4 Beleidsregels gewoon onderhoud oppervlaktewateren
4.1 Baggeren
4.1.1 Algemeen
De aanwezigheid van bagger levert niet per definitie een waterkwaliteitsprobleem op. Toch is in algemene zin een geringe waterdiepte en dikke baggerlaag ongewenst omdat eerder opwarming en kwaliteitsproblemen kunnen ontstaan. Om die reden is in het waterbeheerplan (WBP) en ook in het beschrijvend deel van de Legger Wateren (14.4859) aangegeven dat daar waar mogelijk een waterdiepte van minimaal 0,5 meter wordt aangehouden.
Als vanuit het oogpunt van waterkwantiteitsbeheer dus eenmaal bepaald is dat baggeren nodig is dan wordt waar mogelijk tenminste 0,5 meter waterdiepte gerealiseerd over voldoende breedte. Dit geldt voor baggerwerk aan alle wateren (primair, secundair en tertiair).
4.1.2 Primair stelsel
De primaire waterlopen hebben een belangrijke publieke functie in de aanvoer en afvoer van water voor grotere gebieden, met vaak ook veel belanghebbenden. Het accent van het onderhoud van het primaire stelsel ligt bij de waterkwantiteit. Toch is onderscheid mogelijk tussen waterlopen die wel of niet zijn overgedimensioneerd ten opzichte van de minimale afmetingen die in de legger zijn aangegeven (hydraulisch bepaald profiel).
Baggeren primaire wateren zonder overdimensionering in breedte (figuur 1)
Bij het baggeren wordt de minimale waterdiepte (ten opzichte van de baggerlaag) gebaseerd op de minimale bodemhoogte die in de legger is aangegeven. Het baggeren vindt cyclisch plaats, bijvoorbeeld eens per 7, 10, 15 of zelfs 30 jaar. Aan het einde van de cyclus is de baggerlaag aangegroeid tot aan de bodemhoogte die in de legger is aangegeven.
Periodiek wordt de diepte van de primaire wateren gepeild. Als gemiddeld de minimale waterdiepte aanwezig is over voldoende breedte (de legger geeft ook een minimale bodembreedte aan) hoeft niet gebaggerd te worden. Als gemiddeld de minimale waterdiepte bij de periodieke controle niet aanwezig is over voldoende breedte dan moet er gebaggerd worden.
Figuur 1: Baggeren bij primaire wateren zonder overdimensionering
Tussen de momenten van peilen mag de gemiddelde waterdiepte door baggervorming maximaal 10% verminderen ten opzichte van de minimale waterdiepte die volgt uit de Legger Wateren met een maximum van gemiddeld 10 centimeter vermindering van de minimale waterdiepte.
Uitgangspunt in het niet overgedimensioneerde primaire stelsel is dat altijd gebaggerd wordt tot een diepte onder de minimale bodemhoogte uit de legger. In een primair water dat niet is overgedimensioneerd, met een vaste bodem die niet dieper is dan de minimale bodemhoogte uit de Legger Wateren, betekent de aanwezigheid van bagger altijd een vermindering ten opzichte van het minimaal noodzakelijke doorstroomoppervlak. De frequentie van onderhoud in deze wateren zal in die situaties voldoende hoog moeten liggen om dit beperkt te houden tot gemiddeld 10 centimeter vermindering van de minimale waterdiepte (figuur 1).
In die situaties kan verruiming van het profiel van het desbetreffende water worden overwogen, om te voorkomen dat met een hoge frequentie moet worden gebaggerd.
Baggeren primaire wateren met overdimensionering in breedte (figuur 2)
Bij het baggeren wordt de minimale bodemhoogte die in de legger is aangegeven als basis voor het bepalen van de gemiddelde waterdiepte gehanteerd. Het baggeren vindt cyclisch plaats, bijvoorbeeld eens per 7, 10, 15 of zelfs 30 jaar. Aan het einde van de cyclus is de baggerlaag aangegroeid tot maximaal 10% van de gemiddelde waterdiepte of gemiddeld maximaal 10 centimeter boven de minimale bodemhoogte die in de legger is aangegeven. Dit bepaalt dan de minimale waterdiepte. Gemiddeld in de tijd reikt de bovenzijde van de bagger tot aan de minimale bodemhoogte die in de legger is aangegeven.
Figuur 2: Baggeren bij primaire wateren met overdimensionering
Periodiek wordt de diepte van de primaire wateren gepeild. Als de gemiddelde baggerlaag bij de periodieke controle nog niet is aangegroeid tot de aangegeven minimale waterdiepte hoeft niet gebaggerd te worden. Als gemiddeld de minimale waterdiepte niet aanwezig is over voldoende breedte (de legger geeft ook een minimale bodembreedte aan) dan moet er gebaggerd worden.
Tussen de momenten van peilen mag de waterdiepte door baggervorming maximaal 10% en maximaal 10 centimeter verder verminderen tot maximaal 20 centimeter boven de minimale bodemhoogte die in de legger is aangegeven.
Uitgangspunt bij in breedte overgedimensioneerde primaire wateren is dus, dat altijd gebaggerd wordt tot een diepte onder de minimale bodemhoogte uit de legger. Indien een in breedte overgedimensioneerde primaire wateren qua afmetingen een vaste bodem heeft die niet dieper is dan de minimale bodemhoogte uit de Legger Wateren, zal de baggerfrequentie voldoende hoog moeten liggen om dit beperkt te houden tot maximaal 20 centimeter vermindering van de gemiddelde waterdiepte (figuur 2).
In die situaties kan verruiming van het profiel van het desbetreffende water worden overwogen, om te voorkomen dat met een hoge frequentie moet worden gebaggerd ook is aanpassing / correctie van het leggerprofiel een mogelijkheid.
Een brede kijk profiel is ten opzichte van het hydraulisch leggerprofiel per definitie een overgedimensioneerd profiel en wordt zowel in het primaire stelsel als in het secundaire stelsel gebaggerd als primair water met overdimensionering. Daarbij wordt dan de minimale bodemhoogte van het brede kijk profiel als gemiddelde waterdiepte gehanteerd.
4.1.3 Secundair stelsel
De secundaire wateren hebben een beperkte publieke functie. In de aanvoer en afvoer van water zijn nog altijd meerdere belanghebbenden afhankelijk van deze waterlopen. Toch is onderscheid mogelijk tussen waterlopen die wel of niet in breedte zijn overgedimensioneerd ten opzichte van de minimale afmetingen die in de legger zijn aangegeven.
Ondanks dat het conform de provinciale verordening niet verplicht is om voor het secundaire stelsel vorm, afmeting en constructie vast te leggen in de legger, heeft het hoogheemraadschap er voor gekozen om dit wel te doen. Het secundaire stelsel zorgt namelijk in belangrijke mate voor de aanvoer van water vanuit het primaire stelsel naar de gebruiksfuncties en voor afvoer van water naar het primaire stelsel. Zonder een goed onderhouden secundair stelsel van wateren komt er in tijden van wateroverlast onvoldoende water bij het gemaal en wordt de bergingsbemalingsbalans in poldergebieden verstoord.
De standaard leggerafmetingen voor nieuw aan te leggen secundaire (en tertiaire) waterlopen staan in tabel 1 weergegeven. In de laatste kolom in de tabel is aangegeven wanneer een water overgedimensioneerd is. Bij bestaande wateren in secundair en tertiair stelsel kan met behulp van tabel 1 bepaald worden of sprake is van overdimensionering.
Tabel 1: Overdimensionering in breedte bij secundaire en tertiaire waterlopen
Baggeren secundaire waterlopen met en zonder overdimensionering in breedte
Bij het baggeren wordt gekeken naar de hoeveelheid bagger in het slootprofiel ten opzichte van de vaste bodem. De gemiddelde verhouding dikte baggerlaag / waterdiepte mag daarbij niet meer dan een derde / twee derde bedragen, over de volle breedte van het aanwezige profiel. Dat is de ingreepmaat waarbij gebaggerd moet worden. De gemiddelde baggerlaag mag dus niet dikker worden dan de helft van de gemiddelde waterdiepte.
Bij het ontbreken van een vaste bodem of bij een vaste bodem beneden de 0,75 meter waterdiepte ten opzichte van het streefpeil, wordt gekeken naar minimale waterdiepte. Het baggeren is dan gericht op handhaving van de kwalitatief bepaalde minimale waterdiepte van 0,5 meter waar mogelijk.
Periodiek tijdens de baggerschouw wordt de diepte van de secundaire waterlopen gepeild. Als de gemiddelde baggerlaag te dik is ten opzichte van de gemiddelde waterdiepte dan moet er gebaggerd worden. Tussen de momenten van peilen mag de gemiddelde waterdiepte door verdere baggervorming maximaal 10 centimeter verder verminderen.
4.1.4 Tertiair stelsel
De tertiaire wateren hebben vooral een privaat belang en zijn niet van grote invloed op de aan- en afvoer van water binnen het watersysteem, maar hebben voornamelijk een waterbergende functie. Bijvoorbeeld wateren in particuliere onderbemalingsgebieden of wateren in aaneengesloten natuurgebieden zijn ingedeeld in de categorie ‘ tertiair’. Deze wateren worden wel gecontroleerd tijdens de beschreven schouwmomenten (bijlage 1), tenzij de wateren liggen in een particuliere onderbemaling of met betrekking tot deze wateren specifieke onderhouds- en beheerafspraken zijn gemaakt tussen de onderhoudsplichtige en het hoogheemraadschap, gericht op het waarborgen van de bergende functie.
In een beheerovereenkomst kunnen toegesneden afspraken worden vastgelegd over de wijze van onderhoud, de frequentie daarvan en ook de wijze van controle en evaluatie. In de praktijk zijn de afspraken vooral gericht op de instandhouding van het waterbergend vermogen van deze wateren.
Wateren waarvoor een beheerovereenkomst geldt, worden niet gecontroleerd tijdens de vastgestelde schouwmomenten maar gedurende het gehele jaar in de gaten gehouden door beheerders van het hoogheemraadschap. Waar nodig wijst het hoogheemraadschap de onderhoudsplichtige op zijn of haar onderhoudstaak.
Baggeren is erop gericht om verlanding, en daarmee verlies aan bergend vermogen, te voorkomen. Er is sprake van verlanding als er bagger aanwezig is in het slootprofiel boven het laagst toelaatbare waterpeil conform het vigerend peilbesluit. Dit is aanleiding om te baggeren en te zorgen dat de werkelijke waterbreedte zoals vastgelegd in de Legger Wateren wordt hersteld.
Als er gebaggerd moet worden omdat sprake is van verlanding, wordt gebaggerd tot de vaste bodem of een minimale waterdiepte van 0,3 meter over de volle breedte van het water en wordt waar mogelijk een waterdiepte van 0,5 meter gerealiseerd over de in de minimale breedte die volgt uit de in de legger aangegeven minimale bodemhoogte vaste bodem, bodembreedte en taluds (figuur 3).
Figuur 3: Periodiek herstel van waterbergend vermogen tertiair stelsel
4.1.5 Samenvatting baggeren
In onderstaande tabel 2 worden de beleidsregels gewoon onderhoud ten aanzien van het baggeren samengevat.
Categorie water
Overdimensionering in breedte
Ingreepmaat bij periodieke controle
Toelaatbare verondieping tussen controlemomenten
Primair
Nee
Gemiddelde baggerhoogte is minimale bodemhoogte legger
Gemiddeld tot 10 cm of 10% verondieping ten opzichte van minimale bodemhoogte legger
Ja
Gemiddeld <10cm of 10% verondieping ten opzichte van minimale bodemhoogte legger
Gemiddeld tot 20 cm of 20% verondieping ten opzichte van minimale bodemhoogte legger
Secundair
n.v.t.
Gemiddelde baggerlaag dikker dan de helft van de gemiddelde waterdiepte
Tot 10 cm vermindering waterdiepte ten opzihte van ingreepmaat
n.v.t.
Tertiair
n.v.t.
Bagger boven laagst toelaatbare streefpeil volgens peilbesluit / niet nakomen beheerafspraken
n.v.t.
Tabel 2: Samenvatting beleidsregels gewoon onderhoud: Baggeren
Bijlage 1: Schouwschema
Type schouw
Schouwdatum
Vooraankondiging
Opmerking
Najaarsschouw
3emaandag van oktober
Betrokkenen worden drie weken voorafgaand aan de schouw op de hoogte gebracht via weekbladen en de digitale publicatiesite.
Schouwverplichting geldt voor het gehele gebied. Schouw vindt jaarlijks plaats.
Knelpuntenschouw
1evrijdag van juni, juli, augustus.
Betrokkenen worden drie weken voorafgaand aan de schouw schriftelijk op de hoogte gebracht.
Waterlopen worden geschouwd op aanwijzen van de rayonbeheerder. Deze schouw heette vroeger ook wel Zomerschouw of Nazomerschouw
Baggerschouw
1emaandag van december.
IJs en weder dienende.
Betrokkenen worden één jaar voorafgaand aan de werkelijke schouw op de hoogte gebracht.
De baggerschouw volgt de baggerplanning van het hoogheemraadschap. De baggerblokken die zijn afgerond door het HHNK worden het jaar daaropvolgend geschouwd. Stelregel is dat elke waterloop eens per zeven jaar wordt geschouwd op bagger.
Knelpuntenbagger-schouw Veenweidegebied
1emaandag van december.
IJs en weder dienende
Betrokkenen worden in februari voorafgaand aan de schouw schriftelijk op de hoogte gesteld.
Waterlopen worden geschouwd op aanwijzen van de rayonbeheerder.