2. Leggerbepalingen
2.2 Leggerbepalingen
Artikel 1: categorieën oppervlaktewateren
De in de legger vastgelegde wateren zijn alle oppervlaktewateren die dienen voor de afvoer en/of aanvoer en/of berging van water; deze worden in het Reglement in artikel 1 naar functie onderscheiden in:
Categorie
Lengte
Toelichting
Primair
Circa 2.300 kilometer
Oppervlaktewateren met een belangrijke functie (een regionaal belang) in de wateraan- en afvoer en/of waterberging en/of voor de instandhouding van de waterkering
Overig
Circa 10.800 kilometer
Oppervlaktewateren met een voornamelijk lokale transportfunctie en/of welke een zekere drooglegging (ontwatering) dienen te geven
Artikel 2: werkingsgebied legger oppervlaktewateren
In de legger oppervlaktewateren zijn de volgende zoneringen vastgelegd:
Zone
Breedte
Toelichting
Waterstaatswerk
breedte is locatie afhankelijk
Centrale gedeelte van een oppervlaktewater, van insteek tot insteek
Beschermingszone
•Primaire oppervlaktewateren 5 meter breed
•Overige oppervlaktewateren 2 meter breed
De afmetingen van de beschermingszone zijn gebaseerd op de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van onderhoud en/of inspectie
Artikel 3: onderhoudsplichtigen
Welke persoon of instantie (gedeeltelijk) onderhoudsplichtig is voor het waterstaatwerk is vastgelegd in de legger. Bij de toedeling van de onderhoudsplichtigen zijn onderstaande regels toegepast.
Categorie
Onderhoudsverdeling waterstaatwerk
Natprofiel
Taluds
Primair
Rijnland
Aangeland
Overig - stedelijk gebied
Kadastrale eigenaren
Aangeland
Overig - meren
Kadastrale eigenaren
Aangeland
Overig - boezem
Kadastrale eigenaren
Aangeland
Overig - polder
Aangeland*
Aangeland
*Ieder voor de halve breedte en naar de lengte van zijn recht
Artikel 4: onderhoudsverplichtingen
De onderhoudsplicht met betrekking tot het waterstaatswerk omvat:
1Gewoon onderhoud natprofiel
De onderhoudsplichtigen dragen zorg voor een goede staat van het natprofiel van de oppervlaktewateren door:
a.het verwijderen van overmatige plantengroei, voorwerpen, materialen en stoffen die de afvoer en/of aanvoer en/of berging van water hinderen.
b.het vóór door het bestuur aangekondigde schouwdata, schonen van oppervlaktewateren door het maaien en verwijderen van begroeiingen anders dan die dienen tot verdediging van de taluds.
c.In aanvulling op het gestelde in lid a. en b. geldt dat in oppervlaktewateren langs de oeverlijn vegetatie mag blijven staan conform het bepaalde in onderstaande tabel.
Categorie
Breedte oppervlaktewater
op de waterlijn
Toelaatbare begroeiing
Overig
< 2 meter
Begroeiing in het natprofiel niet toegestaan
Overig
≥ 2 meter en <6 meter
Begroeiing aan elke oever over 1/10 van de breedte van het oppervlaktewater toegestaan
Overig
≥ 6 meter
Begroeiing aan elke oever over 1/5 van de breedte van het oppervlaktewater toegestaan, met een maximum van 6 meter
2Buitengewoon onderhoud natprofiel
a.De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewateren zijn verplicht deze in stand te houden naar vorm, richting en constructie. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden:
Categorie
Vereist profiel tov. schouwpeil (ingreepmaat)
primair
Het vereiste minimale profiel is per oppervlaktewater in de legger weergegeven
Overig – stedelijk
Minimale waterdiepte: 0,75 meter*. Taluds 1:3.
Indien de vaste bodem hoger ligt, dan nooit dieper dan de vaste bodem
Overig - landelijk
Minimale waterdiepte: 0,5 meter*. Taluds 1:3.
Indien de vaste bodem hoger ligt, dan nooit dieper dan de vaste bodem
* Betreffende dieptematen gelden alleen indien de grondslag en de breedte dit toelaten, anders is een afwijkend profiel toegestaan, zie toelichting.
b.De in de legger weergegeven waterdiepte is de ingreepmaat. De onderhoudsmaat ligt daar maximaal 0,2 meter onder.
c.Na beoordeling door Rijnland kan als gevolg van lokale omstandigheden (bijvoorbeeld loopzand, onstabiele waterbodems en dergelijke) afgeweken worden van de hierboven weergegeven afmetingen. Als dit het geval is, wordt dat in de legger vastgelegd.
3Onderhoud taluds
De onderhoudsplichtigen dragen zorg voor een goede staat van de taluds door het behoorlijk in stand houden van de taluds, alsmede de daartoe behorende verdedigingswerken, voor zover dat nodig is om te voorkomen dat door inzakking de afvoer en/of aanvoer van water wordt gehinderd, dan wel dat aangelegde onderhoudsstroken en/of afrasteringen door inzakking worden bedreigd. Deze zorg omvat ook het maaien van het bovenwater gelegen talud.
Artikel 5: overgangsbepalingen, inwerkingtreding en citeertitel
1Alle hiervoor genoemde artikelen zijn ook van toepassing op oppervlaktewateren die nog niet in de legger zijn vastgelegd. Daarbij geldt dat betreffende oppervlaktewateren door de onderhoudsplichtigen in stand moeten worden gehouden: overeenkomstig de voorwaarden zoals vermeld in de verleende ontheffing of, indien geen ontheffing voorhanden is, de oorspronkelijke richting, vorm, afmeting en constructie.
2De overige boezemoppervlaktewateren in onderhoud van particulieren die als zodanig in de legger zijn opgenomen, worden en zijn vanaf 2004 eenmalig door en op kosten van Rijnland op de voorgeschreven afmetingen gebracht en dienen vervolgens door de onderhoudsplichtigen op die afmetingen te worden gehouden.
3Voor de overige polderoppervlaktewateren die in deze legger een grotere leggerdiepte krijgen dan voorheen, geldt dat de meerkosten als gevolg van deze eenmalige verdieping eenmalig voor rekening van Rijnland komen.
4Deze legger treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van bekendmaking. Op die datum wordt de tot dan toe geldende legger oppervlaktewateren ingetrokken.
5Deze legger wordt aangehaald als: legger oppervlaktewateren.
Bijlage 1: Definities
In deze legger wordt verstaan onder:
1Aangeland (aanliggend perceeleigenaar): degene die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van aan het waterstaatswerk grenzende percelen. Conform de jurisprudentie is dat degene die binnen een halve meter van de insteek de perceeleigenaar is;
2Bergingscapaciteit: het volume water dat geborgen kan worden tussen het vastgestelde waterpeil en het aanvaardbaar hoogste peil;
3Waterbergingsgebied: een krachtens de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied of locatie, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van één of meer watersystemen en ook als waterbergingsgebied op de leggerkaart is opgenomen;
4Beschermingszone: aan een waterstaatswerk grenzende zone, waarin ter bescherming van het waterstaatswerk voorschriften en beperkingen kunnen gelden;
5Drooglegging: het hoogteverschil tussen de waterspiegel in een oppervlaktewater en het grondoppervlak;
6Duiker: een constructie die oppervlaktewateren door een grondlichaam heen met elkaar verbindt;
7Insteek: de snijlijn van het schuine talud (oeverhelling) met het horizontaal gelegen grondoppervlak, dan wel de plaats van een aanwezige oeververdediging;
8Ingreepmaat: de minimaal vereiste waterdiepte ten opzichte van schouwpeil. In de praktijk zal gebaggerd worden tot onder de ingreepmaat om te voorkomen dat de minimale diepte (spoedig weer) wordt overschreden;
9Kant water: de grenslijn tussen water en oever bij het schouwpeil;
10Legger: openbaar register van de beheerder, waarin de onderhoudsplicht en de gewenste of vereiste (onderhouds)toestand van wateren, waterkeringen en andere waterhuishoudkundige werken en voorzieningen zijn aangegeven, evenals de keurbegrenzingen;
11Natuurvriendelijke oever: door Rijnland als zodanig aangewezen oevers die ten behoeve van de ecologisch toestand en (natte) natuurwaarden zijn ingericht met een ondiepe 'natte' zone die oever- en watervegetatie de kans bieden zich te ontwikkelen;
12Natprofiel: het, ten opzichte van schouwpeil, onder de waterspiegel gelegen oppervlakte van de dwarsdoorsnede van een oppervlaktewater;
13Oppervlaktewater(lichaam): samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna. De term ‘oppervlaktewaterlichaam’ is de formele term uit de Waterwet. In deze legger wordt de verkorte term ‘oppervlaktewater’ gebruikt;
14Overige oppervlaktewateren: oppervlaktewateren met een voornamelijk lokale transportfunctie en/of welke een zekere drooglegging (ontwatering) dienen te geven;
15Primaire oppervlaktewateren: oppervlaktewateren met een belangrijke functie (een regionaal belang) in de wateraanvoer en/of waterafvoer en waterberging en/of voor de instandhouding van de waterkering;
16Onderhoudsdiepte: de maximale waterdiepte tot waar gebaggerd mag worden;
17Onderhoudsplicht: de aansprakelijkheid voor onderhoud van bij het waterschap in beheer zijnde objecten, zoals in de legger of in voorschriften bij ontheffingen is aangegeven;
18Onderhoudsplichtigen: natuurlijke personen of rechtspersonen die verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van waterkeringen, wateren, oevers, werken of bergingsvoorzieningen voor water of regenwater;
19Ondersteunend kunstwerk: kunstwerken en bijzondere constructies die deel uitmaken van het oppervlaktewater of waterbergingsgebied en van invloed zijn bij het waterbeheer, dan wel maatschappelijk relevant zijn;
20Overige kunstwerken: kunstwerken die niet ondersteunend zijn, maar waarop wel een onderhoudsverplichting van kracht is;
21Peilbesluit: een door de waterbeheerder, op basis van integrale belangenafweging opgesteld besluit, waarin de streefpeilen voor het oppervlaktewatersysteem zijn vastgelegd. Het opstellen van peilbesluiten is een verplichting uit de Waterwet;
22Peilregulerend kunstwerk: kunstwerk voor het regelen van het waterpeil;
23Peilscheidend kunstwerken: kunstwerk voor het scheiden van twee verschillende waterpeilen;
24Schouwpeil:
a.Het schouwpeil komt, in die gebieden waarvoor in het peilbesluit van dat gebied een winterpeil is vastgesteld, overeen met het winterpeil;
b.In gebieden waarvoor in het peilbesluit een flexibelpeil is opgenomen komt het schouwpeil overeen met het daarin genoemde peil. Als alleen de boven en onder grens zijn aangegeven komt het schouwpeil overeen met het gemiddelde van de boven en ondergrens. In die gebieden waar het schouwpeil mag uitzakken is het schouwpeil gelijk aan de ondergrens;
c.Voor die gebieden waarvoor geen peilbesluit is vastgesteld komt het schouwpeil overeen met het gewoonlijk door of vanwege het college, in dat gebied gehandhaafd peil in de winterperiode;
25Stedelijk gebied: dit vlak is opgebouwd op basis van de Basisregistratie topografie (TOP 10NL) en dan de soorten plaats, bewoond gebied en buurtschap. Op de leggerkaart is de begrenzing van het stedelijk gebied weergegeven;
26Talud: glooiing, schuine, verhoogde kant van een berm, waterland, enz. Bij water de zijdelingse begrenzing tussen waterbodem en grondoppervlak, bij waterkeringen gelegen tussen de (min of meer) horizontale bovenzijde en de teen van het dijklichaam (helling tussen 1:1 en 1:10);
27Waterdiepte: verticale afstand tussen waterspiegel en bodem van een oppervlaktewater (de ingreepmaat);
28Waterstaatswerk:
a.een oppervlaktewaterlichaam, waterbergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk;
b.nog niet in de legger opgenomen wateren die gegraven worden na de inwerking treden van deze legger;
29Waterspiegel / Waterlijn: het grensvlak tussen water en lucht;
30Watersysteem: samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende waterbergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken;
31Welvaartsvuil: vuil dat door toedoen van mensen in het water is geraakt, zoals, fietsen, piepschuim, winkelwagentjes etc. Plantenresten die vrij zijn gekomen door onderhoudswerkzaamheden (baggeren en maaien van het oppervlaktewater) vallen daar niet onder;
32Winterpeil: het peil dat in het betreffende peilbesluit voor de winterperiode (globaal 1 september – 1 april) geldt of, bij het ontbreken ervan, in de praktijk wordt nagestreefd;
33Zomerpeil: het peil dat in het betreffende peilbesluit voor de zomerperiode (globaal 1 april – 1 september) geldt of, bij het ontbreken ervan, in de praktijk wordt nagestreefd;
Bijlage 2: Wettelijke kaders
Rijnland is op grond van de volgende regelgeving verplicht tot het opstellen van een legger:
•Waterwet.
•Waterschapswet.
•Waterverordening Rijnland.
•Reglement van bestuur Rijnland.
Waterwet, artikel 5.1
De beheerder draagt zorg voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. Van de legger maakt deel uit een overzichtskaart, waarop de ligging van waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones staat aangegeven.
Waterschapswet, artikel 78 lid 2
Tevens stelt het algemeen bestuur vast de legger waarin onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen worden aangewezen.
Waterverordening Rijnland, artikel 4.1
De legger bedoeld in artikel 5.1 van de wet bevat, in aansluiting op het bepaalde in het eerste en tweede lid van dat artikel, in ieder geval:
a.het lengteprofiel en de dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen, alsmede het profiel van vrije ruimte.
b.de gemiddelde dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden onder beheer van het waterschap.
c.een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkering onder beheer van het waterschap.
d.een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden onder beheer van het waterschap.
Reglement van bestuur Rijnland, artikel 5
1De onderhoudsplichtigen en de onderhoudsverplichtingen betreffende waterkeringen en wateren worden aangegeven respectievelijk vastgelegd in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.
2In de legger wordt vermeld wat de functie is van het desbetreffende waterstaatswerk, wie met het onderhoud is belast en wat het onderhoud omvat.
3Ten aanzien van de vaststelling van de legger als bedoeld in artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet zijn de artikelen 73 en 74 van de Waterschapswet van overeenkomstige toepassing.