Waterschapswetten

Beleidsregels Dempen en graven

Hoogheemraadschap van Delfland · geldt sinds 2 februari 2024

1. Kader

1.8. Raakvlakken met ander beleid en instrumenten

1.8.1. Relatie met de Keur en Legger

Per 19 februari 2015 is een nieuwe Keur van kracht geworden. In de Keur staan verboden en geboden.

De geboden en verboden in de Keur en de beleidsregels zijn voor alle typen wateren verschillend van kracht. Delfland kent een hoofdindeling van typen wateren in:

■ primaire wateren

■ secundaire wateren

Binnen deze hoofdindeling onderscheidt Delfland een subindeling in:

■ boezemwateren

■ polderwateren

Een aparte status in de Legger hebben wateren die cruciaal zijn voor de stabiliteit van dijken. In de Legger hebben deze wateren de status ‘primair’ met als subfunctie ‘dijksloot’.

De gekozen indeling heeft direct verband met de hoofdfunctie van de watergang. Om deze hoofdfunctie te waarborgen, moeten de bijbehorende inrichtingseisen worden gebruikt. In de Legger is per watergang aangegeven wat het type van de watergang is. Door de Legger met deze beleidsregels te combineren kan dus worden bepaald waar welke regels gelden.

1.8.2. Relatie met ander beleid

De werken of werkzaamheden worden integraal getoetst aan het waterstaatkundig belang. Deze toets omvat zowel het belang van waterkeren als dat van waterhuishouding. Ná afweging kan het één prevaleren boven het ander. Het is dan ook mogelijk dat werken waterhuishoudkundig aanvaardbaar zijn, maar vanuit bijvoorbeeld waterkering- of ecologiebelangen niet vergunbaar zijn.

Als een nieuw aan te leggen waterberging een ‘water’ is, zal deze minimaal moeten voldoen aan alle overige beschreven criteria voor een vergunning. Bovenop deze set aan minimale eisen is het ontwerp van een waterberging maatwerk. Voor handvatten voor de inrichting van waterbergingen wordt verwezen naar de Leidraad Vasthouden en bergen.

Bij werken of werkzaamheden in, op, onder en boven wateren in het waterstaatswerk, de bijbehorende beschermingszone of het profiel van vrije ruimte van een waterkering gelden aanvullende eisen vanuit het waterkeringbeleid.

1.8.3. Relatie met Peilbesluiten

De dimensionering van wateren en kunstwerken is verbonden aan een referentiepeil, meestal het schouwpeil. Deze schouwpeilen worden vastgelegd in een peilbesluit. Als in een peilbesluit een flexibel peil is vastgelegd, dan wordt als referentiepeil voor de dimensionering van wateren en kunstwerken uitgegaan van het gemiddelde waterpeil.

1.8.4. Relatie met de vaarwegverordening en met nautisch beheer

Naast de provinciale vaarwegen -waarvan het vaarwegbeheer en het nautische beheer bij de provincie ligt- zijn andere wateren binnen het beheergebied van Delfland op basis van de provinciale vaarwegverordening aangemerkt als niet-provinciale vaarwegen. Deze vaarwegen zijn uitsluitend in onderhoud en beheer bij Delfland. Delfland draagt zorg voor het in stand houden van een vaarweg door aan deze wateren onderhoud te plegen. Daarbij moet Delfland rekening houden met de instandhoudingeisen die worden gesteld in de provinciale vaarwegenverordening. Niet Delfland, maar de provincie heeft op basis van deze vaarwegverordening de regulerende en handhavende taken. De beleidsmatige aspecten ten aanzien van wat qua vaarweginfrastructuur (bijv. diepgang en brughoogte) vereist is, is dan ook een provinciale aangelegenheid. Derhalve wordt daar in deze beleidsregels niet op ingegaan. Het nautisch beheer van vaarwegen is geregeld in onder andere de Scheepvaartverkeerswet. Gezien de aard van deze wetgeving wordt deze ook buiten beschouwing gelaten. Bewegwijzering en nautisch beheer (scheepvaartbegeleiding) vallen ook buiten deze beleidsregels.

De relatie tussen varen en de Beleidsregels Dempen en graven is het zorgdragen voor een oever die bestand is tegen de extra golfslag in een vaarweg.

2. Motivatie en afweging

2.1. Dempen

2.1.1. Waarborgen van de bergingscapaciteit

De bergingscapaciteit mag niet worden gereduceerd. De aanwezige bergingscapaciteit is noodzakelijk voor het opvangen van piekgebeurtenissen, zoals hevige neerslag. Zonder deze bergingscapaciteit kunnen te hoge peilstijgingen ontstaan, waardoor wateroverlast en zelfs inundatie kan ontstaan. Dempen reduceert de aanwezige bergingscapaciteit, waardoor wateroverlast kan ontstaan. De aanwezige bergingscapaciteit moet daarom minimaal gelijk blijven (stand-still beginsel).

2.1.2. Garanderen van de aan- en afvoer

De aan- en afvoer van het water moet gegarandeerd zijn. Dempen heeft een negatieve invloed op de doorstroming, omdat watergangen geheel of gedeeltelijk worden dichtgemaakt. De situatie kan ontstaan dat bovenstroomse gebieden niet meer (voldoende) water kunnen aanvoeren of kunnen afwateren. Dempen mag daarom alleen als de aan- en afvoer van water gegarandeerd wordt. Mogelijk kunnen andere watergangen de functie van de te dempen watergang overnemen of moeten er compenserende maatregelen getroffen worden.

2.1.3. Voorkomen van aantasting van de stabiliteit van dijken

Een dijksloot heeft een tweeledig doel:

1Het verminderen en afvangen van kwel naar een omliggend lagergelegen deel van het gebied (de polder), en daarmee het voorkomen van wateroverlast.

2Het verlagen van de grondwaterspiegel in de waterkerende constructie (de dijk), waarmee voorkomen wordt dat water op een hoger niveau uittreedt en de stabiliteit van de dijk in gevaar brengt. Dijksloten zorgen voor het ontwateren van een waterkering. Het dempen of veranderen van dijksloten kan daarom invloed hebben op de stabiliteit van waterkeringen.

2.2. Graven

2.2.1. Garanderen van de aan- en afvoer en stabiliteit van de oever

De aan- en afvoer moet gegarandeerd zijn en de stabiliteit van de oever mag niet negatief beïnvloed worden. Om een goede water aan- en afvoer te garanderen is het van belang dat het verval over wateren niet te hoog oploopt. De stroomsnelheid in wateren mag niet te groot zijn om ongewenste uitschuring van het onderwaterprofiel te voorkomen, met instabiliteit van het onderwatertalud en de waterkering tot gevolg. De stroomsnelheid en het verval zijn aan elkaar gerelateerd. Hoe hoger de stroomsnelheid, hoe groter het verval en andersom.

Het op verkeerde wijze aanleggen (bijvoorbeeld te smal of te ondiep, of met te steile oevers) van wateren kan leiden tot wateroverlast, en tot erosie of afkalving van oevers.

In deze beleidsregels zijn minimale profieleisen opgesteld om de primaire functie van wateren te waarborgen, om onderhoud mogelijk te maken en om instabiliteit van de oevers te voorkomen. Daarbij zijn de minimale breedtes en dieptes van belang voor het tegengaan van te veel vegetatiegroei in de wateren, waardoor ze als het ware dichtgroeien en daarmee de afvoer stremmen.

2.2.2. Voorkomen van aantasting van de stabiliteit van dijken

Een dijksloot verzorgt de afwatering van het water dat van en dóór de dijk komt, en levert daarmee een belangrijke bijdrage aan het waterkerend vermogen van een waterkering. Met deze functies behoort een dijksloot tot de categorie primaire watergangen. Echter, omdat dijksloten in vergelijking met de overige primaire watergangen dikwijls maar een beperkt afwateringsoppervlak hebben, zijn de afmetingen van een secundaire watergang voldoende.

2.3. Onderhoudsstroken

2.3.1. Waarborgen van beheer en onderhoud

Het beheer en onderhoud aan wateren, inclusief de oever, mag niet worden belemmerd. Onderhoudsstroken maken essentieel onderdeel uit van wateren. Zonder goed onderhoud kunnen wateren namelijk niet meer optimaal functioneren en kan wateroverlast (zowel kwantitatief als kwalitatief) ontstaan. Een onderhoudsstrook moet aan bepaalde minimale afmetingen en andere ontwerpeisen voldoen om effectief gebruikt te kunnen worden. Daarbij moet de onderhoudsstrook bereikbaar en begaanbaar zijn voor mensen en hun materiaal.

Enkel onder voorwaarden dat nieuwe waterstaatswerken worden voorzien van onderhoudsstroken die voldoen aan de toetscriteria in deze beleidsregels, is het aanleggen van nieuwe wateren toegestaan.

Om diverse redenen kan ervoor gekozen worden over te gaan tot varend onderhoud. Dit is alleen toegestaan als aan de toetscriteria voor de betreffende wateren en opstelplaatsen wordt voldaan.

3. Toetscriteria waaronder dempen is toegestaan

3.2. Dempen van wateren

3.2.1. Dempen algemeen

Toetsingscriteria:

Als tot dempen van wateren wordt overgegaan dient:

1Vervangend oppervlaktewater te worden gegraven, zodanig dat de aanwezige wateroppervlakte minimaal gelijk blijft: dempen = graven.

2Het vervangend oppervlaktewater gerealiseerd te zijn voorafgaand aan de demping van wateren.

3Het vervangend oppervlaktewater van een water gegraven te worden binnen hetzelfde peilgebied als de gedempte wateren.

4De aan- en afvoerfunctie van de watergang te worden gewaarborgd.

5Geen belemmering van water aan- en afvoer van achterliggende of aangrenzende gebieden te worden veroorzaakt.

Ad 1: De aanwezige bergingscapaciteit moet minimaal gelijk blijven (stand-still beginsel). Om die reden moet demping van wateren altijd worden gecompenseerd door een wateroppervlak te graven dat minimaal gelijk is aan het gedempte wateroppervlak. Bij surplus uit andere vergunningen mag worden gedempt zonder te graven, aangezien al eerder een overschot is gegraven. Zie paragraaf 3.2.4 voor meer informatie hierover.

Ad 2: De compensatie moet zijn gerealiseerd voorafgaand aan de demping, zodat de benodigde bergingscapaciteit tijdig is gewaarborgd. Hiermee wordt voorkomen dat er ontoelaatbaar grote peilstijgingen optreden als gevolg van neerslag.

Ad 3: Het compenseren van een demping van een watergang is het meest effectief als deze in hetzelfde peilgebied wordt gegraven. Afwijking van deze regel is mogelijk indien, naar de beoordeling van Delfland, de aanvrager voldoende heeft gemotiveerd dat dit geen nadelige gevolgen heeft voor de waterhuishouding, of dat de nadelige effecten afdoende worden gecompenseerd. Als het compensatie van een boezemwater betreft, dan dient gegraven te worden binnen hetzelfde boezemwater met hetzelfde waterpeil.

Ad 4 en 5: Om de aan- en/of afvoerfunctie van de wateren te waarborgen moet in beginsel voorafgaand aan de demping een duiker worden aangebracht, of moet de aan- en afvoer door andere (nieuw gegraven of verbrede) wateren worden overgenomen.

3.2.2. Aanvullende criteria voor versmallen van wateren

Toetsingscriterium:

Als tot versmallen van wateren wordt overgegaan, dient te worden voldaan aan de toetscriteria voor het profiel van wateren zoals verwoord in hoofdstuk 4, met uitzondering van de eisen voor waterdiepte en waterdiepte. De huidige diepte conform de Legger mag gehandhaafd blijven.

Versmallen van wateren is dempen. Ook indien wordt gecompenseerd is versmallen van wateren niet zonder meer toegestaan. Berekening moet uitwijzen of versmalling toelaatbaar is. Hiervoor gelden de toetscriteria voor het profiel, zoals verwoord in hoofdstuk 4 over graven. De huidige waterdiepte mag wel gehandhaafd blijven bij het versmallen van een water. Verondiepen is dus niet nodig.

3.2.3. Aanvullende toetscriteria voor boezemwateren

Toetsingscriteria:

Het dempen van (gedeelten van) primaire boezemwateren is alleen toegestaan indien:

1Het een omlegging van de wateren of de reconstructie van een regionale waterkering of de Maasdijk betreft.

2De compensatie van een demping in het boezemstelsel gegraven wordt binnen een straal van maximaal 2,5 km gerekend vanaf de demping.

Ad 1: Primaire wateren in het boezemstelsel waarborgen het waterhuishoudkundige functioneren van het totale Delflandse beheergebied. Daarnaast is het stelsel van primaire wateren in de boezem zo ingericht dat het boezemland doorspoeld kan worden, waardoor verspreiding van water met een ongewenste kwaliteit wordt voorkomen. Indien demping plaatsvindt, worden deze functies ernstig gehinderd. Gezien het immense belang van een goed functionerend boezemstelsel, is dempen in primaire boezemwateren dan ook niet toegestaan. Ook het maken van dammen (met duikers) is om deze reden niet toegestaan in primaire boezemwateren. Om beide oevers te verbinden moeten bruggen of doorvaarbare duikers gebouwd worden. Enige uitzonderingen op het verbod op dempen in primaire boezemwateren betreffen dempen voor omleggingen van primaire boezemwateren en voor reconstructiewerkzaamheden van de waterkeringen langs primaire boezemwateren. Bij omleggingen dient het sturingsysteem (aanvoer, afvoer en doorspoeling) van het boezemstelsel gewaarborgd te zijn. Aangezien het belang van veilige waterkeringen prevaleert boven het belang van een goede waterafvoer, - aanvoer of doorspoeling, is demping voor deze werkzaamheden wel toegestaan. De belemmering van de waterhuishoudkundige functies dient daarbij tot een minimum te worden beperkt.

Ad 2: De benodigde locatie voor de compensatie van demping in het boezemstelsel is sterk gerelateerd aan de locatie van de benodigde bergingscapaciteit. De bergingscapaciteit dient om peilstijgingen te beperken. Peilstijgingen op een bepaalde locatie kunnen enkel worden beperkt als water voldoende snel de bergingsruimte (in dit geval de compensatie) kan bereiken. In hoeverre dit het geval is, is afhankelijk van het waterafvoerende vermogen van de wateren en de locatie van de berging. Om te beoordelen of de compensatie te ver verwijderd is van de locatie waar peilstijging dreigt, dient het gevolg hiervan te worden beoordeeld. Als maximale maat wordt aangehouden dat de compensatie van een demping binnen een straal van 2,5 km moet worden gegraven, gerekend vanaf de locatie van de demping. Indien compensatie binnen een kleinere straal wordt geëist, zal Delfland door berekeningen aantonen dat deze kleinere straal noodzakelijk is om peilstijgingen te beperken.

3.2.4. Gebruik van surplus compensatie

Toetsingscriterium:

Indien binnen een te vergunnen project de waterbalans positief is, dus wanneer er meer wateroppervlak gegraven wordt dan gedempt - het zogenaamde ‘surplus’ - dan mag dit als compensatie dienen voor andere dempingen, mits:

1het te dempen wateroppervlak het surplus wateroppervlak niet overschrijdt;

2de surplusrechten binnen 3 jaar worden gebruikt. Hierna vervalt de surplusregeling. Bestaande afspraken over surplusregelingen blijven bestaan, maar worden niet meer verlengd. Voor vergunningen gedateerd vóór de inwerkingtreding van de beleidsregel waarin geen termijn is verbonden aan de surplusregeling, wordt deze termijn 3 jaar ná inwerkingtreding van de beleidsregel.

3het gedempte water binnen hetzelfde peilgebied ligt als het surplus.

4aan de overige beleidsregels voor dempen wordt voldaan.

5Voor het inzetten van het surplus is een vergunning vereist en moet de vergunning met daarin het gegraven oppervlak worden gewijzigd. Het surplus mag door een ander dan de vergunninghouder worden ingezet om als compensatie te dienen. Het verzoek hiertoe moet dan mede worden ondertekend door de vergunninghouder van het gegraven surplus.

Het is al enige jaren gebruikelijk om toe te staan dat een gegraven surplus werd gebruikt als compensatie, indien binnen afzienbare termijn in datzelfde peilvak een nieuwe demping plaats zou vinden. Vandaar dat in de vergunningsvoorschriften dit recht kon worden opgenomen. Als termijn werd daarbij vijf jaar aangehouden. Na vijf jaar vervielen de rechten, tenzij de initiatiefnemer verlenging aanvroeg. Deze regeling wordt ook wel ‘rekening-courant’ genoemd.

In 2006 is het voornemen uitgesproken de regeling rekening-courant voor gemeentes af te schaffen. Dit is gedaan omdat uit studies is gebleken dat binnen het gehele beheersgebied juist extra wateroppervlakte nodig is, en dat het zeer ongewenst zou zijn als de dempingen van de rekening-courant zouden worden uitgevoerd. Bovendien bestaat het risico dat door tussentijdse veranderingen in het watersysteem deze dempingen een probleem veroorzaken. Daarnaast is de registratie van de rekening-courant voor particulieren en bedrijven erg ingewikkeld, omdat de te graven en te dempen oppervlaktes tevens gebonden zijn aan peilgebieden. Het wordt vaak nog complexer als surplus verhandeld wordt en/of als het surplus pas na vele jaren geclaimd wordt. Voor Delfland is dat niet handhaafbaar.

Voor particulieren blijft de regeling wel bestaan, maar met aangescherpte voorwaarden. De regeling is vooral bedoeld voor reconstructieprojecten. Aangezien de meeste reconstructieprojecten binnen drie jaar zijn afgerond, is de surplusregeling ook maximaal 3 jaar geldig.

Het is verder van belang dat surplus in hetzelfde peilgebied wordt gedempt als dat het gegraven is, omdat anders wateroverlast kan ontstaan in het peilgebied waarin gedempt wordt. Afwijking van deze regel is mogelijk indien, naar de beoordeling van Delfland, de aanvrager voldoende heeft gemotiveerd dat dit geen nadelige gevolgen heeft voor de waterhuishouding, of dat de nadelige effecten afdoende worden gecompenseerd.

Voor reeds vergunde projecten geldt:

■ Indien in de vergunning een termijn voor het surplus is gegeven, dan blijft het surplus gedurende deze termijn geldig. Er kan geen verlenging van deze termijn worden aangevraagd.

■ Indien in de vergunning wel het surplus is benoemd, maar geen termijn voor het surplus is gegeven, dan blijft het surplus tot drie jaar na inwerkingtreding van deze beleidsregels geldig. Er kan geen verlenging van deze termijn worden aangevraagd.

■ Indien in de vergunning om welke reden dan ook het surplus geheel niet is vermeld, dan komt dit surplus met de inwerkingtreding van deze beleidsregels te vervallen.

De mogelijkheid om binnen een plangebied in fases de werken uit te voeren, blijft bestaan. De initiatiefnemer mag bijvoorbeeld in fase 1 al het te graven (compensatie-)water aanleggen en dan gefaseerd de dempingen uitvoeren. De betreffende dempingen dienen dan echter wel vooraf inzichtelijk te worden gemaakt en in de benodigde vergunning te worden opgenomen.

Hoofdstuk 4. Toetscriteria waaronder graven is toegestaan

4.2. Graven van en in wateren

Artikel 4.2.1. Minimale afmetingen te graven profiel

Toetsingscriteria:

1De dimensionering van wateren dient minimaal gebaseerd te zijn op het normdebiet.

2Nieuw aan te leggen wateren moeten voldoen aan de normen voor stroomsnelheid en verhang, en moeten na aanleg ten minste voldoen aan de afmetingen in de onderstaande tabel 3.1.

3Wateren moeten 10 cm dieper worden aangelegd, dan op basis van de normering benodigd is.

4De oevers van de vergraving moeten met deugdelijke materialen en op doelmatige wijze tegen uitspoeling en afkalving worden beschermd.

5Voor de aansluiting van nieuwe wateren op bestaande wateren dient een graduele overgang over een lengte van 10 meter te worden aangelegd. Indien het nieuwe water zo kort is dat deze overgang niet kan worden gerealiseerd, dan moet het nieuwe water met de leggerdiepte en leggerbreedte van het huidige water worden aangelegd.

Tabel 3.1: Minimale afmetingen voor nieuw aan te leggen wateren

Primaire wateren, met uitzondering van dijksloten

Secundaire wateren en dijksloten

Minimaal bovenwaterbeloop

1:1 of beschoeiing

1:1 of beschoeiing

Verhouding waterdiepte staat tot waterbreedte voor watergangen tot een breedte van 5 m

2) De juiste verhouding tussen diepte en breedte wordt bepaald door de grondsoort waarin de wateren worden aangelegd. De verhouding waterdiepte staat tot waterbreedte van 1:5 is een minimale verhouding en is van toepassing op alle niet-slappe grondsoorten. Een verhouding 1:5 betekent bij een waterdiepte van 1 m een waterbreedte van 5 m. Bij slappere grondsoorten zoals veen en zand moet mogelijk een verhouding waterdiepte staat tot waterbreedte van 1:6 of nog minder worden toegepast. Minder steile oevers komen ten goede aan de stabiliteit, veiligheid en de ecologie.

1:5

1:5

Verhouding waterdiepte staat tot waterbreedte voor watergangen breder dan 5 m2)

1:5, maar maatwerk mogelijk

1:5, maar maatwerk mogelijk

Minimale waterdiepte

1m

0,5 m

Minimale waterbreedte

3Dit is de waterbreedte op schouwpeil of boezempeil

5m

2,5 m

Ad 1: Het minimale doorstroomprofiel moet geborgd zijn. Het minimale doorstroomprofiel wordt bepaald door het normdebiet. Het normdebiet is het grootste debiet van:

a) het afvoerdebiet volgens de afvoernorm, of;

b) het aanvoerdebiet volgens de aanvoernorm.

De normdebieten en de daaruit volgende minimale afmetingen moeten door de aanvrager zelf worden berekend en door Delfland worden gecontroleerd. De berekeningsvoorschriften voor het normdebiet zijn opgenomen in bijlage 2.

Ad 2: Van nieuw aan te leggen wateren is sprake als een nieuw profiel wordt gegraven. De regel is niet van toepassing voor versmalling of verbreding van bestaande wateren. De regels voor versmalling en verbreding van bestaande wateren zijn beschreven is 3.2.2 en 4.2.2.

De berekeningsvoorschriften voor de dimensionering van wateren zijn opgenomen in bijlage 3. Bij het dimensioneren van de wateren moeten de minimale afmetingen in tabel 3.1 als uitgangspunt worden gebruikt. Hieraan moet de watergang in ieder geval voldoen. Afhankelijk van het berekende normdebiet (bijlage 2) moet de watergang ruimer worden gedimensioneerd, tot aan de normen voor verhang en stroomsnelheid (bijlage 3) wordt voldaan. De afmetingen in tabel 3.1 worden hier verder toegelicht:

■ Verhouding tussen waterdiepte en waterbreedte: Delfland eist een minimale waterbreedte van zijn wateren, deels om onderhoud mogelijk te maken en deels om het dichtgroeien van wateren te voorkomen. Smalle wateren groeien namelijk te snel dicht met waterplanten. De vorm van een profiel is gebaseerd op de benodigde waterdiepte, de benodigde waterbreedte en het onderwaterbeloop. Gezien het gevaar voor oevererosie is een steil beloop sterk af te raden, met uitzondering van locaties waar kaden, beschoeiing en damwanden voorkomen. Ook het ecologische functioneren van onderwateroevers is gebaat bij een minder steil beloop. Daarom wordt een te steil onderwaterbeloop niet toegestaan. Minimaal vereist is daarom een verhouding waterdiepte staat tot waterbreedte van 1:5, oftewel de waterdiepte moet 1/5 van de waterbreedte op schouwpeil zijn. Vanwege stabiliteit, veiligheid en ecologie gaat echter de voorkeur van Delfland uit naar een verhouding waterdiepte staat tot waterbreedte van minimaal 1:6. Als het beloop uit twee grondsoortlagen bestaat, dan dient de steilte van het beloop te worden afgestemd op de meest erosiegevoelige laag.

Watergangen die breder zijn dan 5 meter zouden te diep kunnen worden als de verhouding 1:5 wordt aangehouden. Dat is niet altijd nodig en kan zelfs ongewenst zijn. Daarom is in overleg met Delfland maatwerk mogelijk. Boezems en vijvers zijn voorbeelden van wateren waar maatwerk gewenst is.

■ Minimale waterdiepte: Bij het berekenen van de waterdiepte dient rekening gehouden te worden met waterkwantiteitseisen (stroomsnelheid en verval) en waterkwaliteitseisen (zuurstofhuishouding, opwarming, vegetatie en vis). Een minimale diepte van 0,5 meter in secundaire wateren heeft als doel overmatige vegetatiegroei tegen te gaan. Ondiepe wateren groeien namelijk te snel dicht met waterplanten. Als de watergang dichtgroeit, wordt de aan- en afvoer immers belemmerd. De minimale diepte van 0,5 meter in secundaire wateren wordt tevens gehanteerd in verband met opwarming. Dieper water warmt minder snel op, wat bijvoorbeeld overmatige kroosgroei tegengaat. Ook vindt in diepere wateren meer verdunning van verontreinigingen plaats, waardoor concentraties van deze stoffen lager blijven en dus minder schade aanrichten. Deze verdunning is mede de reden waarom primaire wateren minimaal een diepte van 1 meter moeten hebben; lozingen dienen immers geprojecteerd te worden op de primaire wateren (zie paragraaf 3.6). De minimale waterdiepte wordt tevens de ingrijpdiepte, wat betekent dat er gebaggerd moet worden als slib zich heeft opgehoopt tot deze minimale waterdiepte.

■ Minimale waterbreedte: De minimale waterbreedte volgt uit de minimale waterdiepte en de vereiste minimale verhouding tussen waterdiepte en waterbreedte. De waterbreedte is de breedte op de waterlijn van het doorstroomprofiel. Dit is de waterbreedte conform de Legger (zie figuur A in bijlage 1). De waterbreedte van het doorstroomprofiel is exclusief plasbermen.

Ad 3: Op een waterbodem ontstaat in de meeste gevallen een laagje slib. Dat is op zich goed voor de ecologie, maar een te dikke sliblaag is niet gewenst. Het vereiste verschil tussen de minimale waterdiepte en aanlegdiepte is 0,1 meter en heeft als doel om ruimte te bieden aan slibvorming, zonder te vaak te moeten baggeren. Praktijkervaring heeft uitgewezen dat binnen een baggercyclus de aanwas van slib gemiddeld 0,1 meter is.

Ad 4: Water dat langs of over een onder- of bovenwaterbeloop stroomt, kan sediment meenemen, waardoor de oever uitspoelt en afkalft en zelfs kan instorten. Door golfoploop kan eveneens uitspoeling en afkalving ontstaan. In de meeste gevallen voldoet het aanbrengen van vegetatie op het beloop. Enkel in wateren waar de stroomsnelheden worden overschreden en/of waar sprake is van golfoploop is mogelijk oeverbescherming nodig. Vooral in grotere wateren en vaarwegen treedt golfoploop op.

Ad 5: Aansluiting op het bestaande profiel: In de huidige veldsituatie zijn de wateren soms minder diep of minder breed dan vereist is. Nieuwe wateren moeten aansluiten op de huidige wateren. Om te voorkomen dat er een drempel moet worden onderhouden dient in die gevallen een graduele overgang over een lengte van 10 meter te worden aangelegd. Indien de nieuwe wateren zo kort zijn dat de overgang niet kan worden gerealiseerd, mag de nieuwe watergang met de leggerdiepte en leggerbreedte van de huidige watergang worden aangelegd.

Artikel 4.2.2. Verbreden van het profiel

Toetsingscriteria:

Als tot verbreding van wateren wordt overgegaan, dan dient:

1Het nieuwe bovenwaterbeloop minimaal te voldoen aan de eisen voor bovenwaterbeloop in tabel 4.1.

2De verhouding waterdiepte staat tot waterbreedte conform tabel 4.1 te worden aangebracht.

3De verbreding minimaal 0,2 meter te bedragen.

4De verbreding gelijkmatig verdeeld te worden over de gehele lengte van de te verbreden watergang voor zover het eigendom strekt.

5De voorgenomen verbreding te worden toegepast op het gehele profiel.

Ad 1: Het nieuwe bovenwaterbeloop dat ontstaat na een verbreding of versmalling moet minimaal 1:1 zijn of voorzien zijn van beschoeiing.

Ad 2: Bij het verbreden van een bestaande watergang is het in de meeste gevallen ook noodzakelijk om de watergang te verdiepen, zodat aan de vereiste verhouding tussen waterdiepte en waterbreedte in tabel 3.1 wordt voldaan na de verbreding. De huidige verhouding (en de dus weer terug te brengen verhouding) is vastgelegd in de Legger.

Tabel 4.1: Minimale afmetingen voor het verbreden van bestaande wateren

Primaire wateren, met uitzondering van dijksloten

Secundaire wateren en dijksloten

Minimaal bovenwaterbeloop

1:1 of beschoeiing

1:1 of beschoeiing

Verhouding waterdiepte staat tot waterbreedte voor watergangen tot een breedte van 5 m1)

1:5

1:5

Verhouding waterdiepte staat tot waterbreedte voor watergangen breder dan 5 m1)

1:5, maar maatwerk mogelijk

1:5, maar maatwerk mogelijk

Ad. 3: Als tot verbreding wordt overgegaan, dan moet dit in ieder geval zichtbaar zijn voor Delfland. Om die reden is een ondergrens van 0,2 meter gesteld voor verbredingen van wateren. In de overgangszone tussen de verbreding en de bestaande watergang is een korte overgang toegestaan waar de verbreding minder is dan 0,2 meter. Als de watergang wordt verbreed als gevolg van een compensatieplicht, dan is maatwerk mogelijk als het te compenseren oppervlak kleiner is dan 0,2 meter maal de lengte van de watergang.

Ad 4: Het onderhoud wordt belemmerd als reguliere watergangen grillige vormen krijgen door ongelijkmatige verbreding. Tevens ontstaan door ongelijkmatige verbredingen ‘uitstulpingen’ van de watergang. Deze uitstulpingen zijn geen effectief doorstroomprofiel. Daarom dient de voorgenomen verbreding in principe gelijkmatig verdeeld te worden over de gehele lengte van de watergang. Bijvoorbeeld de hele lengte verbreden met 0,5 meter. Bij een voldoende brede watergang voor een effectieve doorstroming mag wel plaatselijk een grotere verbreding worden toegepast, mits voldoende gemotiveerd is dat onderhoud mogelijk is. Het gaat bijvoorbeeld om het weggraven van loze ruimte langs kassen en toepassing van verbreding tussen twee waterstaatswerken.

Ad 5: Als basisregel dient het gehele profiel verbreed te worden aan de zijde van de te graven verbreding. Dus als de voorgenomen verbreding bijvoorbeeld 0,5 meter is, dan wordt zowel de waterbreedte, de breedte op de insteektalud en eventueel de bodembreedte 0,5 meter breder en de onderhoudsstrook verplaatst 0,5 meter in landinwaartse richting. Echter, in overleg met Delfland is maatwerk ten behoeve van natuurvriendelijke inrichting van het profiel mogelijk als de verbreding buiten het minimale doorstroomprofiel valt en/of alleen een waterbergende functie heeft. Zie paragraaf 4.2.1 voor de bepaling van het minimale doorstroomprofiel. Mogelijk kan de verbreding dan worden uitgevoerd als natuurvriendelijke oever.

4.3. Onderhoudsstrook en overige inrichtingsaspecten voor onderhoud

4.3.1. Minimale afmetingen van onderhoudsstroken

Toetingscriteria:

Bij de aanleg van nieuwe wateren en verbreden van bestaande wateren zijn de volgende breedtes van onderhoudsstroken vereist:

1Bij wateren met een breedte tot 5 meter is een onderhoudsstrook van 4 meter aan één zijde voldoende. De (onderhouds)strook aan de andere zijde kan 1 meter breed zijn.

2Wateren met een breedte tussen de 5 en 10 meter moeten aan beide kanten kunnen worden onderhouden. Hiervoor zijn aan weerszijden van de wateren onderhoudsstroken met een breedte van 4 meter nodig.

3Wateren met een breedte groter dan 10 meter moeten varend worden onderhouden. Voor varend onderhoud zijn onderhoudsstroken nodig van 1 meter aan weerszijden van de wateren.

4Langs een nieuw aan te leggen NEZ type natuurvriendelijke oever dient een onderhoudsstrook van 4 meter aanwezig te zijn.

Ad 1 t/m 3: De onderhoudsstroken van watergangen worden in de Legger opgenomen. De breedte is afhankelijk van de breedte van de watergang en het type onderhoud (rijdend of varend). Uitgangspunt hierbij is dat watergangen en kunstwerken zo veel mogelijk rijdend onderhouden dienen te worden vanwege uitvoeringstechnische en financiële aspecten. Zo moet bijvoorbeeld bij varend onderhoud altijd de uitkomende specie afgevoerd worden. Een vrije strook van 4 meter is noodzakelijk voor onderhoud vanaf de kant om voldoende werkruimte te bieden aan het (rijdend) onderhoudsmateriaal. Voor varend onderhoud is een strook van 1 meter voldoende voor schouw en inspecties. Varend onderhoud stelt echter wel eisen aan de watergang (zie onderstaande criteria voor varend onderhoud).

Ad 4: Een NEZ wordt bij voorkeur vanaf de kant onderhouden. Met varend onderhoud is de kans op beschadiging groot. Bovendien kan men met onderhoudsmaterieel niet overal voldoende bij. Een natuurvriendelijke oever met een flauwe oever kan meestal wel varend onderhouden worden als dit gewenst is, maar ook bij deze zones verdient onderhoud vanaf de kant de voorkeur.

Bijlage 1: Voorbeeldprofielen wateren en waterkeringen

Figuur A: Voorbeeld profiel waterstaatswerk – wateren

Figuur B: Voorbeeld profiel waterstaatswerk – waterkering

Bijlage 2: Normdebiet

Het minimale doorstroomprofiel moet geborgd zijn. Het minimale doorstroomprofiel wordt bepaald door het normdebiet. Het normdebiet is het grootste debiet van:

A. het afvoerdebiet volgens de afvoernorm;

B. het aanvoerdebiet volgens de aanvoernorm.

Het normdebiet en de daardoor minimaal benodigde profielafmetingen moeten door de vergunningaanvrager zelf worden berekend en deze worden door Delfland gecontroleerd. Voor de berekeningen dient uitgegaan te worden van de situatie ná uitvoering van het plan waarvoor vergunning wordt aangevraagd.

Ad. A) Afvoernorm

Om de minimale afmeting van een watergang te berekenen moet eerst berekend worden hoeveel afvoer door de betreffende watergang moet kunnen. Delfland hanteert daarvoor de afvoernorm (dat is het maatgevende debiet voor de waterafvoersituatie). Deze afvoernorm van wateren dient berekend te worden aan de hand van het gebied dat via de betreffende watergang afwatert. Voor de berekening van de afvoernorm moeten de volgende stappen worden gevolgd:

1Eerst dient de grootte van het gebied bepaald te worden dat afvoert via de watergang.Hiervoor wordt de contour bepaald die alle bovenstrooms gelegen wateren omsluit. Deze zal zoveel mogelijk samenvallen met formele peilgebiedsgrenzen.

2Vervolgens moet de hoeveelheid verhard en onverhard oppervlak (in ha) in het gebied afgeleid worden aan de hand van het grondgebruik. Mogelijkheden zijn Basisrioleringsplannen van gemeentes of inschattingen op basis van het GBKN.

3Aan de hand van onderstaande tabel wordt per type oppervlak aangegeven hoe het afvoerdebiet berekend/bepaald moet worden.

4Deze resultaten bij elkaar opgeteld, vormen de te hanteren afvoernorm voor de bepaling van de minimale afmeting van een watergang.

Type oppervlak

Uitgangspunt voor berekening

■ Afvoer onverhard oppervlak

Het oppervlak onverhard moet vermenigvuldigd worden met 14,4 mm/dag (=10 m³/min.100ha) 4

■ Afvoer verhard oppervlak

Het overig verhard oppervlak moet vermenigvuldigd worden met 28,8 mm/dag (=20 m³/min.100ha)

4) Uitgangspunt afkomstig uit het Cultuurtechnisch Vademecum

■ Vergunde puntlozingen

Voor lozingen van industrieel water of onttrokken grondwater is het lozingsdebiet gelijk aan de maximum lozingscapaciteit zoals vermeld in de vergunningaanvraag. Het gaat om puntlozingen die niet-neerslag gerelateerd zijn en waarvan de (maximale) lozingsdebieten bij Delfland bekend zijn.

Bij de bepaling van de hoeveelheid verhard en onverhard oppervlak mag, indien er aantoonbaar niet méér exacte gegevens beschikbaar zijn, de volgende standaardverdeling worden aangehouden:

☐

Stedelijk gebied:

50% verhard – 50% onverhard

☐

Bedrijventerrein:

80% verhard – 20% onverhard

☐

Glastuinbouw:

75% verhard – 25% onverhard

☐

Agrarisch:

5% verhard – 95% onverhard

☐

Natuur, bos en duin:

0% verhard – 100% onverhard

Ad. B) Aanvoernorm

De aanvoernorm (debiet voor de wateraanvoersituatie) te gebruiken voor wateren met een wateraanvoerfunctie wordt bepaald met de volgende normen:

•Grasland/akkerbouw/stedelijk gebied: 2,7 mm/dag

•Open water: 6,0 mm/dag

•Glastuinbouw: 5,0 mm/dag

Het in te laten water wordt gebruikt voor peilhandhaving, doorspoeling/verversing en watervoorziening van het aanwezige grondgebruik en teelten. Om de minimale afmeting van een watergang met een wateraanvoerfunctie te berekenen moet eerst berekend worden hoeveel aanvoer door de betreffende watergang moet kunnen. Delfland hanteert daarvoor de bovenstaande aanvoernormen.

Eerst dient de grootte van het achterliggende aanvoergebied bepaald te worden voor de betreffende wateren. Het achterliggende aanvoergebied wordt begrensd door de waterscheidingen tussen enerzijds de betreffende wateren plus alle stroomafwaarts gelegen wateren in hetzelfde peilvak en anderzijds de wateren die grenzen aan dit stelsel van wateren.

Vervolgens moet de hoeveelheid grasland, bouwland, stedelijk gebied, open water en glastuinbouw oppervlak (in ha) in het gebied afgeleid worden. Deze oppervlakken worden vermenigvuldigd met de betreffende aanvoernormen. Deze drie resultaten bij elkaar opgeteld vormen de te hanteren aanvoernorm.

Bijlage 3: Berekeningen wateren

3.1 Relevante uitgangspunten

Legger:

Voor bestaande wateren dient uitgegaan te worden van de afmetingen in de Legger.

Weerstand:

Voor de stromingsweerstand van de wateren wordt uitgegaan van een sterk begroeid profiel, en dus een hoge weerstand. Relevante parameter hierbij is K-waarde (Strickler) van 20 m⅓/s voor wateren smaller dan 10 meter en 30 m⅓/s voor wateren breder dan 10 meter (op de waterlijn). Rekentechnisch betekent ‘20’ meer weerstand dan ‘30’.

Stroomsnelheid:

Om een goede water aan- en afvoer te garanderen, is het van belang dat het verval over een watergang niet te hoog oploopt. De stroomsnelheid en het verval zijn aan elkaar gerelateerd. Hoe hoger de stroomsnelheid hoe groter het verval en andersom. De afmeting van wateren in relatie tot de maatgevende aan- of afvoer en eventuele obstakels in de wateren bepalen het verval en de stroomsnelheid. De stroomsnelheid in wateren mag niet te groot zijn om ongewenste uitschuring van het onderwaterprofiel te voorkomen, met instabiliteit van het onderwaterbeloop en de waterkering tot gevolg.

De maximaal toelaatbare stroomsnelheid is:

-in primaire boezemwateren: 0,3 m/s;

-in primaire polderwateren en secundaire wateren: 0,2 m/s.

Verhang:

Het verhang in wateren mag in een stationaire situatie maximaal 4 cm/km bedragen, om te voorkomen dat actuele waterpeilen te veel afwijken van de streefpeilen. Veel functies in het gebied zijn immers afgestemd op het streefpeil. Voor primaire boezemwateren geldt een strengere normering voor het toelaatbaar verhang. De boezem is het hooggelegen water dat functioneert als tussenstap voor de afvoer van polderwater naar het buitenwater (Noordzee en Nieuwe Waterweg). Het is een stelsel van vaarten en kanalen die allemaal met elkaar in verbinding staan. Het vormt het transportsysteem door heel Delfland. Een toename van stedelijk gebied, tuinbouwbedrijven en autowegen heeft in de afgelopen jaren tot meer verharding geleid en daarmee tot minder ruimte om regenwater op te vangen in de bodem. Het hemelwater stroomt rechtstreeks en sneller naar het oppervlaktewater. Daarbij komt nog dat regenbuien steeds intensiever worden. Er valt meer regen in een korte periode en deze perioden komen vaker voor. Door deze ontwikkelingen is dit boezemsysteem onder druk komen te staan. Daardoor geldt voor de boezem dat het systeem op dit moment al zo krap gedimensioneerd is dat extra verval op de meeste locaties ontoelaatbaar is.

Het toelaatbare verhang is voor:

-primaire boezemwateren in Den Haag en Midden-Delfland: 4 cm/km;

-primaire boezemwateren in het westelijk deel: 3,5 cm/km;

-primaire boezemwateren in het oostelijk deel: 1 cm/km;

-primaire polderwateren en alle secundaire wateren: 4 cm/km;

-Het totale verhang in peilgebied van een polder mag maximaal 20 cm bedragen.

De verhangnormen voor primaire boezemwateren worden geïllustreerd op onderstaande overzichtskaart.

Aandachtspunten:

■ Wateren die hoog in het systeem liggen kunnen door opstuwing danwel verhang in het benedenstroomse deel een iets grotere diepte hebben dan de ‘diepte op streefpeil’. Rekenmodellen zoals Sobek houden hier automatisch rekening mee. In handmatige berekeningen moet hier apart rekening mee worden gehouden. Het aanhouden van de diepte op streefpeil is in dat geval een ietwat conservatieve benadering.

■ Doordat bij kleine wateren met een hoge weerstand gerekend wordt zal de verhangnorm meestal zwaarder uitvallen dan de snelheidsnorm.

3.2 Berekening

Het verhang wordt berekend aan de hand van de algemene formule van Chezy, met een weerstandsbenadering volgens Strickler. Bij een standaardtoetsing is in wezen alles bekend, behoudens het verhang I en stroomsnelheid v (en daar worden normen voor gesteld).

De berekening kan geschieden aan de hand van de volgende hydraulische formules:

Formule van Chezy:

Formule van Strickler: C = Ks*R1/6

En algemeen:

Q = Afvoerdebiet in m³/s

C = Chezywaarde in m1/2/s

A = Nat oppervlak in m²

R = Hydraulische straal in m (Anat/Onat)

I = Verhang in m/m

Ks = Stricklerwaarde (20 of 30) in m1/3/s

V = Stroomsnelheid in m/s

3.3 Rekenvoorbeelden voor de toetsing van een watergangprofiel

Voorbeeld 1 – Stedelijk gebied, 100 % gescheiden rioolstelsel.

Een onbeschoeide watergang (met een onderwatertalud van 1:3) heeft een bodembreedte van 3,0m en een diepte van 0,60m. Via deze watergang voert 80 ha stedelijk gebied af.

1) Bepaal normafvoer. Uitgangspunt verdeling verhard/onverhard 50-50

•Q = 80/2*28,8 mm/d + 80/2*14,4 mm/d = 0,133+0,067 = 0,20 m³/s

2) Bepaal geometrie van het doorstroomprofiel

•Anat; Bpeil = 3,0 + 2*3*0,6 = 6,60 m ; Anat = (6,6 + 3,0)/2*0,60 = 2,88 m²

•Onat; O = 3,0 + 2*(0,62+(3*0,6)2)1/2 = 6,79 m

•R = Anat/Onat = 2,88 / 6,79 = 0,424 m

3) Bepaal de weerstandswaarde (C) van het doorstroomprofiel

•Ks=20 m1/3/s; immers, de watergang is op de waterlijn kleiner dan 10 m

•C = Ks * R1/6 = 20*0,4241/6 = 17,3 m1/2/s

4) Bepaal het verhang

•I = (Q / C / A)^2 / R = (0,20 / 17,3 / 2,88)^2 / 0,424 = 0,000038 m/m = 3,8 cm/km

5) Vergelijk dit met de verhangnorm van max. 4,0 cm/km: dus het profiel voldoet

6) Bepaal de stroomsnelheid

•v = Q/A = 0,20 / 2,88 = 0,07 m/s

7) Vergelijk dit met de snelheidsnorm van maximaal 0,20 m/s: dus het profiel voldoet

Rekenvoorbeeld 2 – Bedrijventerrein, 100% gescheiden rioolstelsel en vergunde lozing van 100 m³/h

Een onbeschoeide watergang heeft een bodembreedte van 3,0 m en een diepte van 0,60 m. Via deze watergang voert 80 ha stedelijk gebied af. Dit stedelijke gebied heeft een gescheiden rioolstelsel.

1) Bepaal normafvoer: Uitgangspunt is verdeling verhard/onverhard bedrijventerrein (Q1) + vergunde lozing (Q2);

•verdeling verhard/onverhard is 80-20%:

•Q1 = 80%*80 *28,8 + 20%*80*14,4 = 12,8 m³/min + 1,6 m³/min = 0,24 m³/s

•Q2: 100 m³/h = 0,028 m³/s

•Qtotaal = Q1 + Q2 = 0,24 + 0,028 = 0,268 m³/s

2) Bepaal geometrie van het huidige doorstroomprofiel

•Anat; Bpeil = 3,0 + 2*3*0,6 = 6,60 m ; Anat = (6,6 + 3,0)/2*0,60 = 2,88 m²

•Onat; O = 3,0 + 2*(0,62+(3*0,6)2)1/2 = 6,79 m

•R = Anat/Onat = 2,88 / 6,79 = 0,424 m

3) Bepaal de weerstandswaarde (C) van het doorstroomprofiel

•Ks= 20 m1/3/s; immers, de watergang is op de waterlijn kleiner dan 10 m

•C = Ks * R1/6 = 20*0,4241/6 = 17,3 m1/2/s

4) Bepaal het verhang

•I = (Q / C / A)2 / R = (0,268 / 17,3 / 2,88)2 / 0,424 = 6,8 cm/km

5) Vergelijk dit met de verhangnorm van max. 4,0 cm/km: Het verhang wordt overschreden, dus het profiel voldoet niet qua verhang

6) Bepaal de stroomsnelheid

•v = Q/A = 0,268/ 2,88 = 0,093 m/s

7) Vergelijk dit met de snelheidsnorm van max. 0,20 m/s: dus het profiel voldoet niet

8) Het huidige profiel voldoet niet aan het in 1 vastgestelde normdebiet, en dient groter uitgevoerd te worden. Stappen 2 t/m 7 opnieuw doorlopen voor een aangepast profiel van de waterloop zodat uiteindelijk ook het berekende verhang voldoet aan de norm.

Bijlage 4: Specifiek toetsingskader voor tijdelijke dammen en versmallingen

1Kader

1.1. Wat is (het doel van) deze bijlage?

Deze bijlage is een aanvulling op de Beleidsregels Dempen en graven. Het maakt daarmee onderdeel uit van de Beleidsregels Dempen en graven.

Soms kan het zo zijn dat een dam of versmalling maar tijdelijk nodig is voor het uitvoeren van (onderhouds)werk. De Beleidsregels Dempen en graven bieden in deze gevallen onvoldoende ruimte voor de initiatiefnemers. Vooral als het gaat om het compenseren van een oppervlaktewaterlichaam (hierna: water) dat tijdelijk gedempt wordt door het aanbrengen van tijdelijke dammen of versmallingen. Bij veel initiatieven is het namelijk niet mogelijk voor de initiatiefnemer om water te compenseren in hetzelfde peilgebied door gebrek aan ruimte. Bovendien leidt het aanbrengen van compensatiewater bij tijdelijke werken veelal tot verhoging van de kosten, verlies van tijd en lukt het niet altijd om de situatie weer te herstellen, zoals deze oorspronkelijk was.

Delfland ervaart dat een initiatiefnemer regelmatig in een positie komt, waarin hij voor het compenseren van water (in hetzelfde peilgebied) niet aan de Beleidsregels Dempen en graven (§3.2) kan voldoen. Delfland met een specifiek toetsingskader ‘ruimte’ bieden voor een initiatief zonder dat de doorstroming en de waterberging van het water, de kwaliteit van het water en de waterveiligheid ontoelaatbaar worden belemmerd.

Het specifiek toetsingskader tijdelijke dammen en versmallingen biedt mogelijkheid tot maatwerk. Het zorgt ervoor dat een tijdelijke dam of versmalling zonder compensatie van water in sommige gevallen wel mogelijk is. Delfland accepteert hierbij tijdens de uitvoering van de werkzaamheden een tijdelijke toelaatbare achteruitgang in het watersysteem

5Voor dit specifieke toetsingskader wordt voor het begrip watersysteem aangesloten bij de definiëring van de Waterwet.

, maar accepteert geen negatief effect na deze werkzaamheden. In dit toetsingskader staat waarmee Delfland rekening houdt bij het beoordelen van de vergunningaanvraag voor een tijdelijke dam of versmalling.

1.2. Reikwijdte

Het doel van een tijdelijke dam of versmalling is om een (onderhouds)werk tijdelijk mogelijk te maken en niet om het water definitief of langdurig te versmallen of te dempen. De situatie wordt weer hersteld naar de situatie zoals deze was voor de uitvoering van het werk of gelijkwaardig. Als grens van de tijdelijkheid houden wij hierbij één jaar aan. Dit is gelijk aan de standaard uitvoeringstermijn van een watervergunning.

De reikwijdte van dit toetsingskader is niet bedoeld om extra ruimte in gebruik te kunnen nemen voor bijvoorbeeld opslag of parkeerplaatsen. In dit soort gevallen worden de reguliere Beleidsregels Dempen en graven gehanteerd. Wel is dit toetsingskader bedoeld om bijvoorbeeld bereikbaarheid te organiseren via een tijdelijke dam, zoals de aanleg van tijdelijke toegangswegen voor de veilige bereikbaarheid van percelen. Of om werkzaamheden vanaf het water uit te kunnen voeren, zoals kadeverbeteringen.

Als de dam of versmalling langer nodig is dan één jaar of bij onzekerheid vooraf over de tijdsduur van een tijdelijk werk, gelden alleen de Beleidsregels Dempen en graven zelf. Dit betekent dat er wel compensatiemaatregelen worden geëist.

De aangevraagde tijdsduur voor de tijdelijke dam of versmalling wordt vergund. Toch kan het zijn dat er onvoorziene omstandigheden optreden waardoor een project uitloopt. Uitloop van projecten belemmert mogelijk andere projectinitiatieven, omdat de optelling van ingrepen in het watersysteem te risicovol wordt voor bijvoorbeeld de doorstroming en de waterberging. Delfland bekijkt dan of de aanvraag voor verlenging van het werk mogelijk is en of de totale tijdsduur van het tijdelijke werk nog binnen de marge van één jaar valt. Bij uitloop van werken langer dan een periode van één jaar gelden de reguliere Beleidsregels Dempen en graven en kan Delfland alsnog compensatiemaatregelen eisen, zoals het graven van water(berging).

1.3. Raakvlakken met ander beleid

Als een tijdelijke dam of versmalling een stremming is voor vaarverkeer, dan is een stremmingenbesluit op basis van de Scheepvaart verkeerswet nodig.

Wanneer er een werk (tijdelijke dam of versmalling) in een perceel van Delfland wordt aangelegd, dan dienen hier aparte afspraken voor het gebruik van dit eigendom gemaakt te worden.

Wanneer een tijdelijke dam wordt aangelegd met een duikerverbinding geldt voor de afmeting en plaatsing van de duiker de beleidsregels voor duikers. Hierbij wordt o.a. rekening gehouden met eventuele verwachte zettingen door de werkzaamheden.

Voor de toe te passen grond van de tijdelijke dam of versmalling kunnen de regels van het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing zijn.

2Motivatie en afweging

Met de voorwaarden van dit toetsingskader ziet Delfland erop toe dat tijdens de werkzaamheden het watersysteem geen ontoelaatbare negatieve effecten ondervindt. Waarbij de waterkering helemaal geen negatief effect mag ondervinden. Daarnaast ziet Delfland erop toe dat er geen permanente verslechtering van dat watersysteem plaatsvindt na deze werkzaamheden. Zo mag tijdens de werkzaamheden de doorstroming van het watersysteem en de bergingscapaciteit niet ontoelaatbaar belemmerd worden, de stabiliteit van de waterkeringen niet in gevaar komen en ook geen ontoelaatbare negatieve gevolgen optreden voor de waterkwaliteit. Bovendien moet het onderhoud aan watergangen en -kanten mogelijk blijven. Ook mogen maatschappelijke functies van het watersysteem niet belemmerd worden.

Delfland is geen voorstander van tijdelijke dammen of versmallingen zonder compensatie. Maar laat het onder bepaalde omstandigheden wel toe. Delfland beoordeelt bij de aanvraag eerst of er een alternatief mogelijk is. De prioriteit ligt bij het zoeken naar een oplossing waardoor geen ingreep in het watersysteem nodig is. Als tweede optie beoordelen wij of een brug, overkluizing of ponton mogelijk is. Hiervan is de impact op het watersysteem meestal kleiner. Als deze oplossingen redelijkerwijs niet mogelijk zijn, wordt er pas gekeken naar de mogelijkheid van een tijdelijke dam of versmalling.

Een tijdelijke dam of versmalling, gecombineerd met een tijdelijke bypass heeft de voorkeur. Bij een bypass wordt de doorstroming en de waterberging behouden. De ruimte om een bypass aan te leggen is niet altijd beschikbaar. Een tijdelijke dam met duiker is een tweede optie. De duiker compenseert geen waterberging, maar behoudt wel enige mate van doorstroming. Een water tijdelijk afsluiten met een afgesloten dam of waterkerend schot belemmert de doorstroming geheel, maar om een korte periode te overbruggen is dit een mogelijke derde optie. Een dam of versmalling gecombineerd met een visveilige pomp is een laatste optie. Een pomp is echter zeer storingsgevoelig en deze is moeilijk in te regelen voor een specifieke situatie. Vanwege deze risico’s heeft een tijdelijke dam of versmalling, gecombineerd met pomp de laatste voorkeur.

Delfland hanteert bij het toetsen of een tijdelijke dam of versmalling aangelegd mag worden daarom de volgende voorkeursvolgorde van compensatiemaatregelen:

1Een ingreep in het watersysteem voorkomen;

2Een brug, overkluizing of ponton aanleggen;

3Tijdelijke dam/versmalling aanleggen gecombineerd met het graven van een bypass;

4Tijdelijke dam/versmalling aanleggen gecombineerd met een voorziening om de doorstroming te behouden. Zoals een dam met duikerverbinding (getoetst aan de beleidsregels voor duikers);

5Het water tijdelijk afsluiten door een afgesloten dam of waterkerend schot met overstroomvoorziening (max. 10 cm boven hoogste peil aanleggen);

6Dam of versmalling aanleggen, gecombineerd met een visveilig pompsysteem met voldoende capaciteit.

Met deze voorkeursvolgorde wordt voor de waterhuishouding rekening gehouden met de doorstroombaarheid en de waterberging in het watersysteem. Voor ecologische waterkwaliteit wordt rekening gehouden met de invloed op een NEZ en de vispasseerbaarheid. Voor de stabiliteit van waterkeringen maakt het soort compenserende maatregel veelal niet uit, zolang de stabiliteit van de waterkering niet afneemt.

3Toetsingscriteria waaronder een tijdelijke dam of versmalling is toegestaan

3.1. Inleiding

De beoordeling of een tijdelijke dam of versmalling mogelijk is, is tot op zekere hoogte altijd maatwerk. Meerdere factoren spelen een rol bij de vraag of compenserende maatregelen nodig zijn. Bij het ontbreken van noodzakelijke onderbouwing of bij twijfel over het (negatieve) effect van de tijdelijke dam of versmalling op de doorstroming, waterberging, waterkeringen, waterkwaliteit of NEZ zullen aanvullende gegevens gevraagd worden.

Een vergunning wordt alleen verleend als aan alle toetsingscriteria wordt voldaan. Hierbij is de voorkeursvolgorde doorlopen. Ook al voldoet de aanvraag aan alle toetsingscriteria, dan nog kan een aanvraag geweigerd worden als niet wordt voldaan aan de eisen om achteruitgang te beperken tijdens de werkzaamheden en te voorkomen na de werkzaamheden. Er wordt geen vergunning verleend als de aanvraag wel voldoet aan de eisen om achteruitgang te beperken of voorkomen, maar niet voldoet aan alle toetsingscriteria.

3.2. Algemeen

Toetsingscriteria:

1Een alternatief voor een tijdelijke dam of versmalling die voorkomt dat een ingreep in het watersysteem plaatsvindt is er redelijkerwijs niet;

2Een brug, overkluizing of ponton is redelijkerwijs niet mogelijk;

3Bij het aanleggen van een tijdelijke dam of versmalling wordt aan de volgende voorkeursvolgorde voldaan:

a.tijdelijke dam of versmalling, gecombineerd met graven van een bypass;

b.tijdelijke dam of versmalling, gecombineerd met visvriendelijke doorstroomvoorziening (dam met duikerverbinding, getoetst aan de beleidsregels voor duikers);

c.afgesloten dam of waterkerend schot, gecombineerd met visvriendelijke overstroomvoorziening (max 10cm boven hoogste peil aanleggen);

d.dam of versmalling, gecombineerd met een visveilig pompsysteem waarbij de benodigde pompcapaciteit in overeenstemming is met de minimaal benodigde waterverplaatsing. Deze optie vervalt bij een te hoog risico door storing voor het watersysteem;

4De grootte van de aangevraagde dam of versmalling staat redelijkerwijs in verhouding tot het beoogde doel van de tijdelijke dam of versmalling en de functie van het watersysteem;

5Onderhoud en inspectie aan het watersysteem blijft mogelijk.

Ad 1 en 2: Alternatieven zoals afzien van ingrepen in het watersysteem (door het gebruik van bestaande voorzieningen) of het aanleggen van een brug, overkluizing of ponton worden eerst overwogen. De kans op negatief ontoelaatbaar effect op een watersysteem is op deze manier minimaal. Pontons hebben nog wel effect op de doorstroming, maar kunnen met het waterpeil meestijgen. Om toestemming te verkrijgen voor een tijdelijke dam of versmalling zijn deze alternatieven niet mogelijk, omdat ze bijvoorbeeld:

1technisch onuitvoerbaar en/of zeer complex zijn;

2buitenproportionele kosten met zich meebrengen;

3buitenproportionele tijdsaspecten met zich meebrengen;

4risicovolle consequenties hebben voor andere aspecten van het watersysteem.

Ad 3: Bij twijfel of onduidelijkheid kan Delfland een onderbouwing van de aanvraag aan de initiatiefnemer vragen. De initiatiefnemer moet dan aantonen waarom voor deze optie is gekozen en waarom andere opties (die een hogere rangschikking in de voorkeursvolgorde hebben) zijn uitgesloten. Op deze manier kan Delfland een afweging over de toelaatbaarheid van het aangevraagde werk maken. Hierbij kan gedacht worden aan een onderbouwing van (niet uitputtend):

1het doel en de duur van het aangevraagde werk;

2uitsluiting van alternatieven;

3verklaring van de gekozen locatie;

4verklaring van de gekozen werkwijze;

5onderbouwing (door berekeningen) wat het effect is op het watersysteem;

6de mogelijkheid om de tijdelijke werkzaamheden in fases uit te voeren. Door tijdelijke dammen en versmallingen te faseren, zullen de effecten van de tijdelijke achteruitgang op de doorstroming en waterberging ook beperkt worden.

Ad 4: Bij het beoordelen van de tijdelijke dam of versmalling in een watersysteem kijken wij naar het effect op het watersysteem. Wij kijken hierbij naar (niet uitputtend):

1of de watergang primair of secundair is;

2de lengte van de tijdelijke dam of versmalling;

3de tijdsduur van de aanwezigheid van de tijdelijke dam of versmalling;

4de doorstroming (wateraanvoer en -afvoer, waterverdeling);

5de aanwezigheid in de directe omgeving van een gemaal, stuw, inlaat, NEZ, waterkering, etc.;

6de grootte en positie van het peilgebied in relatie tot het achterliggende gebied; 7. het effect op de waterberging van het peilgebied en het achterliggende gebied;

8het effect op de stabiliteit van de oever.

Bij aanvraag voor een tijdelijke dam of versmalling in een NEZ of vismigratieroute kijken wij in het kader van ecologische waterkwaliteit aanvullend naar (niet uitputtend):

1voor welke (waterkwaliteits)doeleinden de NEZ is gerealiseerd;

2de mate waarin het water versmald of afgedamd wordt in relatie tot het type NEZ;

3de omvang van de dam of versmalling in relatie tot de grootte van de NEZ;

4de ligging van de dam of versmalling in relatie tot de locatie van de NEZ of vismigratievoorziening;

5de herstelmogelijkheden van de NEZ.

Ad. 5: De tijdelijke dam of versmalling kan belemmerend werken op de mogelijkheden tot inspectie of onderhoud van het watersysteem. Onderhoud en inspectie moeten mogelijk blijven. Het kan zijn dat er overgestapt moet worden naar een aangepaste onderhoudsmethode.

3.3. Waterhuishouding

Toetsingscriteria:

Tijdens de werkzaamheden:

6Veroorzaakt de tijdelijke dam of versmalling geen onacceptabele belemmering van water aan- en afvoer en verdeling (doorstroming) van het water;

7Veroorzaakt de tijdelijke dam of versmalling geen onacceptabele belemmering van water aan- en afvoer van achterliggende of aangrenzende gebieden; en

8Houdt de watergang voldoende waterberging.

Ad 6 en 7: De aan- en afvoer van de watergang wordt door andere wateren overgenomen, of de wateraanvoer en -afvoer wordt met compenserende maatregelen voldoende gewaarborgd.

Wij toetsen hierbij o.a. aan (norm)debiet, opstuwing, stroomsnelheid en erosiebestendigheid.

Ad 8: De tijdelijke dam of versmalling mag geen ontoelaatbare peilstijgingen veroorzaken als gevolg van het ontbreken van voldoende wateroppervlakte. Afhankelijk van de tijdsduur en de grootte van de dam of versmalling, het peilgebied en invloed uit de omgeving (zoals neerslagvoorspellingen) wordt hiervoor een afweging gemaakt.

3.4. Stabiliteit waterkeringen

Toetsingscriteria:

Tijdens de werkzaamheden:

9Heeft de tijdelijke dam of versmalling geen negatieve effecten op de waterkering.

Ad 9: Bij tijdelijke dammen en versmallingen in een waterstaatswerk of de beschermingszone van de waterkering beoordelen wij het effect van de dam of versmalling op de stabiliteit van de waterkering. Wij toetsen op het waterkerend vermogen en het vermogen om weerstand te bieden aan alle faalmechanismen genoemd in het Algemeen Waterkeringenbeleid en de toepasselijke beleidsregels voor waterkeringen.

Wij kijken hierbij onder andere naar de effecten van:

1de uitvoeringsmethode (aanleg en verwijdering van de tijdelijke dam/versmalling);

2het gebruikte materieel, eventueel noodzakelijk geplaatst in het waterstaatswerk;

3de eventuele verwachte effecten van de wijziging grondwaterstand op de waterkering (zowel droogte als vernatting);

4de toename belasting op de waterkering door het gewicht van de tijdelijke dam.

De voorkeursvolgorde van compensatiemaatregelen bij het aanleggen van tijdelijke dammen of versmallingen is gelijk aan de algemene toetsingscriteria, zolang Artikel 1 niet in het geding komt. Een bypass door een waterkering is in principe niet toegestaan.

3.5. Ecologische waterkwaliteit

Delfland spant zich in voor een goede waterkwaliteit. Voor een goede ecologische waterkwaliteit is de inrichting van het watersysteem belangrijk. Daarom wordt gestreefd naar een inrichting van watersystemen met evenwichtige en gezonde populaties van inheemse flora en fauna. Met het openstellen van vismigratieroutes en de realisatie en bescherming van natte ecologische zones (NEZ) draagt Delfland bij aan een goede ecologische waterkwaliteit.

En hiermee ook aan het behalen van doelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW richt zich op een goede toestand van chemische en ecologische waterkwaliteit.

De aanleg van een tijdelijke dam in of versmalling van een water mag geen permanente verslechtering van zowel de ecologische- als chemische waterkwaliteit teweegbrengen. Vereisten voor het aanleggen van een tijdelijke dam of versmalling in een NEZ zijn opgenomen in de Beleidsregel natte ecologische zones.

3.6. Maatschappelijke functies

Wanneer een water een maatschappelijke functie vervult, bijvoorbeeld een recreatieve functie, dan moet de aanvraag verenigbaar zijn met die functie. Wanneer een tijdelijke dam of versmalling wordt aangevraagd, zal bijvoorbeeld bekeken worden of er alternatieve vaarroute aanwezig is waarvan gebruik kan worden gemaakt.

4Algemene begrippenlijst:

Begrip

Omschrijving

Natte ecologische zone

Als bedoeld in de leggertekst

Oppervlaktewaterlichaam

Samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de Waterwet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.