Provinciale wetgeving

Reglement van bestuur voor het waterschap Hollandse Delta

Provincie Zuid-Holland · geldt sinds 1 januari 2026

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen.

Artikel 1.

In dit reglement wordt verstaan onder:

a.waterkeringen: zeewering, dijken, kaden en andere kunstmatige of natuurlijke hoogten, onder welke benaming ook, die dienen tot kering van zee-, rivier-, boezem- of polderwater.

b.wateren: wateren die dienen voor de afvoer en/of aanvoer en/of berging van water, het bovenwaterprofiel, zoals dit is aangegeven in de legger bedoeld in artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet daaronder begrepen; deze worden naar functie onderscheiden in:

1primaire wateren: wateren en watergangen onder welke benaming ook, die als zodanig zijn aangegeven respectievelijk vastgelegd in de legger, bedoeld in artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet;

2secundaire wateren: overige wateren en watergangen onder welke benaming ook, die als zodanig zijn aangegeven respectievelijk vastgelegd in de legger, bedoeld in artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet;

c.kunstwerken: waterstaatkundige werken die van belang zijn voor de taakuitoefening van het waterschap;

d.watersysteem: samenhangend geheel van één of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken.

Hoofdstuk 2. Gebied, taken en onderhoudsverplichtingen.

Artikel 2.

1De begrenzing van de gebieden waarin de onderscheidene taken, bedoeld in artikel 3 worden uitgeoefend, is aangegeven op de bij dit reglement behorende kaart. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de begrenzing zonodig nader in detail te bepalen.

2Een gewaarmerkt exemplaar van de in het eerste lid bedoelde kaart berust bij de provincie Zuid-Holland en bij het waterschap.

3Gedeputeerde Staten bepalen de datum waarop het gebied of onderdelen van het gebied, aangegeven op de kaart opgenomen in bijlage 2, in beheer komt bij het waterschap.

Artikel 3.

1Het waterschap heeft tot taak de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet uitdrukkelijk aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen.

2Deze taak omvat het beheer van watersystemen en de zuivering van stedelijk afvalwater als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, sub a, onder 2°, van de Omgevingswet, hieronder mede begrepen het stedelijk afvalwater dat afkomstig is vanuit het beheersgebied van een aangrenzende waterbeheerder en dat om doelmatigheidsredenen wordt gezuiverd op een zuiveringstechnisch werk dat in beheer is bij het waterschap.

3De taak van het waterschap omvat mede de zorg voor de openbare wegen buiten de bebouwde kom in de zin van de Wegenwet, met uitzondering van rijks- en provinciale wegen, een en ander voor zover die zorg op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van dit reglement berustte bij een van de rechtsvoorgangers van het waterschap.

4De taak van het waterschap omvat mede de zorg voor de toepassing van de Scheepvaartverkeerswet, voor zover het primaire wateren betreft waarvoor het waterschap is aangewezen als bevoegd gezag.

Artikel 4.

1Het onderhoud van waterkeringen berust bij het waterschap, voor zover het betreft het instandhouden van stabiliteit en profiel, tenzij een derde daartoe verplicht is.

2Het onderhoud van primaire wateren berust bij het waterschap, tenzij een derde daartoe verplicht is.

3Het onderhoud van kunstwerken berust bij het waterschap, tenzij een derde daartoe verplicht is, of, indien zodanige verplichting ontbreekt of niet bekend is, bij de zakelijk gerechtigde tot het kunstwerk.

Artikel 5.

1De onderhoudsplichtigen en de onderhoudsverplichtingen betreffende waterkeringen en wateren worden aangegeven respectievelijk vastgelegd in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.

2In de legger wordt vermeld wat de functie is van het desbetreffende waterstaatswerk, wie met het onderhoud is belast en wat het onderhoud omvat.

3Ten aanzien van de vaststelling van de legger zijn de artikelen 2, achtste lid, 3, 6, 7, 8 en 10, tweede lid, van de Bekendmakingswet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.

vervallen

Hoofdstuk 3. Zetel en bestuur.

Artikel 7.

De zetel van vestiging van het waterschap wordt bepaald door Gedeputeerde Staten, gehoord de voorbereidingscommissie, bedoeld in artikel 13 van het Overgangsreglement voor het waterschap Hollandse Delta.

Artikel 8.

Het bestuur van het waterschap bestaat uit een algemeen bestuur, aangeduid onder de benaming verenigde vergadering, een dagelijks bestuur, aangeduid onder de benaming dijkgraaf en heemraden en een voorzitter, aangeduid onder de benaming dijkgraaf.

Artikel 9.

1Het algemeen bestuur bestaat uit 30 leden, aangeduid onder de benaming hoofdingelanden. Van deze leden vertegenwoordigen:

a.zesentwintig leden de categorie ingezetenen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, letter a van de Waterschapswet;

b.twee leden de categorie ongebouwd als bedoeld in artikel 12, tweede lid, letter b. van de Waterschapswet;

c.twee leden de categorie natuurterreinen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, letter c van de Waterschapswet.

a.De leden bedoeld in het eerste lid, onder b worden benoemd door de Land- en Tuinbouworganisatie Noord.

b.De leden bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden benoemd door de Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren.

Artikel 10.

vervallen

Artikel 11.

1Het dagelijks bestuur bestaat uit de dijkgraaf en ten hoogste vijf andere leden, aangeduid onder de benaming heemraden.

2Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 41, tweede lid, van de Waterschapswet.

Artikel 12.

vervallen

Artikel 13.

1Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Het doet daarvan schriftelijk bericht aan het algemeen bestuur.

2Schorsing van en tussentijds verlies van het lidmaatschap van het algemeen bestuur brengen terstond schorsing van, onderscheidenlijk verlies van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur mee.

Artikel 14.

vervallen

Hoofdstuk 4. Bevoegdheden en verplichtingen bestuur.

Artikel 15.

Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

Artikel 16.

Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast. Het zendt dit reglement aan het algemeen bestuur.

Artikel 17.

1Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen commissies instellen die hen van advies dienen over onderwerpen die het belang van het waterschap betreffen.

2Tot lid van een commissie kunnen mede worden benoemd niet tot het bestuur van het waterschap behorende personen.

3In het reglement van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur en voor de vergaderingen van het dagelijks bestuur worden, indien toepassing wordt gegeven aan het gestelde in het eerste lid, regels gesteld omtrent de benoeming, de zittingsduur, de adviestaken, de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de commissie.

4Indien adviescommissies worden ingesteld ten behoeve van het algemeen bestuur, is op die commissies artikel 35 van de Waterschapswet van toepassing.

5Het algemeen bestuur wijst een plaatsvervangend voorzitter aan die bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter het ambt van voorzitter waarneemt.

Artikel 18.

Artikel 86, vierde lid, van de Waterschapswet blijft ten aanzien van de daarin genoemde beslissingen van het dagelijks bestuur buiten toepassing.

Artikel 19.

vervallen

Artikel 20.

vervallen

Hoofdstuk 5. Kostentoedeling wegentaak.

Artikel 21.

1Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan het wegenbeheer wordt door het waterschap onder de naam wegenheffing een heffing geheven.

2Het algemeen bestuur kan in de verordening, bedoeld in artikel 122b, eerste lid, van de Waterschapswet, één of meer categorieën belanghebbenden, bedoeld in artikel 122a van de Waterschapswet, vrijstellen van de heffingsplicht.

3De toedeling van het kostendeel voor de categorie ingezetenen, bedoeld in artikel 122a, tweede lid, onderdeel a, van de Waterschapswet, wordt bepaald aan de hand van de gemiddelde inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het taakgebied van het wegenbeheer van het waterschap. Het door het waterschap bij verordening, als bedoeld in artikel 122b, eerste lid, van de Waterschapswet, te bepalen kostendeel bedraagt:

a.minimaal 20% en maximaal 30% wanneer het aantal inwoners per vierkante kilometer niet meer bedraagt dan 500;

b.minimaal 31% en maximaal 40% wanneer het aantal inwoners per vierkante kilometer meer bedraagt dan 500, maar niet meer dan 1000;

c.minimaal 41% en maximaal 50% wanneer het aantal inwoners per vierkante kilometer meer bedraagt dan 1000.

4Het kostendeel voor de categorie ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen, bedoeld in artikel 122a, tweede lid, onderdeel b, van de Waterschapswet, wordt vastgesteld in procenten volgens de formule:

0,000 002*(A2,12)

waarbij A staat voor het aantal hectaren ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen, per 1000 inwoners in het taakgebied van het wegenbeheer van het waterschap.

5Het kostendeel voor de categorie natuurterreinen, bedoeld in artikel 122a, tweede lid, onderdeel c, van de Waterschapswet, wordt vastgesteld in procenten volgens de formule:

0,000 006*(B1,91)

waarbij B staat voor het aantal hectaren natuurterrein per 1000 inwoners in het taakgebied van het wegenbeheer van het waterschap.

6Het kostendeel voor de categorie gebouwde onroerende zaken, bedoeld in artikel 122a, tweede lid, onderdeel d, van de Waterschapswet, is het kostendeel uitgedrukt in procenten dat resteert na bepaling van de kostendelen van de categorieën, bedoeld in de leden 3 tot en met 5.

7Het algemeen bestuur kan de in het vierde en vijfde lid bedoelde kostendelen aan de hand van de gebiedskenmerken verhogen of verlagen met maximaal 25%.

8De artikelen 118, 119, 120, eerste en achtste lid, en artikel 121, eerste, derde en vierde lid van de Waterschapswet zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 6. Toezicht

Artikel 22.

vervallen

Artikel 23.

Het dagelijks bestuur zendt onverwijld aan gedeputeerde staten:

a.ontwerpbesluiten tot vaststelling, wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning voor een permanente wateronttrekkingsactiviteit in een grondwaterbeschermingsgebied, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, als bedoeld in artikel 7.93 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening;

b.besluiten tot vaststelling van een calamiteitenplan, als bedoeld in artikel 19.14 van de Omgevingswet;

c.besluiten tot oprichting of deelneming in een rechtspersoon.

Artikel 24.

vervallen

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen.

Artikel 25.

vervallen

Artikel 26.

Nadere voorzieningen ter uitvoering van dit reglement vereist, doch waaromtrent een regeling ontbreekt, worden door Gedeputeerde Staten getroffen.

Bijlage 1

http://www.zuid-holland.nl/publish/pages/12567/bijlage1kaartalsbedoeldinart-2eerstelidvanhetregelementvanbestuurvoorhetwaterschaphollandsedelta.pdf

Bijlage 2

http://www.zuid-holland.nl/publish/pages/11742/bijlage2kaartalsbedoeldinart-3derdelidvanhetreglementvanbestuurvoorhetwaterschaphollandsedelta.pdf

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.