Waterschapswetten

Beleidsregels Werken in het profiel van wateren

Hoogheemraadschap van Delfland · geldt sinds 10 november 2023

1. Kader

1.8. Raakvlakken met ander beleid en instrumenten

1.8.1. Relatie met de Keur en Legger

Per 1 januari 2008 is een nieuwe Keur van kracht geworden. In de Keur staan verboden en geboden.

De geboden en verboden in de Keur en de beleidsregels zijn voor alle typen wateren verschillend van kracht. Delfland kent een hoofdindeling van typen wateren in:

■ primaire wateren

■ secundaire wateren

Binnen deze hoofdindeling onderscheidt Delfland een subindeling in:

■ boezemwateren

■ polderwateren

De gekozen indeling heeft direct verband met de hoofdfunctie van de watergang. Om deze hoofdfunctie te waarborgen, moeten de bijbehorende beleidsregels voor werken worden toegepast. In de Legger is per watergang aangegeven wat het type van de watergang is. Door de Legger met deze beleidsregels te combineren kan dus worden bepaald waar welke regels gelden. In de Legger is tevens de breedte van de onderhoudsstrook voor de verschillende typen wateren vastgelegd.

1.8.2. Relatie met ander beleid

De werken of werkzaamheden worden integraal getoetst aan het waterstaatkundig belang. Deze toets omvat zowel het belang van waterkeren als dat van waterhuishouding. Ná afweging kan het één prevaleren boven het ander. Het is dan ook mogelijk dat werken waterhuishoudkundig aanvaardbaar zijn, maar vanuit bijvoorbeeld waterkering- of ecologiebelangen niet vergunbaar zijn.

Bij werken of werkzaamheden in, op, onder en boven wateren in de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone van een waterkering gelden aanvullende eisen vanuit het waterkeringbeleid.

1.8.3. Relatie met Peilbesluiten

De dimensionering van wateren en kunstwerken is verbonden aan een referentiepeil, meestal het schouwpeil. Deze schouwpeilen worden vastgelegd in een peilbesluit. Als in een peilbesluit een flexibel peil is vastgelegd, dan wordt als referentiepeil voor de dimensionering van wateren en kunstwerken uitgegaan van het gemiddelde waterpeil.

1.8.4. Relatie met de vaarwegverordening en met nautisch beheer

Naast de provinciale vaarwegen -waarvan het vaarwegbeheer en het nautische beheer bij de provincie ligt- zijn andere wateren binnen het beheergebied van Delfland op basis van de provinciale vaarwegverordening aangemerkt als niet-provinciale vaarwegen. Deze vaarwegen zijn uitsluitend in onderhoud en beheer bij Delfland. Delfland draagt zorg voor het in stand houden van een vaarweg door aan deze wateren onderhoud te plegen. Daarbij moet Delfland rekening houden met de instandhoudingeisen die worden gesteld in de provinciale vaarwegenverordening. Niet Delfland, maar de provincie heeft op basis van deze vaarwegverordening de regulerende en handhavende taken. De beleidsmatige aspecten ten aanzien van wat qua vaarweginfrastructuur (bijv. diepgang en brughoogte) vereist is, is dan ook een provinciale aangelegenheid. Derhalve wordt daar in deze beleidsregels niet op ingegaan. Het nautisch beheer van vaarwegen is geregeld in onder andere de Scheepvaartverkeerswet. Gezien de aard van deze wetgeving wordt deze ook buiten beschouwing gelaten. Bewegwijzering en nautisch beheer (scheepvaartbegeleiding) vallen ook buiten deze beleidsregels.

2. Motivatie en afweging

2.1. Motivatie

2.1.1. Waarborgen van de bergingscapaciteit

De bergingscapaciteit mag niet worden gereduceerd. De aanwezige bergingscapaciteit is noodzakelijk voor het opvangen van piekgebeurtenissen, zoals hevige neerslag. Zonder deze bergingscapaciteit kunnen te hoge peilstijgingen ontstaan, waardoor wateroverlast en zelfs inundatie kan ontstaan. Werken in de watergang kunnen de aanwezige bergingscapaciteit reduceren, waardoor wateroverlast kan ontstaan. De aanwezige bergingscapaciteit moet daarom minimaal gelijk blijven (stand-still beginsel).

2.1.2. Garanderen van de aan- en afvoer

De aan- en afvoer van het water moet gegarandeerd zijn. Als een werk binnen het profiel van een water, inclusief de onderhoudsstrook, wordt aangelegd of veranderd, dan kan dit de waterdoorstroming beïnvloeden. Het realiseren van werken kan er bijvoorbeeld toe leiden dat de doorstroming van water wordt belemmerd. Ook kunnen werken ophoping van maaisel of drijfvuil achter palen, drijvers en andere obstakels veroorzaken. Dit vormt een directe belemmering voor de doorstroming. De situatie kan ontstaan dat bovenstroomse gebieden niet meer (voldoende) water kunnen aanvoeren of kunnen afwateren. Werken in wateren zijn daarom alleen toegestaan als de aan- en afvoer van water gegarandeerd wordt. Dit is het geval als het werk voldoende ruim gedimensioneerd is en als het werk niet leidt tot verandering van het doorstroomprofiel van de wateren.

2.1.3. Waarborgen van beheer en onderhoud

Het beheer en onderhoud aan de waterkering, de primaire watergang en de oever en de inliggende kunstwerken mogen niet worden belemmerd. Onderhoudsstroken maken essentieel onderdeel uit van wateren. Bij verhindering van onderhoud kan de instandhouding van een goede waterhuishouding worden belemmerd. Zonder goed onderhoud kunnen wateren niet meer optimaal functioneren en kan wateroverlast (zowel kwantitatief als kwalitatief) ontstaan. Een onderhoudsstrook moet aan bepaalde minimale afmetingen en andere ontwerpeisen voldoen om effectief gebruikt te kunnen worden. Daarbij moet de onderhoudsstrook bereikbaar en begaanbaar zijn voor mensen en hun materiaal.

Werken in de watergang en in de onderhoudsstrook kunnen fungeren als een fysieke belemmering bij het onderhoud van het onderwatertalud van een water(gang). De aanwezigheid van werken kan het onderhoud aan wateren bemoeilijken, omdat de watergang of de onderhoudsstrook slecht of niet bereikbaar is voor onderhoudsmateriaal. Voor het aanleggen van werken kan het ook nodig zijn de onderhoudsstrook deels te verwijderen of te veranderen. De onderhoudsstrook kan dan te smal worden, waardoor onderhoud aan wateren niet meer mogelijk is.

Werken in het profiel van wateren (inclusief de onderhoudsstrook) is alleen toegestaan als het beheer en onderhoud aan de waterkering, de primaire watergang, de oever en de inliggende kunstwerken mogelijk blijft.

Om diverse redenen kan gekozen worden voor, of overgegaan worden tot varend onderhoud. Dit is alleen toegestaan als varend onderhoud uit oogpunt van bereikbaarheid mogelijk is of wordt.

2.1.4. Voorkomen van aantasting van de stabiliteit van waterkeringen

Werken in het profiel van wateren langs een waterkering kunnen de stabiliteit van die waterkering aantasten. Dat kan bijvoorbeeld door erosie, ontgraving van grond of het aanbrengen van constructies in de oever. Werken zijn alleen toegestaan als deze niet leiden tot aantasting van de stabiliteit van waterkeringen.

2.2. Afweging voor de meest voorkomende typen werken

2.2.1. Bruggen

Bruggen met een brughoofd kunnen het doorstroomprofiel van de watergang vernauwen. Om wateroverlast te voorkomen mag voor de brug geen opstuwing ontstaan. Het verhang in wateren mag maximaal 4 cm/km zijn. Dat moet worden verdeeld over de watergang en de hierin aanwezige kunstwerken. Om te voorkomen dat een brug het totaal toegestane verhang al ‘gebruikt’, worden er normen gesteld aan het verhang over een brug. Om erosie achter de brug te voorkomen mogen stroomsnelheden ter plaatse van de brug niet te hoog zijn. Bruggen die de watergang van oever naar oever overspannen, hebben geen effect op de stroomvoerende breedte. Op grond van waterhuishoudkundige en eventueel ook (recreatieve) scheepvaartbelangen worden bij bruggen eisen gesteld aan de doorvaarhoogte en –breedte.

In watergangen die varend worden onderhouden moeten vaartuigen voor het onderhoud onder bruggen door kunnen omdat anders het onderhoud ernstig wordt belemmerd. Om die reden worden minimale afmetingen aan bruggen gesteld.

2.2.2. Kabels en leidingen

Zolang de aanleg of wijziging van kabels en leidingen niet leidt tot verandering van het doorstroomprofiel van de wateren, dan is er uit oogpunt van waterkwantiteit geen bezwaar.

Watergangen worden vaak doorkruist door kabels en leidingen. Door baggeren en scheepvaart kunnen deze kabels en leidingen beschadigd raken als ze niet diep genoeg onder de bodem van de watergang liggen. De diverse functies en onderhoud in een watergang moeten mogelijk zijn zonder schade aan de kabels en leidingen te veroorzaken. Om te voorkomen dat Delfland of andere onderhoudsplichtigen hinder ondervinden van de kruisende kabels en leidingen, of dat door baggeren of scheepvaart deze kabels en leidingen beschadigd raken, worden bovenstaande toetscriteria gesteld aan het kruisen. Voor kabels en leidingen in watergangen met grote scheepvaart en duwvaart worden door de provincie strengere eisen gesteld.

Kabels en leidingen kunnen worden toegestaan als het onderhoud van de wateren en kunstwerken er geen hinder van ondervindt.

2.2.3. Hekwerken en afrasteringen

Zolang de aanleg of wijziging van hekwerken en afrasteringen niet leidt tot verandering van het doorstroomprofiel van de wateren, dan is er uit oogpunt van waterkwantiteit geen bezwaar.

Hekwerken en afrasteringen belemmeren de toegang tot, en doorgang via de onderhoudsstrook. Hierdoor worden de onderhoudswerkzaamheden aan de wateren belemmerd. Hekwerken en afrasteringen kunnen uit oogpunt van onderhoud worden toegestaan als zij eenvoudig toegang kunnen bieden tot de onderhoudsstrook.

2.2.4. Steigers en vlonders

Steigers en vlonders die geheel of gedeeltelijk in het water staan of liggen, kunnen een verandering in stroomsnelheid veroorzaken en daarmee een groter verval. Steigers en vlonders hebben de potentie om de waterdoorstroming negatief te beïnvloeden, waardoor wateroverlast kan ontstaan. De aanwezigheid van deze constructies kan het onderhoud aan wateren bemoeilijken, omdat de oever en bodem onder en direct om de steiger slecht of niet bereikbaar zijn voor onderhoudsmateriaal. Ook kunnen steigers en vlonders de doorstroming direct belemmeren door ophoping van maaisel of drijfvuil achter palen en drijvers. Door de aanwezigheid van een steiger wordt de lichtinval beperkt. Hierdoor wordt de groei van oevervegetatie en in grote mate van onderwatervegetatie verhinderd. Onderwatervegetatie is immers in zeer belangrijke mate afhankelijk van zonlicht. Als gevolg hiervan vindt er geen fotosynthese plaats waardoor primaire productie van vegetatie ontbreekt en waardoor er ook geen productie van zuurstof is. In warme, windstille zomerperioden kan als gevolg hiervan de afbraak van organisch materiaal enorm zijn, met zuurstofloosheid, rottingsprocessen en stankoverlast tot gevolg.

Toch zijn er situaties waarbij een verbod op steigers en vlonders vanuit het oogpunt van waterkwantiteit niet nodig is. Dit is bijvoorbeeld het geval als de constructie zich voldoende hoog boven de waterlijn bevindt en weinig weerstand veroorzaakt, of als de constructie zich in een voldoende brede watergang bevindt. Steigers en vlonders zijn uit oogpunt van waterkwaliteit toegestaan als deze niet te veel schaduw veroorzaken. Uit oogpunt van onderhoud kunnen deze constructies worden toegestaan als onderhoud onder en rondom de objecten mogelijk blijft.

7. Aanvullende inrichtingscriteria steigers en vlonders

7.4. Beheer en onderhoud

7.4.1. Constructie-eisen ten behoeve van onderhoud en verplaatsen van steigers en vlonders

Toetscriteria:

1Een steiger of vlonder moet zodanig worden gefundeerd dat het onderhoud van de watergang ter plaatse van de steiger mogelijk blijft.

2Trapconstructies moeten opklapbaar of verwijderbaar worden uitgevoerd.

3Een steiger of vlonder moet door en ten laste van de vergunninghouder op eerste aanzegging van Delfland worden verwijderd, zodra dit voor buitengewoon onderhoud van de watergang of waterkering noodzakelijk is.

Ad 1: Steunpalen onder steigers vormen obstakels voor maaien en baggeren. Delfland is onderhoudsplichtige van de primaire watergangen en de waterkeringen. Om dit onderhoud naar behoren te kunnen uitvoeren gebruikt Delfland verschillende methoden. Het aanleggen van steigers en vlonders mag dit onderhoud niet in de weg staan. De specifieke eisen die worden gesteld zijn afhankelijk van de manier waarop het onderhoud in de betreffende watergang wordt gevoerd.

Ad 2 en 3: Indien onderhoudswerkzaamheden moeten worden verricht (bijvoorbeeld onderhoud aan waterkering of uitvoering van grootschalige baggerwerken), of in geval van calamiteiten moeten de steigers en vlonders of onderdelen ervan tijdelijk verplaatst of verwijderd worden, zodat de onderhoudsplichtige de onderhoudswerkzaamheden kan uitvoeren, of de calamiteit kan bestrijden.

7.4.2. Onderhoud door de vergunninghouder

Toetscriteria:

1Het doorstroomprofiel ter plaatse van de steiger of vlonder (tot 1 meter rondom de constructie) moet door en ten laste van de vergunninghouder vrij van drijfvuil worden gehouden. De afvoer en berging van kroosvuil en baggerspecie moet door en ten laste van de vergunninghouder worden uitgevoerd.

2De beschoeiing onder steigers en vlonders moeten worden onderhouden door de eigenaar van de steiger of vlonder.

3De constructie moet in goede staat worden onderhouden.

Ad 1: Steigers en vlonders kunnen drijfvuil in het water tegenhouden en er kan verlanding optreden onder en om de constructies. Het (geaccumuleerde) drijfvuil en bagger kunnen een belemmering vormen voor de aan- en afvoer van water. Om dat te voorkomen moet het worden verwijderd. Dit extra onderhoud wordt veroorzaakt door de steigers en vlonders. De vergunninghouder van de steiger is daarom verplicht te zorgen dat het water onder en tot 1 meter rondom de steiger water blijft en in open verbinding staat met de watergang. Het mag niet verlanden.

Ad 2: Door het plaatsen van een steiger of vlonder wordt over het algemeen de beschoeiing plaatselijk onbereikbaar. De onderhoudsverplichting wordt daarom overgedragen aan de aanvrager. Als de eigenaar de steiger of vlonder eenvoudig kan verwijderen voor onderhoud, dan kan het onderhoud van de beschoeiing door Delfland worden uitgevoerd en is uitzondering op de regel mogelijk.

Ad 3: Als de constructie verzakt of instort, dan kan deze een belemmering vormen voor de waterhuishouding. Een goede staat van onderhoud is daarom van belang.

Bijlage 1: Voorbeeldprofielen wateren en waterkeringen

Figuur A: Voorbeeld profiel waterstaatswerk - wateren

Figuur B: Voorbeeld profiel waterstaatswerk - waterkering

Bijlage 2: Berekening normdebiet

Het minimale doorstroomprofiel moet geborgd zijn. Het minimale doorstroomprofiel wordt bepaald door het normdebiet. Het normdebiet is het grootste debiet van:

A. het afvoerdebiet volgens de afvoernorm;

B. het aanvoerdebiet volgens de aanvoernorm.

Het normdebiet en de daardoor minimaal benodigde profielafmetingen moeten door de vergunningaanvrager zelf worden berekend en deze worden door Delfland gecontroleerd. Voor de berekeningen dient uitgegaan te worden van de situatie ná uitvoering van het plan waarvoor vergunning wordt aangevraagd.

Ad. A) Afvoernorm

Om de minimale afmeting van een werk te berekenen moet eerst berekend worden hoeveel afvoer door het betreffende werk moet kunnen. Delfland hanteert daarvoor de afvoernorm (dat is het maatgevende debiet voor de waterafvoersituatie). Deze afvoernorm van werken dient berekend te worden aan de hand van het gebied dat via het betreffende werk afwatert.

Voor de berekening van de afvoernorm moeten de volgende stappen wordt gevolgd:

1Eerst dient de grootte van het gebied bepaald te worden dat afvoert via het werk.Hiervoor wordt de contour bepaald die alle bovenstrooms gelegen wateren omsluit. Deze zal zoveel mogelijk samenvallen met formele peilgebiedsgrenzen.

2Vervolgens moet de hoeveelheid verhard en onverhard oppervlak (in ha) in het gebied afgeleid worden aan de hand van het grondgebruik. Mogelijkheden zijn Basisrioleringsplannen van gemeentes of inschattingen op basis van het GBKN.

3Aan de hand van onderstaande tabel wordt per type oppervlak aangegeven hoe het afvoerdebiet berekend/bepaald moet worden.

4Deze resultaten bij elkaar opgeteld, vormen de te hanteren afvoernorm voor de bepaling van de minimale afmeting van een watergang.

Type oppervlak

Uitgangspunt voor berekening

■ Afvoer onverhard oppervlak

Het oppervlak onverhard moet vermenigvuldigd worden met 14,4 mm/dag (=10 m³/min.100ha)

1)Uitgangspunt afkomstig uit het Cultuurtechnisch Vademecum

■ Afvoer verhard oppervlak

Het overig verhard oppervlak moet vermenigvuldigd worden met 28,8 mm/dag (=20 m³/min.100ha) 1)

■ Vergunde puntlozingen

Voor lozingen van industrieel water of onttrokken grondwater is het lozingsdebiet gelijk aan de maximum lozingscapaciteit zoals vermeld in de vergunningaanvraag. Het gaat om puntlozingen die niet-neerslag gerelateerd zijn en waarvan de (maximale) lozingsdebieten bij Delfland bekend zijn.

Bij de bepaling van de hoeveelheid verhard en onverhard oppervlak mag, indien er aantoonbaar niet méér exacte gegevens beschikbaar zijn, de volgende standaardverdeling worden aangehouden:

•

Stedelijk gebied:

50% verhard – 50% onverhard

•

Bedrijventerrein:

80% verhard – 20% onverhard

•

Glastuinbouw:

75% verhard – 25% onverhard

•

Agrarisch:

5% verhard – 95% onverhard

•

Natuur, bos en duin:

0% verhard – 100% onverhard

Ad. B) Aanvoernorm

De aanvoernorm (debiet voor de wateraanvoersituatie) te gebruiken voor wateren met een wateraanvoerfunctie wordt bepaald met de volgende normen:

•Grasland/akkerbouw/stedelijk gebied:

2,7 mm/dag

•Open water:

6,0 mm/dag

•Glastuinbouw:

5,0 mm/dag

Het in te laten water wordt gebruikt voor peilhandhaving, doorspoeling/verversing en watervoorziening van het aanwezige grondgebruik en teelten. Om de minimale afmeting van een watergang met een wateraanvoerfunctie te berekenen moet eerst berekend worden hoeveel aanvoer door de betreffende watergang moet kunnen. Delfland hanteert daarvoor de bovenstaande aanvoernormen.

Eerst dient de grootte van het achterliggende aanvoergebied bepaald te worden voor de betreffende wateren. Het achterliggende aanvoergebied wordt begrensd door de waterscheidingen tussen enerzijds de betreffende wateren plus alle stroomafwaarts gelegen wateren in hetzelfde peilvak en anderzijds de wateren die grenzen aan dit stelsel van wateren.

Vervolgens moet de hoeveelheid grasland, bouwland, stedelijk gebied, open water en glastuinbouw oppervlak (in ha) in het gebied afgeleid worden. Deze oppervlakken worden vermenigvuldigd met de betreffende aanvoernormen. Deze drie resultaten bij elkaar opgeteld vormen de te hanteren aanvoernorm.

Bijlage 3: Berekeningen bruggen

3.1 Algemene uitgangspunten

Legger:

Voor bestaande wateren dient uitgegaan te worden van de afmetingen in de Legger.

Weerstand:

Voor de stromingsweerstand van de wateren wordt uitgegaan van een sterk begroeid profiel, en dus een hoge weerstand. Relevante parameter hierbij is K-waarde (Strickler) van 20 m1/3/s voor wateren smaller dan 10 meter en 30 m1/3/s voor wateren breder dan 10 meter (op de waterlijn). Rekentechnisch betekent ‘20’ meer weerstand dan ‘30’.

Stroomsnelheid:

De maximaal toelaatbare stroomsnelheid in wateren is:

-in primaire boezemwateren: 0,3 m/s;

-in primaire polderwateren en secundaire wateren: 0,2 m/s.

Verhang:

Het toelaatbare verhang is voor:

-primaire boezemwateren in Den Haag en Midden-Delfland: 4 cm/km;

-primaire boezemwateren in het westelijk deel: 3,5 cm/km;

-primaire boezemwateren in het oostelijk deel: 1 cm/km;

-primaire polderwateren en alle secundaire wateren: 4 cm/km;

-Het totale verhang in peilgebied van een polder mag maximaal 20 cm bedragen.

De verhangnormen voor primaire boezemwateren worden geïllustreerd op onderstaande overzichtskaart.

3.2 Berekening

Er zijn op hoofdlijnen drie relevante typen brugconstructies te onderscheiden. De verdere berekening en toetsing is afhankelijk van het type brug:

A. Vrije overspanning met landhoofden buiten het watergangprofiel

B. Vrije overspanning met landhoofden tot binnen het watergangprofiel

C. Overspanning via tussenpunten/pijlers in het watergangprofiel

Het verhang van de watergang wordt berekend aan de hand van de algemene formule van Chezy, of met de in dit kader gelijkwaardige formule van Manning. Bij een standaardtoetsing is in wezen alles bekend, behoudens I (en daar geldt de norm voor).

Formule van Chezy: Q = C * A * (R*I)1/2/s

Formule van Manning: I = (v / (R2/3*Ks))2

C = Chezywaarde in m1/2/s

A = Nat oppervlak in m²

R = Hydraulische straal in m (Anat/Onat)

I = Verhang in m/m

C = Ks * R1/6 met Ks = Stricklerwaarde (20 of 30)

3.3 Rekenvoorbeelden voor de toetsing van bruggen

A) Vrije overspanning met landhoofden buiten het watergangprofiel.

In dit geval is de feitelijke brugconstructie niet van invloed op het hydraulisch functioneren van de watergang. Het is dan ook het watergangprofiel dat getoetst moet worden aan de gebruikelijke normen, gebaseerd op een voorgeschreven maximaal verhang bij een zekere normafvoer.

Voorbeeldberekening 1, watergangprofiel:

Een onbeschoeide watergang heeft een bodembreedte van 3,0 meter en een diepte van 0,60 meter. Het onderwatertalud is 1:3. Via deze watergang voert 80 ha stedelijk gebied af.

1) Bepaal normafvoer. Uitgangspunt verdeling verhard/onverhard 50-50.

•Q = 80/2*28,8 mm/d + 80/2*14,4 mm/d = 0,133+0,067 = 0,20 m³/s 2) Bepaal geometrie van het doorstroomprofiel

•Anat; Bpeil = 3,0 + 2*3*0,6 = 6,60 m ; Anat = (6,6 + 3,0)/2*0,60 = 2,88 m²

•Onat; O = 3,0 + 2*(0,62+(3*0,6)2)½ = 6,79 m

•R = Anat/Onat = 2,88 / 6,79 = 0,424 m

3) Bepaal de weerstandswaarde (C) van het doorstroomprofiel

•Ks=20 m1/3/s; immers, de watergang is op de waterlijn kleiner dan 10 m

•C = Ks * R1/6 = 20*0,4241/6 = 17,3 m1/2/s

4) Bepaal het verhang

•I = (Q / C / A)2 / R = (0,20 / 17,3 / 2,88)2 / 0,424 = 0,000038 m/m = 3,8 cm/km

5) Vergelijk dit met de verhangnorm van maximaal 4,0 cm/km: dus het profiel voldoet

6) Bepaal de stroomsnelheid

•v = Q/A = 0,20 / 2,88 = 0,07 m/s

7) Vergelijk dit met de snelheidsnorm van max. 0,20 m/s: dus het profiel voldoet

B) Vrije overspanning met landhoofden binnen het watergangprofiel

In dit geval zal de brugconstructie in meer of mindere mate beperkend zijn op de afvoercapaciteit van de watergang, en dus weerstand veroorzaken. Voor deze constructie geleden dezelfde functionele eisen als voor een duiker:

•maximaal verval 2 mm (vanaf 20 m + 4 cm/km)

•maximale stroomsnelheid 60 cm/s.

Toetsing geschiedt dan ook met behulp van vergelijkbare rekenmethoden en aannames als voor duikers, met dat verschil dat de bodem als uitgangspunt een hogere wandruwheid heeft dan de wanden (slib vs beton).

Zie voorbeeldberekening 2.

C) Overspanning via tussenpunten/pijlers in het watergangprofiel

In dit geval zullen de pijlers van de brug stromingsweerstand veroorzaken. Voor deze constructie geleden dezelfde functionele eisen als voor een duiker:

•maximaal verval 2 mm

•maximale stroomsnelheid 60 cm/s

Voorbeeldberekening 2, brug met interruptie van het watergangprofiel door pijlers en/of landhoofden:

Deze berekening is toepasbaar voor zowel landhoofden in het watergangprofiel, als voor pijlers, als voor de combinatie van beide. Met dat verschil dat een pijler hierbij niet als beperking van het stroomprofiel wordt gezien (immers slechts lokaal), maar als extra weerstandsverlies.

Een brug met een totale rijbreedte van 18 meter (ofwel lengte in stromingsrichting) kruist een brede watergang van ruim 20 meter breed en 1 meter diep. Tussen de landhoofden is de brug 12 meter breed. In het midden staat een rij ronde pijlers met diameter 40 cm. De watergang voert water af uit 880 ha stedelijk gebied.

1) Bepaal normdebiet conform algemene standaard (28,8mm/etm voor verhard oppervlak en 14,4 mm/etm voor onverhard oppervlak)50%*880 ha*14,4 mm/etm + 50%*880ha*28,8 mm/etm = 2,2 m³/s

2) Bepaal de geometrie van het doorstroomprofiel:

a.Anat(bto) = 12*1 = 12 m²

b.Onat = 12+1+1 = 14 m1

c.R = Anat/Onat = 12/14 = 0,86 m

d.Pijleroppervlak = 1*0,4 = 0,4 m²

3) Bepaal de stroomsnelheid:

v = Q/A = 2,2 / 12 = 0,18 m/s mag maximaal 0,60 dus voldoet

De gecombineerde weerstandswaarde bodem en wand van het brughoofd wordt berekend.

Bepaal het gewogen gemiddelde van de wandruwheid op basis van contactoppervlak:

Ks = 30 m1/3/s voor de bodem; immers, de watergang is op de waterlijn breder dan 10 m;

Ks = 75 m1/3/s voor de betonnen wanden;

4) Bepaal de weerstandsverliezen (contractiecoefficiënt µ = 0,6)

5) Bepaal het totale verval dH = dH_wr+dH_ws = 0,54 + 0,97 = 1,5 mm. Mag maximaal 2 mm dus voldoet.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.