Waterschapswetten

Beleidsnota peilbeheer

Hoogheemraadschap van Delfland · geldt sinds 22 juli 2017

5 PLAN: Bepalen peil en peilbeheer

5.5 Afwegen peilbeheer met betrekking tot functies

5.5.1 Archeologie

Het archeologisch erfgoed in de bodem mag in principe niet verstoord worden (Verdrag van Malta, zie bijlage 2). Door een peilwijziging bestaat de kans dat archeologische waarden worden aangetast, omdat ze boven de grondwaterstand komen te liggen. In de Wateragenda is met de provincie afgesproken dat de waterschappen zelf onderbouwen of er sprake is van kans op schade aan hoge of zeer hoge archeologische (verwachtings)waarden ten gevolge van peilverlaging. Gebieden met archeologische verwachtingswaarde zijn aangeduid in het gemeentelijk bestemmingsplan of op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Bij een peilafweging zullen deze gebieden worden meegewogen naast de andere belangen.

5.5.2 Glastuinbouw

De gewenste drooglegging voor glastuinbouwgebieden wordt in overleg met de tuinders en/of de regionale LTO-vertegenwoordiger bepaald, waarbij o.a. de hoogte van drainagesystemen, beschikbaarheid van zoetwater en gietwater, de bodemsamenstelling, en de laagste plekken worden meegenomen.

5.5.3 Grasland, bouwland en vollegrond teelt

Voor grasland en bouwland wordt overlegd over de optimale drooglegging, met uitzondering van veengronden waar een drooglegging van maximaal 60 cm wordt aangehouden. De drooglegging wordt beschouwd ten opzichte van het winterpeil. Ten aanzien van teelt in de volle grond worden specifieke eisen aan de drooglegging gesteld, die per teelt verschillen. Voor deze functie is lokaal maatwerk noodzakelijk. In landbouwgebieden kan het toepassen van dynamisch peilbeheer een optie zijn.

5.5.4 Natuur

De gewenste drooglegging en peilbeheer in natuurgebieden (Natura 2000-gebieden en NNN) worden bepaald in overleg met de terreinbeheerder en/of natuurbeherende instantie. In verband met de uiteenlopende natuurbeheertypen kunnen geen richtlijnen worden gegeven. In natuurgebieden kan flexibel peilbeheer worden toegepast om de inlaat van water van onvoldoende kwaliteit te beperken.

Weidevogels

In weidevogelgebieden worden broedpeilen voor weidevogels meegewogen in de afweging van het peil en peilbeheer naast de andere belangen. Voor weidevogelgebieden kan het toepassen van seizoenspeilbeheer een optie zijn. De broedpeilen en tijdsduur worden bepaald in overleg met de terreinbeheerder.

5.5.5 Recreatie en groene ruimte

Recreatieterreinen en stadsparken dienen voor recreanten goed toegankelijk en bespeelbaar te zijn. Voor de vegetatie is het belangrijk dat de wortels het grondwater kunnen bereiken, maar niet voortdurend onder water staan. De gewenste drooglegging wordt in overleg met de terreinbeheerder bepaald.

5.5.6 Stedelijk gebied

Bestaande bebouwing en infrastructuur

In stedelijk gebied wordt meestal een vast peil gehanteerd. Door de beperkte ruimte en de aanwezige gebruiksfuncties die zijn ingericht op het peil (zoals funderingen, drainage, infrastructuur) is er in bestaand stedelijk gebied vaak weinig ruimte om het peil te fluctueren. Nieuwe stedelijke gebieden, zoals VINEX wijken, bieden soms wel ruimte voor flexibel peil. De gewenste drooglegging en peilbeheer in stedelijk gebied worden in overleg met de gemeente bepaald. Daarbij wordt voor de ontwateringsdiepte de vorstvrije grens van 80 cm als vast aangenomen en de gemiddeld hoogste grondwaterstand en de relatie tussen het oppervlaktewater en grondwater als onderwerp van onderzoek en discussie behandeld. De gemeente geeft per peilgebied aan welke ontwateringsdiepte zij in ontwerp hanteren. De ontwateringsdiepte is het verschil tussen de maaiveldhoogte en de gemiddeld hoogste grondwaterstand. De ontwateringsdiepte is dus iets anders dan de drooglegging en er moet een inschatting worden gemaakt van de relatie tussen het oppervlaktewaterpeil en de ontwateringsdiepte; hierbij spelen ontwateringsmiddelen een rol. Daarna wordt bepaald of er voor de functie een wens bestaat om het peil bij te stellen, met speciale aandacht voor de voorkomende funderingstypen (houten paalfunderingen zijn bijvoorbeeld gevoelig voor houtrot als gevolg van droogvallen) en ondergrondse infrastructuur.

Overstorten, drainage, bruggen, terrassen en steigers

Voor riooloverstorten en drainage is het van belang dat deze goed kunnen afwateren op het oppervlaktewater. In overleg met de gemeente worden de locatie en de aanleghoogten van riooloverstorten en drainagemiddelen meegenomen in de afweging. Bij peilveranderingen worden de effecten op houten beschoeiingen, terrassen en tuinen onderzocht. Bij begraafplaatsen dient de gemiddeld hoogste grondwaterstand maximaal 30 cm onder de grafkisten te blijven.

Beleidsuitgangspunt: De vaste hoogte van overstorten, drainage, bruggen, terrassen en steigers wordt meegenomen in de afweging.

Nieuw te ontwikkelen stedelijk gebied

Bij nieuwbouw adviseert Delfland een drooglegging van 120 cm te hanteren om grondwaterproblemen en wateroverlast nu maar ook voor de toekomst te voorkomen; sommige gebieden kunnen in de loop van de tijd namelijk nog flink zakken en door de klimaatverandering is het noodzakelijk genoeg ruimte te creëren. Ervaring leert dat 120 cm daar een veilige marge voor biedt. Bij nieuw te realiseren gebieden moet worden uitgegaan van het peil uit het peilbesluit. Delfland verlaagt het peil niet om voor dit gebied voldoende drooglegging te creëren. Meestal betekent dit dat voor het bereiken van een grotere drooglegging het maaiveld moet worden opgehoogd. Het waterdicht bouwen van een huis is de verantwoordelijkheid van de particulier.

Oude bebouwing en historische beplanting

Oude bebouwing met kwetsbare funderingstypen (op staal, houten palen of heipalen) en historische beplanting zijn gevoelig voor peilverandering waardoor ongelijke zetting of droogvallen van paalkoppen kan optreden. Bij een peilafweging zullen deze objecten worden meegewogen naast de andere belangen.

5.5.7 Vaarwegbeheer

Het NBW en de Waterwet beschouwen het vaarwegbeheer als integraal onderdeel van het watersysteem. In de Delflandse praktijk gaat het hier om de vaarwegen in het boezemsysteem die gebruikt worden voor recreatievaart en beroepsvaart.

Bij een peilafweging zullen het vaarprofiel, de brughoogtes en de drempelhoogtes van sluizen voor een veilige en vlotte doorvaart worden meegewogen naast de overige belangen.

5.6 Afwegen peilbeheer met betrekking tot het watersysteem

5.6.1 Bodemdaling

Het verlagen van het peil evenredig aan de bodemdaling (peilaanpassing) is uit oogpunt van duurzaamheid bezwaarlijk. Om aanwezige functies zo lang mogelijk te faciliteren, zetten we met het peilbeheer in op maximale afremming van het bodemdalingsproces. In bodemdalingsgevoelige gebieden wordt bodemdaling als een belang meegenomen in de afweging bij het peilbesluit en gaan we terughoudend om met peilverlaging of peilaanpassingen. Helemaal stoppen met peilaanpassing zal echter leiden tot een steeds kleiner wordende drooglegging waardoor relatieve vernatting optreedt die schade aan bijvoorbeeld agrarische opbrengsten of wateroverlast tot gevolg kan hebben. Dit kan in het afwegingsproces een argument zijn om de bodemdaling toch (gedeeltelijk) te volgen.

Het tegengaan van bodemdaling in veenweidegebieden beschouwt de provincie als een gemeenschappelijke opgave voor provincie, gemeenten, waterschappen en grondgebruikers. In de Wateragenda hebben de provincie en de waterschappen de volgende afspraken gemaakt:

1Waterschappen houden bij het opstellen van peilbesluiten rekening met de gevolgen van (veen)bodemdaling en nemen het vertragen/tegengaan van bodemdaling mee als één van de belangen in de afweging om te komen tot een peilbesluit. In de veenweidepactgebieden wordt zwaarder ingezet op het behoud van veen(weide)waarden.

2Wanneer het waterschap tegen de (fysieke/financiële) grens van het waterbeheer aanloopt (knikpuntgebied), heeft het waterschap een signaalfunctie. In knikpuntgebieden waar nog geen gebiedsproces loopt, start de provincie samen met de betrokken partijen (overheden en derden) een verkenning om de problematiek in beeld te brengen en om te bepalen op welke wijze en wanneer de instrumenten van de betrokken partijen als oplossingen ingezet kunnen worden. Een dergelijk gebiedsproces kan leiden tot (verzoek tot) aanpassing van een peilbesluit.

Beleidsuitgangspunt: Peilaanpassing (het volgen van maaivelddaling) wordt niet toegepast tenzij de gebiedsfunctie nadelige effecten ondervindt.

Bij peilaanpassing wordt de mogelijke schade als gevolg van het aanpassen van het waterpeil maatschappelijk aanvaardbaar geacht. Bij peilaanpassing wordt geen onderzoek gedaan naar de mogelijke gevolgen zolang daarvoor geen bijzondere reden bestaat.

Beleidsuitgangspunt: Wanneer met peilaanpassing de maaivelddaling gevolgd wordt om een bepaalde drooglegging te handhaven, hoort de mogelijke schade als gevolg van de peilaanpassing tot een normaal maatschappelijk risico.

Bij peilverandering anders dan de peilaanpassing zal Delfland onderzoek uitvoeren en de belanghebbenden actief informeren. Op een ingediende, gemotiveerde aanvraag tot schadecompensatie stelt Delfland een onderzoek in naar de juistheid van de claim en de wijze van compensatie.

5.6.2 Grondwater

Hoewel het oppervlaktewaterpeil de grondwaterstand beïnvloedt, is de grondwaterstand via deze weg moeilijk te sturen. Grondwater reageert namelijk vertraagt op variaties van het oppervlaktewaterpeil, vooral op grotere afstand van watergangen. Daarnaast is het moeilijk om een nauwkeurige en eenduidige relatie tussen oppervlaktewaterpeil en grondwaterstand af te leiden door de bodemopbouw en variaties in landgebruik. De Waterwet biedt de mogelijkheid om ook grondwaterpeilbesluiten vast te stellen, maar verplicht het niet. Delfland kiest er vooralsnog voor geen grondwaterpeilbesluiten op te stellen. Een peilbesluit brengt een inspanningsverplichting met zich mee. De grondwaterstand is via het oppervlaktewaterpeil echter moeilijk te sturen en de verantwoordelijkheid voor ontwateringsvoorzieningen ligt vaak primair bij private partijen.

Fluctuaties in het grondwaterpeil kunnen er voor zorgen dat bodemdaling optreedt door inklinking of veenoxidatie. Als blijkt dat de bodemdaling is tegen te gaan door grondwaterbeheer en het opstellen van een grondwaterpeilbesluit, gezien bovenstaande, daartoe een geschikt instrument is, kan worden overwogen een grondwaterpeilbesluit op te stellen.

Delfland neemt grondwater als belang mee in de afweging van het peil en peilbeheer. Daarnaast worden meldingen van grondwateroverlast of –onderlast meegenomen in de analysefase. Er wordt onderzocht in hoeverre de grondwaterstand door het oppervlaktewaterpeil wordt beïnvloed en of het knelpunt door middel van aanpassingen van het peil of peilbeheer kan worden opgelost of dat er andere meer kostenefficiënte maatregelen mogelijk zijn.

5.6.3 Waterhuishouding

Wateroverlast en watertekort

Het peilbeheer moet fluctuaties van het peil als gevolg van neerslag, droogte, lozingen en kwel opvangen en wateroverlast en watertekort zoveel mogelijk voorkomen. In geval van wateroverlastsituaties of watertekort wordt gestreefd de overlast te minimaliseren. Bij de peilafweging dient daarom rekening te worden gehouden met goede aan- en afvoermogelijkheden en de aanwezige ruimte om peilfluctuaties op te vangen.

Kunstwerken en waterhuishoudkundige voorzieningen

Kunstwerken en waterhuishoudkundige voorzieningen zoals gemalen, inlaten, stuwen, duikers en beschoeiingen zijn op een bepaalde hoogte aangelegd en stellen eisen ten aanzien van het peil. Aanpassing van het peil kan inhouden dat deze voorzieningen moeten worden aangepast.

Leggerdiepte

Bij peilverlaging moet worden onderzocht of de leggerdiepte gehaald kan worden. Sommige watergangen kunnen namelijk niet op diepte gemaakt worden in verband met de stabiliteit van de waterbodem.

Beleidsuitgangspunt: De vaste hoogte van gemalen, inlaten, stuwen, duikers, beschoeiingen en de leggerdiepte moet worden meegenomen in de peilafweging.

Beheer en onderhoud

Delfland zet sterk in op het verhogen van de efficiëntie van beheer en onderhoud. Hierbij kan gedacht worden aan het besparen op onderhoudskosten en energiebesparing. Energiebesparing bij gemalen kan bijvoorbeeld door de bergingscapaciteit van het peilgebied te benutten.

Beleidsuitgangspunt: In de afweging van het peil worden de mogelijkheden voor het verlagen van de kosten en het energieverbruik van het peilbeheer en het verhogen van de toekomstbestendigheid en automatisering onderzocht.

Sturen met Water

Het doel van het project Sturen met Water is om inzicht te krijgen in de huidige en toekomstige mogelijkheden van het sturen met water in het watersysteem van Delfland. Ook worden de effecten daarvan voor het optimaal en efficiënt faciliteren van verschillende gebruiksfuncties onderzocht. Het project richt zich op het faciliteren van innovaties in monitoring. Mede op basis daarvan worden in het project aangescherpte sturingsregels voor het peilbeheer van Delfland ontwikkeld, bijvoorbeeld voor het regelen van de gemalen. De resultaten van de theoretische verkenning Sturen met Water (2012-2013) en het Verversingsexperiment 2014 zijn veelbelovend. Zo kan door het op een andere manier inzetten van gemalen een betere waterkwaliteit worden bereikt of beter worden aangesloten bij de watervraag. Gezien de veelbelovende resultaten van deze verkenningen, zullen mogelijkheden om naast het peilbeheer ook te sturen op waterkwaliteit of energiebesparing in de afweging van nieuwe peilbesluiten worden onderzocht. In de toelichting bij het peilbesluit kunnen de mogelijkheden ten aanzien van het sturen met water worden vastgelegd.

5.6.4 Waterkwaliteit en ecologie

De invloed van peil en peilbeheer op de chemische en biologische waterkwaliteit en de ecologie is complex. De waterkwaliteit is onder andere afhankelijk van de neerslag, het uittredende grondwater en dus mede van de bodemsamenstelling, breedte- en dieptematen van de watergang en de gebruiksfuncties in het gebied.

Door inlaat van gebiedsvreemd water met een lagere kwaliteit kan de waterkwaliteit afnemen. Flexibel peilbeheer of de sturingsmarge kan worden toegepast om de inlaat van gebiedsvreemd water van onvoldoende kwaliteit te beperken. De locatie van het inlaatpunt kan zo worden gekozen dat de kwaliteit van het inlaatwater zo goed mogelijk aansluit op het gebiedseigen water, of er kunnen bij het inlaatpunt maatregelen worden getroffen om het inlaatwater te zuiveren.

In gebieden met diffuse of puntlozingen kan doorspoeling van gebiedsvreemd water met een hogere kwaliteit juist voor verbetering van de waterkwaliteit zorgen. In tijden van droogte en hoge temperaturen kan doorspoeling worden ingezet om vissterfte, blauwalg en botulisme tegen te gaan.

Uittredend grondwater

Peilverlaging kan zorgen voor toename van (zoute) kwel en uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen uit de bodem. Bij een peilverhoging geldt het omgekeerde. In veengebieden neemt de concentratie stikstof en fosfaat door peilverlaging toe door oxidatie van het veen. Bij een peilwijziging dienen (zoute) kwel en de uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen uit de bodem in de afweging te worden meegenomen.

Waterdiepte

In ondiep water neemt de watertemperatuur snel toe en kunnen biochemische omzettingsprocessen (zoals afbraak van organische stof) sneller verlopen. Hierdoor kan zuurstofloosheid optreden met vissterfte, stankoverlast en toename van het fosfaatgehalte tot gevolg.

Ecologische voorzieningen

Een peilwijziging heeft directe invloed op de werking van ecologische voorzieningen zoals vispaaiplaatsen, vismigratievoorzieningen en natuurvriendelijke oevers. Voor het goed functioneren van natuurvriendelijke oevers is het van belang dat het waterpeil op natuurlijke wijze fluctueert. Dat wil zeggen in de winter een hoog peil en in de zomer een laag peil (flexibel peilbeheer). Verder leiden wisselende peilen tot minder oevererosie waardoor het vrijkomen van nutriënten wordt verlaagd. Peilverlaging en het permanent droog staan van de oevers of vispaaiplaatsen is ongewenst. Het effect op de waterkwaliteit en het functioneren van ecologische voorzieningen moet daarom worden meegenomen in de afweging. Bij peilaanpassing moet worden gecontroleerd of dit niet leidt tot nieuwe knelpunten op het gebied van vismigratie.

Beleidsuitgangspunt: Het effect van een peilwijziging op de waterkwaliteit, vismigratie en het functioneren van ecologische voorzieningen moet worden meegenomen in de afweging.

5.6.5 Waterkeringen

De waterstand langs de keringen zorgt voor een externe druk tegen de kering en beïnvloed de grondwaterstand erin. Daarmee heeft de waterstand ook invloed op de stabiliteit van de waterkeringen. Een structurele of een incidenteel sterke verandering in het waterpeil kan het risico tot falen van de waterkering zodanig verhogen dat dit niet toelaatbaar is. Bij het opstellen van een peilbesluit moet bij peilwijzigingen worden beoordeeld of de keringen aan de gestelde eisen blijft voldoen.

Droogte kan een negatieve invloed hebben op de waterveiligheid. Kades kunnen tijdens langdurige droogte gevoelig zijn voor uitdroging. Door uitdroging neemt het volumiek gewicht af, krimpt de kade en kan scheurvorming optreden. Veenkades zijn gevoeliger voor droogte dan andere kades, maar ook kleikades op veenondergrond kunnen droogtegevoelig zijn. Dit uit zich in scheurvorming.

Bijlage 1 Woordenlijst en Afkortingen

Beheermarge

Marge rondom het vastgestelde peil waartussen het peil onder regulier peilbeheer schommelt. Het handhaven van het peil gaat onder normale omstandigheden gepaard met peilfluctuaties. Deze fluctuaties zijn het gevolg van de aan- en afvoer van water en weersomstandigheden. Het peil is dus eigenlijk een gemiddelde waarde van de peilfluctuaties.

Bodemdaling

Het dalen van het maaiveldniveau ten opzichte van een vast referentie- vlak, bijvoorbeeld NAP. Bodemdaling kan veroorzaakt worden door oxidatie, inklinking, gas- en oliewinning en lange termijn geologische processen.

Drooglegging

Het hoogteverschil tussen het waterpeil in een watergang en de gemiddelde hoogte van het naastgelegen perceel.

Dynamisch peil

Peilbeheer waarbij wordt geanticipeerd op (weers)omstandigheden op basis van vooraf in het peilbesluit bepaalde randvoorwaarden binnen vooraf vastgestelde peilmarges.

Flexibel peil

Peilbeheer waarbij het oppervlaktewaterpeil gedurende het gehele jaar kan fluctueren tussen een in het peilbesluit vastgestelde onder- en bovengrens. De fluctuatie wordt uitsluitend bepaald door natuurlijke omstandigheden, behalve bij overschrijding van de onder- en bovengrens. Zodra het peil de ondergrens onderschrijdt, wordt water uit de omgeving aangevoerd. Wanneer het peil de bovengrens overschrijdt, wordt het overtollige water afgevoerd.

Gebied met afwijkend peil

Gebied van beperkte omvang waarin het peil afwijkt van het peil dat in het peilbesluit is vastgesteld.

Gebiedsvreemd water

Water dat in een (peil)gebied wordt ingelaten. Dit water heeft meestal een waterkwaliteit die niet van nature voorkomt in dit (peil)gebied

Hoogwatervoorziening

Een deel van een peilgebied waar een hoger peil geldt.

Interimpeil

Waterpeilen die tijdelijk worden gehandhaafd voorafgaand aan het instellen van de definitieve peilen die in het peilbesluit zijn vastgesteld.

Onderbemaling

Een deel van een peilgebied waar een lager peil geldt.

Ontsnippering

Het streven naar zo groot mogelijke peilgebieden en dus vermindering van het aantal peilgebieden (met afwijkend peil).

Ontwateringsdiepte

Het verschil tussen de werkelijke maaiveldhoogte en de gemiddeld hoogste grondwaterstand op één plaats.

Peil

Door waterschap in peilbesluit vastgelegde waterpeil dat in een bepaald gebied moet worden gehandhaafd.

Peilaanpassing

Het aanpassen van het waterpeil in gelijke mate met de natuurlijke maaivelddaling.

Peilbeheer

Vaststelling en handhaving van het waterpeil in oppervlaktewateren.

Peilbeheercyclus

De cyclische aaneenschakeling van activiteiten van het opstellen van peilbesluiten, het aanpassen van het peil en het dagelijkse peilbeheer, monitoring en evaluatie.

Peilbesluit

Besluit van het Algemeen Bestuur van een waterschap, waarin de te handhaven peilen van de oppervlaktewateren ten opzichte van het NAP, de ligging van de peilgebieden en plaats van de peilschalen zijn aangegeven. Aan de gemaakte keuze ligt een integrale afweging van belangen en beleid ten grondslag.

Peilgebied

Waterstaatkundige eenheid waarbinnen eenzelfde peil wordt gehandhaafd met behulp van gemaal, stuw of inlaat.

Peilverlaging

Neerwaartse bijstelling van het waterpeil ten opzichte van het voorgaande peilbesluit verder dan peilaanpassing.

Polderschets

Delflands toekomstbeeld voor het waterbeheer in een polder. De kansen en knelpunten uit de Polderschets vormen input in alle onderdelen van de peilbeheercyclus en voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Praktijkpeil

Waterstand die werkelijk in een watergang aanwezig is, afgelezen van de peilschaal.

Schouwpeil

In het peilbesluit vastgesteld peil dat het referentieniveau vertegenwoordigt voor het voeren van schouw, dagelijks peilbeheer, afhandelen van vergunningen en het uitvoeren van onderhoud aan watergangen.

Seizoenspeil

Vorm van peilbeheer waarbij gedurende het jaar verschillende peilinstellingen worden gehanteerd afhankelijk van het groei-/ broedseizoen.

Sturingsmarge

Een tijdelijke marge groter dan de beheermarge rondom het peil die kan worden ingezet om in te spelen op weersomstandigheden, energievermindering of waterkwaliteit.

Toelaatbare peilstijging

De maatgevende peilstijging (gebaseerd op NBW toetsing) behorend bij het grondgebruik.

Vast peil

Het peilbeheer is gedurende het hele jaar gericht op een constant peil met zo min mogelijk fluctuatie.

Bijlage 2 Wetgeving en Beleidskaders

Nationale wetgeving en beleid

Kader Richtlijn Water

De belangrijkste doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn de algemene bescherming en verbetering van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewateren, de grondwaterkwantiteit, de specifieke bescherming en verbetering van (onderdelen van) wateren die zijn genoemd in het KRW-register beschermende gebieden en het bevorderen van het duurzaam gebruik van water.

Waterbeheer op het niveau van stroomgebieden is daarbij uitgangspunt. Het beheergebied van Delfland valt binnen het stroomgebied Rijndelta. Bij de voorbereiding van peilbesluiten moet worden nagegaan of een peilbesluit niet in strijd is met de KRW of het stroomgebiedbeheerplan Rijndelta voor wat betreft duurzaam gebruik van water, verontreiniging van grond- en oppervlaktewater en de ecologische toestand.

Waterwet

De Waterwet stelt de verplichting aan een beheerder om één of meerdere peilbesluiten vast te stellen voor oppervlaktewater- of grondwaterlichamen onder zijn beheer. In een peilbesluit worden waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren vastgesteld, die gedurende de daarbij aangegeven perioden zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Met de Waterwet is de provinciale goedkeuring van peilbesluiten vervallen. Er zal wel afstemming met de provincie plaatsvinden over de concept peilbesluiten.

Waterschapswet

De Grondwet (artikel 33) vereist voor de waterschappen een organieke wet, de Waterschapswet. Waterschappen zijn openbare lichamen, net zoals provincies en gemeenten. Echter, de taken van een waterschap zijn beperkt tot (onderdelen van) het waterbeheer. De provincie en gemeenten hebben een zogenoemde open huishouding en behoren daarmee tot de algemene democratie. De Waterschapswet regelt de instelling en opheffing van een waterschap, de organisatie en bestuur (o.a verkiezingen), financieringsbepalingen en de verordenende bevoegdheid van het waterschap. Alleen het algemeen bestuur heeft de bevoegdheid tot het vaststellen van peilbesluiten. In artikel 83, lid 2f is opgenomen dat deze bevoegdheid van het algemeen bestuur niet overgedragen kan worden aan het dagelijks bestuur. De taken van de waterschappen zijn verder uitgewerkt in de Waterwet.

Waterbeheer 21e eeuw/ Nationaal Bestuursakkoord Water

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) hebben Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven afspraken gemaakt over een doelmatiger waterbeheer. In het NBW staan afspraken om veiligheid te creëren, schade door wateroverlast en droogte te voorkomen en water en bodemkwaliteit te verbeteren. Het doel is om de kwaliteit van het beheer te vergroten tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.

Deltaprogramma

Het Deltaprogramma is het nationaal kader voor de zoetwatervoorziening. Het staat voor een veilig en aantrekkelijk Nederland, nu en straks, waar de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening op orde zijn. De belangrijkste nationaal structurerende besluiten zijn vastgelegd in deltabeslissingen. De deltabeslissingen vormen de basis voor het waterveiligheids- en zoetwaterbeleid zoals vastgelegd in het Nationaal Waterplan.

Nationaal Waterplan

Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik tot 2050. Het kabinet sluit aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. In het NWP staan alleen de onderwerpen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte als Rijksbelang zijn aangemerkt. Gedecentraliseerde onderwerpen zoals de gebiedsgerichte regionale uitwerkingen, wateroverlast en diverse gebruiksfuncties zoals recreatie(vaart) komen niet (meer) aan de orde. Ook de relatie tussen bodemdaling en waterhuishouding komt in het NWP niet aan de orde. In het NWP staan geen specifieke doelstellingen met betrekking tot peilbeheer.

Crisis- en herstelwet

Het vaststellen van een peilbesluit kan onder de Crisis- en herstelwet vallen als het uitvoeringsbesluit genomen wordt naar aanleiding van een projectplan tot aanleg of wijziging van een waterstaatswerk (artikel 5.4, lid 1 Waterwet). Ingeval er werkzaamheden nodig zijn naar aanleiding van een vastgesteld peilbesluit, vallen deze uitvoeringsbesluiten tot aanleg of wijziging van een waterstaatswerk ook onder de Crisis- en herstelwet.

Omgevingswet

De Omgevingswet beoogt op integrale wijze een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving te creëren en regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving te vereenvoudigen. De Waterwet wordt grotendeels in de Omgevingswet opgenomen. Nieuwe of anders ingestoken instrumenten vervangen (deels) de huidige wettelijke instrumenten. De regelgeving en instrumenten van Delfland worden hierop tijdig aangepast zodat Delfland zijn taken in het kader van regulering kan blijven uitvoeren. Daarnaast wordt geanticipeerd op de veranderende instrumenten van andere overheden. De verwachting is dat de nieuwe Omgevingswet in 2019 in werking treedt en implementatie in de eigen organisatie en in samenwerking met gemeenten en andere relevante belanghebbenden wordt uitgevoerd.

Besluit m.e.r.

De milieueffectrapportage (m.e.r.) procedure is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over grote projecten of ingrepen. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is een lijst opgenomen met activiteiten waarvoor de m.e.r.-plicht (C-lijst) en een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt (D-lijst). Peilverlagingen zijn in de D-lijst opgenomen. Dat betekent dat bij een voorgenomen peilverlaging een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden waarin wordt nagegaan of nadelige milieugevolgen zijn uit te sluiten. De toelichting bij het peilbesluit kan gelden als een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Wet natuurbescherming

De wet natuurbescherming is per 1 januari 2017 van kracht geworden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In deze wet zijn o.a de Europese verplichtingen ten aanzien van de Natura2000 gebieden opgenomen. Natura 2000 is een netwerk van beschermde natuurgebieden in Europa. In Delfland zijn de duingebieden Westduinpark en Wapenveld, Solleveld, Meyendel en Berkheide aangewezen als Natura 2000-gebied. Waterschappen hebben als taak er voor te zorgen dat de waterhuishouding en het peilbeheer passen bij de in deze gebieden geldende instandhoudingsdoelstellingen. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Het NNN is de nieuwe benaming van dit netwerk van natuurgebieden dat voorheen met de term Ecologische Hoofdstructuur (EHS) werd aangeduid.

Bij het opstellen van peilbesluiten moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met de effecten op beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN). Verder is in deze wet is de zorgplicht opgenomen voor alle in het wild levende planten- en diersoorten, uitgewerkt in een ‘Nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat er geen schade aan beschermde planten en dieren mag optreden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. In de wet zijn ook specifieke lijsten opgenomen met beschermde soorten.

Verdrag van Malta

In het Europese Verdrag van Malta wordt gestreefd naar het behouden van het archeologisch erfgoed in de bodem, door in de ruimtelijke ontwikkeling rekening te houden met archeologische waarden in de bodem en onder water. De provincie heeft waardevolle structuren (archeologie, landschap en nederzettingen) en objecten in Zuid-Holland in kaart gebracht in de cultuurhistorische kaart – ook aangeduid als Cultuurhistorische Hoofdstructuur. Het beleid voor cultureel erfgoed van provinciaal belang is vastgelegd in de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit.

Provinciale wetgeving en beleid

Visie Ruimte en Mobiliteit

In de structuurvisie zet de provincie in op een gebiedsgerichte verweving van landbouw, natuur, recreatie, water en cultuurhistorie en een betere relatie tussen stad en land, waarbij water als groenblauwe structuur een belangrijke verbindende factor is. In het landelijk gebied moeten economische activiteiten zijn afgestemd op de condities vanuit bodem, water, natuur en gebiedskwaliteiten. Bij de planvorming moet rekening worden gehouden met de geschiktheid van de bodem om water vast te houden en/of te bergen en met het benutten van ruimte voor waterberging. Bij aanpassingen aan het watersysteem gelden twee uitgangspunten: ze zijn klimaatbestendig en de natuurlijke processen krijgen, waar dat kan, meer ruimte of worden beter benut.

De provincie zal samen met de waterschappen en de gebruikers het voorzieningsniveau van zoetwater (zoals genoemd in het Deltaprogramma) bepalen. Dat is een middel om aan te geven wat de gebruikers van zoetwater in een bepaalde regio kunnen verwachten van de overheid, zowel onder normale omstandigheden als in droge jaren. In afwachting van het te bepalen voorzieningsniveau wil de provincie voorkomen dat de zoetwatervraag toeneemt. Daarom worden in beginsel geen nieuwe functies toegekend of uitbreidingen toegestaan waarbij de vraag naar zoetwater toeneemt, tenzij deze in hun eigen vraag voorzien. Waar mogelijk wordt verzilting tegengegaan. Voor de greenports geldt een aparte regeling.

De provincie zet zich in op het gezamenlijk met gemeenten, waterschappen en grondgebruikers afremmen van bodemdaling in veengebieden. Daarbij onderkent de provincie dat de bodemdaling en de omvang en de effecten ervan per gebied verschillen, veranderen in de tijd en door belanghebbenden verschillend worden gewaardeerd. Dit betekent dat er in het beleid en beheer aandacht moet zijn voor differentiatie tussen gebieden en de dilemma`s die daarbij optreden. Van de waterschappen wordt verwacht dat zij bij het vaststellen van peilbesluiten rekening houden met de gevolgen van bodemdaling. Er kan een moment komen dat de waterbeheerder de huidige gebruiksfuncties niet meer kan faciliteren. Dit wordt een knikpuntgebied genoemd, in Delfland zijn nog geen knikpuntgebieden geïdentificeerd.

Strategische Agenda Zuid-Holland 2016

Strategische agenda voor de uitwerking van de opgaven uit het Deltaprogramma. Zuid-Holland gaat beleid voor ruimtelijke adaptatie uitwerken, het ontwikkelen naar een klimaatbestendige en water robuuste ruimtelijke inrichting. Bovendien zet de provincie in op het behouden en waar mogelijk verbeteren van de beschikbaarheid van voldoende zoet water, onder normale en droge omstandigheden.

Waterverordening Zuid-Holland

Het peilbesluit bestaat uit een korte opsomming van de overwegingen om tot het besluit te komen, een tabel met de vastgestelde peilen en een overzichtskaart waarop de peilen staan aangegeven. In de toelichting staan ook de veranderingen van het peil ten opzichte van de bestaande situatie en de gevolgen van het besluit voor alle betrokken belangen. Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Waterschappen moeten zorgdragen voor een actueel peilbesluit. De verplichting om een peilbesluit iedere 10 jaar te herzien is vervallen. Delfland kan hierdoor op flexibelere manier omgaan met het aanpassen van peilbesluiten, waardoor een peilbesluit beter kan aansluiten bij ontwikkelingen in het gebied. In de waterverordening zijn ook de provinciale normen voor wateroverlast vastgelegd.

Wateragenda Zuid-Holland

In de wateragenda hebben de provincie en de Zuid-Hollandse waterschappen de afspraken uit het NBW over taken en verantwoordelijkheden in het waterbeheer vertaald naar de Zuid-Hollandse situatie. Er is onder andere opgenomen dat waterschappen zorg dragen voor integraal afgewogen peilbesluiten. Bij de start van het proces wordt met belanghebbenden, waaronder de provincie, afgestemd hoe zal worden omgegaan met de belangen, inclusief eventuele ‘onverenigbare vraagstukken’. Voor peilbesluiten waar provinciale belangen spelen (zoals tegengaan bodemdaling, natuur, recreatie en cultuurhistorie) worden op hoofdlijnen procesafspraken gemaakt tussen provincie en waterschappen.

De peilbesluiten richten zich primair op het bestaande grondgebruik. Bij functiewijzigingen spreekt het waterschap met de betrokken partijen af hoe het peilbeheer wordt geregeld in de transitiefase en daarna. Waar de eisen aan het peilbeheer voor bepaalde functies en/of provinciale beleidsdoelen niet of slecht verenigbaar zijn, geeft de provincie aan hoe hiermee vanuit het provinciaal belang moet worden omgegaan (bijvoorbeeld tegengaan bodemdaling versus voldoen aan gebruiksmogelijkheden en bescherming tegen wateroverlast).

Waterschapsbeleid en regelgeving

Keur Delfland met bijbehorende Algemene Regels

In de Keur staan de gebods- en verbodsbepalingen voor de waterhuishouding. Dit zijn de regels waar iedereen in Delflands beheergebied zich aan moet houden of rekening mee moet houden. De Keur en de legger vormen samen de juridische basis voor de vergunningverlening en handhaving door het waterschap. De Keur bevat onder artikel 4.1 lid 2 onder i een verbod om zonder vergunning van een vastgesteld peil af te wijken. In de Algemene Regels zijn regels opgenomen die onder bepaalde voorwaarden een vrijstelling inhouden van de vergunningplicht. Er geldt dan wel een meldingsplicht.

Legger

In de legger is de vereiste situatie van de waterstaatswerken (waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen) aangegeven. Tevens worden hierin de beheer- en onderhoudsverplichtingen van de waterstaatswerken vastgesteld. De legger is verder belangrijk voor de uitvoering van werkprocessen, zoals onderhoud, handhaving, vergunningverlening en planvorming.

Waterbeheerplan 5

Om de kerntaken op een toekomstbestendige manier uit te voeren richt Delfland zich op integraal werken, adaptief inspelen op specifieke omstandigheden en intensief samenwerken met gebiedspartners. Nadelige gevolgen van droge perioden wil Delfland zo beperkt mogelijk houden door de watervoorziening af te stemmen op de ruimtelijke en gebruiksfuncties.

Delfland maakt integrale peilbesluiten en doet dit samen met belanghebbenden. Integraliteit en het afwegen van belangen staat voorop bij het vaststellen van een peil waarbij ook de nieuwere taken van het waterschap in het grondwater- en vaarwegbeheer zijn meegenomen.

In bodemdalingsgevoelige gebieden wordt bodemdaling als een belang meegenomen in de afweging bij het peilbesluit en gaat Delfland terughoudend om met peilverlagingen of peilaanpassingen (het volgen van de maaivelddaling).

Integrale nota vis

De integrale nota vis geeft uitgangspunten met betrekking tot visstandbeheer, vismigratie en vishabitat, visrechtenuitgifte, uitoefening van visserij en samenwerking met visserijpartners. Delfland is verantwoordelijk voor het visstandbeheer in zijn beheergebied en heeft vanuit de KRW een specifieke (resultaats)verplichting om een visstand te bereiken die hoort bij de gewenste ecologische toestand van wateren. Om een bepaalde visstand te bereiken neemt Delfland inrichtings- en beheermaatregelen om goede leefomstandigheden voor de gewenste vissoorten te bereiken, waaronder natuurvriendelijke oevers, vispaaiplaatsen, vrije vismigratie en vispasseerbare kunstwerken. Ook het onttrekken en uitzetten van vissen kan deel uitmaken van het visstandbeheer. De ecologische kwaliteit van het watersysteem en de visserij beïnvloeden de visstand. Omgekeerd is de visstand ook van invloed op de waterkwaliteit.

Gemeentelijke wetgeving en beleid

Bij het opstellen van peilbesluiten moet rekening worden gehouden met gemeentelijk beleid. Het gaat vooral om:

-Ruimtelijk: voordat een gemeentelijk bestemmingsplan wordt opgesteld leggen gemeenten hun visie op ruimtelijke ontwikkelingen vast in gemeentelijke structuurvisies. De gemeente is verplicht om het waterschap vroegtijdig bij ruimtelijke plannen te betrekken. Bij functieveranderingen overleggen waterschap en gemeenten tijdens het watertoetsproces over de manier waarop dit in een bestemmingsplan moet worden opgenomen. Ruimtelijke plannen kunnen leiden tot nieuwe peilbesluiten. Andersom geven de waterbelangen (peilen) richting aan de invulling van ruimtelijke plannen van de gemeente.

-Water: in een gemeentelijk waterplan stemmen gemeente en waterschap af over onderwerpen die met water te maken hebben. Dit is ook vastgelegd in het NBW. Afspraken uit het gemeentelijk waterplan moeten worden meegewogen bij het vaststellen van peilen.

Bijlage 3 Afwijkende peilen

In het peilbesluit wordt de noodzaak voor het afwijkende peil getoetst aan de hand van onderstaande beslisboom. Het afwijkende peil wordt getoetst aan een maaiveldcriterium en de vereiste drooglegging voor de functie. Voor de afwijkende peilen die zijn toegestaan, wordt vervolgens bepaald of bediening door derden is gewenst.

Criteria toetsing afwijkend peil

Als het maaiveldverschil groter is dan 10 cm dan is het afwijkende peil toegestaan. Als het maaiveldverschil kleiner is dan 10 cm dan moet worden onderzocht of de drooglegging voldoet aan de droogleggingsrichtlijn en of de drooglegging noodzakelijk is voor de functie. Als de drooglegging voldoende is en het maaiveldverschil is kleiner dan 10 cm, dan moet het afwijkende peil in principe worden opgeheven. Gemotiveerd afwijken van dit beleid is slechts mogelijk met een goede onderbouwing. Aanvullende criteria voor gebieden die gevoelig zijn voor maaivelddaling (veen):

-Om ongelijke zetting tegen te gaan mag de drooglegging van een onderbemaling niet groter zijn dan de drooglegging van het omringende peilgebied.

-Als de drooglegging groter is dan de droogleggingsrichtlijn voor veen (60 cm) worden de mogelijkheden onderzocht om de omvang en peilverschil te reduceren.

De ligging van de peilafwijking en bijbehorende kunstwerken mag het functioneren van het hoofdwatersysteem niet negatief beïnvloeden. In het hoofdwatersysteem worden in principe geen afwijkende peilen toegestaan. Gemotiveerd afwijken van dit beleid is slechts mogelijk met een goede onderbouwing.

Criteria afweging bediening

Waar het kan wordt bediening door derden toegestaan. Voorwaarde is dat er een goede afstemming bestaat tussen Delfland en de derden die het afwijkende peil bedienen. Als er sprake is van een publieke functie, kan worden voorgesteld de bediening en het onderhoud van het afwijkend peil over te dragen aan Delfland.

-Bij meer dan 3 belanghebbende partijen wordt onderzocht of er klachten of knelpunten bekend zijn, hoe het afwijkende peil functioneert en wat de risico’s en kosten zijn. Als door het samenvoegen van meerdere gebieden de publieke functie vergroot, ligt overname van het gebied met afwijkend peil eerder voor de hand.

-Overname gebeurt in eerste instantie op basis van vrijwilligheid. Het is van belang om een evenwicht te vinden tussen de kosten, de bestuurlijke verantwoordelijkheid en het maatschappelijk draagvlak. In geval de kosten maatschappelijk onverantwoord zijn, kan van overname worden afgezien.

-Over het overdragen van het eigendom, bediening en onderhoud van kunstwerken en aanvullende werkzaamheden moeten afspraken worden gemaakt waaronder over bereikbaarheid, recht van overpad, energietoevoer en aankoop van grond. Met betrekking tot overname is het geen noodzaak dat Delfland alle kunstwerken in eigendom moet hebben.

-Na overname wordt het afwijkende peil een peilgebied bediend door Delfland. Het waterschap neemt het peilbeheer van de particulier(en) over en draagt zorg voor het handhaven van het peil.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.