Provinciale wetgeving

Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2027

Provincie Zuid-Holland · geldt sinds 13 juni 2026

Aanhef

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben in overeenstemming met artikel 1.3 van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer Zuid-Holland 2016 op 26 mei 2026 het Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2027 vastgesteld. Ons kenmerk: besluitnummer PZH-2026-890765855, dossiernummer DOS-2025-0004849.

Natuurbeheerplan

In het Natuurbeheerplan begrenzen en beschrijven Gedeputeerde Staten de gebieden waar eventueel subsidiëring kan plaatsvinden. Het gaat daarbij om subsidie voor beheer, inrichting en kwaliteitsverbetering van natuur, agrarische natuur en landschapselementen vanuit de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer Zuid-Holland 2016 en de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap 2013. De begrenzing is aangegeven op de beheertypenkaart en de ambitiekaart.

Mogelijkheid voor raadplegen van stukken

Het Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2027 is bekend gemaakt op 12 juni 2026. Daarnaast kunnen de stukken vanaf 12 juni 2026 gedurende zes weken tijdens kantooruren worden ingezien, fysiek op het Provinciehuis, Zuid-Hollandplein 1 te Den Haag of digitaal via https://www.zuid-holland.nl/online-regelen/ter-inzage/ .

Beroep aantekenen

De totstandkoming van het Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2027 heeft plaatsgevonden met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat tegen het besluit tot vaststelling geen bezwaarschrift bij ons college kan worden ingediend, maar dat rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter dient te worden ingesteld.

Tegen dit besluit staat ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d en artikel 8:1 van de Awb binnen zes weken na de datum van deze bekendmaking beroep open bij de Rechtbank ’s-Gravenhage, sector Bestuursrecht, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag (bezoekadres: Prins Clauslaan 60 te Den Haag).

Krachtens artikel 6:16 van de Awb schorst het beroep de werking van dit besluit niet. Gelet hierop kan – als tegen dit besluit beroep wordt aangetekend – ingevolge artikel 8:81 van de Awb bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage, sector Bestuursrecht, een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden ingediend.

Wij verzoeken u een kopie van het beroep of het verzoek om een voorlopige voorziening te zenden aan:

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, Postbus 90602, 2509 LP Den Haag.

4 TOETSINGSKADER SUBSIDIËRING NATUUR- EN LANDSCHAPSBEHEER

4.1 Aanvragen voor gebieden binnen het NNN

4.1.1 Aanvragen voor gebieden buiten het NNN

Het toetsingskader voor aanvragen van agrarische natuur- en landschapsbeheersubsidies voor gebieden buiten het NNN is sinds 2016 veranderd. Hierbij wordt sterker dan voorheen ingezet op agrarisch natuur- en landschapsbeheer als een belangrijk instrument voor de realisatie van Europese, nationale en provinciale doelen ten aanzien van het behoud van biodiversiteit. Binnen het agrarisch natuur- en landschapsbeheer worden ook maatregelen ten gunste van de waterkwaliteit gesubsidieerd. Per 2023 zijn daar maatregelen ten behoeve van het klimaat bijgekomen.

Met ingang van het subsidiejaar 2016 kent de provincie alleen nog beheersubsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer toe aan aanvragen van zogeheten agrarische collectieven. Dit zijn samenwerkingsverbanden van agrariërs met andere beheerders met een gebruiksrecht op landbouwgrond die zichzelf per gebied organiseren. Om een subsidie te kunnen ontvangen moet een agrarisch collectief door de provincie hiervoor zijn gecertificeerd via de Stichting Certificering SNL

Bij agrarisch natuur- en landschapsbeheer worden beheermaatregelen ingepast in de agrarische bedrijfsvoering, zodat kwetsbare soorten ook in agrarisch gebied voldoende voedsel, bescherming, nest- en voortplantingsgelegenheid kunnen vinden. De provincie verschaft subsidies voor beheer op grond van haar inspanningsverplichting tot behoud van soorten die (ook) leven in agrarisch gebied en waarvoor internationale beschermingsverplichtingen gelden, onder meer op grond van Europese richtlijnen (zie ook internationale doelenkader op de website van BIJ12, waaronder het Rapport_2013-65_kansrijke_gebieden_voor_agrarisch_natuurbeheer). Voor de provincie Zuid-Holland betekent dit dat haar inspanningen vooral zijn gericht op de bescherming van weidevogels.

De agrarische collectieven kunnen met deelnemers beheer afspreken in de hiervoor in dit Natuurbeheerplan aangewezen gebieden: De leefgebieden Open Grasland, Open Akkerland, Dooradering en de categorieën Water en Klimaat. De leefgebieden zijn door de provincie bepaald aan de hand van een voorstel waarbij de gebiedskennis van collectieven en gebiedspartners is gecombineerd. Dit zijn gebieden waar nu al veel soorten - bijvoorbeeld weidevogels - voorkomen of waar het aannemelijk is dat ze er na maatregelen zullen komen. Hierdoor kan het beschikbare budget op de meest kansrijke plekken worden ingezet. De begrenzing voor water- en klimaatmaatregelen is juist zo ruim mogelijk genomen om zo veel mogelijk kansen hiervoor te kunnen benutten.

Een gebiedsaanvraag wordt ingediend door een agrarisch collectief. In de gebiedsaanvraag beschrijft het collectief - op basis van zijn specifieke gebiedskennis - een ecologisch effectief en economisch efficiënt plan voor het samenhangend agrarisch natuur- en landschapsbeheer in het door het collectief gekozen gebied. De eisen aan gebiedsaanvragen zijn per leefgebied verder uitgewerkt en komen in paragraaf 4.2 uitgebreid aan de orde. In paragraaf 5.2 worden aanvullende eisen beschreven ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De eisen uit het NBP aan gebiedsaanvragen gelden in die maanden van het jaar waarin de maatregelen uitgevoerd worden. De provincie formuleert geen beleidsdoelen voor afzonderlijke soorten, maar richt zich op de verbetering van leefgebieden, waar groepen kenmerkende soorten van zullen profiteren.

Natuurbeheer buiten NNN

Voor gebieden buiten het NNN waarvan de subsidieperiode voor natuurbeheer afloopt en de betreffende gebieden begrensd zijn in het NBP, kan Gedeputeerde Staten deze subsidievorm continueren.

4.1.2 Aanvragen voor wateropgaven

Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en daarbinnen NSP (voorheen Plattelandsontwikkelingsprogramma POP3) hechten grote waarde aan de vergroening en verduurzaming van de landbouw. Water is daarbij een onmisbaar element.

De waterbeheerdiensten maken dan ook deel uit van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Dit zijn bovenwettelijke activiteiten voor beheer en onderhoud, die worden uitgevoerd door particuliere grondeigenaren of grondgebruikers. Deze activiteiten dragen bij aan de randvoorwaarden voor een gezond ecologisch watersysteem zoals bedoeld in de KRW. Net als de traditionele vormen van agrarisch natuurbeheer moeten deze waterbeheerdiensten worden opgezet conform de Catalogus Groenblauwe Diensten.

In december 2021 heeft de provincie Zuid-Holland haar oppervlaktewaterdoelen op suggestie van de waterschappen vastgesteld in het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027. Het regionaal waterprogramma bevat de uitwerking van het waterbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is een verplicht instrument op grond van de Omgevingswet en beschrijft in ieder geval wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water, zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW).

De waterschappen in Zuid-Holland. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, Waterschap Rivierenland, Waterschap Hollandse Delta, Hoogheemraadschap van Rijnland, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, Hoogheemraadschap van Delfland, Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden, voeren maatregelen uit om bij te dragen aan het behalen van deze doelen.

4.2 Kenmerken, doelen en criteria agrarisch natuur- en landschapsbeheer

4.2.1 Kenmerken, doelen en criteria leefgebied open grasland

Het leefgebied open grasland is kenmerkend voor de veenweidegebieden van Zuid-Holland. Het leefgebied wordt doorsneden met fijnmazige watergangen en kent ook enige opgaande begroeiing, zoals beplanting rond erven, pestbosjes, geriefhoutbosjes, opgaande begroeiing langs tiendwegen of bomenlanen.

Het is het leefgebied van soorten zoals steltlopers, eenden en zangvogels die gebaat zijn bij natte, kruidenrijke en open graslanden die laat in het voorjaar worden gemaaid, zodat hun nesten niet worden vernietigd en hun jongen voldoende voedsel vinden om te kunnen opgroeien. De belangrijkste doelsoorten zoals de grutto, zoeken de meest open delen van het landschap en mijden opgaande begroeiing.

Afbeelding 1. Visualisatie van het leefgebied open grasland.

Afbeelding 2. Visualisatie van het leefgebied open grasland (detail van een sloot met aangrenzend kruidenrijk grasland en plas-dras)

Doelen voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer

-Huidige situatie. De soortenrijkdom in de open graslanden van Zuid-Holland is in de laatste decennia sterk achteruitgegaan. Dit hangt samen met de intensivering van de agrarische productie, waarin steeds meer nadruk is komen te liggen op grasproductie, optimale bemesting en lage grondwaterpeilen. Daarnaast zorgt predatie in toenemende mate voor druk op de boerenlandvogels. Desondanks is Zuid-Holland nog steeds één van de provincies met de hoogste weidevogeldichtheden. Dit betekent dat de provincie Zuid-Holland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor de instandhouding van deze populaties.

-Gewenste situatie. De ondersteuning vanuit de provincie voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer is gericht op extensivering van het grondgebruik in dit leefgebied. Dit betekent: het verlagen van de beweidings- en verstoringsdruk (door voorweiden of extensieve standweide), het verminderen van bemesting - met name net voor het broedseizoen, later maaien en het verhogen van het waterpeil. Actief predatorenbeheer hoort hier ook bij.

Beheermaatregelen moeten zijn gericht op maximale overleving van kuikens door het creëren en beheren van een aantrekkelijk vestigingsbiotoop (nestbescherming, randen- en greppelbeheer, vluchtheuvels en verbindingen met kruidenrijk grasland). Op die manier kan veilig worden gebroed en kunnen kuikens voldoende voedsel vinden en veilig opgroeien.

Het leefgebied ‘open grasland’ vertoont op onderdelen overlap met het leefgebied dooradering en dan met name het onderdeel dat voor 2023 natte dooradering heette. Maatregelen zoals het aanleggen van natuurvriendelijke oevers, plas-drasgebieden en overwinteringsplaatsen voor amfibieën en vissen, het verbinden van polderpeilvakken (om migratiemogelijkheden voor watergebonden soorten te verbeteren) en het toepassen van een natuurlijk waterpeil zijn voor soorten in beide leefgebieden van belang.

In het kader van het Aanvalsplan Grutto streeft de provincie ernaar om binnen de provincie vijf optimaal ingerichte ‘Grutto-kansgebieden’ te realiseren. Zoals in het Aanvalsplan Grutto is omschreven zijn dit gebieden van circa 1000 ha groot waarin het beheer zo veel mogelijk aaneengesloten is, er natte omstandigheden en voldoende openheid aanwezig is en het beheer in grote mate bestaat uit natte, kruidenrijke graslanden of extensief beweide graslanden met late maaidata.

Criteria voor de afbakening van leefgebied open grasland

Binnen het leefgebied ‘open grasland’ gaat het in Zuid-Holland vooral om het beheertype ‘kritische weidevogelsoorten’. Dit zijn soorten van natte en kruidenrijke graslanden die slecht tegen verstorende elementen kunnen zoals riet, bomen of bebouwing. In tabel 1 staat de selectie van de soorten die in Zuid-Holland kenmerkend zijn voor dit leefgebied, die door agrarisch natuur- en landschapsbeheer worden ondersteund en waarvoor Nederland een internationale verantwoordelijkheid heeft.

Tabel 1. Doelsoorten leefgebied open grasland (broedvogels)

Grutto

Slobeend

Graspieper

Kievit

Tureluur

Gele kwikstaart

Scholekster

Veldleeuwerik

Zomertaling

Soorten als wintertaling, krakeend, kuifeend, visdief en zwarte stern zijn voor Zuid-Holland ook belangrijk. Deze soorten liften mee met de maatregelen die genomen worden voor de soorten in de tabel.

Vochtig weidevogelgrasland komt voor op diverse bodems en in diverse landschapstypen, op zowel klei- als veengrond. Het beheer is erop gericht om goede omstandigheden te bieden in de fase waarin soorten zich vestigen; tijdens de eileg- en incubatiefase en tijdens de opgroeifase van de kuikens. Het beperken van verstoring tijdens het broedseizoen en het zorgen voor voldoende geschikt foerageerhabitat (nat, structuur- en kruidenrijk grasland) voor de kuikens is van cruciaal belang.

Dergelijke vochtige en kruidenrijke delen kunnen in het landschap worden vormgegeven als ‘volveldse’ elementen (op een geheel perceel). Daarnaast kunnen aanvullend vochtige en kruidenrijke delen als lijnvormige elementen worden vormgegeven, zoals een sloot in combinatie met een natuurvriendelijke oever en een kruidenrijke rand. Volveldse elementen genieten de voorkeur boven lijnvormige elementen; kruidenrijke perceelranden dienen voldoende breed te zijn. Kruidenrijke percelen en perceelranden dienen een functie te vervullen voor de faunawaarden die in het (agrarisch) natuurbeleid zijn vastgelegd.

Daarnaast is het van belang dat de waterhuishouding goed geregeld is. De beste gebieden zijn vochtig tot nat, kennen een natuurlijk waterpeil en ‘plas-dras’ of ‘greppel plas-dras’ percelen.

Een goede kwaliteit leefgebied kenmerkt zich door een mozaïek van verschillende beheervormen van grasland, met een diversiteit in maaidata, beweiding, of plas-dras, en een rijke en bereikbare bodemfauna, insectenrijkdom (‘kuikengrasland’). Het gaat om een open landschap met weinig dekking, zonder broed- en uitkijkplekken voor predatoren en met brede, soortenrijke, laat en ongelijktijdig gemaaide slootkanten. Maaien en beweiding vinden op een manier plaats waarop zo min mogelijk legsels en kuikens verloren gaan (bijv. rekening houdend met maaibreedte, tijdstip, snelheid, fasering, etc.). De graslanden worden bij voorkeur bemest met ruige stalmest om het aanbod van voedsel te verzorgen voor weidevogels.

Bij de samenstelling van een mozaïek voor het weidevogelbeheer maakt het agrarisch collectief gebruik van de ervaringen en resultaten in het collectief beheer zoals dat in de afgelopen jaren is uitgevoerd. Op basis van die ervaringen en resultaten doet het agrarisch collectief in de gebiedsaanvraag voorstellen om de effectiviteit van het weidevogelbeheer te vergroten. In de gebiedsaanvraag geeft het collectief een onderbouwing van de verbeterslagen die worden ingezet binnen de subsidieperiode.

Dit is uitgewerkt in de volgende criteria en aandachtspunten van een kwalitatief goed mozaïekbeheer. Deze criteria vormen met het verderop te benoemen procescriterium de inhoudelijke toetssteen voor de beoordeling van een gebiedsaanvraag door de provincie.

Inhoudelijke criteria:

Volgnummer

Inhoudelijk criterium

Uitwerking

1

Aanwezigheid van voldoende doelsoorten

Aannemelijk maken in de gebiedsaanvraag dat elk mozaïek minimaal 50 broedparen per 100 ha binnen het oppervlak van de percelen in het mozaïek (kunnen) voorkomen.

2

Oppervlakte zwaar beheer

Het beheer bestaat uit percelen met zwaar beheer

2Zwaar beheer is het beheer met een beperking zoals uitgestelde maaidata (rustperiode), kuikenland, randenbeheer, kruidenrijk grasland, plas-dras, extensief beweiden en voorweiden. Het gebruik van het verzamelbegrip zwaar beheer geeft ruimte aan ondernemers en het agrarisch collectief om in te spelen op specifieke kwaliteiten van het gebied.

en legselbeheer. De invulling met legselbeheer

3De pakketten legselbeheer zijn zwaarder dan de pakketten onder die noemer in het verleden.

kan plaatsvinden totdat maximaal 75 % van het oppervlak van een mozaïek uit legselbeheer bestaat

4We maken hierbij een uitzondering voor het pakket legselbeheer op bouwland. Dit telt niet mee in de berekening van het percentage zwaar beheer. Er geldt wel een maximumpercentage legselbeheer (bouwland en grasland) van 80%.

. Daarbij hanteren we een richtlijn om tot maximaal 70% oppervlak te komen richting het einde van de NSP-periode.

3

Oppervlakte vochtig grasland

Hoog water trekt weidevogels zoals kievit, tureluur en grutto. Deze soorten gebruiken natte plekken voor het foerageren bij aankomst in de broedgebieden. Ook leveren natte plekken veel insecten op waardoor weidevogelgezinnen met hun kuikens naar natte plekken trekken. Bovendien remt een hoger peil en/of water op het perceel de grasgroei. Dit is gunstig voor de doorwaadbaarheid van het perceel. Daarom hanteren we een richtlijn van minstens 1% (greppel)plasdras en/of hoog waterpeil gedurende het broedseizoen (15 februari tot minimaal 15 mei) en een richtlijn dat dit percentage verdubbelt richting het einde van de NSP-periode.

4

Bemesting

Om de zwaarte van het gewas op percelen met het pakket grasland met rustperiode te beperken willen we bemesting niet langer toestaan vóór de rustperiode. Bemesting met ruige stalmest is wel toegestaan voor de rustperiode. Ná de rustperiode gelden er geen beperkingen aan de bemesting. Indien sprake is van voorweiden is bemesting niet bezwaarlijk.

Binnen de pakketten ontwikkeling kruidenrijk grasland en kruidenrijk grasland is alleen toepassing van ruige mest toegestaan. Hierdoor is op termijn een verbetering van de kwaliteit voor kuikens te verwachten. Daarom moeten deze pakketten zoveel mogelijk op dezelfde percelen worden toegepast, en niet elke (paar) jaar van perceel wisselen.

5

Beheerregie

Het agrarisch collectief coördineert de beheermaatregelen voor weidevogels. Deze zorgt ervoor dat de juiste maatregelen op de voor weidevogels beste locaties worden ingezet en kan last-minute-beheer inzetten om het broedsucces te verhogen. Dit is in het bijzonder van belang bij het verrichten van de beheermaatregelen en het tijdstip en de wijze van maaien. Het vraagt een afweging die specifiek is voor elk perceel. Bij deze beheerregie stemt het agrarisch collectief af met gebiedspartners.

6

Aansluiting NNN

Een weidevogelreservaat kan opgevat worden als een deel van een mozaïek waar vormen van zwaar beheer worden toegepast. Om zoveel mogelijk synergie te bereiken voor soorten wordt natuurbeheer in NNN gebieden zoveel mogelijk afgestemd met het collectief en het agrarisch beheer dat grenst aan NNN-gebied zoveel mogelijk afgestemd met terrein beherende organisaties.

Aandachtspunten/ richtlijnen:

Volgnummer

Aandachtspunt of richtlijn

Uitwerking

7

Samenstelling mozaïek en maaitijdstip.

Elk mozaïek is opgebouwd uit een afwisselend patroon van broed- en opgroeimogelijkheden, foerageergebied en natte biotoop. Met het maaien tijdens het broedseizoen wordt zo nu en dan een nieuwe afwisseling aangebracht. Wanneer er jonge vogels aanwezig zijn, wordt pas gemaaid op het moment dat de aanwezige jongen vliegvlug zijn.

8

Kuikenland

Clusters kuikenland liggen bij voorkeur maximaal 100 meter uit elkaar.

9

Voldoende openheid en rust

Een aandachtspunt is de afstand tot bosjes/singels/bosopslag, wegen en bebouwing.

10

Voldoende natte situaties en geschikte drooglegging (plas-drassituaties of een hoog waterpeil)

Een voor weidevogels geschikte drooglegging geldt voor het weidevogelbroedseizoen tussen ongeveer 15 februari en ongeveer 1 juli. Daarnaast is de aanwezigheid van ‘plas-dras’ percelen gedurende het broedseizoen, verspreid over het gebied en grenzend aan kuikenland (zo mogelijk op hetzelfde perceel). De greppelplas-dras gedurende het weidevogelseizoen draagt bij aan een goede voedselsituatie. Met greppelplas-dras wordt gestreefd een soortgelijk effect te realiseren als met de hoge slootpeilen de bedoeling is: het creëren van een vochtige toplaag van de bodem tijdens het broedseizoen. Het vereist wel de aanwezigheid van land met greppels.

11

Natuurvriendelijke oevers

Natuurvriendelijke oevers hebben een ondersteunende functie in het mozaïek. Op de natuurvriendelijke oevers dient geen of nauwelijks riet aanwezig te zijn.

12

Bemesting

De bemesting is afgestemd op het gekozen beheer en de minerale rijkdom van de percelen.

4.2.2 Aanvalsplan Grutto

Voor het Aanvalsplan Grutto worden in het Openstellingsbesluit middelen beschikbaar gesteld om grote gebieden (streven 1000 ha) te optimaliseren voor weidevogelbeheer. Dit betreft zowel bestaand natuurgebied (NNN) met een weidevogeldoelstelling (13.01 Vochtig weidevogelgrasland) als landbouwgrond in het leefgebied Open grasland, waar agrarisch natuurbeheer voor is of wordt afgesloten. Onderstaand wordt alleen ingegaan op de mogelijkheden van inzet van ANLb voor de realisatie van het Aanvalsplan Grutto.

Landelijk zijn circa 35 zoekgebieden in beeld voor het Aanvalsplan Grutto. Voor Zuid-Holland betreft dit open grasland gebied in:

-Alblasserwaard

-Krimpenerwaard

-De Kaag

-Midden-Delfland

-Nieuwkoop

De nadere invulling van de begrenzing van de gebieden gebeurt in overleg met de gebiedspartijen in het betreffende gebied. In het Openstellingsbesluit worden de beschikbare middelen voor deze gebieden specifiek benoemd. De criteria voor het leefgebied Open grasland zijn ook van toepassing voor het beheer dat gefinancierd is vanuit het Aanvalsplan Grutto, waarbij een aantal criteria verder zijn aangescherpt/verzwaard.

Streefdoel Aanvalsplan Grutto

De inrichting en beheer voor het aanvalsplan grutto is gebaseerd op vier onderdelen. Ten eerste wordt ingezet op grote open gebieden van voldoende schaal. In de praktijk wordt gestreefd naar gebieden van minimaal 1000 ha, met een kern van circa 200 ha met inrichting en beheer volledig toegespitst op weidevogels. Ten tweede worden deze gebieden gekenmerkt door een relatief hoog waterpeil. Het derde speerpunt richt zich op aangepast agrarisch beheer waardoor er voldoende kwalitatief goed kuikenland aanwezig is. Het vierde punt betreft actief predatorenbeheer.

Tegenover deze pijlers staat een toekomstbestendig verdienmodel voor de boer.

Uiteindelijk streefbeeld voor de gebieden is:

•Minimaal 1 ha plas dras per 100 ha gedurende het broedseizoen

•In minimaal 50% beheerd gebied hoog oppervlaktewaterpeil in broedseizoen: streefpeilen: veen 0 -25 cm onder maaiveld, klei-op-veen 0 -35 cm onder maaiveld, klei 0 -40 cm onder maaiveld.

•Op minimaal 50% van de percelen is een rustperiode tijdens het broedseizoen aanwezig (15 maart - 1 juli); eventuele aanpassing periode in overleg met beheerregisseur/collectief.

•Minimaal 50 % beheerd gebied bestaat uit kruidenrijk grasland; zo nodig in stappen (andere beheerpakketten met rustperiode) naar toewerken met verschralingsbeheer.

•Circa 20% van de percelen worden tijden het broedseizoen beweid met melkvee en/of jongvee (beheerpakketten extensief weiden; voorbeweiden) in afstemming met collectief/beheerregisseur.

•Bemesting vaste mest en/of vaste fractie (max. 5-10 ton/ha) voor percelen met kruidenrijk grasland en uitgesteld maaibeheer. Geen kunstmest voor deze percelen.

•Legselbeheer komt vanuit het Aanvalsplan grutto niet in aanmerking voor subsidie.

•Mozaïek van samenhangend beheer; beheerpercelen niet verder dan 300 m uiteen.

•Niet ’s nachts maaien.

•Nauwe samenwerking tussen alle betrokken partijen, collectieven, natuurbeheerders, weidevogelbeschermers, WBE en overheden.

•Een goed inkomen voor de betreffende agrariërs door middel van een aangepast verdienmodel.

Op dit moment is dit nog een streefbeeld en het doel is om de komende jaren stappen te zetten op weg naar dit streefbeeld. Zo zijn de verdienmodellen voor de betreffende agrariërs nog onvoldoende ontwikkeld om dit toe te passen. In de jaarlijkse ‘goede gesprekken’ met de collectieven, waar het beheer van dat jaar het onderwerp is, zullen de ontwikkeling richting streefbeeld en de aanvullende voorwaarden onderwerp van gesprek zijn.

4.2.3 Kenmerken, doelen en criteria leefgebied open akkerland

Het leefgebied ‘open akkerland’ bestaat uit landschappen met overwegend bouwland: akkers waarop gewassen zoals granen, aardappels, suikerbieten of vollegrondsgroenten, zoals spruiten worden verbouwd. De akkers zijn doorsneden met bermen, sloten en meer of minder opgaande begroeiing. Samen met deze elementen kunnen akkerranden een groen-blauwe dooradering vormen van open akkergebieden.

Zuid-Holland kent verschillende soorten akkerbouwgebieden, variërend van halfopen akkerbouwgebieden met veel opgaande landschapselementen, naar open akkerbouwgebieden met weinig opgaande elementen.

Afbeelding 3. Visualisatie van het leefgebied open akkerland

Het ‘open akkerland’, in samenhang met (natte en droge) dooradering en naast het akkerland aanwezige graslandpercelen, is het leefgebied van akkervogels. Het betreft soorten die zich in zekere mate hebben aangepast aan de dynamiek van de hedendaagse agrarische bedrijfsvoering. Bepaalde soorten komen alleen in de zomer in akkerbouwgebieden voor, zoals trekvogels als de gele kwikstaart. Andere soorten verblijven het hele jaar in Nederland: patrijs, ringmus, veldleeuwerik; weer andere soorten zijn typische wintergasten in akkerbouwgebieden, zoals gorzen of de ruigpootbuizerd.

Akkers met veel granen en zaden zijn gunstig voor muizenpopulaties, die op hun beurt weer voedsel verschaffen aan roofvogels. Een soort als de kievit kent z’n zwaartepunt in het open grasland, maar komt ook relatief veel in open akkerland voor.

Doelen voor het agrarisch natuurbeheer van het leefgebied ‘open akkerland’

-Huidige situatie. Akkervogelsoorten zijn voor hun overleven voornamelijk afhankelijk van voldoende voedsel gedurende het hele jaar in de vorm van zaden, insecten en muizen, veilige broedgebieden in de zomer en rustgebieden in de winter. Ook akkervogels hebben de laatste decennia sterk te leiden gehad onder de intensivering van de agrarische productie. Die heeft geleid tot een verminderd aanbod van geschikte broedlocaties in de zomer en een verminderd voedselaanbod in de zomer en in de winter.

Zowel het aanbod aan geschikte broedlocaties als de aanwezigheid van voldoende voedsel staan onder druk; verantwoordelijk daarvoor zijn de vaak dichtere en homogenere vegetatie, het intensieve grondgebruik van bouwlandpercelen (geen overhoeken, teelt tot aan de sloot), de wijziging van teelten (maïs in plaats van granen), verbeterde oogstmethoden (minder ‘verspilling’ van granen), de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen (minder insecten en onkruiden), vervroegen van oogstdata en het eerder bewerken of opnieuw inzaaien van de grond na de oogst.

Verder heeft de toename van het areaal grasland in akkerbouwgebieden lokaal een sterk negatief effect op een aantal akkervogelsoorten, met name de veldleeuwerik en de gele kwikstaart, omdat hun nesten in grasland frequent worden vernietigd bij het maaien. Grasland vormt op die manier een ‘ecologische val’ voor deze grondbroedende vogels, die daardoor meer en meer tot akkervogels worden gerekend. Het broedsucces wordt tevens gereduceerd door het gebruik van zogenaamde sleepslangen in wintergranen die dienen voor de verspreiding van dierlijke mest. Deze vinden tegenwoordig op grote schaal toepassing, tot ver in mei. Toepassing van sleepslangen is in Nederland veelvuldig aan de orde, terwijl het in vrijwel alle EU-landen verboden is.

-Gewenste situatie. Het agrarisch natuur- en landschapsbeheer is voor het leefgebied open akkerland gericht op het behoud van voldoende gebieden waarin veilig kan worden gebroed en waar het hele jaar door voedsel beschikbaar is. Maatregelen ten behoeve van voedselaanbod zijn onder andere het inzaaien van extensief beheerde stroken met kruidenrijke gras- of graanmengsels, het laten ‘overwinteren’ van stoppelvelden (graan, aardappel en maïs) en de aanleg van kruidenrijke en natuurvriendelijke oevers, slootranden en poelen. Door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te stoppen of te verminderen - bijvoorbeeld aan de buitenste rand van een akker maar bij voorkeur op een groter areaal - ontstaan insecten- en kruidenrijke zones. Grootschaliger maatregelen betreffen het braakleggen van terreinen, het verbouwen van zomergranen in plaats van wintergranen en het verbouwen van luzerne (met een op akkernatuur afgestemd maaibeheer) in plaats van gras.

Voor het garanderen van voldoende broedsucces voor de veldleeuwerik en de gele kwikstaart dienen beheermaatregelen uitgevoerd te worden in de nabijheid van grasland. Om van grasland geen ecologische val te maken, is het noodzakelijk dat wanneer maatregelen op akkerland worden genomen in mozaïeken met grasland, ook uitgesteld maaibeheer van dat grasland wordt toegepast (minstens acht weken tussen maaibeurten). Het broedsucces wordt ten slotte verder aanzienlijk vergroot door vanaf de start van het winterseizoen geen gebruik te maken van sleepslangen in wintergranen.

De soorten die hiermee verbonden kunnen worden staan in tabel 2. Soorten als graspieper en kwartel zijn voor Zuid-Holland ook belangrijke soorten. Deze soorten liften mee met de maatregelen die genomen worden voor de soorten in de tabel. Op de Zuid-Hollandse Eilanden zijn de bloemrijke akkerranden erg waardevol. Deze dragen bij aan de biodiversiteit en leveren een belangrijke bijdrage aan de waterkwaliteit.

Tabel 2. Soorten leefgebied open akkerland (broedvogel)

Gele kwikstaart

Kneu

Kievit

Veldleeuwerik

Patrijs

Ringmus

Criteria voor de afbakening van het leefgebied ‘open akkerland’

De afbakening van het leefgebied ‘open akker’ is vooral gebaseerd op het gebruik van het perceel (bouwland), de aanwezigheid van bovengenoemde soorten en op de kaarten met de bijbehorende onderbouwing van de agrarische collectieven vanuit de ervaringen met het randenbeheer in de afgelopen jaren. De provincie Zuid-Holland richt zich in het agrarisch natuur- en landschapsbeheer binnen het leefgebied open akkerland op de akkerranden, overhoeken en vogelakkers. Wat betreft akkerranden moet opgemerkt worden dat er momenteel nog gewerkt wordt aan de implementatie van de Europese regelgeving van bijvoorbeeld de Nitraatrichtlijn. Dit kan gevolgen hebben voor de eisen en subsidiemogelijkheden van de akkerranden. Denk hierbij aan een strook langs sloten die vanuit de nieuwe regelgeving mogelijk al gevrijwaard moet zijn van bemesting waarmee dat voor die strook dan niet subsidiabel is. Daarnaast is er een specifieke mogelijkheid in de Duin- en Bollenstreek voor perceelsrandenbeheer in een gebied waarbij een combinatie wordt aangetroffen van sierteelt (bloembollen, snijbloemen en vaste planten) en grasland.

Tabel: Criteria Kwantitatief, instapeisen en streefdoelen

Instapeis

Streefdoel

1Aanwezigheid van doelsoorten

Instapeis: Meerdere doelsoorten komen voor in het gebied.

Streefdoel: Broed- of winterdichtheden van meerdere doelsoorten zijn gelijk of hoger dan huidige hoogste dichtheden in het betreffende bouwplan.

2Variatie akkerranden

Instapeis: Het aandeel van de grasranden is bij de gebiedsaanvraag maximaal 50 % van de totale lengte en maximaal 50 % van de totale oppervlakte aan akkerranden.

Streefdoel: Akkerranden worden ingezaaid met een uiteenlopend mengsel van aanvullende ecologische kwaliteit. De grasrand is de 'basisvariant'.

3Breedte akkerranden

Instapeis: De akkerranden hebben een minimale breedte van gemiddeld 3 meter. Dit is inclusief de rand die vanuit nitraatrichtlijn verplicht wordt

Streefdoel: Randen van minder dan 6 meter breed zijn voor akkervogels weinig effectief. Daarom wordt gestreefd naar randen van minimaal 6 meter breed.

Bij de akkerranden is sprake van een grillig patroon van diverse randen in het gebied. Die afwisseling draagt bij aan de ecologische kwaliteit, in de vorm van functionele agrobiodiversiteit zoals bestuiving en natuurlijke plaagbestrijding. Gezien die ontwikkeling is bovenstaand percentage geen extra inspanning, maar vraagt wel om ruggensteun door het beleid van de provincie Zuid-Holland. Het verdient overigens de voorkeur om maatregelen geclusterd aan te leggen.

4.2.4 Kenmerken, doelen en criteria leefgebied dooradering

Het leefgebied dooradering kenmerkt zich door een aansluitend netwerk van afwisselende landschapselementen passend bij het landschap. De landschapselementen kunnen zowel in het water als op het land staan. De natte dooradering kenmerkt zich door natte elementen binnen het agrarisch cultuurlandschap: sloten, poelen, beken, moerasjes, en plas-dras-percelen. Het grasland is vochtig tot nat, kruidenrijk en met niet te dicht gewas. Kleinere, geïsoleerde wateren die verspreid in deze gebieden voorkomen, zoals poelen, kleine vennen en kleine doorbraakkolken worden ook gerekend tot dit leefgebied. De aanwezigheid hiervan is van belang voor amfibieën zoals kikkers, salamanders en paddensoorten, en libellen.

Afbeelding 5. Visualisatie van natte dooradering

Natte dooradering houdt niet op bij de waterlijn. Ook de oeverranden, bermen en plas-draszones vormen onderdeel van dit leefgebied en zijn belangrijk voor het duurzaam behoud van de soorten die hier voorkomen. De gradiënt van nat naar droog zorgt voor de aanwezigheid van verschillende deelhabitats, die kunnen fungeren als paaiplaats, foerageergebied of landhabitat. Geen gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en beperking van meststoffen, zeker in een strook aan beide kanten van de dooradering, is hierbij zeer behulpzaam.

Droge dooradering kenmerkt zich door een halfopen tot besloten landschap met aan elkaar grenzende (kleinschalige) akkers, graslanden, laanbeplanting, singels, hout- en tuinwallen, heggen en hagen, struweelranden, dijken en slaperdijken, bermen van wegen en paden, steilrandjes en ruigtezomen.

Afbeelding 4. Visualisatie van droge dooradering

De kenmerkende soorten voor dit leefgebied bestaan deels uit soorten die foerageren in het leefgebied zelf, en deels ook uit (vogel)soorten die in deze elementen broeden maar die buiten het leefgebied foerageren. Andere soorten kunnen plaatselijk profiteren van maatregelen.

Aangepast beheer van land grenzend aan de droge dooradering is van essentieel belang voor veel soorten. Vleermuizen gebruiken de droge elementen als foerageergebied, maar ook als oriëntatiepunt tijdens vluchten tussen rust- en foerageergebied.

Doelen voor het landschapsbeheer

De diversiteit van landschappen in Zuid-Holland is groot, en varieert van de open veenweide landschappen tot de meer besloten binnenduinrand langs de kust. Elk landschap vraag daarom om een andere inrichting, zie voor de beschrijving van de verschillende Zuid-Hollandse landschappen paragraaf 2.3. Het behoud en de ontwikkeling van landschappelijke kwaliteit en identiteit in Zuid-Holland is belangrijk. Het draagt niet alleen bij aan biodiversiteit, maar ook aan een vitale duurzame landbouw (door o.a. plaagregulatie, insectenbestuiving, tegen afkalving van oevers), een aantrekkelijk landschap en draagt bij aan klimaatadaptatie.

Voor Zuid-Holland heeft dooradering in het veenweidegebied veel overeenkomsten met het leefgebied ‘open grasland’; het heeft derhalve ook een ondersteunende functie bij het weidevogelbeheer. De natte dooradering kan daarnaast een waardevolle bijdrage leveren als verbinding tussen de open graslandgebieden, en/of tussen de NNN-gebieden en de open graslandgebieden met weidevogelbeheer. De natte dooradering ligt dan soms zelfs buiten het leefgebied ‘open grasland’ met weidevogelbeheer en buiten het NNN, maar verbindt deze gebieden wel met elkaar.

Soorten

In tabel 3 en 4 staan de selectie van de soorten die in Zuid-Holland kenmerkend zijn voor dit leefgebied, welke door agrarisch natuur- en landschapsbeheer worden ondersteund en waarvoor Nederland een internationale verantwoordelijkheid heeft.

Soorten zijn onderverdeeld in (a) soorten die voedsel en nestgelegenheid in de droge dooradering vinden, en (b) soorten die droge dooradering gebruiken voor nestgelegenheid of ter oriëntatie in het landschap, maar die voor voedsel afhankelijk zijn van (aangrenzende) foerageergebieden in zomer en/of winter. Dit zijn landelijke doelsoorten van het ANLb aangevuld met provinciale icoonsoorten.

Tabel 3. Doelsoorten van droge dooradering, waarvoor wordt verondersteld dat ze door agrarisch natuurbeheer kunnen worden ondersteund (brv=broedvogel).

Soort (a)

Soort (b)

Patrijs (brv)

Kamsalamander

Kneu (brv)

Ringmus (brv)

Gekraagde roodstaart (brv)

Steenuil (brv)

Grote lijster (brv)

Rietorchis

Ransuil (brv)

Dotterbloem

Spotvogel (brv)

Weidehommel

Braamsluiper (brv)

Zandhommel

Zomertortel

Argusvlinder

Tabel 4. Soorten natte dooradering (brv=broedvogel)

Groene Glazenmaker

Bittervoorn

Kleine Modderkruiper

Grote Modderkruiper

Rugstreeppad

Kamsalamander

Slobeend (brv)

Noordse Woelmuis

Zwarte Stern (brv)

Argusvlinder

Heikikker

Blauwborst

Dotterbloem

Glassnijder

Otter

Rietorchis

Criteria voor de afbakening van droge dooradering

In de Index Natuur en Landschap staan de landschapselementen benoemd, zie hiervoor bijvoorbeeld www.bij12.nl. Voor deze landschapselementen zijn specifieke beheervoorwaarden. Voor Zuid-Holland zijn alleen de volgende beheertypen van belang: poel en klein historisch water, elzensingel, bossingel en bosjes, knip-of scheerheg, laan, knotboom, hoogstamboomgaard, houtwal, houtsingel, struweelhaag (korte snoeicyclus) en de schurvelingenhakhoutbosjes, griendje, bomenrij/solitaire boom, rietzoom en klein rietperceel, halfstamboomgaarden bij historische boerderijen en leibomen bij historische boerderijen.

Voor de invulling van het leefgebied dooradering zijn de volgende criteria specifiek voor Zuid-Holland van belang:

-Landschapselementen moeten voorkomen in de Index Natuur en Landschap.

-Beheer en onderhoud moet plaatsvinden conform de Index Natuur- en Landschap.

-Met uitzondering van de schurvelingen op de kop van Goeree zijn de landschapselementen gelegen buiten het stedelijk gebied en buiten de natuur- en recreatiegebieden.

-Voor poelen geldt dat ze een cultuurhistorische of ecologische waarde moeten hebben (o.a. veenputten Krimpenerwaard en kleiputten langs de Kromme Mijdrecht).

-Voor leibomen en halfstamboomgaarden geldt dat ze moeten staan bij historisch waardevolle boerderijen.

Binnen dooradering wordt onderscheid gemaakt tussen lijnvormige watergangen met plas-dras of natte oevers, en poelen met vochtig, kruidenrijk grasland of akkerland en beplanting.

Watergangen in het agrarisch gebied vormen het belangrijkste waterelement van dooradering omdat ze verschillende functies vervullen. Ze zorgen bijvoorbeeld voor waterbeschikbaarheid, vormen een habitat voor vele soorten en verbinden gebieden met elkaar. Het gewenste beeld is dat de dooradering veelal sloten en weteringen zijn met natuurvriendelijke oevers en sloten die ecologisch geschoond worden.

Poelen kunnen op hun eigen manier bijdragen aan ecologische waarden van dooradering. Behalve de kwaliteit van de poelen is de relatie met het aangrenzend terrestrisch landschap van groot belang; beide zijn niet los van elkaar te zien omdat de doelsoorten zowel aquatische als terrestrische habitattypen gebruiken.

Agrarisch natuur- en landschapsbeheer kan een belangrijke bijdrage leveren aan versterking van de biodiversiteit in deze wateren. Als vuistregel voor versterking van de biodiversiteit geldt dat de hydrologische functie gewaarborgd dient te blijven, en vervolgens dat een breed scala aan habitats gerealiseerd wordt.

Voor dit leefgebied zijn de volgende criteria van belang:

Tabel Criteria dooradering

Nummer

Criterium

Uitwerking

1

Aanwezigheid van voldoende indicatorsoorten

Het voorkomen van één of meerdere doelsoorten genoemd in tabel 3 en 4 in het gebied. Een voorkomende doelsoort is in meerdere jaren waargenomen in het gebied.

Of er wordt in de aanvraag onderbouwd welke (inrichtings) maatregelen zijn genomen om nieuw leefgebied voor de doelsoorten te creëren. Hierbij kan gebruik maakt worden van het rapport Natuurbouwstenen , Terlouw en Slagboom, 2021, https://assets.naturetoday.com/docs/e35dfe11-6326-4c9f-9725-009480d7b6a2.pdf

2

Verbindende functie van lijnvormige landschapselementen

Lijnvormige landschapselementen hebben een verbindende functie. Idealiter sluit dit leefgebied aan op bestaande natuurgebieden of op de leefgebieden open grasland en open akkerland.

Er wordt inzichtelijk gemaakt op wat voor manier er zoveel mogelijk aaneengesloten GBDA wordt gecreëerd zodat elementen niet versnipperd liggen en doelsoorten kunnen migreren.

3

Diversiteit aan landschapselementen (en gefaseerd beheer) passend bij het Landschap

De doelsoorten zijn afhankelijk van een mozaïek aan verschillende landschapselementen. In het landelijk aanvalsplan is de volgende ambitie opgenomen: 50 % houtige elementen, 25 % waterelementen (natuurvriendelijke oevers, poelen en rietlanden en 25 % kruiden- en bloemrijke randen. In Zuid-Holland is deze onderverdeling niet overal wenselijk, bijvoorbeeld in de veenweidegebieden moet vanwege de weidevogels het aandeel houtige elementen lager zijn.

Specifiek beheer is cruciaal voor het creëren en/of in stand houden van leefgebied voor de verschillende soorten. In de aanvraag wordt onderbouwd op welke landschapselementen en beheermaatregelen wordt ingezet om geschikt leefgebied voor de doelsoorten te creëren passend bij het betreffende landschap. Als wordt afgeweken van de landelijke ambitie van de balans van houtig, kruidenrijk en water wordt onderbouwd waarom de voorgestelde indeling voor dit landschap wenselijk is. Er wordt dus aangegeven hoeveel oppervlakte er per landschapselement wordt aangevraagd.

Specifiek beheer is cruciaal voor het creëren en/of instandhouden van leefgebied voor de verschillende soorten. v In de aanvraag wordt onderbouwd hoe de verschillende beheermaatregelen bijdragen aan het uitbreiden/verbeteren van het leefgebied van de bovengenoemde doelsoorten.

4

Onderbouw de relatie met categorie “water”

Kwaliteit van het leefgebied dooradering hangt voor sommige soorten nauwe samen met waterkwaliteit en waterbeheer. Onderbouw daarom de samenhang in de aanvraag met de categorie water.

4.6 Groeimiddelen 2027 binnen prioritaire gebieden

4.6.1 Kerngebieden voor de Grutto

Het betreft de leefgebieden voor de grutto, waaronder in ieder geval;

•concentratiegebieden voor de grutto zoals benoemd in het concentratiegebiedenrapport van SOVON;

•Aanvalsplan Grutto gebieden;

•Gebieden rondom de 25 bestaande VR-gebieden waaraan instandhoudingsdoelen voor de grutto worden toegevoegd.

Voor kerngebieden voor de grutto behouden we de huidige inhoudelijke eisen zoals de provincies in de Natuurbeheerplannen hebben beschreven in het kader van Aanvalsplan Grutto (passend bij leefgebied open grasland) en ligt de nadruk op het verzwaren van het beheer binnen het gebied. Wij adviseren de aanbevelingen uit de ecologische evaluatie over de inzet van voldoende zwaar beheer hierin mee te nemen. Daarbij ligt de nadruk op het verzwaren van het beheer binnen de grutto gebieden. Dat betekent dat voor de groei van de staat van instandhouding een forse inzet gewenst is (minimaal ca 65 ha aaneengesloten beheer waarvan de helft (50%) moet bestaan uit zwaar beheer).

4.6.2 In en rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden

Het betreft landbouwgrond in en rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, inclusief bovenstrooms en aangrenzend gelegen beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. Indien deze leefgebieden zijn begrensd als open akkerland, dooradering of open grasland (indien geen kerngebied voor de Grutto) dan gelden de volgende richtinggevende landelijke uniforme criteria voor beoordeling van de gebiedsaanvragen:

▪ Clusters van minimaal 100 ha (robuust genoeg);

▪ Minimaal 10% (zware) beheermaatregelen

5Lichte beheermaatregelen zoals bodemverbetering, legselbeheer en ruige mest kunnen wel aanvullend op de 10% zware beheermaatregelen worden ingezet.

binnen het cluster:

o De verhouding van de inzet van de beheermaatregelen wordt gericht op de specifieke doelstellingen in het gebied en synergie tussen de betreffende leefgebieden/categorieën;

o Bij voorkeur toepassing van volveldse maatregelen;

o Beperkte toepassing van drijf- en kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen.

Ook voor de categorieën water en klimaat kan beheer worden gerealiseerd op landbouwgrond in en rondom stikstofgevoelige Natura2000-gebieden. Daarmee wordt voorgesorteerd op het mogelijk nemen van maatregelen rondom de N2000-gebieden en te verwachten opgaven uit de Natuurherstelverordening. Binnen de gebieden is het van belang dat voldoende maatregelen geclusterd worden ingezet en de clusters van voldoende omvang zijn. De inzet van de maatregelen kan worden gericht op het beperken van drukfactoren rondom de Natura 2000-gebieden. Denk bijvoorbeeld aan het beperken van de (stikstof)emissies, beperking van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of het stimuleren van hydrologisch herstel afhankelijk van het gebied.

BIJLAGE 1 KAARTEN

Kaart 1: Beheertypekaart: vormt de basis voor het verlenen van beheersubsidies volgens de SNL 2016.

Deze kaart geeft voor alle bestaande natuurgebieden weer welke natuur- en landschapsbeheertypen aanwezig zijn volgens de landelijk uniforme systematiek van de Index Natuur en Landschap. Het op kaart weergegeven natuur- of landschapsbeheertype is de basis voor eventuele subsidiëring van het natuur- en landschapsbeheer. Per oppervlakte is steeds één natuur- of landschapsbeheertype toegekend; een beheerder komt alleen voor financiering van dat toegekende natuurbeheertype in aanmerking.

Daar waar binnen het NNN nog geen natuur is gerealiseerd, is nog geen natuurbeheertype op de kaart toegekend. De exacte begrenzing met diverse ondergronden is te raadplegen via de geoviewer op de site van de Provincie, onder Online regelen; Feiten, cijfers en kaarten; Interactieve atlassen; Natuurbeheerplan of via deze link https://atlas.zuid-holland.nl/Geoweb56/index.html?viewer=Natuurbeheerplan .

Kaart 2: Ambitiekaart: het op de ambitiekaart weergegeven natuur- of landschapsbeheertype geeft de provinciale ambitie voor die oppervlakte weer. Wanneer er voor (delen van) bestaande natuurgebieden een ander ambitietype is aangegeven dan het type dat op de beheertypekaart is aangegeven, betekent dit dat er de wens bestaat het bestaande natuur- of landschapsbeheertype om te vormen of door te ontwikkelen naar een nader natuur- of landschapsbeheertype. De ambitiekaart vormt daarmee de basis voor de subsidiëring van kwaliteitsimpulsen op grond van de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap. Wanneer het een nog te realiseren natuurgebied betreft, is op de ambitiekaart aangegeven naar welk natuur- of landschapsbeheertype de bestaande situatie omgevormd kan worden. Ook dit kan via de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap. In het geval het gebied op de ambitiekaart als N00.01 Nog om te vormen natuur staat zal de provincie bij een eventuele subsidieaanvraag beoordelen of het in de subsidieaanvraag voorgestelde natuur- of landschapsbeheertype wenselijk is. Indien dit niet het geval is kan de subsidieaanvraag niet gehonoreerd worden. Het is voor een potentiële aanvrager dan ook aan te bevelen om voorafgaand aan de subsidieaanvraag in overleg met de provincie te treden. De exacte begrenzing met diverse ondergronden is te raadplegen via de geoviewer op de site van de Provincie, onder Online regelen; Feiten, cijfers en kaarten; Interactieve atlassen; Natuurbeheerplan of via deze link https://atlas.zuid-holland.nl/Geoweb56/index.html?viewer=Natuurbeheerplan .

Kaart 3: Bijdragen vaarland: vaarlandbijdrage is in het leven geroepen om de beheerder van een natuurgebied tegemoet te kunnen komen voor de hoge kosten die het natuurbeheer kent voor gebieden die alleen over water bereikbaar zijn. De vaarlandtoeslag geldt niet voor terreinen waar een grootschalig natuurbeheertype met procesnatuur zoals N01.03 Rivier- en moeraslandschap en wateren op de beheertypekaart is aangegeven. De exacte begrenzing met diverse ondergronden is te raadplegen via de geoviewer op de site van de Provincie, onder Online regelen; Feiten, cijfers en kaarten; Interactieve atlassen; Natuurbeheerplan of via deze link https://atlas.zuid-holland.nl/Geoweb56/index.html?viewer=Natuurbeheerplan .

Kaart 4: Leefgebied open grasland: deze kaart geeft weer de open landschappen met overwegend grasland, waarvan een substantieel deel vochtig en kruidenrijk is en waar er weidevogels voorkomen of in potentie voor kunnen komen.

Binnen het leefgebied ‘open grasland’ kunnen agrarische collectieven met subsidie van de provincie beheerafspraken met agrariërs afsluiten ten behoeve van bijvoorbeeld weidevogels. De exacte begrenzing met diverse ondergronden is te raadplegen via de geoviewer op de site van de Provincie, onder Online regelen; Feiten, cijfers en kaarten; Interactieve atlassen; Natuurbeheerplan of via deze link https://atlas.zuid-holland.nl/Geoweb56/index.html?viewer=Natuurbeheerplan .

Kaart 5: Leefgebied open akkerland: deze kaart bevat de landschappen met overwegend bouwland. Dit zijn akkers waarop gewassen zoals granen, aardappels, suikerbieten of vollegrondsgroenten, zoals spruiten worden verbouwd. De akkers zijn doorsneden met bermen, sloten en meer of minder opgaande begroeiing. Binnen dit leefgebied kunnen agrarische collectieven met subsidie van de provincie beheerafspraken maken met agrariërs ten behoeve van akkervogels en bloem-/ kruidenrijke akkerranden. De exacte begrenzing met diverse ondergronden is te raadplegen via de geoviewer op de site van de Provincie, onder Online regelen; Feiten, cijfers en kaarten; Interactieve atlassen; Natuurbeheerplan of via deze link https://atlas.zuid-holland.nl/Geoweb56/index.html?viewer=Natuurbeheerplan .

Kaart 6: Leefgebied dooradering: deze kaart kenmerkt zich door natte en droge elementen binnen het agrarische cultuurlandschap zoals sloten, poelen, moerasjes, plas-dras-percelen, laanbeplanting, singels, hout- en tuinwallen, heggen en hagen, struweelranden, dijken en slaperdijken, bermen van wegen en paden, steilrandjes en ruigtezomen. Binnen dit leefgebied kunnen agrarische collectieven met subsidie van de provincie beheerafspraken maken met agrariërs ten behoeve van verschillende diersoorten zoals vlinders, bijen, vogels en kleine zoogdieren. De exacte begrenzing met diverse ondergronden is te raadplegen via de geoviewer op de site van de Provincie, onder Online regelen; Feiten, cijfers en kaarten; Interactieve atlassen; Natuurbeheerplan of via deze link https://atlas.zuid-holland.nl/Geoweb56/index.html?viewer=Natuurbeheerplan .

Kaart 7: Zoekgebied water: geeft zoekgebieden voor waterbeheer diensten voor de Zuid-Hollandse waterschappen weer. In deze zoekgebieden kunnen agrarische collectieven met subsidie van de provincie beheerafspraken maken met agrariërs ten behoeve van bijvoorbeeld waterkwaliteit en waterberging. De exacte begrenzing met diverse ondergronden is te raadplegen via de geoviewer op de site van de Provincie, onder Online regelen; Feiten, cijfers en kaarten; Interactieve atlassen; Natuurbeheerplan of via deze link https://atlas.zuid-holland.nl/Geoweb56/index.html?viewer=Natuurbeheerplan .

Kaart 8: Zoekgebied klimaat: geeft zoekgebieden voor maatregelen die klimaatverandering tegengaan of de gevolgen van klimaatverandering opvangen. Denk hierbij aan CO2 opslag door houtopstanden, vernatting tegen veenoxidatie en het opvangen van pieken in neerslag bij zware buien. In deze zoekgebieden kunnen agrarische collectieven met subsidie van de provincie hiervoor beheerafspraken maken met agrariërs. De exacte begrenzing met diverse ondergronden is te raadplegen via de geoviewer op de site van de Provincie, onder Online regelen; Feiten, cijfers en kaarten; Interactieve atlassen; Natuurbeheerplan of via deze link https://atlas.zuid-holland.nl/Geoweb56/index.html?viewer=Natuurbeheerplan .

BIJLAGE 2: PARTNERORGANISATIES

Agrarische Natuur-en Landschapsverenigingen

BoerenNatuur Zuid-Holland

De Groene Motor

Gebiedscollectieven

Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden

Hoogheemraadschap van Delfland

Hoogheemraadschap van Rijnland

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

KNNV Vereniging voor Veldbiologie

Natuur-en Milieufederatie Zuid-Holland

Natuur-en Vogelwacht Alblasserwaard

Natuur-en Vogelwacht Krimpenerwaard

Staatsbosbeheer

Stichting Het Zuid-Hollands Landschap

Vereniging Natuurmonumenten

Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

Waterschap Hollandse Delta

Waterschap Rivierenland

BIJLAGE 3: VERKLARING VEELGEBRUIKTE TERMEN

Agrarisch collectief/Gebiedscollectief

Dit is een samenwerkingsverband van agrariërs met andere beheerders met een gebruiksrecht op landbouwgrond die zichzelf per gebied organiseren.

Agromilieu- en klimaat dienst

Het agrarisch natuurbeheer vormt als agromilieu en -klimaatmaatregel een belangrijke pijler in het plattelandsbeleid (pijler 2 van het GLB). Binnen het GLB 2014-2020 wordt collectief agrarisch natuurbeheer mogelijk gemaakt in het komende nationale plattelandsontwikkelingsprogramma.

Ambitiekaart

Deze kaart laat zien waar verbetering van de natuurkwaliteit mogelijk en wenselijk is. Dit geldt voor een deel van de natuurgebieden en voor sommige agrarische gebieden met natuurwaarden. Hiervoor bestaat de ambitie om het huidige gebruik of beheer te veranderen. De ambitiekaart vormt de basis voor de subsidiering van kwaliteitsimpulsen op grond van de SKNL. Zie bijlage 1 van voorliggend plan.

ANLb

Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer. Ingevoerd in 2016. Het ANLb is onderdeel van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). De kern is een leefgebiedenbenadering voor soorten van internationaal belang op basis van een collectieve, gebiedsgerichte aanpak. Deze subsidie wordt mede gefinancierd door Europa. Lees meer op https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/agrarisch-natuurbeheer-anlb/ .

Beheeractiviteit

Een maatregel die wordt genomen om het (natuur)beheer uit te voeren.

Beheertype

De beheertypen zijn specifiek typen van beheer gericht op de operationele aansturing van het beheer op regionaal en lokaal niveau. Zij vormen de basis voor afspraken over doelen en middelen tussen provincie en beheerder. De beheertypen (bv N04.01) sluiten aan bij de natuurtypen (bv N04). Zie https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/natuurtypen/

Beheertypekaart

Voor natuurbeheer geeft de beheertypenkaart aan welke gebieden voor subsidie in aanmerking komen (zie bijlage 1 van voorliggend plan). Per oppervlakte of per natuurterrein is steeds één beheertype toegekend; een beheerder komt alleen voor financiering van dat toegekende beheertype in aanmerking.

Blauwe diensten

Het ANLb regelt de levering van waterbeheer diensten door agrariërs die bijdragen aan de verbetering van de waterkwaliteit. Er is sprake van cofinanciering door provincie (met Europese middelen) en waterschap. Het kan bijvoorbeeld gaan om ecologisch slootschonen of natuurvriendelijk oeverbeheer. Zie paragraaf 4.1.2 van voorliggend plan.

Conditionaliteiten

Als u subsidie wil krijgen in het nieuwe GLB, moet u zich houden aan bepaalde voorwaarden. Die richten zich op duurzame landbouw en noemen we conditionaliteiten. De huidige goede landbouw- en milieucondities (GLMC) zijn de basis. Zie: https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/glb/nieuw-glb/regelingen .

Dashboard Beheer NNN

Op https://www.zuid-holland.nl/online-regelen/subsidies/subsidies/snl-subsidiestelsel-natuur-landschapsbeheer/ verstrekt het team natuurbeheer relevante informatie. Onderdeel daarvan is de SNL-Viewer met drie kaartlagen:

SNL-beoordelingen

SNL-beschikkingen

ANLb-beschikkingen

Ecoregeling

Een ecoregeling in het GLB kan maatregelen omvatten die verder gaan dan wat wettelijk verplicht is. Nog niet vastgesteld. Zie https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/glb/nieuw-glb/eco-regeling-met-eco-activiteiten

Gebiedsaanvraag

Agrarische collectieven hebben in 2015, een subsidieaanvraag voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer voor de subsidieperiode 2016-2021 ingediend bij de provincie. Deze subsidieaanvraag wordt de gebiedsaanvraag genoemd.

GLB

Het Europese Gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het nieuwe GLB is ingegaan op 1-1-2023. Zie https://www.toekomstglb.nl/

Groeimiddelen 2027

Extra middelen vanuit LVVN voor de ANLb-uitbreiding 2027 waarop Leidraad 2.0 van toepassing is.

Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Zie https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/natuurwetten-en-regelgeving/europese-richtlijnen-en-verdragen/kaderrichtlijn-water/

Kuikenland

Kuikenland is grasland waar kuikens veilig kunnen opgroeien doordat er in de periode dat de kuikens nog niet kunnen vliegen geen beheermaatregelen of andere (menselijke) verstoring plaatsvindt. Kuikenland kan bestaan uit percelen met een uitgestelde maaidatum, extensieve beweiding of plasdrassituatie.

Kwaliteit SNL Beoordelingen (hoog-middel-laag)

De natuurkwaliteit van het NNN wordt berekend met Rekenmodule Natuurkwaliteit voor Natuurnetwerk Nederland (RNN). Voor achtergrond zie https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/monitoring-en-natuurinformatie/voorzieningen-en-rekentools/rekenmodule-natuurkwaliteit-natuurnetwerk-nederland/ .

Landschapselementen

Dit zijn elementen in het halfopen tot besloten landschap bestaande uit aan elkaar grenzende (kleinschalige) akkers, graslanden, laanbeplanting, singels, hout- en tuinwallen, heggen en hagen, struweelranden, dijken en slaperdijken, bermen van wegen en paden, steilrandjes en ruigtezomen. Kleinere, geïsoleerde wateren die verspreid in deze gebieden voorkomen, zoals poelen, kleine vennen en kleine doorbraakkolken worden ook gerekend tot landschapselementen.

Leefgebied

Voor het agrarisch natuurbeheer zijn er vier agrarische natuurtypen onderscheiden, de zogenaamde leefgebieden: open grasland, open akkerland, droge en natte dooradering.

Legselbeheer

Dit betreft beheermaatregelen waarbij broedende weidevogels gezocht en beschermd worden. Denk hierbij aan het plaatsen van een markering waardoor de agrariër bij het maaien voldoende ruim om het nest heen kan maaien.

Leidraad 2.0

Het Rijk en de Provincies hebben gezamenlijk de Leidraad 2.0 opgesteld om nadere invulling te geven aan de Kamerbrief ‘Uitwerking contourenbrief agrarisch natuurbeheer’ (33576, nr.460) van 4 juli 2025 en daarmee de inzet van de aanvullende middelen voor het ANLb in 2027. In de Leidraad 2.0 wordt de prioritaire inzet in en rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en Grutto leefgebieden vertaald zodat deze kunnen landen in de provinciale Natuurbeheerplannen. Het document biedt daarmee handvatten en afwegingscriteria om onderbouwde keuzes te maken bij het opstellen van de gebiedsaanvraag voor beheerjaar 2027. Het document is verspreid naar de agrarische collectieven via het intranet van BoerenNatuur en via de provinciale contactpersoon van de agrarische collectieven.

Maaibeheer

Alle werkzaamheden die met maaien te maken hebben.

Manifestpartijen

Ondertekenaars van “Overeenkomst tussen Manifestpartijen en provincies/ IPO over uitvoering natuur- en landschapsbeleid” in 2013. Zie https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2013Z17680&did=2013D36409

Mozaïek beheer

Dit betreft het voor weidevogels optimaal afstemmen van de verschillende beheermaatregelen zodat er in een gebied een pallet aan percelen met verschillende, uitgestelde maaidata, plasdrassituaties, kruidenrijke percelen met extensieve beweiding en percelen met legselbeheer ontstaat.

Natuurpact

In 2013 ondertekenden Rijk en de twaalf provincies het Natuurpact, waarin afspraken zijn gemaakt over de ambities en financiering van het Nederlands natuurbeleid voor de periode tot 2027. Dit was de laatste bestuurlijke stap in de decentralisatie van het natuurbeleid. Zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2013/09/18/natuurpact-ontwikkeling-en-beheer-van-natuur-in-nederland

Natuurtype

Binnen het natuurbeheer zijn er 17 natuurtypen en daaronder 51 beheertypen bepaald. Uitgangspunten van de typologie zijn:

-Natuurtypen zijn bedoeld als sturingsinstrument op landelijk en regionaal niveau.

-Natuurtypen zijn bruikbaar om afspraken op het gebied van natuurbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu op elkaar af te stemmen zodat de nagestreefde natuurkwaliteit gerealiseerd kan worden.

-De indeling in natuurtypen is met name gebaseerd op abiotische condities (waterhuishouding en voedselrijkdom).

Zie: https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/natuurtypen/

NNN

Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarische gebied. De provincies zijn verantwoordelijk voor het NNN op het land, het Rijk voor het NNN op de grote wateren. Zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit/natuurnetwerk-nederland

NSP, Nationaal Strategisch Plan

De Nederlandse invulling van het nieuwe GLB. Zie https://www.toekomstglb.nl/

Openstellingsbesluit

GS stelt jaarlijks een openstellingsbesluit vast waarin een subsidieplafond wordt vastgesteld voor ANLb, SNL en SKNL. Zie https://www.zuid-holland.nl/@27343/vaststelling-openstellingsbesluit-2021/ en https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2021/11/Openstellingsbesluit-SNL-Natuur-2022-provincie-Zuid-Holland.pdf

Regionaal Waterprogramma

Het regionaal waterprogramma bevat de beleidsuitwerking voor wateronderwerpen. Het beschrijft hoe de provincie uitwerking geeft aan de Europese richtlijnen over water, zoals de Kaderrichtlijn Water en de Richtlijn Overstromingsrisico’s en het beschrijft ook wat de provincie doet voor de drinkwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen, zwemlocaties en hoe we omgaan met droogte en bodemdaling. Zie https://www.zuid-holland.nl/@29115/regionaal-waterprogramma/

RVO

De afgelopen jaren heeft RVO de subsidieregelingen SNL en SKNL voor Zuid-Holland uitgevoerd. De subsidieaanvragen werden daarom door de aanvragers daarheen gestuurd. Dit zal gaan veranderen vanaf de subsidieaanvraag voor beheerjaar 2025. Provincie Zuid-Holland zorgt ervoor dat de informatie hoe aan te vragen actueel blijft op onze site. Voor SNL is dit https://www.zuid-holland.nl/online-regelen/subsidies/subsidies/snl-subsidiestelsel-natuur-landschapsbeheer/ en voor SKNL is dit https://www.zuid-holland.nl/online-regelen/subsidies/subsidies/sknl-subsidieregeling-kwaliteitsimpuls-natuur/ . Ook in het Openstellingsbesluit zal het juiste subsidieloket worden genoemd. We zullen speciale aandacht geven aan dit onderwerp in de jaarlijkse kick-off bijeenkomst van het natuurbeheerplanproces in de herfst. Tot slot zal een brief aan de subsidieontvangers worden verstuurd als alles duidelijk is.

RVO blijft overigens wel ANLb uitvoeren.

SKNL 2013

Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur- en Landschap Zuid-Holland 2013. Zie https://www.zuid-holland.nl/online-regelen/subsidies/subsidies/sknl/

SNL 2016

Subsidieregeling Natuur en Landschapsbeheer Zuid-Holland 2016. Zie https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR369692/9

SNL-a

Subsidie Natuur- en Landschapsbeheer, agrarisch natuurbeheer. Deze regeling is gesloten sinds 1-1-2016. Overgegaan in ANLb.

TBO

Terreinbeherende organisatie. Bv Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer of Stichting Zuid-Hollands Landschap.

Waterbeheerdienst

Een maatregel uit de Catalogus groenblauwe diensten gericht op het halen van de doelen van het provinciale waterbeheer vanuit de internationale water- en klimaatdoelen. Het betreft activiteiten voor beheer en onderhoud van watergangen, waterpartijen en in enkele gevallen de oevers en direct daaraan aangrenzende stroken land, die gericht zijn op de internationale water- en klimaatdoelen en worden uitgevoerd door particuliere grondeigenaren of grondgebruikers en die niet al wettelijk verplicht zijn.

Weidevogelgebied

Gebied dat een hoge dichtheid aan weidevogels heeft en daarmee een belangrijke waarde heeft voor de totale weidevogelstand.

Zwaar beheer

Met deze term worden de beheermaatregelen gericht op weidevogels binnen het agrarisch natuurbeheer bedoeld, met uitzondering van het legselbeheer.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.