het optreden van hydraulische kortsluiting langs veenkaden als gevolg van verdroging.

De als eerste genoemde oorzaak kan op basis van “goed beheer” worden uitgesloten. Het is immers gebruikelijk om voorafgaand aan gepland baggerwerk dat meer omvat dan onderhoudsbaggerwerk, en waarbij sprake is van een daadwerkelijke verdieping, eerst de mogelijke risico’s voor de standzekerheid van de kade te laten onderzoeken.

De als tweede genoemde oorzaak kan niet op voorhand worden uitgesloten. Het risico van piping door hydraulische kortsluiting langs verdroogde veenkaden wordt in de volgende paragraaf als tweede aandachtspunt behandeld.

Risico van Piping door hydraulische kortsluiting langs verdroogde veenkaden

Hydraulische kortsluiting tussen het buitenwater en een doorlopende (tussen)zandlaag in de ondergrond als gevolg van vervorming van verdroogde veenkaden kan mogelijk tot piping leiden. Analyse van dit risico vraagt echter een een detailniveau van beschikbare informatie van met name het voorkomen van ondiepe tussenzandlagen in de ondergrond die nog niet volledig beschikbaar is. Daar komt bij dat de kennis omtrent het fenomeen hydraulische kortsluiting door verdroging (Wilnis-mechanisme) op het moment van samenstellen van dit achtergronddocument van de legger regionale waterkeringen nog vrij beperkt is. En zelfs als die kennis voldoende ver uitontwikkeld zou zijn lijkt niet rationeel de afmetingen van de beschermingszone van leggerprofielen te baseren op het kunnen optreden van piping na optreden van hydraulische kortsluiting ten gevolge van verdroging. Het ligt meer voor de hand dat als locatiespecifiek dit risico aanwezig lijkt dat dan ter plaatse maatregelen worden genomen om optreden van hydraulische kortsluiting te voorkomen, danwel maatregelen worden genomen om de mogelijke gevolgen daarvan voor de standzekerheid van de kering in voldoende mate te beperken.

Op basis van bovenstaande beschouwing wordt ervan uitgegaan dat het risico van optreden van piping als gevolg van het ontstaan van hydraulische kortsluiting ten gevolge van verdroging niet maatgevend hoeft te zijn voor de bepaling van de breedte van de beschermingszone.

Tot slot wordt opgemerkt dat het kunnen optreden van hydraulische kortsluiting tussen het buitenwater en een doorlopende (tussen)zandlaag in de ondergrond van de kering ook een sterk negatief effect kan hebben op de macrostabiliteit van keringen (de doorbraak van de tussenboezemkade bij Wilnis wordt immers ook verondersteld het gevolg te zijn van horizontaal afschuiven na ontstaan van hydraulische kortsluiting na verdroging). Om dezelfde reden als hiervoor genoemd is het mogelijk optreden van verlies van macrostabiliteit als gevolg van het ontstaan van hydraulische kortsluiting ten gevolge van verdroging evenmin in beschouwing genomen bij de bepaling van de vereiste afmeting van de leggerprofielen uit oogpunt van macrostabiliteit.

Risico van Piping ter plaatse van diep buitenwater

Achter regionale waterkeringen langs diep buitenwater (waterbodem beneden ca. NAP -5 meter) is het risico op het optreden van piping mogelijk groter omdat in die gevallen de van nature aanwezige deklaag ter plaatse van de waterbodem mogelijk niet of nauwelijks aanwezig is, en tevens de zekerheid over de aanwezigheid van een waterremmende slib- of baggerlaag in de waterbodem minder sterk is. In die gevallen moet er daarom zekerheidshalve van uit worden gegaan dat een intredepunt ter plaatse van de locatie waar het pleistoceen doorsneden wordt wel aanwezig is.

Met een analyse binnen het GIS is voor alle waterkeringen langs diep buitenwater onderzocht of de waterbodem het pleistoceen doorsnijdt, en indien dit het geval is op welke afstand van de kade dit doorsnijdingspunt ligt. Vervolgens is voor alle keringen waarvoor de bodem van het buitenwater het pleistoceen doorsnijdt door middel van een pipinganalyse volgens de methode Sellmeijer onderzocht of de kwelweglengte bij een ontgraving van drie meter diep achter de kade voldoende is.

Uit deze beschouwing is gebleken dat bij alle regionale keringen langs diep buitenwater het potentiële intredepunt op zodanig grote afstand van de kade ligt dat het faalmechanisme piping kan worden uitgesloten.

Risico van piping door ontgraving achterland

Ontgraving achter de dijk kan aanleiding geven tot het optreden van piping (een zandmeevoerende kwelstroom onder de dijk door) doordat dit het gewicht van de aanwezige deklaag achter de dijk verlaagt. Daarmee wordt de opbarstveiligheid achter de kering verlaagd en verminderd tevens de lengte van de potentiële kwelweg. De veiligheid tegen het optreden van piping kan daarmee maatgevend zijn voor de vereiste breedte van de beschermingszone.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.