Aanhef
Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden,
gelezen het bestuursvoorstel d.d. 15 december 2020 DM 1723693,
gelet op het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Besluit omgevingsrecht, Regeling omgevingsrecht, artikel 8.1 Waterwet, artikel 61 Waterschapswet, artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht en de vastgestelde visie HDSR op de inzet van VTH,
Besluit
•het Uitvoeringsbeleid VTH 2021-2026 vast te stellen;
•het nieuwe uitvoeringsbeleid a) bekend maken via het waterschapsblad en website HDSR, b) ter kennis brengen aan de Provincie Utrecht en c) ter kennis brengen aan het algemeen bestuur;
•gelijktijdig het Handhavingsbeleid 2015-2020 in trekken.
Bijlage 1: Verdieping van de hoofdprocessen in zaakgerichte processen en ondersteunende processen
In het schema hieronder leest u het volgende:
•Welke zaakgerichte VTH-processen voeren wij uit? Deze zijn geel gemarkeerd.
•Welke ondersteunende processen voeren wij uit? Deze zijn grijs gemarkeerd.
Dit procesoverzicht is de basis voor verdere uitwerking, in procesbeschrijvingen, in het kwaliteitsmanagementsysteem binnen HDSR: ‘Werkwijzer’
Bijlage 2: Typering van initiatieven als basis voor actualisering
1) Eenmalig infrastructurele initiatieven bij waterstaatswerken
Het gaat om nieuw vergunde steigers, bruggen, objecten, et cetera. Hierop wordt niet actief geactualiseerd. Het vangnet voor eventuele problemen en afwijkingen wordt gevormd door handhavingsverzoeken, incidentmeldingen en bijvangst uit toezicht.
2) Ligplaatsen en vaarvergunningen
Hierop wordt als regel niet actief geactualiseerd. Tijdelijke vaarvergunningen vervallen per einde vergunde termijn. Het vangnet voor eventuele problemen en afwijkingen wordt tot nu toe gevormd door handhavingsverzoeken, Incidentmeldingen en bijvangst uit toezicht. Voor ligplaatsen, in het bijzonder op de Gekanaliseerde Hollandse IJssel, is wel een actualisatie nodig in combinatie met actualisering van de vaarbesluiten. Voor ligplaatsen moeten we misschien wel iets omdat het om ‘schaarse’ vergunningen gaat.
3) Permanente voorzieningen voor het onttrekken van water
Met periodieke (jaarlijkse) sprints en waar mogelijk gekoppeld aan de uitvoering van toezicht, wordt in een bestek van vijf jaar het hele bestand doorgewerkt (met uitzondering van onttrekkingen aan oppervlaktewater, anders dan voor nachtvorstschadebestrijding). Deelverzamelingen zijn permanente voorzieningen voor:
•grondwateronttrekkingen
•onttrekkingen voor nachtvorstschadebestrijding
•onttrekkingen aan oppervlaktewater, anders dan voor nachtvorstschadebestrijding
De primaire opgave is om deze administratief en juist in beeld te houden en als er aanleiding toe is te toetsen aan de capaciteit watersysteem Op basis van ervaring wordt voor sommige initiatieven ook een inhoudelijke toets op adequaatheid van de voorschriften gedaan.
4) Inrichtingen en permanente bedrijfsvoering, in het bijzonder voor lozingen.
Als eerste wordt, zo mogelijk gekoppeld aan de uitvoering van toezicht, alle activiteiten of bedrijven in deze categorie eerst een administratieve beoordeling gedaan. Op basis van dat oordeel wordt al of niet een verder gaande inhoudelijke toets op adequaatheid van de voorschriften gedaan.
Van belang is dat steeds meer activiteiten worden geregeld in algemene regels, . Daardoor vervallen dan vergunningen en komt het na wijziging van beleid/wetgeving neer op het houden van toezicht op de invoering van de nieuwe regels. Het aandeel ‘actualisering’ vermindert hierdoor, met een gelijktijdige verschuiving naar toezicht.
Directe en diffuse lozingen
•Onder meer Glastuinbouw en Agrarische bedrijven (veehouderij, gewasteelt) vallen onder Algemene Regels. De actualisering gaat om bestandsbeheer van de bedrijven.
•Industriële- en /of procestechnologische bedrijfsvoering en afvalverfwerkende bedrijven
•RWZI’s
Indirecte lozingen
•Hiervoor is het waterschap niet het bevoegd gezag.
•Van het totaal aan indirect lozende bedrijven wordt een selectie bijgehouden van de voor het waterschap voldoende relevante bedrijven.
5) Niet gerealiseerde wel vergunde activiteiten
In voorkomende gevallen worden vergunningen verleend voor activiteiten die uiteindelijk niet worden gerealiseerd. Hierop wordt niet actief geïnventariseerd en geactualiseerd. Het vangnet voor eventuele problemen en afwijkingen wordt gevormd door handhavingsverzoeken, incidentmeldingen en bijvangst uit toezicht of een administratieve controle.
6) Vergunningen voor bepaalde tijd
In beperkte mate worden vergunningen verleend voor het aanleggen en dan slechts voor beperkte tijd behouden van <het vergunde>. Bijvoorbeeld tijdelijke dammen met duikers of bruggen voor een gebiedsherinrichting.
Vangnet
Het vangnet voor eventuele problemen en afwijkingen wordt gevormd door incidentmeldingen, inspectiebezoeken en handhavingsverzoeken.
Bijlage 3: Handhaving eigen dienst en andere overheden
Het toezicht is erop gericht om overtredingen te voorkomen. Wanneer desondanks toch een overtreding geconstateerd wordt is de werkwijze gelijk aan de werkwijze bij overtredingen door (natuurlijke of rechts)personen tot en met het versturen van de bestuurlijke waarschuwing: de eerste gelegenheid om de overtreding ongedaan te maken. De maatregelen worden beoordeeld met de matrix ‘situationeel handhaven’ en de daarbij te maken afwegingen. In elk geval is daarin is opgenomen een datum waarop de overtreding beëindigd moet zijn.
Er is theoretisch gedacht een kans dat dit onder de Omgevingswet vaker gaat voorkomen, omdat er dan weer vergunningen eigen dienst worden verleend. Onder de Waterwet was het waterschap hiervan vrijgesteld voor onderhouds- en beheerwerkzaamheden. Maar van het waterschap mag - met de waterhuishoudkundige kennis en kennis van de eigen regelgeving - verwacht worden dat de naleving (fors) hoger is en er minder of nauwelijks overtredingen zijn. Dit was ook de basis voor de vrijstelling onder de Waterwet.
Wanneer niet aan de bestuurlijke waarschuwing is voldaan wordt de overtreding op de volgende wijze afgehandeld:
•De manager verantwoordelijk voor VTH stelt zo spoedig mogelijk na het verstrijken van de genoemde datum de manager van het onderdeel van de eigen dienst in kennis van de bestuurlijke waarschuwing. Hij spreekt met de manager een termijn af om de overtreding alsnog ongedaan te maken.
•Als dit niet het gewenste resultaat oplevert, neemt de secretaris-directeur een beslissing over het al dan niet ongedaan maken van de overtreding. De secretaris-directeur beslist niet zonder de dijkgraaf en de portefeuillehouder geraadpleegd te hebben.
•De handhaver - Boa draagt de geconstateerde overtreding over aan de politie voor eventuele strafrechtelijke afhandeling. Echter, bij een ernstige overtreding wordt politie/justitie direct in kennis gesteld.
•Bij een overtreding, waarvoor andere overheid bevoegd gezag is, wordt deze van de overtreding in kennis gesteld.
•De Boa maakt zelf proces-verbaal op, wanneer het openbaar ministerie daarvoor opdracht geeft.
Handhaving bij andere overheidsorganen via bestuurlijk overleg.
Ook het toezicht op of bij activiteiten van andere overheden is erop gericht om overtredingen te voorkomen.
Bij het constateren van overtredingen worden deze beoordeeld met de matrix ‘situationeel handhaven’ en de daarbij te maken afwegingen. Onze reactie is hierbij geheel gelijk aan de werkwijze bij overtredingen door (natuurlijke of rechts)personen, inclusief alle bestuursrechtelijke- en strafrechtelijke handhaving.
Twee extra afspraken hierbij zijn:
1De handhaver informeert de portefeuillehouder HDSR voorafgaand aan het versturen van de bestuurlijke waarschuwing of het opleggen van een sanctie. De portefeuillehouder is daardoor in de gelegenheid de betreffende portefeuillehouder te informeren dat een bestuurlijke waarschuwing of sanctiebeschikking is of wordt verstuurd. In spoedeisende gevallen vindt deze kennisgeving zo spoedig mogelijk achteraf plaats. Dit met als doel om wel transparant en geprotocolleerd, maar vanuit het perspectief van handelen als één overheid, tot een snelle naleving te kunnen komen.
2De handhaver - Boa kan op dat moment zelfstandig een proces-verbaal opmaken, wanneer de justitiële richtlijnen daartoe aanleiding geven, of door het openbaar ministerie daarvoor opdracht wordt gegeven.
Bij handhaving van overheden moet met bijzondere omstandigheden rekening worden gehouden. In het handhavingsbeleid is aangegeven dat er voor overheidsorganen, die als beheerder werkzaamheden uitvoeren, andere regels kunnen gelden dan voor een bedrijf of particulier. Ook kan bijzondere wetgeving van toepassing zijn, zoals de Crisis- en herstelwet, waardoor voor overheidsprojecten afwijkende procedures van kracht zijn.
Ook bij de strafrechtelijke handhaving zijn er uitzonderingen. De overheid is belast met de zorg voor een veelheid aan taken. Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer dan overtredingen worden begaan ten gevolge van het uitvoeren van die unieke overheidstaken, bijvoorbeeld bij tegenstrijdige belangen, er voor die overheidsorganen een strafrechtelijke immuniteit kan bestaan (Pikmeer II arrest).
Om die reden is in de ‘Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid milieu- en keurfeiten’ in de contra-indicaties opgenomen dat het opleggen van een Bsb aan een overheidsorgaan niet is toegestaan. In voorkomende gevallen wordt uitgebreid procesverbaal opgemaakt, zodat het OM in de gelegenheid is eventuele vervolging te toetsen aan de voor hen geldende richtlijn: ‘Aanwijzing voor de opsporing en vervolging van overheden (1998A004)’.
Het gevolg hiervan is dat bij overtredingen door de eigen dienst of door andere overheden er twee afwegingen toegevoegd worden, voordat tot het opleggen van maatregelen wordt overgegaan:
•zijn op de uitgevoerde werkzaamheden bijzondere bepalingen van kracht, zodra ze als beheerder door of namens een overheidsorgaan worden uitgevoerd?
•is er bij strafrechtelijk handhaving sprake van uitvoering van de "unieke overheidstaak" als bedoeld in het Pikmeer II arrest?
Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag is er geen sprake van een overtreding.
Een bevestigend antwoord op de tweede vraag is niet altijd eenvoudig te geven. In twijfelgevallen overleggen we daarom met het OM, of een proces-verbaal moet worden opgemaakt. Wanneer dit overleg niet mogelijk is wordt wel een proces-verbaal opgemaakt, waarbij het OM dan een beslissing neemt over het al dan niet overgaan tot vervolging.
Bijlage 4: Richtlijn bepaling dwangsom
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van dijkgraaf en hoogheemraden op 15 december 2020.
J.C.H. Haan, dijkgraaf
J. Goedhart, secretaris-directeur