Aanhef
Het Reglement van Orde (RvO) bevat (spel)regels en procedures voor de staten- en commissievergaderingen. Er zijn regels opgenomen over de inzet en het gebruik van politieke instrumenten. Ook staan in het RvO bepalingen voor vergadering van het Fractievoorzittersoverleg, de Agendacommissie en de aansturing van de Statengriffie. Onderstaande verordening is vastgesteld door Provinciale Staten op 9 november 2022 (nummer 7497).
Inhoudsopgave van het Reglement van Orde
TITEL I - BEGRIPSBEPALINGEN
TITEL II - PROVINCIALE STATEN
HOOFDSTUK I - ONDERZOEK GELOOFSBRIEVEN
HOOFDSTUK II – FRACTIE- EN GROEPSVORMING
HOOFDSTUK III - DE VOORZITTER VAN PROVINCIALE STATEN
HOOFDSTUK IV - DE VERGADERINGEN VAN PROVINCIALE STATEN
§1 Voorbereiding van de vergaderingen
§2 Aanvang van de vergaderingen
§3 Spreekrecht & -regels
§4 Ordemaatregelen
§5 Sluiting beraadslaging
§6 Stemming (algemeen)
§7 Stemming over personen
§8 Stemming, anders dan over personen
§9 Stemming in het kader van de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer
§10 Notulen & Besluitenlijst
HOOFDSTUK V - POLITIEKE INSTRUMENTEN
§1 Vragen van inlichtingen
§2 Moties
§3 Amendementen
§4 Initiatiefvoorstellen
TITEL III - COMMISSIES UIT PROVINCIALE STATEN
HOOFDSTUK I - STATENCOMMISSIES
§1 Instelling, samenstelling en taken
§2 De Commissievoorzitter
§3 Voorbereiding van commissievergaderingen
§4 Verloop van Commissievergaderingen
§5 Spreekrecht & -regels
§6 Ordemaatregelen
§7 Commissieadviezen en besluitvorming
§8 Verslaglegging, Besluitenlijst & Lange Termijnagenda
§9 Hoorzittingen van Statencommissies
§10 Bewaring van geheime stukken
HOOFDSTUK II - DE COMMISSIE VOOR ONDERZOEK VAN DE REKENING
HOOFDSTUK III - SUBCOMMISSIES
TITEL IV - FRACTIEVOORZITTERSOVERLEG EN DE AGENDACOMMISSIE
HOOFDSTUK I - HET FRACTIEVOORZITTERSOVERLEG
§1 Samenstelling en taken
§2 De voorzitter van het Fractievoorzittersoverleg
§3 Voorbereiding van vergaderingen van het Fractievoorzittersoverleg
§4 Verloop van vergaderingen van het Fractievoorzittersoverleg
§5 Spreekrecht & -regels
§6 Ordemaatregelen
§7 Besluitvorming
§8 Verslaglegging
HOOFDSTUK II - DE AGENDACOMMISSIE
§1 Samenstelling en taken
§2 De voorzitter van de Agendacommissie
§3 Voorbereiding van vergaderingen van de Agendacommissie
§4 Verloop van vergaderingen van de Agendacommissie
§5 Spreekrecht & -regels
§6 Ordemaatregelen
§7 Besluitvorming
§8 Verslaglegging
TITEL V - DE STATENGRIFFIE
TITEL VI - SLOTBEPALINGEN
TITEL I - BEGRIPSBEPALINGEN
hoofdstuk
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
-Actualiteit: urgent, actueel en politiek onderwerp.
-Actualiteitendebat: (deel van een) Statenvergadering waarin een kort debat wordt gevoerd met de commissaris van de Koning of Gedeputeerde Staten over een actualiteit.
-Agendacommissie: de commissie als bedoeld in artikel 103 van dit reglement.
-Amendement: voorstel van een Statenlid tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 143b Provinciewet naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen;
-Commissiegriffier: griffier van een Statencommissie of diens plaatsvervanger.
-Commissielid: een lid van Provinciale Staten of een fractievertegenwoordiger als bedoeld in artikel 65 van dit reglement welke als lid van een commissie fungeert.
-Commissievoorzitter: voorzitter van een Statencommissie of diens plaatsvervanger.
-Fractie: fractie bedoeld in artikel 5 van het reglement.
-Fractievertegenwoordiger: een niet-Statenlid dat op basis van artikel 65 benoemd is tot lid van de Statencommissies.
-Fractievoorzitter: Statenlid waarvan door de voorzitter op basis van artikel 5 of 5a is vastgesteld dat dit lid voorzitter van een fractie is.
-Fractievoorzittersoverleg: het overlegorgaan van de fractie- en groepsvoorzitters, als bedoeld in artikel 90 van dit reglement.
-Groep: één of meer statenleden als bedoeld in artikel 5a van dit reglement.
-Groepsvoorzitter: Statenlid waarvan door de voorzitter op basis van artikel 5a is vastgesteld dat dit lid voorzitter van een groep is.
-Interpellatie: vragen van inlichtingen aan het college van Gedeputeerde Staten of aan de Commissaris van de Koning over een onderwerp dat niet vermeld staat op de agenda;
-Interruptie: het doen van een onderbreking richting de spreker bestaande uit het maken van een korte opmerking of het stellen van een korte vraag zonder inleiding.
-Mondelinge vraag: vraag van niet technische aard over een urgent actueel politiek onderwerp dat niet voor de betreffende vergadering is geagendeerd.
-Motie: schriftelijke verklaring over een onderwerp waarmee een opdracht of oordeel wordt uitgesproken;
-Overlegvergadering: commissievergadering als bedoeld in artikel 71.
-Politieke partij: politieke groepering, geregistreerd in overeenstemming met artikel G 3 van de Kieswet.
-Portefeuillehouder: het voor een bepaalde provinciale taak, of voor een bepaald dossier verantwoordelijk lid van het college van Gedeputeerde Staten.
-Procedurevergadering: commissievergadering als bedoeld in artikel 71.
-Provinciale Staten: Provinciale Staten van Zuid-Holland.
-Statencommissie: commissie van advies aan Provinciale Staten als bedoeld in artikel 80 van de Provinciewet.
-Statengriffie: griffie als bedoeld in artikel 104, sub e van de Provinciewet.
-Statengriffier: griffier als bedoeld in artikel 97 van de Provinciewet.
-Stukkenstroom: het geheel aan stukken dat aan Provinciale Staten, de Statencommissies en de Statengriffie is gezonden of daarvan uitgaat.
-Sub-amendement: voorstel van een Statenlid tot wijziging van een aanhangig amendement naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement waarop het betrekking heeft;
-Subcommissie: een subcommissie uit een Statencommissie.
-Toehoorder: eenieder die bij een vergadering van Provinciale Staten of een commissie aanwezig is, anders dan in de hoedanigheid van voorzitter, Statenlid, statengriffier, commissielid, commissiegriffier, medewerker van de Statengriffie of notulist.
-Tweeminutendebat: debat na behandeling van een onderwerp in een commissievergadering;
-Voltallige vergadering: een vergadering waarin alle leden waaruit Provinciale Staten bestaan, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht.
-Voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering.
-Voorzitter: voorzitter van Provinciale Staten of diens plaatsvervanger.
TITEL II - PROVINCIALE STATEN
HOOFDSTUK I - ONDERZOEK GELOOFSBRIEVEN
Artikel 2 Commissie tot onderzoek van de geloofsbrieven
1De voorzitter van Provinciale Staten benoemt bij aanvang van elke zittingsperiode een commissie tot onderzoek van de geloofsbrieven, bestaande uit vijf Statenleden.
2De commissie als bedoeld in het eerste lid benoemt uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.
3Indien de commissie door ontstentenis van commissieleden niet bijeen kan komen in de samenstelling als genoemd in artikel 3, eerste lid, of als genoemd artikel 4, tweede lid, is de voorzitter van de commissie bevoegd ad-hoc één of meerdere leden van Provinciale Staten aan te wijzen om in vervanging van de ontbrekende leden van de commissie te voorzien.
Artikel 3 Het onderzoek van de geloofsbrieven van Statenleden.
1Het onderzoek van de geloofsbrieven en de daarbij behorende overige bescheiden van benoemde leden van Provinciale Staten geschiedt door de commissie als bedoeld in artikel 2, eerste lid. Indien het onderzoek van de geloofsbrieven betrekking heeft op nieuw gekozen leden van Provinciale Staten na periodieke aftreding, wordt het onderzoek door de commissie in voltalligheid verricht. In alle overige gevallen wordt het onderzoek verricht door tenminste drie leden uit de commissie, de voorzitter inbegrepen.
2De Commissie tot onderzoek van de geloofsbrieven brengt zo spoedig mogelijk in een vergadering van Provinciale Staten verslag uit van haar bevindingen. Provinciale Staten beslissen vervolgens terstond, of -zo de zaak dat vordert- op een daartoe te bepalen dag omtrent de toelating van het Statenlid.
3Over de toelating van leden die benoemd zijn verklaard na periodieke aftreding besluiten Provinciale Staten in hun oude samenstelling.
4Het bij de commissie in te dienen overzicht van functies en nevenfuncties kan, in het kader van integriteit, aanleiding zijn voor een gesprek met de commissaris.
Artikel 4 Het onderzoek van de geloofsbrieven van gedeputeerden.
1Het onderzoek van de geloofsbrieven en de daarbij behorende overige bescheiden van te benoemen leden van gedeputeerde Staten geschiedt door de commissie als bedoeld in artikel 2, eerste lid.
2Het onderzoek wordt door de commissie in voltalligheid verricht.
3Indien de uitkomst van het onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan de Commissie tot onderzoek van de geloofsbrieven de fractie- of groepsvoorzitters in haar vergadering uitnodigen voor overleg.
4De Commissie tot onderzoek van de geloofsbrieven brengt verslag uit van haar bevindingen in de vergadering waarin de benoeming van de kandidaat-gedeputeerde is voorzien.
HOOFDSTUK I A - ONDERZOEK INTEGRITEIT
Artikel 4a Het gesprek over de bestuurlijke integriteit van kandidaat gedeputeerden
1Vóór het onderzoek van de geloofsbrieven van de te benoemen leden van Gedeputeerde Staten, voert de voorzitter van Provinciale Staten een besloten gesprek met ieder van de te benoemen leden van Gedeputeerde Staten over bestuurlijke integriteit. De voorzitter kan zich bij die gesprekken ambtelijk laten bijstaan. De integriteit van de kandidaat gedeputeerde is de primaire verantwoordelijkheid van de fractie of groep die de kandidaat gedeputeerde voordraagt.
2De voorzitter zal voorafgaand aan het gesprek in ieder geval de volgende stukken opvragen bij de kandidaten:
a.een overzicht van betaalde en onbetaalde nevenfuncties;
b.een overzicht van hun financiële belangen;
c.een actueel curriculum vitae, en
d.een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan drie maanden.
3De voorzitter brengt zo spoedig mogelijk verslag uit van zijn bevindingen aan de betrokken fractie- of groepsvoorzitter. Zo nodig zal de voorzitter zijn bedenkingen delen in het fractievoorzittersoverleg.
4De voorzitter deelt zijn bevindingen en bedenkingen uit het vorige lid met de kandidaat-gedeputeerde.
Artikel 4b Het gesprek in Provinciale Staten met de kandidaat gedeputeerden
De kandidaat gedeputeerden stellen zich in een openbare Statenvergadering voor aan Provinciale Staten.
HOOFDSTUK II – FRACTIE- EN GROEPSVORMING
Artikel 5 Fracties
1Na de periodieke verkiezingen en vóór de eerste vergadering van Provinciale Staten na de verkiezingen, berichten de leden die zich alleen of tezamen als een afzonderlijke fractie willen beschouwen, door tussenkomst van de statengriffier, de voorzitter van Provinciale Staten onder vermelding van de samenstelling van hun fractie en van hun eventuele fractiebestuur.
2Partijen die afzonderlijk hebben deelgenomen aan de verkiezingen en die in Provinciale Staten één fractie willen vormen, doen hierover voor de eerste vergadering van Provinciale Staten na de verkiezingen, door tussenkomst van de statengriffier, mededeling aan de voorzitter onder vermelding van hun eventuele fractiebestuur.
3Van veranderingen die nadien in de samenstelling van een fractie of van haar bestuur optreden, doet deze fractie mededeling door tussenkomst van de statengriffier aan de voorzitter.
Artikel 5a Groepen
1Indien één lid of meer leden gezamenlijk zich afscheiden van een fractie na de eerste vergadering van Provinciale Staten na de periodieke verkiezingen, dan worden zij beschouwd als groep. Zij doen hiervan door tussenkomst van de statengriffier mededeling aan de voorzitter.
2Als na een afscheiding als bedoeld in het eerste lid geen Statenleden lid zijn van de oorspronkelijke fractie, wordt het lid of worden de leden die zich gezamenlijk van die fractie hebben afgescheiden, beschouwd als een nieuwe fractie. De leden van deze nieuwe fractie worden alsnog beschouwd als groep op het moment dat een Statenlid dat voorkomt op de Kieslijst van de partij van de oorspronkelijke fractie, lid wordt van de oorspronkelijke fractie.
3Het afgesplitste lid is of de afgesplitste leden zijn vrij in het kiezen van een naam met dien verstande dat de nieuwe naam begint met het woord ‘groep’.
4Indien niet duidelijk is na een splitsing van een fractie welk deel kan worden beschouwd als voortzetting van een fractie als bedoeld in artikel 5, bepaalt de politieke groepering die de kandidatenlijst bij het centraal stembureau heeft ingeleverd welk deel als voortzetting van een fractie wordt beschouwd.
HOOFDSTUK III - DE VOORZITTER VAN PROVINCIALE STATEN
Artikel 6 De voorzitter van Provinciale Staten
1De voorzitter is belast met de leiding van de werkzaamheden van Provinciale Staten en met de handhaving van de orde ter vergadering overeenkomstig de Provinciewet en dit reglement.
2De voorzitter verleent het woord, formuleert de door de vergadering te nemen besluiten, deelt de uitslag van de stemming mee en recapituleert de toezeggingen die door het college van Gedeputeerde Staten zijn gedaan. Gedane toezeggingen worden voorzien van een vorm (schriftelijk, mondeling) waarop en een termijn waarbinnen de toezegging wordt voldaan.
3De statengriffier bewaakt de opvolging van de in lid 2 door het college van Gedeputeerde Staten gedane toezeggingen.
Artikel 7 Plaatsvervanging van de voorzitter van Provinciale Staten
1Provinciale Staten benoemen bij aanvang van iedere zittingsperiode uit hun midden een tweetal plaatsvervangend voorzitters van wie de rangorde bij hun benoeming wordt bepaald.
2Indien geen besluit wordt genomen over de benoeming van plaatsvervangend voorzitters, dan geldt onverminderd artikel 75 lid 1 van de provinciewet.
3Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter, of in gevallen waarin de voorzitter als portefeuillehouder het woord voert, wordt de vergadering voorgezeten door een van de plaatsvervangend voorzitters.
HOOFDSTUK IV - DE VERGADERINGEN VAN PROVINCIALE STATEN
§1 Voorbereiding van de vergaderingen
Artikel 8 Vergaderschema
1De Provinciale Staten stellen voor de aanvang van het kalenderjaar op voordracht van de Agendacommissie een vergaderschema vast voor de vergaderingen van Provinciale Staten en de Statencommissies. Dit schema wordt zo spoedig mogelijk na vaststelling ter kennis van de leden en Gedeputeerde Staten gebracht.
2Naast een vaste vergaderdag voor vergaderingen van Provinciale Staten en Statencommissies bevat het vergaderschema een vaste reservedag.
3In bijzondere gevallen kan de voorzitter, na overleg met de Agendacommissie, een andere dan de in het vergaderschema vastgestelde dag, tijd en plaats aanwijzen.
Artikel 9 Vergadering op verzoek
Indien de voorzitter het nodig oordeelt, de Agendacommissie daartoe besluit of indien ten minste een vijfde van het aantal leden dat zitting heeft schriftelijk, met opgave van redenen, hierom verzoekt, wordt binnen één week nadat het verzoek is ontvangen een vergadering gehouden.
Artikel 10 Oproeping en uitnodiging vergadering
1De voorzitter zendt de leden een oproep tot de vergadering en brengt de oproep tevens ter openbare kennis in het Provinciaal Blad en op de Provinciale websites op internet. De oproep vermeldt het tijdstip van aanvang, de plaats van de vergadering en de te behandelen onderwerpen.
2De voorzitter zendt de oproep tevens naar Gedeputeerde Staten en nodigt Gedeputeerde Staten uit om in de vergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslagingen deel te nemen.
Artikel 11 Conceptagenda en stukken: toezending en terinzagelegging
1De conceptagenda voor een Provinciale Staten vergadering alsmede alle daarop vermelde stukken worden ten minste twaalf dagen voorafgaand aan de vergadering bekend gemaakt door plaatsing in het Stateninformatiesysteem op de website van Provinciale Staten van Zuid-Holland. Van deze plaatsing wordt terstond per email mededeling gedaan aan Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten. Gelijktijdig worden de stukken ter inzage gelegd op de Statengriffie. In dringende gevallen kan van deze termijn worden afgeweken, zulks ter beoordeling van de voorzitter.
2De conceptagenda en de te behandelen stukken zijn vanaf de dag van verzending tot en met de dag van de vergadering voor een ieder digitaal in te zien bij de Statengriffie in het provinciehuis.
3In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zendt de voorzitter de conceptagenda en de te behandelen stukken van een vergadering als bedoeld in artikel 9 uiterlijk drie dagen voor aanvang van die vergadering aan de leden en aan Gedeputeerde Staten. In deze gevallen worden de stukken uitsluitend in digitale vorm verzonden.
Artikel 12 Vaststelling agenda
Provinciale Staten stellen bij aanvang van de vergadering de agenda voor de vergadering vast. Als regel wordt de vergadering begonnen met de regeling van de werkzaamheden.
Artikel 13 Toevoegen en afvoeren agendapunt
1Ieder lid kan Provinciale Staten verzoeken punten aan de agenda toe te voegen of af te voeren.
2Een verzoek tot het toevoegen van een agendapunt als bedoeld in het eerste lid dient, voorzien van een toelichting waaruit de actualiteit en de urgentie voor agendering blijkt, uiterlijk om 12.00 uur op de tweede werkdag voorafgaand aan de vergadering door tussenkomst van de statengriffier bij de voorzitter te worden ingediend.
3De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek als bedoeld in het eerste lid terstond ter kennis van de overige leden van Provinciale Staten, alsmede aan Gedeputeerde Staten.
§2 Aanvang van de vergaderingen
Artikel 14 Presentielijst
Ieder lid dat ter vergadering aanwezig is tekent bij eerste binnenkomst in de vergaderzaal de presentielijst. De presentielijst wordt als bijlage bij de notulen bewaard.
Artikel 15 Zitplaatsen
1De leden nemen in de vergaderzaal de plaats in, die hen door de voorzitter na overleg met het Fractievoorzittersoverleg wordt aangewezen. De plaatsing geschiedt zoveel mogelijk fractiegewijs en groepsgewijs.
2De voorzitter zorgt er verder voor dat zitplaatsen beschikbaar zijn voor de gedeputeerden en de personen die zij hebben aangewezen om hen in de vergadering te doen bijstaan.
Artikel 16 Vergaderquorum
De vergadering van Provinciale Staten wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is.
Artikel 17 Ontbreken van Vergaderquorum; nieuwe vergadering
1Indien ingevolge artikel 16 de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar artikel 20 van de Provinciewet, opnieuw een vergadering op een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping gelegen is.
2Op de vergadering bedoeld in het eerste lid, is artikel 16 van dit reglement niet van toepassing. Provinciale Staten kunnen echter over andere aangelegenheden dan waarvoor de ongeopend gebleven vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
§3 Spreekrecht & -regels
Artikel 18 Spreekplaats
De leden voeren het woord vanaf het spreekgestoelte, behoudens toestemming van de voorzitter om dit vanaf een andere plaats te doen.
Artikel 19 Volgorde sprekers
1Leden die het woord wensen te voeren in de vergadering melden dit vanaf een half uur voor aanvang van de vergadering bij de statengriffier.
2De voorzitter verleent het woord in de volgorde waarin de sprekers zich hebben ingeschreven op de sprekerslijst, tenzij de voorzitter hierover anders beslist.
3Voor de beraadslagingen over planning en control producten (begroting, voorjaarsnota, kadernota, najaarsnota en jaarstukken) geldt een vaste sprekersvolgorde luidende als volgt: grootste oppositie, grootste coalitie etc.
4Van de in het eerste lid bedoelde volgorde wordt afgeweken wanneer een lid het woord vraagt over een persoonlijk feit of over de orde.
5De voorzitter verleent het woord over een persoonlijk feit niet dan nadat hij een voorlopige aanduiding van dat feit heeft gekregen. De beslissing of iets een persoonlijk feit vormt, berust bij de voorzitter.
Artikel 20 Spreektijdregeling
1De vergadering bepaalt de spreektijd van de fracties, groepen en Gedeputeerde Staten in het kader van de vaststelling van de agenda en de regeling van werkzaamheden als bedoeld in artikel 12. De Agendacommissie doet hiertoe een voorstel.
2De spreektijd, welke geldt voor de op de agenda vermelde bespreekpunten, wordt op basis van een vaste verdeelsleutel aan de fracties, groepen en Gedeputeerde Staten toegekend.
3De verdeling van spreektijd als bedoeld in het tweede lid vindt plaats naar grootte van de fractie of groep volgens het uitgangspunt van een gelijke basisspreektijd per fractie of groep, met een opslag per fractielid of groepslid met dien verstande dat de spreektijd voor een groep de helft is van een fractie met dezelfde omvang. Een en ander overeenkomstig het bepaalde in bijlage 1 van dit reglement.
4Buiten de toegekende spreektijd vallen:
-Voorstellen van orde;
-Woordvoeringen over persoonlijke feiten;
-stemverklaringen, en
-Woordvoeringen tijdens een mondelinge vraag of een interpellatie.
5Voor de reactie op een interruptie worden dertig seconden extra spreektijd toegekend.
6Ingeval van een interpellatie doet de voorzitter een afzonderlijk voorstel voor de spreektijd.
7De spreektijdverdeling tussen Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten vindt plaats in een verhouding van 3:1.
Artikel 21 Interrupties
1De spreker mag in zijn rede niet worden gestoord, tenzij de voorzitter hem aan het opvolgen van dit reglement moet herinneren, of hem wil verzoeken met spreken op te houden in verband met het verstrijken van de gestelde maximumduur van de spreektijd.
2De voorzitter kan de leden de gelegenheid geven tot het plaatsen van interrupties.
3In afwijking van het bepaalde in artikel 18, worden interrupties geplaatst via de daarvoor bestemde microfoons op de interruptiebalie, tenzij de voorzitter interrupties vanaf een andere plaats toestaat.
Artikel 22 Afwijking onderwerp
De voorzitter vraagt de spreker, die van het onderwerp van de beraadslaging afwijkt, om naar het in behandeling zijnde onderwerp terug te keren.
Artikel 23 Aantal malen van spreken
1De beraadslaging geschiedt in twee termijnen.
2Een spreker mag in een spreektermijn niet meer dan eenmaal het woord voeren over hetzelfde voorstel, interrupties, voorstellen van orde, woordvoeringen over persoonlijke feiten en verzoeken als bedoeld in artikel 29 daaronder niet begrepen.
3De voorzitter kan afwijking toestaan van het bepaalde in het eerste en tweede lid.
4In bijzondere omstandigheden kan de voorzitter toestaan dat de inbreng in eerste termijn van Provinciale Staten of Gedeputeerde Staten niet mondeling, doch schriftelijk plaatsvindt.
5Het tweede lid van dit artikel is niet van toepassing op de indiener van een voorstel, een amendement of een motie, of op het lid van Gedeputeerde Staten dat met de verdediging van een voorstel van het college belast is.
Artikel 24 Inspreekrecht voor derden
1De voorzitter kan na aanvang van een openbare vergadering aan derden spreekrecht verlenen over de op de agenda vermelde onderwerpen.
2Spreekrecht als bedoeld in het eerste lid wordt niet verleend ten behoeve van:
a.een besluit van het Provinciale Staten waartegen bezwaar en beroep openstaat of heeft opengestaan;
b.benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen;
c.een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden ingediend.
d.de volgende (eventueel) op de agenda geplaatste agendapunten:
–regeling van werkzaamheden;
–de vaststelling van besluitenlijsten en verslagen en dergelijke, voor zover niet betrekking hebbend op een weergave van wat door of namens de inspreker zelf is gezegd;
–de hamerstukken.
–onderwerpen die door Provinciale Staten achter gesloten deuren worden behandeld.
3Voor elk van de insprekers geldt een spreektijd van ten hoogste drie minuten per agendapunt of onderwerp, met dien verstande dat de totale spreektijd voor de insprekers per agendapunt of onderwerp maximaal dertig minuten bedraagt. Indien meerdere personen het woord wensen te voeren dan de maximale spreektijden toestaan, wordt de maximale spreektijd evenredig over de sprekers verdeeld.
4Een verzoek om gebruik te maken van het inspreekrecht dient uiterlijk één dag voor de vergadering om 12 uur per mail of telefonisch te worden ingediend bij de griffie onder vermelding van het onderwerp.
5Ingeval van onderwerpen met een grote maatschappelijke relevantie kan de voorzitter, gehoord de vergadering, een ruimere spreektijd toestaan.
Artikel 25 Voorstel van orde
1De voorzitter en ieder lid kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen.
2Een voorstel van orde kan uitsluitend de werkzaamheden van de vergadering betreffen.
3Over een voorstel van orde beslist de vergadering terstond.
§4 Ordemaatregelen
Artikel 26 Communicatiemiddelen, elektronische apparatuur en audiovisuele middelen
1Het gebruik van mobiele communicatiemiddelen en andere elektronische apparatuur in de vergaderzaal en op de publieke tribune is toegestaan, voor zover dit naar het inzicht van de voorzitter geen inbreuk maakt op de orde van de vergadering.
2Degenen die in de vergaderzaal tijdens een vergadering geluid- of beeldregistraties wensen te maken, dan wel deze wensen te vertonen, en/of ten gehore wensen brengen, doen daarvan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen.
Artikel 27 Gedrag in de vergadering
Ieder lid gedraagt zich in de vergadering op een wijze die getuigt van onderling respect, en die geen afbreuk doet aan de waardigheid van Provinciale Staten.
Artikel 28 Waarschuwing, terugneming van woorden en ontneming van het woord
1Ieder lid kan het woord vragen over een persoonlijk feit, onjuiste aantijging of over de orde.
2Indien een spreker beledigende uitdrukkingen gebruikt, zijn plicht tot geheimhouding schendt of instemming betuigt met, dan wel aanspoort tot onwettige handelingen, of anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter gewaarschuwd en -indien van toepassing- in de gelegenheid gesteld de woorden die tot de waarschuwing aanleiding hebben gegeven, terug te nemen. Maakt hij van die gelegenheid gebruik, dan worden die woorden niet in het verslag opgenomen.
3Wanneer een spreker van de gelegenheid zoals bedoeld in het tweede lid geen gebruik maakt, dan wel deze hetgeen tot de waarschuwing heeft geleid voortzet, kan de voorzitter hem het woord ontnemen. In de vergadering waarin dit plaatsvindt, mag de spreker aan wie het woord is ontnomen niet langer het woord voeren bij de beraadslaging over het in behandeling zijnde agendapunt.
Artikel 29 Schorsing of sluiting van de vergadering
De voorzitter kan de vergadering schorsen of sluiten indien hij dit met het oog op de handhaving van de orde wenselijk acht. Daarnaast kan de voorzitter op verzoek van een lid de vergadering schorsen. In geval van schorsing bepaalt de voorzitter de duur daarvan en deelt deze aan de vergadering mede.
Artikel 29a Maatregelen bij schending geheimhoudingsplicht
1Provinciale Staten kunnen op voorstel van het Fractievoorzittersoverleg of de voorzitter besluiten een lid dat de verplichting tot geheimhouding van geheime informatie heeft geschonden, uit te sluiten van verstrekking van geheime informatie.
2Provinciale Staten kunnen op voorstel van het Fractievoorzittersoverleg of de voorzitter tevens besluiten het betreffende lid de toegang tot besloten vergaderingen te ontzeggen.
3De genoemde maatregelen kunnen worden opgelegd voor de duur van ten hoogste drie maanden.
§5 Sluiting beraadslaging
Artikel 30 Sluiting beraadslaging
1Wanneer in tweede termijn niemand meer het woord verlangt, sluit de voorzitter de beraadslaging.
2Indien de voorzitter van oordeel is dat het aan de orde zijnde onderwerp reeds in eerste termijn in voldoende mate is besproken, kan hij de vergadering, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, voorstellen de beraadslaging eerder te sluiten. Een zodanig voorstel kan ook worden gedaan door een in de vergadering aanwezig lid. Over deze voorstellen wordt niet beraadslaagd en wordt door de vergadering terstond beslist.
3Indien een onderwerp onder toepassing van het bepaalde in artikel 23, derde lid in meer dan twee termijnen wordt behandeld, is het bepaalde in het eerste lid op die termijnen van overeenkomstige toepassing.
§6 Stemming (algemeen)
Artikel 31 Stemming algemeen
1De voorzitter kondigt een te houden stemming duidelijk aan.
2Bij stemmingen nemen de leden hun zitplaats in de vergaderzaal in.
3Na afloop van elke stemming deelt de voorzitter de uitslag daarvan mede.
Artikel 32 Stemonthouding, Aantekening, Stemverklaring
1Een lid dat zich van deelname aan een stemming wenst te onthouden, doet daarvan mededeling aan de voorzitter, al dan niet onder vermelding van de reden die daaraan ten grondslag ligt.
2De in de vergaderzaal aanwezige leden kunnen aantekening vragen, dat zij geacht wensen te worden tegen het voorstel dan wel onderdelen daarvan te hebben gestemd.
3Ieder lid heeft het recht de door hem uit te brengen stem kort met een stemverklaring te motiveren.
4Mededelingen als bedoeld in het eerste en tweede lid worden gedaan na het sluiten van de beraadslaging en voordat tot stemming wordt overgegaan. Stemverklaringen als bedoeld in het derde lid worden uitgesproken direct voorafgaand aan het in stemming brengen van de amendementen, het besluit en/of de moties.
Artikel 33 Elektronisch stemmen
Bij stemmingen kan gebruik worden gemaakt van daartoe in de vergaderzaal aanwezige elektronische apparatuur, een en ander met inachtneming van de betreffende bepalingen van de Provinciewet. Tot gebruik van deze apparatuur wordt besloten door de voorzitter, gehoord de vergadering.
Artikel 34 Ontbreken quorum bij stemmingen en geldigheid van stemmingen
1Een stemming is alleen geldig indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.
2Indien bij een stemming blijkt, dat minder dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is, schorst de voorzitter de vergadering voor enige tijd. Blijken bij heropening voldoende leden aanwezig te zijn, dan wordt alsnog tot stemming overgegaan. De voorzitter kan de vergadering ook dadelijk sluiten en tegen een later tijdstip een nieuwe vergadering bijeenroepen.
3Het eerste lid is niet van toepassing:
a.ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van één of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was;
b.in een vergadering als bedoeld in artikel 17, tweede lid, voor zover het onderwerpen betreft die in de daaraan voorafgaande ongeopende vergadering aan de orde zouden zijn gesteld.
§7 Stemming over personen
Artikel 35 Stemmingen over Personen
1Wanneer een stemming over personen voor het doen van een benoeming, voordracht, aanbeveling of ontslag moet plaatsvinden, formeert de voorzitter een stembureau van vier leden.
2Nadat de voorzitter het ter vergadering aanwezige aantal leden heeft vastgesteld en het aantal van de in de bus gevonden stembriefjes aan de vergadering heeft medegedeeld, wordt bij monde van een door het stembureau uit hun midden aangewezen lid de uitslag van de stemming bekend gemaakt.
3Bij twijfel over het al dan niet behoorlijk ingevuld zijn van een stembriefje beslist de voorzitter, gehoord de vergadering.
4De stemming is nietig indien het aantal ingeleverde stembriefjes groter is dan het door de voorzitter vastgestelde aantal leden dat ter vergadering aanwezig is.
Artikel 36 Aantal stemmingen
1Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen zijn.
2Indien een aantal personen tegelijk moet worden benoemd, voorgedragen of aanbevolen, kan dit geschieden met één stembriefje, waarop deze personen allen vermeld staan.
Artikel 37 Herstemmingen en tussenstemmingen
1Indien niemand bij een eerste stemming de volstrekte meerderheid van hen die een stem hebben uitgebracht, heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.
2Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid van hen die een stem hebben uitgebracht is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen de twee personen op wie bij de tweede stemming de meeste stemmen zijn uitgebracht. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij één of meer tussenstemmingen uitgemaakt, over welke personen de derde stemming zal lopen.
3Indien bij de tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot.
Artikel 38 Loting
1Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatsvinden door de statengriffier afzonderlijk op geheel gelijke briefjes geschreven.
2De in het eerste lid bedoelde briefjes worden door de statengriffier op gelijke wijze naar binnen gevouwen, in een bus gedaan en omgeschud.
3Nadat de handelingen als bedoeld in het tweede lid hebben plaatsgevonden neemt de voorzitter één briefje uit de bus en leest de daarop voorkomende naam op. Door het lot is aangewezen de persoon, waarvan het naambriefje aldus door de voorzitter is getrokken.
§8 Stemming, anders dan over personen
Artikel 39 Stemmingen over zaken
1Wanneer de beraadslagingen zijn gesloten, gaat de vergadering over tot het nemen van een besluit door stemming.
2Wanneer een voorstel uit onderdelen of artikelen is opgebouwd, wordt indien de voorzitter dit wenst of één lid dit verzoekt, eerst gestemd over de onderdelen of de artikelen en vervolgens over het voorstel in zijn geheel, zoals het alsdan luidt.
3Indien geen stemming wordt gevraagd, stelt de voorzitter dat het voorstel is aangenomen.
4Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staken van de stemmen het nemen van een beslissing uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend.
5Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen.
6In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, kan de vergadering -al dan niet op voorstel van de voorzitter- besluiten de stemming op een later tijdstip te laten plaatsvinden. Indien hiertoe wordt besloten, wordt tevens besloten op welk moment de stemming zal plaatsvinden.
Artikel 40 Stemming bij handopsteken en Hoofdelijke stemming
1Stemmen geschiedt bij handopsteken.
2In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, vindt hoofdelijke stemming plaats wanneer:
a.één van de leden dat verlangt;
b.de uitslag van een stemming bij hand opsteken naar het oordeel van de voorzitter of van één van de leden niet duidelijk is en de uitslag van die stemming nog niet is vastgesteld. Voor iedere hoofdelijke stemming bepaalt de voorzitter door trekking van een nummer bij welke naam van de presentielijst de stemming zal beginnen. De stemming geschiedt vervolgens overeenkomstig de volgorde van de op de presentielijst vermelde namen van de leden, ongeacht of deze de presentielijst hebben getekend.
3Bij hoofdelijke stemming brengt ieder lid zijn stem uit met het woord "voor" of het woord "tegen" zonder enige bijvoeging.
Artikel 41 Vergissing bij het uitbrengen van de stem
1Indien een lid zich tijdens een stemming met handopsteken bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing herstellen totdat de voorzitter de uitslag heeft medegedeeld.
2Indien een lid zich tijdens een hoofdelijke stemming bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing herstellen voordat het volgende lid heeft gestemd, dan wel indien hij als laatste stemt, voordat de voorzitter de uitslag heeft medegedeeld.
3Bemerkt een lid diens vergissing eerst later, dan kan hij na afloop van de stemming aantekening vragen, dat hij zich heeft vergist. In de uitslag van de stemming brengt dit echter geen wijziging.
Artikel 42 Volgorde van stemming
1Indien een amendement op een aan de orde zijnde voorstel is ingediend, wordt eerst over dat amendement en vervolgens over het voorstel gestemd.
2Indien op een amendement een sub-amendement is ingediend, vindt de stemming daarover plaats vóór de stemming over dat amendement.
3Indien twee of meer amendementen op hetzelfde tekstgedeelte van een voorstel of twee of meer sub-amendementen op hetzelfde tekstgedeelte van een amendement zijn ingediend, dan heeft het (sub-) amendement met de meest vergaande strekking voorrang. Bij geschil hierover beslist de vergadering op voorstel van de voorzitter.
4In het geval dat bij meerdere amendementen op hetzelfde tekstgedeelte van een voorstel een amendement wordt aangenomen, vervallen de overige amendementen met uitzondering van de amendementen die inhoudelijk en tekstueel samen met het aangenomen amendement aangenomen zouden kunnen worden.
5Op voorstel van de voorzitter of op verzoek van een lid kan de vergadering besluiten dat over onderdelen van een amendement afzonderlijk wordt gestemd. Omtrent een dergelijk voorstel of verzoek wordt niet beraadslaagd en beslist de vergadering terstond nadat het is gedaan.
6Nadat de amendementen zijn behandeld, vindt stemming plaats over het dan voorliggende voorstel. In verband met de verwerking van de aangebrachte wijzigingen in het oorspronkelijke voorstel kan de vergadering op voorstel van de voorzitter of een in de vergadering aanwezig lid de eindstemming uitstellen tot een later tijdstip in dezelfde vergadering.
7Indien moties zijn ingediend wordt eerst over het voorstel gestemd en daarna over de moties.
8Onverminderd het bepaalde in het derde en vierde lid, kan de vergadering op voorstel van de voorzitter of op verzoek van een lid besluiten de volgorde te wijzigen waarin de amendementen of de moties in stemming worden gebracht. Omtrent een dergelijk voorstel of verzoek wordt niet beraadslaagd en beslist de vergadering terstond nadat het is gedaan.
§9 Stemming in het kader van de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer
Artikel 43 Stemmingen voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer
1In het kader van een stemming voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, welke plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk T van de Kieswet, wordt door de leden gebruik gemaakt van één of meer daarvoor in de vergaderzaal ingerichte stemhokjes.
2Na het uitbrengen van hun stem overeenkomstig het bepaalde in artikel T4 van de Kieswet, deponeren de leden ter voldoening aan het bepaalde in artikel T5 van de Kieswet hun stembiljet in een stembus, welke door de voorzitter wordt beheerd.
§10 Notulen & Besluitenlijst
Artikel 44 Inhoud notulen
De notulen vermelden:
A. De namen van de voorzitter, de statengriffier, de blijkens de presentielijst ter vergadering aanwezige Statenleden alsmede de namen van de met of zonder kennisgeving afwezige leden en de ter vergadering aanwezige gedeputeerden;
B. De ingekomen stukken en de aan de vergadering gedane mededelingen;
C. De volledige teksten van de amendementen en moties;
D. De door de vergadering genomen besluiten;
E. De uitslag van de stemmingen, onder vermelding van:
–de namen van de leden die zich van stemming hebben onthouden, met vermelding van de daarvoor gegeven redenen;
–de namen van de fracties, groepen en/of leden die aantekening hebben verzocht dat zij geacht wensen te worden tegen het voorstel te hebben gestemd;
–de door de fracties, groepen en/of leden uitgesproken stemverklaringen;
–de namen van de leden die bij hoofdelijke stemming voor, dan wel tegen hebben gestemd;
–de namen van fracties, groepen en/of leden die bij stemming met handopsteking de minderheid van de stemmen vormden;
F. Een woordelijke weergave van al hetgeen tijdens de vergadering is uitgesproken.
Artikel 45 Weglating van woorden in notulen
De voorzitter is bevoegd te gelasten dat in de notulen niet worden opgenomen de woorden, die tot het nemen van één of meer van de in de artikelen 28 en 29 genoemde maatregelen hebben geleid.
Artikel 46 Vaststelling notulen
De notulen worden door de zorg van de statengriffier opgemaakt en aan de leden van Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten gezonden. Provinciale Staten stellen in een volgende vergadering de notulen vast.
Artikel 47 Notulen van besloten vergaderingen
Van een besloten vergadering worden afzonderlijke notulen opgemaakt, die niet openbaar worden gemaakt tenzij provinciale staten besluiten de daarop rustende wettelijke geheimhoudingsverplichting op te heffen. Zij worden in een volgende vergadering vastgesteld. Tijdens deze vergadering nemen provinciale staten een besluit over het al dan niet opheffen van de geheimhouding op de vastgestelde notulen. De notulen worden door de statengriffier bewaard en niet verspreid, tenzij Provinciale Staten anders besluiten.
Artikel 48 Besluitenlijst
1De statengriffier draagt er zorg voor dat na afloop van de vergadering de besluitenlijst wordt opgesteld.
2De besluitenlijst vermeldt een overzicht van de beslissingen die Provinciale Staten op grond van de vastgestelde agenda van de Statenvergadering hebben genomen, tenzij het informatie betreft waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
3De besluitenlijsten worden op de daarvoor gebruikelijke wijze via het Stateninformatiesysteem op de website van Provinciale Staten van Zuid-Holland bekend gemaakt. Provinciale staten laten de openbaarmaking achterwege in de gevallen waarin een verplichting tot geheimhouding geldt of wanneer openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
4Aan de besluitenlijst van Provinciale Staten kunnen geen rechten worden ontleend.
Artikel 48B Opheffen geheimhouding en het delen van geheime informatie met derden
1Als Provinciale Staten op grond van artikel 86, vierde lid, van de Provinciewet voornemens is de geheimhouding van aan Provinciale Staten verstrekte informatie op te heffen, wordt, als het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een Statenvergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.
2Als Provinciale Staten op grond van artikel 85, zesde lid van de Provinciewet voornemens is geheime informatie te verstrekken aan anderen, wordt, als het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een Statenvergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.
3Als Gedeputeerde Staten voornemens zijn Provinciale Staten voor te stellen de geheimhouding van aan Provinciale Staten verstrekte informatie op grond van artikel 86, vierde lid Provinciewet op te heffen, kunnen Gedeputeerde Staten die geheime informatie delen met belanghebbenden met het oog op de zienswijzeprocedure actieve openbaarmaking.
4Fractiemedewerkers hebben toegang tot geheime informatie van Provinciale Staten of Statencommissies en aan Provinciale Staten verstrekte geheime stukken indien zij beëdigd zijn. Zij kunnen kennisnemen van geheime informatie, indien dit het aandachtsgebied/beleidsveld betreft van de commissie of commissies die zij ondersteunen.
HOOFDSTUK V - POLITIEKE INSTRUMENTEN
§1 Vragen van inlichtingen
Artikel 49 Schriftelijke vragen
1Ieder lid kan aan Gedeputeerde Staten of aan de commissaris van de Koning schriftelijk vragen stellen.
2De vragen dienen kort en duidelijk te worden geformuleerd en worden, voorzien van de originele eigenhandige handtekening van de indiener en alle medeondertekenaars, door tussenkomst van de statengriffier bij de voorzitter ingediend.
3Tenzij de voorzitter in verband met het openbaar belang bezwaar heeft tegen de vorm of inhoud van de vragen, brengt hij deze zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden.
4Gedeputeerde Staten, dan wel de commissaris van de Koning, beantwoorden de vragen binnen zes weken nadat de vragen de voorzitter hebben bereikt. De antwoorden worden door de voorzitter zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de leden mede gedeeld. Bij de antwoorden worden de vragen opnieuw vermeld.
5Indien de beantwoording van de vragen niet binnen zes weken kan plaatsvinden, wordt dit aan de vragensteller(s) medegedeeld met opgaaf van redenen en onder vermelding van een termijn van maximaal vier weken waarbinnen de beantwoording zal geschieden.
6Indien na het verstrijken van de termijn uit het vierde lid geen antwoord of mededeling van Gedeputeerde Staten is ontvangen of na het verstrijken van de termijn uit het vijfde lid geen antwoord van Gedeputeerde Staten is ontvangen, kan de vragensteller de schriftelijke vraag als mondelinge vraag aan de orde stellen in de eerstvolgende vergadering van de betreffende statencommissie.
Artikel 50 Mondelinge vraag
1Het lid dat tijdens de vergadering van Provinciale Staten een mondelinge vraag wil stellen, meldt dit bij voorkeur uiterlijk achtenveertig uur voorafgaand aan de vergadering door tussenkomst van de statengriffier, bij de voorzitter. Het lid geeft daarbij een aanduiding van het onderwerp en de te stellen vragen. Vragen die uiterlijk achtenveertig uur voorafgaand aan de vergadering worden gesteld, worden in de vergadering beantwoord. Bij vragen die bij aanvang van de vergadering worden gesteld hebben Gedeputeerde Staten de mogelijkheid die later, na de vergadering, te beantwoorden.
2Het onderwerp van de vraag dient van een zodanige urgente, actuele en politieke aard te zijn dat de vraag niet in de eerstvolgende commissievergadering aan de orde kan komen.
3De voorzitter kan weigeren een mondelinge vraag toe te staan, indien hij het onderwerp en de urgente, actuele en politieke aard hiervan niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven. De voorzitter doet bij de vaststelling van de Regeling van werkzaamheden mededeling van de vragen welke hij om deze reden niet in behandeling neemt.
4De mondelinge vragen worden gesteld op een door voorzitter in overleg met de vergadering te bepalen tijdstip tijdens de vergadering.
5De voorzitter bepaalt de volgorde waarin de mondelinge vragen worden gesteld.
6De vragensteller wordt het woord verleend om één of meer vragen aan Gedeputeerde Staten of de commissaris van de Koning te stellen en een toelichting te geven.
7Na de beantwoording door Gedeputeerde Staten dan wel de commissaris van de Koning wordt de vragensteller het woord verleend om aan Gedeputeerde Staten dan wel de commissaris van de Koning aanvullende vragen te stellen.
8Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden het woord verlenen om vragen te stellen over hetzelfde onderwerp, hetzij aan Gedeputeerde Staten dan wel de commissaris van de Koning, hetzij aan de vragensteller.
9De voorzitter kan per onderwerp de spreektijd bepalen voor de vragensteller, voor Gedeputeerde Staten dan wel de commissaris van de Koning en voor de overige leden.
Artikel 50a Actualiteit
1Ieder Statenlid kan een actualiteit indienen als een onderwerp een zodanig spoedeisend karakter heeft dat beraadslaging of besluitvorming in een volgende commissie- of Statenvergadering overbodig of niet meer aan de orde zou zijn.
2Een actualiteit wordt alleen in behandeling genomen als deze bij voorkeur uiterlijk op de tweede werkdag voorafgaand aan de eerstvolgende vergadering om 12.00 uur door tussenkomst van de statengriffier, schriftelijk bij de voorzitter is ingediend, een omschrijving bevat van het onderwerp waar de actualiteit op ziet en de reden van spoed is vermeld. Daarbij wordt aangegeven waarom beraadslaging geen uitstel kan dulden.
3Een actualiteit wordt op de conceptagenda geplaatst en zo spoedig mogelijk, met een omschrijving van het onderwerp en de reden van spoedeisendheid, schriftelijk aan de Statenleden , de commissaris van de Koning of Gedeputeerde Staten gezonden en in het Stateninformatiesysteem geplaatst.
4Provinciale Staten bepalen bij de vaststelling van de regeling van werkzaamheden of het verzoek wordt toegestaan. Een actualiteit komt niet aan de orde als:
a.het betrekking heeft op voordrachten of aanbevelingen van personen;
b.het onderwerp niet onder de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten of de commissaris van de Koning valt, of
c.dat beraadslaging of besluitvorming in een volgende commissie- of Statenvergadering kan plaatsvinden.
5De behandeling van een actualiteit vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende onderwerpen zijn behandeld. De voorzitter bepaalt de volgorde waarin de actualiteiten aan de orde worden gesteld.
6In afwijking van artikel 23 voert ieder lid slechts eenmaal het woord. De commissaris van de Koning of een lid van Gedeputeerde Staten beantwoordt in één termijn.
7In afwijking van artikel 20 bedraagt de maximumspreektijd per fractie twee minuten en per groep één minuut. De maximum spreektijd van commissaris van de Koning of van Gedeputeerde Staten bedraagt maximaal twee minuten.
8De gebruikte spreektijd van fracties, groepen, commissaris van de Koning en Gedeputeerde Staten wordt in mindering gebracht op toegekende spreektijd conform artikel 20 van dit reglement.
Artikel 50b Beraadslaging naar aanleiding van commissiedebat (tweeminutendebat)
1Een Statenlid kan naar aanleiding van de beraadslagingen in een commissie over een onderwerp, verzoeken dat onderwerp op de agenda te plaatsen voor het indienen van één of meer moties of amendementen.
2Een verzoek tot het houden van een tweeminutendebat wordt uiterlijk de tweede werkdag voorafgaand aan de eerstvolgende vergadering om 12.00 uur door tussenkomst van de statengriffier, schriftelijk en voorzien van een motivering ingediend bij de voorzitter.
3Provinciale Staten bepalen bij de vaststelling van de regeling van werkzaamheden of het verzoek wordt toegestaan.
4De behandeling van een onderwerp vindt plaats nadat de op de agenda voorkomende bespreekpunten zijn behandeld. De voorzitter bepaalt de volgorde waarin deze aan de orde worden gesteld.
5Er kan slechts aan de beraadslaging worden deelgenomen door leden van de fracties of groepen die aan het commissiedebat hebben deelgenomen, tenzij Provinciale Staten anders besluiten.
6Artikel 54, lid 1 is van overeenkomstige toepassing.
7In afwijking van artikel 23 voert ieder lid slechts eenmaal het woord. De commissaris van de Koning of een lid van Gedeputeerde Staten beantwoordt in één termijn.
8In afwijking van artikel 20 bedraagt de maximumspreektijd per fractie twee minuten en per groep één minuut. De maximum spreektijd van commissaris van de Koning of van Gedeputeerde Staten bedraagt maximaal twee minuten.
9De gebruikte spreektijd van fracties, groepen, commissaris van de Koning en Gedeputeerde Staten wordt in mindering gebracht op toegekende spreektijd conform artikel 20 van dit reglement.
Artikel 51 Statenbrief
1Ieder lid kan een verzoek tot de voorzitter richten om namens de Provinciale Staten een brief te sturen aan Gedeputeerde Staten of aan de commissaris van de Koning met de vraag binnen een week inlichtingen te verstrekken over een actuele maatschappelijke of politieke aangelegenheid in de provincie.
2Het verzoek dient een duidelijke omschrijving te bevatten van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd en tevens een toelichting op het spoedeisend belang.
3Het verzoek dient door tussenkomst van de statengriffier te worden ingediend bij de voorzitter. Tenzij de voorzitter in verband met het openbaar belang bezwaar heeft tegen de strekking van het verzoek, legt hij dit verzoek zo spoedig mogelijk voor aan het Fractievoorzittersoverleg.
4Indien het Fractievoorzittersoverleg met het verzoek instemt, zendt de voorzitter de statenbrief aan Gedeputeerde Staten, dan wel aan de commissaris van de Koning.
5Indien het Fractievoorzittersoverleg niet instemt met het verzoek, stelt de voorzitter het verzoek in de eerstvolgende vergadering van Provinciale Staten bij de regeling van werkzaamheden aan de orde en verzoekt hij de Provinciale Staten zich ten aanzien van het verzoek uit te spreken. Indien tenminste één vijfde van het aantal zitting hebbende leden in dat verband te kennen geeft met het verzoek te kunnen instemmen, zendt de voorzitter de statenbrief alsnog aan Gedeputeerde Staten, dan wel aan de commissaris van de Koning.
6Gedeputeerde Staten, dan wel de commissaris van de Koning, beantwoorden de statenbrief binnen een week nadat de in het vierde of vijfde lid bedoelde toestemming is verleend. Het antwoord wordt door de voorzitter zo spoedig mogelijk aan de leden medegedeeld.
7Indien de beantwoording van de brief niet binnen een week kan plaatsvinden, wordt dit aan de voorzitter medegedeeld met opgaaf van redenen en onder vermelding van de termijn waarbinnen de beantwoording zal geschieden.
Artikel 52 Interpellatie
1Een lid van Provinciale Staten kan de Provinciale Staten verlof vragen om Gedeputeerde Staten of de commissaris van de Koning inlichtingen te vragen over een onderwerp dat niet op de agenda vermeld staat.
2De commissaris van de Koning is niet verplicht te antwoorden op de vragen welke tijdens de interpellatie worden gesteld, indien deze betrekking hebben op de uitoefening van bevoegdheden welke hem als Rijksorgaan zijn gegeven.
3Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel van Provinciale Staten spoedeisende gevallen, ten minste achtenveertig uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk en door tussenkomst van de statengriffier bij de voorzitter ingediend. Het verzoek dient een duidelijke omschrijving te bevatten van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd en tevens de te stellen vragen in te houden.
4De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden en Gedeputeerde Staten.
5Indien de Provinciale Staten het gevraagde verlof verlenen, vindt de interpellatie in dezelfde vergadering plaats, tenzij Provinciale Staten anders beslissen.
6De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige leden niet meer dan eenmaal, tenzij de vergadering anders beslist. Gedeputeerde Staten, dan wel de commissaris van de Koning, kunnen in elk geval in twee instanties het woord voeren.
Artikel 53 Vragen van inlichtingen aan college-onderhandelaren, (in)formateurs
Provinciale Staten kunnen besluiten om een formateur of informateur dan wel de betrokken college-onderhandelaren uit te nodigen om tijdens en/of na afronding van de college(in)formatie over het verloop van de onderhandelingen inlichtingen te verschaffen.
§2 Moties
Artikel 54 Moties
1Een lid dat het woord voert, kan daarbij een motie over het in behandeling zijnde onderwerp indienen.
2Een motie wordt in de regel in de tweede termijn van de beraadslagingen als bedoeld in artikel 23 van dit reglement, ingediend.
3Elke motie wordt schriftelijk bij de voorzitter ingediend en is ondertekend door de indiener en de leden die de motie ondersteunen. Als indiener wordt aangemerkt, het lid dat de motie als eerste heeft ondertekend.
4De beraadslaging over moties heeft gelijktijdig plaats met die over het voorstel waarop zij betrekking hebben.
5Een ingediende motie wordt zo spoedig mogelijk vermenigvuldigd en aan de leden rondgedeeld, tenzij de vergadering besluit dat met voorlezing kan worden volstaan.
6De indiener van een motie kan daarin wijzigingen aanbrengen.
7De indiener van een motie kan zijn motie intrekken.
8Wordt bij de behandeling van een onderwerp meer dan één motie ingediend en wordt tot stemming overgegaan, dan bepaalt de vergadering op voorstel van de voorzitter de volgorde van de stemming over de moties.
9De indiener kan voor de stemming over zijn motie verzoeken de stemming aan te houden tot een volgende vergadering. Dit verzoek behoeft de instemming van de vergadering.
10Indien een motie niet binnen een jaar na een besluit tot aanhouding als bedoeld in het negende lid in stemming is gebracht, wordt zij geacht te zijn ingetrokken.
11Het besluit dat een aangenomen motie is afgedaan wordt genomen door Provinciale Staten op advies van de Statencommissie. De indiener, of zijn fractie of groep, krijgt in de commissie hierover als eerste het woord. Het advies wordt vervolgens geformuleerd op basis van een meerderheid van de commissie.
Artikel 54a Motie vreemd aan de orde van de dag
[vervallen]
§3 Amendementen
Artikel 55 Amendementen
1Ieder lid is bevoegd om amendementen in een aan de orde zijnde voorstel voor te stellen. Een amendement kan worden ingediend vanaf het moment dat een voorstel aan de leden kenbaar is gemaakt.
2Elk amendement wordt schriftelijk bij de voorzitter ingediend, is van een beknopte toelichting voorzien en is ondertekend door de indiener en de leden die het amendement ondersteunen. Als indiener wordt aangemerkt, het lid dat het amendement als eerste heeft ondertekend.
3De beraadslaging over amendementen heeft gelijktijdig plaats met die over het voorstel waarop zij betrekking hebben.
4Een ingediend amendement wordt zo spoedig mogelijk vermenigvuldigd en ter vergadering rondgedeeld. Ten aanzien van een tijdens de beraadslagingen ingediend amendement kan de vergadering besluiten dat met voorlezing wordt volstaan.
5De indiener van een amendement kan daarin wijzigingen aanbrengen.
6De indiener kan zijn amendement intrekken, doch indien de beraadslaging gesloten is alleen met toestemming van de Provinciale Staten.
Artikel 56 Toelaatbaarheid van een amendement
1De vergadering kan op voorstel van de voorzitter of op verzoek van een in de vergadering aanwezig lid een amendement ontoelaatbaar verklaren, indien het een strekking heeft, tegengesteld aan die van het in behandeling zijnde voorstel, of indien er tussen de inhoud van het amendement en die van het voorstel geen rechtstreeks verband bestaat.
2Een amendement is toelaatbaar zolang de vergadering het niet ontoelaatbaar heeft verklaard.
Artikel 57 Sub-amendementen
De artikelen 55 en 56 zijn van overeenkomstige toepassing op voorstellen tot wijziging van reeds ingediende amendementen door andere leden dan de indiener (sub-amendementen).
Artikel 58 Overnemen amendementen
1De voorzitter deelt tijdens de beraadslaging over een aan de orde zijnd voorstel mede dat een amendement is overgenomen indien:
a.Gedeputeerde Staten te kennen geven zich met de inhoud van een ingediend amendement te kunnen verenigen en
b.de voorzitter zich ervan heeft overtuigd dat géén van de in de vergaderzaal aanwezige leden zich tegen het overnemen van het amendement verzet.
2Een overgenomen amendement is vanaf het tijdstip van de in het eerste lid bedoelde mededeling onderdeel van het aan de orde zijnde voorstel. Het maakt geen afzonderlijk onderwerp van de beraadslaging meer uit.
Artikel 59 Veranderingen in volgnummers en aanhalingen
Veranderingen in nummering van besluiten en artikelen en in de aanhaling ervan nodig geworden door amendementen, worden door de Statengriffie aangebracht. De Statengriffie kan daarbij de hulp inroepen van Gedeputeerde Staten, welke door het college terstond wordt verleend.
§4 Initiatiefvoorstellen
Artikel 60 Initiatiefvoorstellen
1Eén of meerdere leden kunnen te allen tijde schriftelijk bij de voorzitter een voorstel voor een verordening of een ander voorstel ter behandeling in Provinciale Staten indienen.
2Het voorstel wordt door de indiener(s) ondertekend.
3Door leden ingediende voorstellen worden op dezelfde wijze behandeld als soortgelijke door gedeputeerde Staten ingediende voorstellen. De initiatiefnemers nemen daarbij de plaats in van de gedeputeerde.
4De initiatiefnemers kunnen zich in de commissievergadering en in de plenaire vergadering laten bijstaan door hen aangewezen personen.
5Als gedeputeerden bij de behandeling van het initiatiefvoorstel het woord verlangen, krijgen zij dit ná de initiatiefnemers.
Artikel 61 Burgerinitiatiefvoorstellen
1Met inachtneming van de Participatieverordening Zuid-Holland kunnen burgerinitiatieven ter besluitvorming aan Provinciale Staten worden voorgelegd.
2De indiener van een dergelijk initiatief krijgt hierover spreekrecht bij aanvang van de behandeling van het initiatief en vijf minuten spreektijd na het sluiten van de beraadslagingen.
Artikel 62 Consultatie Gedeputeerde Staten
Van de initiatiefvoorstellen als bedoeld in de artikelen 60 en 61 worden Gedeputeerde Staten op de hoogte gesteld. Daarbij wordt het college de gelegenheid geboden dienaangaande van hun wensen en bedenkingen te doen blijken, een en ander overeenkomstig het bepaalde in de Provinciewet.
TITEL III - COMMISSIES UIT PROVINCIALE STATEN
HOOFDSTUK I - STATENCOMMISSIES
§1 Instelling, samenstelling en taken
Artikel 63 Instelling Statencommissies
1Bij aanvang van elke nieuwe statenperiode, beslissen Provinciale Staten over de instelling en de vakgebieden van de Statencommissies.
2Bij aanvang van elke nieuwe Statenperiode stellen Provinciale Staten een Commissie voor Onderzoek van de Rekening in.
3De Statencommissies evalueren periodiek het eigen functioneren.
Artikel 64 Samenstelling Statencommissies
1De leden van Provinciale Staten zijn uit hoofde van hun statenlidmaatschap lid van alle door Provinciale Staten ingestelde Statencommissies.
2Het aantal in een vergadering van een Statencommissie af te vaardigen commissieleden bedraagt:
–voor fracties en groepen waarin drie of meer Statenleden verenigd zijn: maximaal drie statenleden en/of fractievertegenwoordigers.
–voor fracties en groepen waarin minder dan drie Statenleden verenigd zijn: maximaal het aantal van de Statenleden en/of fractievertegenwoordigers dat in die fractie of groep verenigd is.
3De voorzitter is geen lid van de commissie. Hij maakt geen onderdeel uit van het aantal af te vaardigen leden per fractie of groep per Statencommissie.
4Bij aanvang van iedere nieuwe Statenperiode geven de fractievoorzitters de woordvoerderschappen door aan de griffie ten behoeve van de website. Wijzigingen in woordvoerderschappen geven zij ook door.
5Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op groepsvoorzitters.
Artikel 65 Fractievertegenwoordigers
1Behoudens het bepaalde in het tweede lid, kan elke fractie voordrachten indienen tot benoeming van maximaal twee niet-Statenleden tot lid van de Statencommissies (fractievertegenwoordiger).
2Om voor benoeming als fractievertegenwoordiger in aanmerking te komen, dient betrokkene voor te komen op de kandidatenlijst voor de laatst gehouden provinciale verkiezingen, van de politieke partij of politieke partijen waarvan de gekozen Statenleden zich verenigd hebben in de fractie ten behoeve waarvan de fractievertegenwoordiger zal optreden. De eisen gesteld in de artikelen 10 en 13 van de Provinciewet zijn op de fractievertegenwoordiger van overeenkomstige toepassing. Het onderzoek naar de bescheiden waaruit moet blijken of een kandidaat-fractievertegenwoordiger aan de benoemingseisen voldoet, geschiedt overeenkomstig het onderzoek bij benoeming van een lid van Provinciale Staten. Ten behoeve van dit onderzoek legt de kandidaat de benodigde bescheiden over aan Provinciale Staten. Alvorens zijn/haar functie te kunnen uitoefenen legt de fractievertegenwoordiger in een vergadering van Provinciale Staten een eed dan wel een verklaring en belofte af, overeenkomstig de teksten welke daartoe in artikel 14 van de Provinciewet zijn gesteld.
3Op tijdig ingediend schriftelijk verzoek van de voorzitter van de betreffende fractie en met inachtneming van het in het eerste lid genoemde maximaal aantal fractievertegenwoordigers, herleeft het lidmaatschap van een fractievertegenwoordiger die de vacature vervult van het Statenlid aan wie tijdelijk ontslag als bedoeld in het eerste lid of tweede lid van artikel X 10 Kieswet is verleend, van rechtswege met ingang van de dag waarop dat Statenlid weer in Provinciale Staten terugkeert. Een onderzoek naar de geloofsbrieven en het afleggen van eed of belofte is in dat geval niet vereist.
Artikel 66 Aanwezigheid leden Gedeputeerde Staten
1De leden van Gedeputeerde Staten kunnen een vergadering van een commissie bijwonen en kunnen desgevraagd daarin het woord voeren.
2Indien een gedeputeerde blijkens een vermelding op de agenda voor een vergadering van een Statencommissie is uitgenodigd, wordt deze geacht ter vergadering te verschijnen. Indien de gedeputeerde verhinderd is om ter vergadering van de desbetreffende commissie te verschijnen, draagt deze zorg voor inhoudelijke vervanging door een andere gedeputeerde.
3Gedeputeerden kunnen tijdens de commissievergadering toezeggingen doen. Gedane toezeggingen worden voorzien van een vorm (schriftelijk, mondeling) waarop en een termijn waarbinnen de toezegging wordt voldaan.
Artikel 67 Taken en werkwijze Statencommissies
1Een Statencommissie heeft de volgende taken:
a.het uitbrengen van advies aan Provinciale Staten ten aanzien van voorstellen die door Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten worden gedaan en in alle overige gevallen waarin daarom wordt verzocht.
b.Het uit eigen beweging uitbrengen van advies aan Provinciale Staten over aangelegenheden, die tot het werkterrein van de onderscheidenlijke Statencommissies behoren.
c.Het voeren van overleg met het college van Gedeputeerde Staten of met de commissaris van de Koning over het door hen gevoerde bestuur of de door hen verstrekte of te verstrekken informatie.
2Het voorbereiden van statenbesluiten door onderling overleg en/of informatie uitwisseling bijvoorbeeld in een ‘verbijzonderde’ commissievergadering is van overeenkomstige toepassing op een Statencommissievergadering in overeenstemming met artikel 80 provinciewet.
3Het uitwisselen van feitelijke en technische informatie vindt plaats in technische sessies. Een technische sessie is niet van overeenkomstige toepassing op een Statencommissievergadering in overeenstemming met artikel 80 provinciewet.
4Een Statencommissie kan in voorkomende gevallen vanuit hun midden een of meer rapporteurs aanwijzen, welke de commissiebehandeling van een bepaald onderwerp voorbereiden.
[Artikel 68 is vervallen]
§2 De Commissievoorzitter
Artikel 69 Benoeming, zittingsduur, defungeren en vervanging van de commissievoorzitter
1Provinciale Staten stellen een profiel vast voor de voorzitters van de Statencommissies. Voorafgaand aan de benoeming door Provinciale Staten voert een onafhankelijke sollicitatiecommissie een sollicitatiegesprek met de kandidaat (plaatsvervangend) voorzitter. De sollicitatiecommissie kan desgewenst een terugkoppeling geven aan de betrokken fractievoorzitter of groepsvoorzitter als het gesprek daartoe aanleiding geeft.
2Provinciale Staten benoemen de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de Statencommissies uit hun midden op voordracht van de Statenfracties. Daarbij wordt het profiel in acht genomen, zoals dat door Provinciale Staten voor de voorzitters van de Statencommissies is vastgesteld. Bij ontstentenis van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter wijst de commissie uit haar midden een waarnemend voorzitter aan.
3De voorzitters en de plaatsvervangend voorzitters worden voor de duur van een zittingsperiode van Provinciale Staten benoemd. In geval van een benoeming als zodanig tijdens een al lopende zittingsperiode van Provinciale Staten, strekt die benoeming voor het restant van die zittingsperiode.
4Het voorzitterschap en plaatsvervangend voorzitterschap van een commissie eindigt:
a.op het moment waarop een zittingsperiode van Provinciale Staten is verstreken;
b.op het moment waarop deze persoon anderszins het lidmaatschap van Provinciale Staten verliest;
c.wanneer deze persoon als zodanig door Provinciale Staten wordt ontslagen;
d.op eigen verzoek.
5In het geval als bedoeld in het vierde lid, sub d, treedt de desbetreffende voorzitter of plaatsvervangend voorzitter af op het moment waarop door benoeming in diens opvolging is voorzien.
§3 Voorbereiding van commissievergaderingen
Artikel 70 Vergadertijdstippen
1Een Statencommissie vergadert:
a.volgens het door de Agendacommissie krachtens artikel 104 vastgestelde conceptschema;
b.in gevallen waarin de Agendacommissie of een commissievoorzitter het nodig oordelen;
c.indien het verlangen daartoe namens ten minste 1/5 van het in Provinciale Staten vertegenwoordigde aantal stemmen, onder opgaaf van redenen, schriftelijk aan de commissievoorzitter kenbaar wordt gemaakt.
2In de in het eerste lid onder b. en c. genoemde gevallen stelt de commissievoorzitter dag en uur van de vergadering vast, met dien verstande, dat in de onder c. bedoelde gevallen de vergadering zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen drie weken plaatsvindt nadat het verzoek daartoe de commissievoorzitter heeft bereikt.
Artikel 71 Agenda
1De commissievoorzitter stelt in overleg met de commissiegriffier de conceptagenda voor een commissievergadering op.
2, De fracties en groepen kunnen onder opgaaf van redenen bij de commissievoorzitter agendapunten voorstellen. Een dergelijk voorstel gaat vergezeld van een toelichting op het onderwerp van het betreffende agendapunt en het doel van de behandeling ervan door de commissie.
3De conceptagenda voor een commissievergadering bevat in ieder geval de volgende onderdelen:
a.procedurevergadering:
-opening en mededelingen
-besluitenlijst vorige vergadering
-ingekomen stukken
-planning
-sluiting
b.overlegvergadering:
-mededelingen
-vaststellen van de agenda
-spreekrecht
-mondelinge vraag
-verslag vorige vergadering
-bespreekstukken
-sluiting
4De agenda voor een commissievergadering wordt vastgesteld in het kader van de procedurevergadering als bedoeld in het derde lid. Deze procedurevergadering wordt door de commissie schriftelijk voorbereid. Tijdens deze procedurevergadering worden geen technische vragen gesteld.
5De conceptagenda vermeldt, indien van toepassing, bij elk agendapunt de voor het betreffende onderwerp verantwoordelijke portefeuillehouder.
6Indien een te behandelen stuk of onderwerp op het werkterreinen van meerdere commissies is gelegen, wordt door de voorzitters van de betrokken commissies in onderling overleg besloten op welke commissieagenda het stuk of onderwerp wordt geplaatst. De overige betrokken commissies worden in die gevallen uitgenodigd om aan de beraadslaging van die commissie deel te nemen. In gevallen waarin de betrokken commissievoorzitters niet tot overeenstemming kunnen komen, beslist de Agendacommissie.
7In afwijking van het bepaalde in het zesde lid, wordt de programmabegroting, de voorjaarsnota, de najaarsnota en de jaarstukken op de agenda van alle Statencommissies geplaatst, elk voor zoveel dit het werkterreinen van die commissies betreft.
8De conceptagenda voor een commissievergadering alsmede alle daarop vermelde stukken worden ten minste tien dagen voorafgaand aan de vergadering bekend gemaakt door plaatsing in het Stateninformatiesysteem op de website van de provincie. Van deze plaatsing wordt terstond per email mededeling gedaan aan Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten. Van deze bekendmakingstermijn kan worden afgeweken bij een spoedvergadering als bedoeld in artikel 70, tweede lid. In dat geval dienen conceptagenda en bespreekstukken uiterlijk drie dagen voor aanvang van die vergadering bekend te worden gemaakt via plaatsing op het Stateninformatiesysteem.
9Stukken welke verband houden met reeds op een agenda geplaatste bespreekonderwerpen en welke door de Statengriffie worden ontvangen na de in het achtste lid bedoelde plaatsing op het Stateninformatiesysteem, worden zo spoedig mogelijk maar uiterlijk de donderdag voorafgaand aan de vergadering toegevoegd aan de op het Stateninformatiesysteem geplaatste conceptagenda en bijbehorende stukken voor de betreffende vergadering. Van de toevoeging van stukken wordt terstond per email mededeling gedaan aan Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten.
10De commissievoorzitter kan overleg voeren met de gedeputeerde als de stukken niet tijdig conform de in lid 9 bedoelde termijn aan Provinciale Staten worden aangeboden.
Artikel 71a Schriftelijke voorbereiding
1Voorafgaand aan de beraadslaging over een voorstel in Provinciale Staten kan een Statencommissie op verzoek van een of meer leden besluiten tot een schriftelijke voorbereiding waarbij binnen een aangegeven termijn schriftelijk vragen aan Gedeputeerde Staten worden voorgelegd. Onder verantwoordelijkheid van de griffier van de commissie worden de schriftelijke vragen samengebracht tot één stuk en aan Gedeputeerde Staten verzonden ter beantwoording.
2Na de beantwoording van de vragen door Gedeputeerde Staten wordt in de procedurevergadering van de Statencommissie besloten over de verdere behandeling van het voorstel.
Artikel 72 Mondelinge vraag
1De conceptagenda voor een overlegvergadering biedt de fracties en groepen in de betreffende commissie de gelegenheid tot het stellen van mondelinge vragen.
2Vragen als bedoeld in het eerste lid dienen actueel, urgent en politiek van aard te zijn. De commissievoorzitter beoordeelt de vraag en mag weigeren deze toe te laten.
3Een fractie of groep die tijdens de vergadering ten aanzien van een mondelinge vraag een inhoudelijk antwoord van de verantwoordelijke portefeuillehouder beoogt te verkrijgen, dient deze vraag uiterlijk achtenveertig uur voorafgaand aan de vergadering bij de commissiegriffier in te dienen. De commissiegriffier stelt de portefeuillehouder zo spoedig mogelijk van de door hem ontvangen mondelinge vragen op de hoogte. Van de portefeuillehouder wordt een adequaat inhoudelijk antwoord verwacht tijdens de vergadering ten behoeve waarvan de vragen zijn gesteld. Bij mondelinge vragen die later dan 48 uur voorafgaand aan de vergadering bij de commissiegriffier worden ingediend, heeft de verantwoordelijk portefeuillehouder de mogelijkheid die later, na de vergadering te beantwoorden.
4De vragensteller stelt de mondelinge vraag kort en bondig. De portefeuillehouder geeft kort en bondig een adequaat inhoudelijk antwoord op de gestelde vragen. Indien gewenst kan de vragensteller een verduidelijkende vraag stellen. Door fracties kunnen geen aanvullende vragen gesteld worden. Over een mondelinge vraag vindt geen (inhoudelijk) debat plaats.
Artikel 72a Technische vraag
1Een commissielid dat over een op de vergadering geagendeerd onderwerp over een technische vraag een antwoord van de verantwoordelijke portefeuillehouder beoogt te verkrijgen, dient deze technische vraag uiterlijk achtenveertig uur voorafgaand aan de vergadering in bij de commissiegriffier. De commissiegriffier stelt de portefeuillehouder zo spoedig mogelijk van de door hem ontvangen technische vragen op de hoogte. Van de portefeuillehouder wordt een adequaat antwoord verwacht voor aanvang van de vergadering ten behoeve waarvan de vragen zijn gesteld.
2Technische vragen die later dan achtenveertig uur voorafgaand aan de vergadering bij de commissiegriffier worden ingediend, worden na de commissievergadering maar voor de eerstvolgende Statenvergadering door de portefeuillehouder beantwoord. Technische vragen over een niet op een vergadering geagendeerd onderwerp worden binnen vier weken door de portefeuillehouder beantwoord.
3De antwoorden op de technische vragen worden gedeeld met de overige leden door in beginsel openbare publicatie op het Stateninformatiesysteem.
§4 Verloop van Commissievergaderingen
Artikel 73 Quorum
1Een Statencommissie kan slechts vergaderen indien de ter vergadering verschenen commissieleden ten minste achtentwintig zetels in Provinciale Staten vertegenwoordigen.
2Indien 15 minuten na het vastgestelde aanvangstijdstip het in het eerste lid vereiste aantal in Provinciale Staten vertegenwoordigde zetels blijkens de presentielijst niet vertegenwoordigd is stelt de commissievoorzitter de vergadering tot een later tijdstip uit.
Artikel 74 Vergadering met gesloten deuren
1Tot een vergadering van een Statencommissie waarvan de deuren overeenkomstig het bepaalde in artikel 80, Jº artikel 23 van de Provinciewet zijn gesloten, worden naast de commissievoorzitter en de leden van die Statencommissie slechts de personen toegelaten, die daartoe door de desbetreffende Statencommissie in het kader van de behandeling van het in die vergadering aan de orde zijnde onderwerp worden uitgenodigd, of daartoe van de desbetreffende Statencommissie toestemming hebben verkregen.
2Het maken van beeld- of geluidopnamen van vergaderingen welke met gesloten deuren worden gehouden, anders dan ten behoeve van de verslaglegging, is niet toegestaan.
[artikel 75 is vervallen]
Artikel 76 Voorstellen van orde
1De commissievoorzitter en ieder commissielid kan tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen.
2Over een voorstel van orde beslist de Statencommissie terstond bij meerderheid van stemmen van het aantal aanwezige commissieleden.
§5 Spreekrecht & -regels
Artikel 77 Spreekregels
1De commissieleden, de commissaris van de Koning, de portefeuillehouders en derden die door de commissievoorzitter het woord zijn verleend, spreken vanaf de voor hen bestemde zit-, of spreekplaatsen en richten zich tot de commissievoorzitter.
2Bij bijzondere gelegenheden kan de commissievoorzitter bepalen dat de in het eerste lid genoemde personen vanaf een andere dan de voor hen bestemde zit- of spreekplaats spreken.
3De commissieleden, de commissaris van de Koning, de portefeuillehouders en derden welke op grond van artikel 79 in de gelegenheid zijn gesteld om in te spreken, voeren het woord na het aan de commissievoorzitter gevraagd en het woord verkregen te hebben.
Artikel 78 Spreektermijnen
1De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in twee termijnen, tenzij de Statencommissie op voorstel van de commissievoorzitter anders beslist.
2De totale spreektijd per fractie en groep per vergadering bestaat indicatief uit het aantal bespreekpunten maal drie minuten. De spreektijd voor Gedeputeerde Staten is een derde deel van het totaal van Provinciale Staten. De spreektijden zijn inclusief interrupties. Voor de reactie op een interruptie worden dertig seconden extra spreektijd toegekend. Voor grote onderwerpen kunnen zowel de voorzitter, als de leden van de commissievergadering een voorstel doen voor extra spreektijd e.e.a. te bepalen door de meerderheid van de vergadering bij het vaststellen van de planning. Indien een bespreekpunt ad hoc aan de agenda wordt toegevoegd, kan staande de vergadering besloten worden tot meer spreektijd.
3Elke spreektermijn wordt door de commissievoorzitter afgesloten.
4Een fractie of groep mag in een termijn niet meer dan éénmaal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel, behoudens de door de fractie of groep te plaatsen interrupties.
5Bij de bepaling van het aantal malen dat een fractie of groep over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt het spreken over een voorstel van orde buiten beschouwing gelaten.
Artikel 79 Spreekrecht voor derden
1De commissievoorzitter stelt toehoorders bij een vergadering van een Statencommissie op hun verzoek in de gelegenheid tijdens de vergadering het woord te voeren over een onderwerp dat op de agenda staat.
2Spreekrecht als bedoeld in het eerste lid wordt niet verleend ten behoeve van:
a.een besluit van het Provinciebestuur waartegen bezwaar en beroep openstaat of heeft opengestaan;
b.benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen;
c.een gedraging waarover een klacht als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden ingediend.
d.de volgende (eventueel) op de agenda geplaatste agendapunten:
–de vaststelling van besluitenlijsten en verslagen en dergelijke, voor zover niet betrekking hebbend op een weergave van wat door of namens de inspreker zelf is gezegd.
e.onderwerpen die door de commissie achter gesloten deuren worden behandeld.
3Toehoorders die tijdens een commissievergadering het woord willen voeren, dienen daartoe uiterlijk een dag voor de vergadering om 12 uur per mail of telefonisch een verzoek in te dienen bij de commissiegriffier van de Statencommissie, zulks onder vermelding van het agendapunt waarover de toehoorder het woord wenst te voeren.
4Indien een toehoorder het woord wenst te voeren over een onderwerp dat minder dan een dag voor aanvang van een vergadering op de agenda van die vergadering is geplaatst, dient het in het derde lid bedoelde verzoek te worden gedaan terstond nadat men van de agendering van het betreffende agendapunt kennis heeft gekregen, doch uiterlijk op het moment waarop de vergadering wordt geopend.
5Degene die het woord wenst te voeren krijgt daartoe de gelegenheid in de vergadering op voorstel van de voorzitter:
a.tijdens de procedurevergadering;
b.bij aanvang van alle bespreekpunten; of
c.bij aanvang van het bespreekpunt waarover de toehoorder het woord wil voeren.
6Voor elk van de toehoorders die in de gelegenheid worden gesteld het woord te voeren, geldt een spreektijd van ten hoogste drie minuten per agendapunt, met dien verstande dat de totale spreektijd voor toehoorders per vergadering niet meer dan dertig minuten bedraagt. Indien er meer toehoorders het woord wensen te voeren dan de maximale spreektijden toestaan, wordt de maximale spreektijd evenredig over de sprekers verdeeld.
7De commissievoorzitter kan in bijzondere gevallen afwijking van het bepaalde in dit artikel toestaan.
Artikel 79a Aanbieden petities
1Het aanbieden van een petitie aan Provinciale Staten en/of een Statencommissie moet schriftelijk worden aangevraagd. Dit kan ook per e-mail.
2De petitie dient een onderwerp te bevatten, wat er wordt gevraagd van de provincie en wie de organisator is.
3Het verzoek om een petitie aan te bieden aan Provinciale Staten wordt op de Lijst Ingekomen Stukken (LIS) gepubliceerd en geagendeerd in de eerstvolgende vergadering van de Agendacommissie. De Agendacommissie besluit wanneer de petitie kan worden aangeboden. De brief met uitleg dient te worden gericht aan de voorzitter van Provinciale Staten ter attentie van de statengriffier.
4Het verzoek om een petitie aan te bieden aan een Statencommissie wordt op de LIS gepubliceerd en geagendeerd in de eerstvolgende procedurevergadering van de betrokken Statencommissie. De Statencommissie besluit wanneer de petitie kan worden aangeboden. De brief met uitleg dient te worden gericht aan de voorzitter van de Statencommissie ter attentie van de commissiegriffier.
5Het aanbieden van de petitie aan de (plaatsvervangend) voorzitter van Provinciale Staten respectievelijk de Statencommissie vindt plaats voorafgaand een Statenvergadering respectievelijk een commissievergadering. Petities worden niet in de vergadering aangeboden.
6Een ontvangen petitie wordt op de LIS gepubliceerd. De Statencommissie die het meest betrokken is bij het onderwerp besluit in een volgende vergadering over de wijze van behandeling.
7Een ontvangen petitie wordt niet in behandeling genomen indien:
a.de petitie gaat over zaken waar de Provincie niet bevoegd is;
b.deze van een commerciële of politieke organisatie is en/of deze een commercieel of partijpolitiek doel dient;
c.een onderwerp verwikkeld is in een gerechtelijke procedure;
d.een onderwerp een klacht of bezwaarprocedure inhoudt.
§6 Ordemaatregelen
Artikel 80a Handhaving van de orde
De commissievoorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering.
Artikel 80b Ordeverstoring
1Ieder lid kan het woord vragen over een persoonlijk feit, onjuiste aantijging of over de orde.
2Indien een spreker beledigende uitdrukkingen gebruikt, zijn plicht tot geheimhouding schendt of instemming betuigt met, dan wel aanspoort tot onwettige handelingen, of anderszins de orde verstoord, wordt hij door de commissievoorzitter gewaarschuwd en -indien van toepassing- in de gelegenheid gesteld de woorden die tot de waarschuwing aanleiding hebben gegeven, terug te nemen. Maakt hij van die gelegenheid gebruik, dan worden die woorden niet in het verslag opgenomen.
3Wanneer een spreker van de gelegenheid zoals bedoeld in het tweede lid geen gebruik maakt, dan wel deze hetgeen tot de waarschuwing heeft geleid voortzet, kan de commissievoorzitter hem het woord ontnemen. In de vergadering waarin dit plaatsvindt, mag de spreker aan wie het woord is ontnomen niet langer het woord voeren.
4Wanneer de orde van de vergadering op enigerlei wijze door een commissielid wordt verstoord, kan de commissievoorzitter de Statencommissie voorstellen om aan het desbetreffende commissielid de verdere aanwezigheid bij die vergadering te ontzeggen.
5Wanneer een commissielid de orde van vergaderingen bij herhaling verstoort en het desbetreffende commissielid om die reden al eerder overeenkomstig het vierde lid de verdere aanwezigheid bij een vergadering is ontzegd, kan de commissievoorzitter de Statencommissie voorstellen het commissielid voor een bepaalde tijd, doch niet voor meer dan drie vergaderingen de toegang tot de vergaderingen van de Statencommissie te ontzeggen, de vergadering waarin dit besluit wordt genomen daaronder begrepen. De commissievoorzitter brengt een besluit als bedoeld in dit lid onverwijld ter kennis van het Fractievoorzittersoverleg.
6Over voorstellen als bedoeld in het vierde en vijfde lid wordt niet beraadslaagd.
7De personen aan wie als gevolg van het bepaalde in het derde, vierde, of vijfde lid de toegang tot de vergadering is ontzegd, dienen de vergaderruimte onmiddellijk te verlaten. Bij weigerachtigheid doet de commissievoorzitter hen verwijderen, hiervoor kan desgewenst beveiligingspersoneel worden ingezet. De commissievoorzitter kan de vergadering in dergelijke gevallen schorsen tot het moment waarop de desbetreffende personen de vergadering daadwerkelijk hebben verlaten.
Artikel 80c Toehoorders en ordeverstoring
1Toehoorders kunnen uitsluitend op door de commissievoorzitter aangewezen plaatsen de openbare vergaderingen bijwonen.
2Wanneer de orde van de vergadering op enigerlei wijze door toehoorders, niet zijnde de Statenleden, wordt verstoord, is de commissievoorzitter bevoegd dezen de verdere aanwezigheid bij de vergadering te ontzeggen. De desbetreffende personen dienen de vergadering onmiddellijk te verlaten. De commissievoorzitter kan de vergadering in dergelijke gevallen schorsen tot het moment waarop de desbetreffende personen de vergadering daadwerkelijk hebben verlaten.
Artikel 80d Gebruik elektronische communicatiemiddelen
Het gebruik van mobiele telefoons en andere elektronische apparatuur in de vergaderzaal en op de publieke tribune is toegestaan, voor zover dit naar het inzicht van de commissievoorzitter geen inbreuk maakt op de orde van de vergadering.
Artikel 80e Beeldregistratie
Degenen die in de vergaderzaal tijdens een vergadering geluid- of beeldregistraties wensen te maken, dan wel deze wensen te vertonen, dan wel ten gehore wensen te brengen, doen daarvan voorafgaand aan de vergadering mededeling aan de commissievoorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen.
§7 Commissieadviezen en besluitvorming
Artikel 81 Commissieadviezen aan Provinciale Staten
1Adviezen aan Provinciale Staten als bedoeld in artikel 67, eerste lid 1, sub a en b worden uitgebracht overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de commissie.
2Bij de bepaling van het gevoelen van de commissie als bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de omvang van de fracties in Provinciale Staten die door de commissieleden worden vertegenwoordigd middels een gewogen peiling.
3Indien bij de bepaling van het gevoelen van de commissie geen eenstemmigheid bestaat, worden de in de commissie bestaande minderheidsstandpunten in het advies aan Provinciale Staten tot uitdrukking gebracht.
Artikel 82 Besluitvorming in een Statencommissie
1Statencommissies stemmen met overeenkomstige toepassing van de artikelen 27 tot en met 32 van de Provinciewet.
2Een stemming is alleen geldig als meer dan de helft van het aantal fracties en groepen dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, met minimaal één lid daaraan heeft deelgenomen.
3Statencommissies stemmen over besluiten volgens het principe “één man, één stem.”
4[vervallen]
§8 Verslaglegging, Besluitenlijst & Lange Termijnagenda
Artikel 83 Verslag
1Van het verhandelde in een openbare overlegvergadering van een Statencommissie wordt een beknopt verslag opgemaakt. Van het verhandelde in een besloten overlegvergadering wordt een afzonderlijk en uitgebreid verslag opgemaakt.
2De in het eerste lid bedoelde verslaglegging vindt schriftelijk en/of op audiovisuele wijze plaats.
3De verslagen van openbare commissievergaderingen worden op de internetsite van de provincie bekend gemaakt. De verslagen van besloten commissievergaderingen worden niet openbaar gemaakt tenzij de Statencommissie besluit de daarop rustende wettelijke geheimhoudingsverplichting op te heffen.
4De verslagen van besloten commissievergaderingen worden zo spoedig mogelijk in een commissievergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de statencommissie een besluit over het al dan niet opheffen van de geheimhouding op het verslag.
5Zowel de vastgestelde schriftelijke als de audiovisuele verslaglegging wordt gearchiveerd.
Artikel 84 Besluitenlijst
1Van hetgeen tijdens een vergadering van een Statencommissie is besloten of toegezegd, worden voor het onderdeel procedurevergadering en het onderdeel overlegvergadering afzonderlijke besluitenlijsten opgemaakt.
2De besluitenlijst wordt zo mogelijk twee werkdagen na de vergadering per e-mail aan de commissie gezonden en wordt zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering vastgesteld. Tijdens deze vergadering neemt de Statencommissie een besluit over het al dan niet opheffen van de geheimhouding van de besluitenlijst waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt.
3De besluitenlijsten van openbare vergaderingen van de Statencommissies worden op de internetsite van de provincie bekend gemaakt.
4De Statencommissie laat de openbaarmaking van de besluitenlijst achterwege in de gevallen waarin een verplichting tot geheimhouding geldt of wanneer openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
Artikel 85 Lange termijnplanning Statencommissies
1Naast de onderwerpen die door Gedeputeerde Staten of door derden onder de aandacht van de Statencommissies worden gebracht, bepalen de Statencommissies welke onderwerpen zij op middellange en lange termijn uit eigen beweging wensen te agenderen. De Statencommissies voeren hierover periodiek overleg met Gedeputeerde Staten.
2Eén keer per kalenderjaar, bijvoorbeeld in de laatste commissievergadering voorafgaand aan het zomerreces, worden de op de commissie betrekking hebbende openstaande moties beoordeeld of zij kunnen worden afgevoerd.
§9 Hoorzittingen van Statencommissies
Artikel 86 Hoorzitting
1Een Statencommissie kan in bijzondere gevallen besluiten over een tot haar werkterrein behorend onderwerp en/of statenvoorstel een afzonderlijke hoorzitting te houden. Indien een dergelijke hoorzitting is gehouden, wordt in de vergadering waarin dat onderwerp inhoudelijk door de Statencommissie wordt behandeld geen spreekrecht verleend als bedoeld in artikel 79.
2Tijdens een hoorzitting worden diegenen die zich daarvoor hebben aangemeld of die door de commissie worden uitgenodigd in de gelegenheid gesteld hun standpunt toe te lichten en vragen van de kant van de commissie te beantwoorden. In dat kader wordt niet in debat getreden.
3Het bepaalde in artikel 79, derde lid, is op de hoorzitting van overeenkomstige toepassing.
4Een hoorzitting wordt in het openbaar gehouden, tenzij de Statencommissie anders besluit.
5Op voorstel van de commissievoorzitter bepaalt de Statencommissie de duur van de hoorzitting en de spreektijd per natuurlijke en/of rechtspersoon die het woord zal voeren.
6De commissievoorzitter kan sprekers, die de hun toegemeten spreektijd overschrijden het woord ontnemen.
7Op voorstel van de commissievoorzitter kan de Statencommissie in bijzondere gevallen van het bepaalde in dit artikel afwijken.
§10 Bewaring van geheime stukken
Artikel 87 Bewaring van geheime stukken
1De informatie waar door een Statencommissie overeenkomstig het bepaalde in artikel 23 en Hoofdstuk Va van de Provinciewet geheimhouding is opgelegd, worden op de Statengriffie op een door de statengriffier te bepalen wijze bewaard.
2De leden van Provinciale Staten worden de in het eerste lid bedoelde stukken op daartoe strekkend verzoek aan de statengriffier verstrekt, hetzij in een gesloten enveloppe dan wel worden zij via een beveiligde digitale verbinding beschikbaar gesteld, tenzij de commissie die de geheimhouding heeft opgelegd dit uitdrukkelijk heeft verboden wegens strijd met het openbaar belang.
3De Statencommissies bezien jaarlijks of de door hen in de onderscheidenlijke gevallen opgelegde geheimhouding gehandhaafd dient te blijven, dan wel opgeheven kan worden.
HOOFDSTUK II - DE COMMISSIE VOOR ONDERZOEK VAN DE REKENING
Artikel 88 Taken Commissie voor Onderzoek van de Rekening
1De Commissie voor Onderzoek van de Rekening heeft in aanvulling op de in artikel 67 genoemde taken, de volgende taken:
a.Het uitvoeren dan wel doen uitvoeren van (nader) onderzoek naar de provinciale rekeningen.
b.Het uitvoeren dan wel doen uitvoeren van (nadere) onderzoeken naar de doeltreffendheid, doelmatigheid en rechtmatigheid van beleid, beheer en organisatie.
c.Provinciale Staten te adviseren inzake de opdrachtverlening aan een externe accountant, als bedoeld in artikel 217 van de Provinciewet.
2De Commissie voor Onderzoek van de Rekening heeft de volgende bevoegdheden:
a.De Commissie voor Onderzoek van de Rekening kan alle, voor de uitoefening van haar taken benodigde, informatie inwinnen bij Gedeputeerde Staten, alle provinciale ambtenaren en bij de externe accountant, bedoeld in artikel 217 van de Provinciewet.
b.Gedeputeerde Staten stellen de Commissie voor Onderzoek van de Rekening tijdig op de hoogte van rapportages en informatie over het beheer, die voor de uitoefening van de taken van de commissie relevant zijn.
3De externe accountant als bedoeld in artikel 217 van de Provinciewet is uit hoofde van zijn functie adviseur van de commissie.
4De Commissie voor Onderzoek van de Rekening beschikt over een budget voor de uitvoering van (nader) onderzoek. Het budget maakt deel uit van het budget van de Statengriffie. De statengriffier is budgetbeheerder.
5Vaststelling van de omvang en verantwoording over de besteding vindt plaats in het kader van de Begroting- en Verantwoordingscyclus van de provincie.
6De rapporten, zoals bedoeld in de leden 9, 10 en 11, kunnen slechts worden vastgesteld, indien de meerderheid van het in Provinciale Staten vertegenwoordigde aantal stemmen ter vergadering aanwezig is.
7Indien bij het vaststellen van het rapport geen eenstemmigheid bestaat, worden de verschillende meningen onder opgaaf van de uitslag der stemming schriftelijk aan Provinciale Staten medegedeeld.
8Alle stukken, welke van de Commissie voor Onderzoek van de Rekening uitgaan, worden getekend door de commissievoorzitter.
9De Commissie voor Onderzoek van de Rekening brengt rechtstreeks aan Provinciale Staten rapport uit, tevens inhoudende een advies over de bevindingen bij het onderzoek van een provinciale rekening. Het rapport wordt in afschrift aan Gedeputeerde Staten gezonden.
10Het rapport wordt uitgebracht binnen twee maanden na ontvangst van de provinciale rekening met de daarop betrekking hebbende voordracht van Gedeputeerde Staten en het verslag van de krachtens artikel 217 van de Provinciewet door Provinciale Staten aangewezen deskundige.
11De Commissie voor Onderzoek van de Rekening is bevoegd (nadere) onderzoeken uit te voeren. De Commissie voor Onderzoek van de Rekening bepaalt zelf de onderwerpen of aangelegenheden die zij aan een (nader) onderzoek wenst te onderwerpen. Zij houdt daarbij rekening met de onderzoeken die door Gedeputeerde Staten en de Randstedelijke Rekenkamer worden uitgevoerd.
12Bij het uitvoeren van (nadere) onderzoeken als bedoeld in het elfde lid worden de volgende procedurevoorschriften in acht genomen:
a.De onderzoeken worden voorbereid door een subcommissie als bedoeld in artikel 89 van dit reglement.
b.De subcommissie stelt de Commissie voor Onderzoek van de Rekening binnen twee maanden nadat het besluit over het uit te voeren onderzoek is genomen, in kennis van het onderzoeksontwerp en de samenstelling van het onderzoeksteam. Het doel van het (nader) onderzoek, de probleemstelling, de methode van onderzoek en de vorm waarin de onderzoeksresultaten gepresenteerd zullen worden, maken deel uit van het onderzoeksontwerp.
c.De subcommissie doet de Commissie voor Onderzoek van de Rekening een voorstel door wie het (nader) onderzoek wordt uitgevoerd.
d.Elk (nader) onderzoek mondt uit in een concept eindrapportage aan de Commissie voor Onderzoek van de Rekening. Deze concepteindrapportage wordt gelijktijdig in afschrift gezonden naar Gedeputeerde Staten en de secretaris. In deze concept eindrapportage worden de onderzoeksresultaten, conclusies en aanbevelingen gepresenteerd. Na vaststelling door de commissie wordt de rapportage, al dan niet vergezeld van een voorstel en/of commentaar van Gedeputeerde Staten, aangeboden aan Provinciale Staten. Provinciale Staten nemen vervolgens een besluit over de in de rapportage opgenomen aanbevelingen.
e.Om inzicht te krijgen in de mate waarin (nadere) onderzoeken en de hierop gebaseerde aanbevelingen leiden tot verbeteringen, wordt de Commissie voor Onderzoek van de Rekening door middel van voortgangsrapportages geïnformeerd. Deze voortgangsrapportages worden opgesteld door Gedeputeerde Staten en worden binnen een met Gedeputeerde Staten overeengekomen termijn, aangeboden aan de Commissie voor Onderzoek van de Rekening.
13De bepalingen van hoofdstuk I van deze titel zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de Commissie voor Onderzoek van de Rekening.
HOOFDSTUK III - SUBCOMMISSIES
Artikel 89 Subcommissies
1De Statencommissies zijn bevoegd uit hun midden subcommissies in het leven te roepen ter behartiging van aan de commissies opgedragen concrete taken of onderwerpen.
2In een subcommissie als bedoeld in het eerste lid kunnen alle fracties of groepen één commissielid afvaardigen.
3Als voorzitter van een subcommissie fungeert de voorzitter van de commissie uit wiens midden deze is gevormd, tenzij die commissie anders besluit.
4Bij de instelling van een subcommissie regelt de commissie uit wiens midden deze is gevormd de taken van de subcommissie, alsmede de wijze waarop de subcommissie aan de commissie, dan wel aan Provinciale Staten rapporteert.
5Wanneer een Statencommissie tot instelling van een subcommissie heeft besloten, doet de voorzitter van die Statencommissie daarvan zo spoedig mogelijk mededeling aan Provinciale Staten.
6Provinciale Staten kunnen een besluit tot instelling van een subcommissie uiterlijk in de tweede Statenvergadering na ontvangst van de in vijfde lid bedoelde mededeling vernietigen.
7De bepalingen van hoofdstuk I van deze titel zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de subcommissies.
8Een subcommissie als bedoeld in het eerste lid wordt opgeheven door de Statencommissie welke haar heeft ingesteld.
TITEL IV - FRACTIEVOORZITTERSOVERLEG EN DE AGENDACOMMISSIE
HOOFDSTUK I - HET FRACTIEVOORZITTERSOVERLEG
§1 Samenstelling en taken
Artikel 90 Samenstelling van het Fractievoorzittersoverleg
1Er is een Fractievoorzittersoverleg, waarin de fractievoorzitters, groepsvoorzitters of hun plaatsvervangers zitting hebben.
2De voorzitter van Provinciale Staten is voorzitter van het Fractievoorzittersoverleg. Bij zijn ontstentenis wordt de vergadering voorgezeten door een van de plaatsvervangend voorzitters van Provinciale Staten, zulks in de volgorde van vervanging zoals bedoeld in artikel 7 van dit reglement.
3De statengriffier woont de vergaderingen van het Fractievoorzittersoverleg bij en heeft daarin een adviserende stem.
Artikel 91 Taken van het Fractievoorzittersoverleg
1Het Fractievoorzittersoverleg heeft tot taak het bespreken van vertrouwelijke aangelegenheden, en voorts:
a) het doen van voorstellen of voordrachten aan Provinciale Staten omtrent noodzakelijke besluitvorming van personele, organieke en procedurele aard;
b) het adviseren over en bewaken van bestuurlijke procedures;
c) het doen van voorstellen of voordrachten aan Provinciale Staten met betrekking tot de begroting van de benodigde middelen voor Provinciale Staten, de Statencommissies en de Statengriffie, alsmede van de rekening;
d) het toezicht op het beheer van de geldelijke middelen van Provinciale Staten, de Statencommissies en de Statengriffie;
e) het toezicht op het beheer en de besteding van de fractiebudgetten;
f) het vaststellen van het griffieplan en rapportages in het kader van de planning- en control-cyclus;
g) de aansturing van de statengriffier;
h) het toezicht op de Statengriffie;
i) het fungeren als aanspreekpunt voor de statengriffier en de Statengriffie met betrekking tot de dagelijkse bedrijfsvoering van de Statengriffie, Provinciale Staten en de Statencommissies, een en ander voor zover niet behorend tot de taken van de Agendacommissie;
j) het vanuit zijn midden voeren van functioneringsgesprekken met de commissaris van de Koning;
k) het bespreken van onderwerpen betreffende de gedragscode integriteit van Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning.
2De taken genoemd in de leden 1g, 1h en 1i worden gedelegeerd aan de Werkgeverscommissie.
§2 De voorzitter van het Fractievoorzittersoverleg
Artikel 92 De voorzitter van het Fractievoorzittersoverleg
De voorzitter is belast met de leiding van, en handhaving van de orde in de vergaderingen van het Fractievoorzittersoverleg.
§3 Voorbereiding van vergaderingen van het Fractievoorzittersoverleg
Artikel 93 Vergaderfrequentie en -schema
Het Fractievoorzittersoverleg komt op basis van het vastgestelde vergaderschema en op voorstel van de voorzitter bijeen en voorts wanneer minimaal drie leden van het Fractievoorzittersoverleg daarom verzoeken, dan wel wanneer en zoveel de voorzitter het wenselijk acht.
Artikel 94 Oproeping tot vergaderen
De voorzitter zendt de leden van het Fractievoorzittersoverleg een schriftelijke oproep tot de vergadering.
Artikel 95 Agenda en stukken
De conceptagenda voor de vergaderingen van het Fractievoorzittersoverleg en de daarbij behorende stukken worden door de voorzitter in overleg met de statengriffier opgesteld en worden tenminste drie werkdagen voorafgaand aan de vergadering aan de leden gezonden. Het Fractievoorzittersoverleg stelt de agenda vast.
§4 Verloop van vergaderingen van het Fractievoorzittersoverleg
Artikel 96 Openbaarheid en sluiting der deuren
De vergaderingen van het Fractievoorzittersoverleg zijn openbaar, tenzij het Fractievoorzittersoverleg anders beslist.
§5 Spreekrecht & -regels
Artikel 97 Spreekrecht voor derden
In de vergaderingen van het Fractievoorzittersoverleg bestaat geen spreekrecht voor toehoorders, tenzij een toehoorder op uitnodiging van het Fractievoorzittersoverleg ter vergadering aanwezig is en deze door de voorzitter wordt verzocht het woord te voeren.
§6 Ordemaatregelen
Artikel 98 Handhaving van de orde ter vergadering
Het bepaalde in Titel III, Hoofdstuk 1, § 6 is van overeenkomstige toepassing op de vergaderingen van het Fractievoorzittersoverleg.
§7 Besluitvorming
Artikel 99 Besluitvorming
1Artikel 82 van dit reglement is van overeenkomstige toepassing op besluiten van het Fractievoorzittersoverleg. Bij het staken van de stemmen beslist de voorzitter. Op adviezen van het Fractievoorzittersoverleg aan Provinciale Staten is artikel 81 van dit reglement van overeenkomstige toepassing.
2In een vergadering van het Fractievoorzittersoverleg kan slechts worden besloten, indien de ter vergadering verschenen leden ten minste achtentwintig zetels in Provinciale Staten vertegenwoordigen.
3In gevallen waarin op grond van het bepaalde in tweede lid van dit artikel niet tot besluitvorming kan worden overgegaan, worden de voor de desbetreffende vergadering geagendeerde onderwerpen op de agenda geplaatst van de eerst daaropvolgende vergadering van het Fractievoorzittersoverleg.
4In afwijking van het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel, wordt niettemin tot besluitvorming overgegaan ten aanzien van onderwerpen, die gelet op hun aard of belang naar het oordeel van de voorzitter onmiddellijke besluitvorming vergen.
§8 Verslag
Artikel 100 Verslag
Van het verhandelde tijdens de vergaderingen van het Fractievoorzittersoverleg wordt een verslag gemaakt, dat zo spoedig mogelijk onder de voorzitter en de leden wordt verspreid en op de internetsite van de provincie bekend gemaakt wordt. De openbaarmaking van het verslag wordt achterwege gelaten in de gevallen waarin een verplichting tot geheimhouding geldt.
§9 Werkgeverscommissie voor de Statengriffie
Artikel 101 Samenstelling werkgeverscommissie
Er is een werkgeverscommissie voor de Statengriffie bestaande uit ten minste twee en maximaal vijf leden, welke door het Fractievoorzittersoverleg en de Agendacommissie door en uit haar midden wordt benoemd.
Artikel 102 Taken werkgeverscommissie
1De werkgeverscommissie voor de Statengriffie heeft de volgende taken:
a.Het voorbereiden van door het Fractievoorzittersoverleg aan Provinciale Staten voor te leggen voorstellen inzake aanstelling en ontslag van de statengriffier;
b.Het doen van voorstellen aan het Fractievoorzittersoverleg betreffende de rechtspositie van de statengriffier en de medewerkers van de Statengriffie;
c.Het voorbereiden van rechtspositionele besluiten ten aanzien van medewerkers van de Statengriffie, waarvan de bevoegdheid door Provinciale Staten aan het Fractievoorzittersoverleg is gemandateerd;
d.Het voeren van functioneringsgesprekken met de statengriffier;
e.Het voeren van overleg met de statengriffier over de bedrijfsvoering van de Statengriffie en de voortgang van de werkzaamheden.
f.Het uitvoeren van gedelegeerde taken van het Fractievoorzittersoverleg zoals opgenomen in artikel 91 de leden 1g, 1h en 1i.
2De werkgeverscommissie vergadert ten minste tweemaal per jaar en voorts wanneer een lid van de commissie of de statengriffier daarom verzoekt.
3Voor de vergaderingen van de werkgeverscommissie wordt door de statengriffier een agenda opgesteld.
4Van de vergaderingen van de werkgeverscommissie wordt door de statengriffier een besluitenlijst opgesteld, welke door de werkgeverscommissie in haar eerstvolgende vergadering wordt vastgesteld.
HOOFDSTUK II - DE AGENDACOMMISSIE
§1 Samenstelling en taken
Artikel 103 Samenstelling van de Agendacommissie
1Er is een Agendacommissie, die bestaat uit de voorzitter en de voorzitters van de Statencommissies als bedoeld in artikel 63 en de voorzitter van de Commissie voor Onderzoek van de Rekening als bedoeld in artikel 88. De voorzitters van de Statencommissies en van de Commissie voor Onderzoek van de Rekening kunnen zich door de plaatsvervangend voorzitters van de betreffende commissie doen vervangen.
2De voorzitter van Provinciale Staten is de voorzitter van de Agendacommissie. Bij zijn ontstentenis wordt de vergadering voorgezeten door een van de plaatsvervangend voorzitters van Provinciale Staten, zulks in de volgorde van vervanging zoals bedoeld in artikel 7.
3De statengriffier woont de vergaderingen van de Agendacommissie bij en heeft daarin een adviserende stem.
Artikel 104 Taken en bevoegdheden van de Agendacommissie.
1De Agendacommissie is belast met de gecoördineerde voorbereiding van de vergaderingen van Provinciale Staten en de Statencommissies en stelt de voorlopige agenda voor Provinciale Staten vast. Tevens draagt de Agendacommissie zorg voor de advisering over en de bewaking van de besluitvormingsprocedures.
2Tot de werkzaamheden ter uitvoering van de taken van de Agendacommissie behoren in ieder geval:
a.het jaarlijks opstellen van een conceptschema voor de vergaderingen van Provinciale Staten en van de Statencommissies. In het conceptvergaderschema wordt ook tijd gereserveerd voor beeldvormende activiteiten;
b.het inwinnen van gegevens van Gedeputeerde Staten en overige betrokkenen ten behoeve van het opstellen van de planning waarop kan worden aangegeven welke onderwerpen naar verwachting op welke momenten in de vergaderingen van Provinciale Staten of van de Statencommissies behandeld zullen kunnen worden. Daartoe worden de commissieplanningen geagendeerd;
c.het opstellen van de conceptagenda’s voor de vergaderingen van Provinciale Staten, alsmede het doen van voorstellen omtrent de wijze van behandeling van de daarop gestelde agendapunten;
d.het inwinnen van gegevens van Gedeputeerde Staten en overige betrokkenen ten behoeve van het opstellen van een lange termijnagenda, waarop kan worden aangegeven welke onderwerpen naar verwachting op welke momenten in de vergaderingen van Provinciale Staten of van de Statencommissies behandeld zullen kunnen worden;
e.het op basis van de stukkenstroom doen van voorstellen omtrent de wijze van afdoening van bij Provinciale Staten en de Statencommissies ingekomen stukken, alsmede over de termijnen waarop zulks zou dienen te geschieden;
f.Het evalueren van de vergaderingen van Provinciale Staten en van de Statencommissies in technische zin.
3Indien of voor zover de in het tweede lid, sub c, bedoelde voorstellen omtrent de wijze van behandeling technische richtlijnen inhouden, gericht op goed en ordelijk verloop van de vergadering, worden deze richtlijnen door Provinciale Staten bij de behandeling van het desbetreffende agendapunt in acht genomen, tenzij een Statenlid of –fractie of –groep voorafgaand aan de desbetreffende Statenvergadering aan de voorzitter van Provinciale Staten kenbaar gemaakt heeft deze richtlijnen in het kader van de regeling van werkzaamheden ter discussie te willen stellen.
§2 De voorzitter van het de Agendacommissie
Artikel 105 De voorzitter van de Agendacommissie
De voorzitter is belast met de leiding van en handhaving van de orde in de vergaderingen van de Agendacommissie.
§3 Voorbereiding van vergaderingen van de Agendacommissie
Artikel 106 Vergaderfrequentie en -schema
De Agendacommissie komt éénmaal per maand conform het vastgestelde vergaderschema bijeen en voorts wanneer minimaal drie leden van de Agendacommissie daarom verzoeken, dan wel wanneer en zoveel de voorzitter het wenselijk acht.
Artikel 107 Oproeping tot vergaderen
De voorzitter zendt de leden van de Agendacommissie een oproep tot de vergadering.
Artikel 108 Agenda en stukken
De agenda voor de vergaderingen van de Agendacommissie en de daarbij behorende stukken worden door de voorzitter in overleg met de statengriffier opgesteld en worden tenminste drie werkdagen voorafgaand aan de vergadering aan de leden gezonden. De Agendacommissie stelt de agenda vast.
§4 Verloop van vergaderingen van de Agendacommissie
Artikel 109 Openbaarheid
De vergaderingen van de Agendacommissie zijn openbaar, tenzij de Agendacommissie anders beslist.
§5 Spreekrecht & -regels
Artikel 110 Spreekrecht
In de vergaderingen van de Agendacommissie bestaat geen spreekrecht voor toehoorders, tenzij een toehoorder op uitnodiging van de Agendacommissie ter vergadering aanwezig is en deze door de voorzitter wordt verzocht het woord te voeren.
§6 Ordemaatregelen
Artikel 111 Handhaving van de orde ter vergadering
Het bepaalde in Titel III, Hoofdstuk 1, § 6 van dit reglement is van overeenkomstige toepassing op de vergaderingen van de Agendacommissie.
§7 Besluitvorming
Artikel 112 Besluitvorming
1De besluiten van de Agendacommissie worden genomen bij meerderheid van stemmen. Bij staken van stemmen beslist de voorzitter.
2In een vergadering van de Agendacommissie kan slechts worden besloten, indien tenminste de helft van het aantal leden tegenwoordig is.
3In gevallen waarin op grond van het bepaalde in tweede lid van dit artikel niet tot besluitvorming kan worden overgegaan, worden de voor de desbetreffende vergadering geagendeerde onderwerpen op de agenda geplaatst van de eerst daaropvolgende vergadering van de Agendacommissie.
4In afwijking van het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel, wordt niettemin tot besluitvorming overgegaan ten aanzien van die onderwerpen, welke gelet op hun aard of belang naar het oordeel van de voorzitter onmiddellijke besluitvorming vergen.
§8 Verslag
Artikel 113 Verslag
Van het verhandelde tijdens de vergaderingen van de Agendacommissie wordt een verslag gemaakt, dat zo spoedig mogelijk onder de voorzitter en de leden wordt verspreid en op de internetsite van de provincie bekend gemaakt wordt. De openbaarmaking van het verslag wordt achterwege gelaten in de gevallen waarin een verplichting tot geheimhouding geldt.
TITEL V - DE STATENGRIFFIE
Artikel 114 De Statengriffier
1De statengriffier is bij elke vergadering van Provinciale Staten aanwezig.
2Bij verhindering of ontstentenis wordt hij vervangen door een door Provinciale Staten daartoe aangewezen medewerker van de Statengriffie.
3De statengriffier zorgt voor voldoende ambtelijke bijstand ter vergadering en is daarnaast belast met hetgeen dit reglement bepaalt.
Artikel 115 Commissiegriffier
De statengriffier voegt aan elke Statencommissie of subcommissie één of meer medewerkers van de Statengriffie toe, welke ten dienste van die Statencommissies of subcommissie als commissiegriffier zullen fungeren.
TITEL VI - SLOTBEPALINGEN
Artikel 116 Uitleg reglement
In gevallen waarin de titels II, III en IV van dit reglement niet voorzien, alsmede bij twijfel omtrent de toepassing van genoemde titels, beslist de vergadering, gehoord het advies of voorstel van de voorzitter.
Artikel 117 Afwijking van het Reglement
Provinciale Staten kunnen te allen tijde besluiten van dit Reglement af te wijken, indien geen van de leden zich daartegen verzet en indien de afwijking niet in strijd is met de wet.
Artikel 117a Experimenten
Van dit reglement kan na goedkeuring door het Fractievoorzittersoverleg op verzoek van een fractie, groep of orgaan uit Provinciale Staten bij wijze van experiment tijdelijk worden afgeweken, met het oog op het onderzoeken van mogelijkheden om deze regeling doeltreffender uit te voeren.
Artikel 118 Citeertitel
Het onderhavige reglement kan aangehaald worden als “Reglement van Orde voor de vergaderingen van Provinciale Staten van Zuid-Holland, e.a”.