Aanhef
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer, ieder voor zover bevoegd,
Gelet op hoofdstuk IV van de Wet gemeenschappelijke regelingen,
Overwegende dat de gemeenschappelijke regeling is geactualiseerd in verband met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022,
BESLUITEN:
De Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden als volgt gewijzigd vast te stellen:
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
Artikel 1. Algemene bepalingen
In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:
a.algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de omgevingsdienst;
b.college: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer;
c.dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst;
d.deelnemers: de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende colleges van burgemeester wethouders en gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland;
e.gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland;
f.gemeenten: de rechtspersonen waartoe de colleges van burgemeester en wethouders behoren;
g.omgevingsdienst: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam Omgevingsdienst Haaglanden als bedoeld in artikel 3 van de regeling;
h.provinciale staten: de provinciale staten van Zuid-Holland;
i.raden: de raden van de gemeenten;
j.regeling: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden;
k.wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Hoofdstuk 2: Omgevingsdienst Haaglanden
Artikel 2. Doelstelling
Deze regeling heeft ten doel het ondersteunen van de deelnemers bij de uitvoering van hun taken op het gebied van het omgevingsrecht en andere opgedragen taken.
Artikel 3. Instelling
1Er is een openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst Haaglanden, gevestigd in Den Haag.
2Het openbaar lichaam heeft rechtspersoonlijkheid.
Artikel 4. Taken
1De omgevingsdienst verricht adviserende, ondersteunende en voorbereidende werkzaamheden op het gebied van de fysieke leefomgeving, één en ander afhankelijk van de per deelnemer af te nemen taken, en de uitvoering van programma’s en projecten voor de deelnemers, waaronder begrepen het voor de gemeenten ontwikkelen en handhaven van een gemeenschappelijk beleid, het aan gedeputeerde staten leveren van technische inbreng, zoals in milieueffectrapporten c.q. door gedeputeerde staten vast te stellen richtlijnen ten behoeve van milieueffectrapportages, het uitvoeren van onderzoek en metingen en het leveren van een bijdrage aan beleidsontwikkeling.
2De omgevingsdienst verricht werkzaamheden voor de deelnemers, voor zover daartoe mandaat is verleend en met inachtneming van het door de deelnemers vastgestelde beleid op het gebied van:
a.de Omgevingswet en de op die wet gebaseerde regels;
b.de Wet milieubeheer;
c.de Natuurschoonwet 1928;
d.de Wet vervoer gevaarlijke stoffen;
e.de Wet explosieven voor civiel gebruik;
f.het Vuurwerkbesluit;
g.het Asbestverwijderingsbesluit;
h.het Besluit geluidsproductie sportmotoren;
i.de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening;
j.de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Waterwet, de Woningwet, voor zover deze (op grond van het overgangsrecht van de Omgevingswet) van toepassing blijven;
k.de handhavings- en toezichtstaken bij of krachtens de onder a tot en met j genoemde wetten; alsmede
l.milieu-, handhavings- en toezichtstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan genoemd in onder a tot en met i.
3De omgevingsdienst verricht werkzaamheden ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering zoals:
a.het opstellen en vaststellen van een bedrijfsplan en beleidsplannen van de omgevingsdienst;
b.het jaarlijks vaststellen van een jaarverslag.
4Voor zover bij de mandaatverlening niet anders is bepaald kan ten aanzien van de aan de omgevingsdienst in mandaat toekomende taken en bevoegdheden ondermandaat worden verleend.
5Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelingen ter bescherming van het milieu, de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid gaan strekken ter uitvoering van een andere regeling dan ter uitvoering waarvan zij ten tijde van het van kracht worden van deze regeling strekten, dan welindien in deze werkzaamheden ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door hun wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de taken die in de genoemde artikelleden aan de omgevingsdienst zijn opgedragen.
6De omgevingsdienst kan op verzoek van derden, niet-deelnemers aan deze regeling, adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden verrichten op het gebied van de zorg voor het milieu.
7Op een verzoek zoals bedoeld in het zesde lid, beslist het dagelijks bestuur in incidentele gevallen en het algemeen bestuur in de overige gevallen.
Hoofdstuk 3: Inrichting en samenstelling van het bestuur
Artikel 5. Het bestuur
Het bestuur van de omgevingsdienst bestaat uit:
a.het algemeen bestuur;
b.het dagelijks bestuur;
c.de voorzitter.
Paragraaf 1 Algemeen bestuur
Artikel 6. Samenstelling algemeen bestuur
1Het algemeen bestuur bestaat, de voorzitter inbegrepen, uit dertien leden.
2Gedeputeerde staten wijzen uit hun midden twee leden van het algemeen bestuur aan.
3Het college van de gemeente Den Haag wijst uit zijn midden twee leden van het algemeen bestuur aan. Het college van de gemeente Westland wijst uit zijn midden twee leden van het algemeen bestuur aan.
4De overige colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het algemeen bestuur aan.
5De colleges en gedeputeerde staten kunnen voor de door hen aangewezen leden van het algemeen bestuur plaatsvervangende leden aanwijzen, die de door hen aangewezen leden bij ontstentenis of verhindering vervangen. Het bepaalde in deze regeling ten aanzien van de leden van het algemeen bestuur is op de plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.
6De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur, zoals bedoeld in het tweede, derde en vierde lid geschiedt voor dezelfde periode als waarvoor het betreffende college of gedeputeerde staten worden benoemd en vindt plaats in de eerste vergadering van het betreffende college of gedeputeerde staten in nieuwe samenstelling.
7De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de nieuw aangewezen leden van het algemeen bestuur in functie treden.
8Wanneer een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid te zijn van het college of gedeputeerde staten dat hem heeft aangewezen, dan houdt hij tevens op lid te zijn van het algemeen bestuur. Het college of gedeputeerde staten dat hem heeft aangewezen, voorziet zo spoedig mogelijk in opvulling van de vacature.
9De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen.
10Bij tussentijds ontslag voorziet het betreffende college of gedeputeerde staten zo spoedig mogelijk in de aanwijzing van een nieuw lid van het algemeen bestuur.
11Leden van het algemeen bestuur, die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat in hun opvolging is voorzien.
12De colleges en gedeputeerde staten kunnen een door hen aangewezen lid in het algemeen bestuur ontslaan bij gebrek aan vertrouwen. Het college of gedeputeerde staten dat het lid heeft benoemd, voorziet zo spoedig mogelijk in de aanwijzing van een nieuw lid.
Artikel 7. Stemverdeling
1Het aantal stemmen per deelnemer en per lid is als volgt:
a.Provincie Zuid-Holland: 29;
b.Gemeente Den Haag: 27;
c.Gemeente Delft: 16;
d.Gemeente Zoetermeer: 16;
e.Gemeente Westland: 14;
f.Gemeente Pijnacker-Nootdorp: 8;
g.Gemeente Rijswijk: 8;
h.Gemeente Leidschendam-Voorburg: 4;
i.Gemeente Midden-Delfland: 4;
j.Gemeente Wassenaar: 4.
2De stemverhouding wordt eens in de vier jaar geëvalueerd of op een eerder moment indien de financiële bijdragen van de deelnemers en de begroting behorende bij het moment dat de geldende stemverdeling werd vastgesteld, substantieel ten opzichte van elkaar wijzigen. Het algemeen bestuur doet in dat geval voorstellen aan de deelnemers om met toepassing van artikel 32 de stemverhouding als gegeven in het eerste lid te wijzigen.
3Een stemming is alleen geldig als meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft, en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.
4Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de meerderheid vereist van het aantal uitgebrachte stemmen, die tot stand wordt gebracht door minimaal drie deelnemers.
5Een lid neemt niet deel aan de stemming over:
a.een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;
b.de vaststelling of goedkeuring van de rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welk bestuur hij behoort;
c.een benoeming die hem zelf aangaat, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door voordracht of stemming is beperkt.
Artikel 8. Incompatibiliteiten
1Onverminderd het bepaalde in artikel 20 van de wet is het lidmaatschap van het algemeen bestuur onverenigbaar met de hoedanigheid van ambtenaar bij één van de gemeenten, de provincie Zuid-Holland dan wel bij de omgevingsdienst.
2Met een ambtenaar worden voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel gelijkgesteld zij die op basis van een andere overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst werkzaamheden of diensten verrichten voor één van de gemeenten, de provincie Zuid-Holland dan wel de omgevingsdienst.
Artikel 9. Vergaderingen algemeen bestuur
1Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.
2Het algemeen bestuur vergadert ten minste twee maal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, dan wel ten minste een vijfde van het aantal leden dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk verzoekt.
3De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. Indien de voorzitter dan wel een vijfde gedeelte van de aanwezige leden het nodig oordeelt, dient het algemeen bestuur te besluiten of zal worden vergaderd met gesloten deuren.
Artikel 10. Bevoegdheden algemeen bestuur
1Alle bevoegdheden in het kader van de regeling, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen, behoren aan het algemeen bestuur.
2Onverminderd het bepaalde in artikel 57a van de wet en naast de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van het elders in deze regeling bepaalde, is het algemeen bestuur in ieder geval bevoegd tot het besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappijen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit bijdraagt aan de behartiging van het doel als genoemd in artikel 2 dan wel aan de uitvoering van de taken als genoemd in artikel 4.
3Ingezetenen van de deelnemers en andere belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de deelnemers worden betrokken bij besluiten van het algemeen bestuur.
4In aanvulling op lid 3 kan het algemeen bestuur ertoe besluiten om ingezetenen van de deelnemers of andere belanghebbenden te betrekken bij de besluiten die het neemt, en de manier waarop dat gebeurt.
Paragraaf 2 Dagelijks bestuur
Artikel 11. Samenstelling dagelijks bestuur
1Het dagelijks bestuur bestaat, de voorzitter inbegrepen, uit een oneven aantal en maximaal vijf leden welke door en uit het algemeen bestuur worden aangewezen.
2Het dagelijks bestuur bestaat in ieder geval uit één lid van de provincie, één lid van de gemeente Den Haag en één lid van de gemeente Westland.
3De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling.
4De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop zij ophouden lid van het algemeen bestuur te zijn.
5De leden van het dagelijks bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen.
6Het ontslag in het vijfde lid gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen.
7Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur, de voorzitter inbegrepen, ontslag verlenen indien hij het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.
8Indien een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
Artikel 12. Vergaderingen dagelijks bestuur
1Het dagelijks bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.
2De vergaderingen van het dagelijks bestuur worden met gesloten deuren gehouden, voor zover het dagelijks bestuur niet anders heeft bepaald.
Artikel 13. Bevoegdheden dagelijks bestuur
Het dagelijks bestuur is naast het uitoefenen van de taken en bevoegdheden genoemd in artikel 57b van de wet belast met:
a.het beheer van de financiële administratie;
b.de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;
c.het stimuleren en coördineren van overleg tussen de deelnemers;
d.het behartigen van de belangen van de omgevingsdienst bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de omgevingsdienst van belang is;
e.het houden van toezicht op al hetgeen de omgevingsdienst aangaat;
f.het conform artikel 10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, instemmen met een mandaat verleend aan de secretaris.
Paragraaf 3 Voorzitter
Artikel 14. Voorzitter
1De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen.
2De voorzitter is voorzitter van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.
Artikel 15. Bevoegdheden voorzitter
1De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.
2Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door een door het dagelijks bestuur uit zijn midden aan te wijzen lid van dit bestuur.
3De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur uitgaan.
4De voorzitter vertegenwoordigt de omgevingsdienst in en buiten rechte. De voorzitter kan deze bevoegdheid opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde.
Hoofdstuk 4: Informatie en Verantwoording
Artikel 16. Informatie van het bestuur aan raad of provinciale staten
1Het algemeen bestuur, dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken de raden en provinciale staten schriftelijk ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur van de omgevingsdienst gevoerde en te voeren beleid nodig is.
2Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden en provinciale staten schriftelijk alle inlichtingen die door één of meer leden van die bestuursorganen worden verlangd.
3Het reglement van orde van het betreffende bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid.
4De vergaderstukken en verslagen van het algemeen bestuur worden actief openbaar gemaakt overeenkomstig het bepaalde in de Wet open overheid.
5Besluitenlijsten en andere documenten van het dagelijks bestuur worden actief openbaar gemaakt overeenkomstig het bepaalde in de Wet open overheid.
Artikel 17. Informatie en verantwoording van leden van het algemeen bestuur aan college of gedeputeerde staten
1Een lid van het algemeen bestuur geeft aan het college of gedeputeerde staten, dat hem heeft aangewezen, alle inlichtingen die door het betreffende college of gedeputeerde staten, of één of meer leden daarvan, worden verlangd op de binnen die gemeente of de provincie gebruikelijke wijze.
2Een lid van het algemeen bestuur kan door het college of gedeputeerde staten, dat hem heeft aangewezen, ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid op de binnen die gemeente of de provincie gebruikelijke wijze.
Artikel 18. Informatie en verantwoording van leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter aan algemeen bestuur
1De leden van het dagelijks bestuur, tezamen en ieder afzonderlijk, en de voorzitter zijn aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.
2De leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter geven mondeling of schriftelijk de door het algemeen bestuur dan wel door één of meer leden van het algemeen bestuur gevraagde inlichtingen.
Hoofdstuk 5: Commissies
Artikel 19. Adviescommissies
1Het algemeen bestuur kan commissies van advies instellen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling.
2De instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of de voorzitter en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling geschieden door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter.
3Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of de voorzitter worden door het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld.
Artikel 20. Bestuurscommissies
1Het algemeen bestuur kan bestuurscommissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling.
2Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een bestuurscommissie dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de raden en provinciale staten. Ter verkrijging van deze verklaring wordt het ontwerp van een besluit tot instelling van een bestuurscommissie als bedoeld in het eerste lid met een toelichting aan de deelnemers toegezonden.
Hoofdstuk 6: Vergoedingen
Artikel 21. Tegemoetkoming in de kosten
1Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van de wet, een regeling vaststellen voor een tegemoetkoming in de kosten van de leden van het algemeen bestuur, de leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter.
2Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van de wet, een regeling vaststellen voor een tegemoetkoming in de kosten van de leden van bestuurscommissies zoals bedoeld in artikel 20 van de regeling.
Hoofdstuk 7: Ambtelijke organisatie
Artikel 22. Secretaris
1Het dagelijks bestuur wijst de secretaris aan. De aanwijzing eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van secretaris geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.
2Het dagelijks bestuur stelt in een instructie nadere regels vast betreffende de taak en de bevoegdheid van de secretaris.
3De secretaris is tevens de directeur van de omgevingsdienst.
4De secretaris is het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter behulpzaam bij de vervulling van hun taak.
5De secretaris is bij de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig.
6De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de secretaris meeondertekend.
7De secretaris is belast met de leiding van het ambtelijk apparaat.
8Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de secretaris.
Artikel 23. Overig personeel
1Het dagelijks bestuur bepaalt onder welke voorwaarden arbeidsovereenkomsten worden aangegaan.
2Waar wordt aangesloten bij een regeling of overeenkomst inzake arbeidsvoorwaarden waarin wordt gesproken van “gemeenteraad”, “college” dan wel “hoofd van de dienst” of daarmee naar de strekking vergelijkbare termen, wordt voor de toepassing in het kader van deze regeling respectievelijk gelezen: algemeen bestuur, dagelijks bestuur en secretaris.
Hoofdstuk 8: Financiën en beheer van de omgevingsdienst
Artikel 24. Begroting
1Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden en provinciale staten.
2Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden en provinciale staten.
3De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.
4De raden en provinciale staten kunnen gedurende twaalf weken na aanbieding door het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.
5Het algemeen bestuur stelt de begroting vast, op uiterlijk 1 september in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.
6Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde begroting toe aan de raden en provinciale staten.
7Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
8Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.
9Het dagelijks bestuur biedt voorgenomen begrotingswijzigingen aan de deelnemers aan voor een zienswijze tenzij:
a.de wijzigingen minder bedragen dan 5% van de totale begrotingsomvang (baten);
b.de wijzigingen voortkomen uit extra opdracht(en) van een of meerdere opdrachtgevers met bijbehorende financiële dekking;
c.de wijzigingen voortkomen uit overige taken al dan niet bij of krachtens wet opgedragen door derden of deelnemers met bijbehorende financiële dekking.
Artikel 25. Jaarrekening
1Op de voorlopige jaarrekening is artikel 58b van de wet van toepassing.
2Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast op uiterlijk 1 juli in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.
3Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli ter kennisneming aan de raden en provinciale staten.
4Het dagelijks bestuur stelt de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.
5Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Artikel 26. Betaling bijdrage
1Het algemeen bestuur regelt hoe de bijdragen van de deelnemers worden bepaald. In de begroting wordt vervolgens vastgelegd welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is aan de omgevingsdienst.
2De deelnemers betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 2 januari en vóór 1 juli telkens de helft van de in het eerste lid bedoelde bijdrage.
3Het dagelijks bestuur kan bepalen dat een van het in het eerste lid bedoelde bedrag afwijkend voorschot wordt betaald.
4Uiterlijk 1 juni van enig jaar vindt per deelnemer een eerste afrekening plaats over het voorafgaande boekjaar overeenkomstig het ontwerp van de voorlopige jaarrekening.
5De definitieve afrekening vindt plaats binnen twee maanden na vaststelling van de jaarrekening.
6De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te voldoen.
7Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat een deelnemende gemeente weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.
8Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat een deelnemende provincie weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, dan wel de minister die het aangaat, het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 Provinciewet.
Artikel 27. Financiële voorschriften
Het algemeen bestuur stelt voorschriften vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en het financieel beheer van de omgevingsdienst.
Hoofdstuk 9: Archiefbescheiden
Artikel 28. Archief
1Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen ingesteld bij de gemeenschappelijke regeling overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling, die aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld.
2Gedeputeerde staten oefenen toezicht uit op de aan het dagelijks bestuur opgedragen zorg voor de archiefbescheiden.
3De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Den Haag.
4De archivaris van de gemeente Den Haag oefent toezicht uit op het onder het derde lid genoemde beheer.
5Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde organen is aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Den Haag.
6Na opheffing van de gemeenschappelijke regeling worden de onder het derde lid bedoelde archiefbescheiden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Den Haag.
7De onder het vijfde lid bedoelde archiefbescheiden worden beheerd door de archivaris van de gemeente Den Haag.
Hoofdstuk 10: Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing
Artikel 29. Toetreding
1Toetreding door een andere gemeente of een ander bestuursorgaan tot de regeling vindt plaats bij schriftelijk verzoek van het daartoe bevoegde orgaan van de betreffende gemeente of dat overheidsorgaan aan het bestuur.
2Toetreding kan slechts plaatsvinden wanneer alle deelnemers daarin bij eensluidend besluit toestemmen, onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de wet.
3In het besluit als bedoeld in het tweede lid kan toetreding afhankelijk worden gesteld van het voldoen aan bepaalde voorwaarden door de betrokken gemeente of bestuursorgaan.
4Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding van nieuwe deelnemers .
Artikel 30. Uittreding
1Een deelnemer kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de wet.
2De deelnemer zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het dagelijks bestuur.
3Het dagelijks bestuur beziet de consequenties van het besluit tot uittreding en informeert het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur doet een unaniem voorstel tot uittreding.
4Uittreding vindt plaats indien de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers instemmen met de afwikkeling van de financiële en organisatorische gevolgen daarvan.
5De uittreding kan eerst plaatsvinden per 1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur heeft ingestemd met de uittreding, tenzij het algemeen bestuur een andere datum heeft bepaald.
6Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke uiterlijk zes maanden na het moment van het voorstel tot uittreding worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.
7Indien een deelnemer uit de regeling wenst te treden, zal in het kader van de afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan een toewijzing van personeel aan deze deelnemer plaatsvinden en zal er een compensatie verschuldigd zijn voor de overige rechten en verplichtingen.
8De hoeveelheid toe te wijzen personeel wordt bepaald op basis van de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding en betreft zowel het directe als het indirecte personeel.
9De hoeveelheid toe te wijzen indirect personeel en de overige rechten en verplichten worden bepaald op basis van de kostenverdelingen, welke zijn opgenomen in de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding.
10Compensatie voor de overige rechten en verplichtingen zal in een bijdrage ineens worden voldaan. Deze bijdrage is gelijk aan driemaal de op de in het zevende lid aangegeven wijze bepaalde hoeveelheid overige rechten en verplichtingen.
Artikel 31. Wijziging
1De colleges en gedeputeerde staten, het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. Alleen het algemeen bestuur kan, op grond van artikel 7, tweede lid, van de regeling, een voorstel doen tot wijziging van de stemverhouding.
2Deze regeling kan worden gewijzigd indien tweederde van het aantal deelnemers daarmee heeft ingestemd.
3De artikelen 2, 4, 6 eerste tot en met het vierde lid, 7, 11 eerste en tweede lid, 29, 30, 31 en 32 van deze regeling kunnen alleen worden gewijzigd indien de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers daarmee instemmen.
4De raden en provinciale staten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpregeling naar voren brengen.
Artikel 32. Opheffing
1De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle colleges en gedeputeerde staten.
2Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden en provinciale staten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze ter kennis te brengen.
3De deelnemers verbinden zich in geval van opheffing van het openbaar lichaam een liquidatieplan op te stellen dat voorziet in de verdeling van de rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de deelnemers op een in dat plan te bepalen wijze.
4Het liquidatieplan voorziet in ieder geval in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel en stelt regels voor de wijze waarop de deelnemers, voor zover het saldo ontoereikend is, zorgdragen voor de nakoming van de verplichtingen van de omgevingsdienst.
5In geval van een batig saldo wordt dit naar rato van de jaarlijkse bijdrage uitgekeerd aan de deelnemers.
6Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie, tenzij het algemeen bestuur anders besluit.
7De deelnemers blijven na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.
Hoofdstuk 11: Slotbepalingen
Artikel 33. Geschillenregeling
1Voordat over geschillen omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van een regeling tussen besturen van de deelnemers of tussen besturen van een of meer deelnemers en het bestuur van het openbaar lichaam, de beslissing van de rechter wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan de Commissaris van de Koningin in de provincie Zuid-Holland.
2De commissaris hoort de bij het geschil betrokken partijen.
3De commissaris brengt binnen drie maanden advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.
4Indien de aard van het geschil daartoe aanleiding geeft, dan wel indien een bestuursorgaan van de provincie partij is in het geschil, laat de commissaris zich bij de voorbereiding van het in het derde lid bedoelde advies bijstaan door twee door hem aan te wijzen burgemeesters van deelnemende, niet als partij bij het geschil betrokken gemeenten.
Artikel 34. Slotbepaling
1De regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking door gedeputeerde staten in het Provincieblad.
2Gedeputeerde staten zenden de regeling aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
3De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien het algemeen bestuur daartoe besluit. Het dagelijks bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen.
4Gedeputeerde staten maken een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede van besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling tijdig bekend in het Provincieblad.
Artikel 35. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden”.