Aanhef
Gedeputeerde staten van Zuid-Holland maken bekend dat zij in hun vergadering van 16 juni 2026 hebben vastgesteld het hiernavolgend Gemeenschappelijk financieel toezichtkader GTK 2026 Gemeenten.
GEMEENSCHAPPELIJK FINANCIEEL TOEZICHTKADER
GTK 2026 Gemeenten
Overige vormen van toezicht
Herindelingen
Artikel 12 Financiële-verhoudingswet
Regeling aanvullende uitkering gemeentefonds
In de Regeling aanvullende uitkering gemeentefonds zijn nadere regels neergelegd voor het nemen van een besluit omtrent het verlenen van een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds conform Artikel 12 Artikel 12 Financiële-verhoudingswet.
De regels betreffen onder andere het verslag dat GS uitbrengen over de financiële positie van de gemeente die een aanvullende uitkering heeft aangevraagd. Bovendien worden de bij de besluitvorming te hanteren begrippen ‘aanmerkelijk tekort’ en ‘redelijk peil van de eigen inkomsten’ nader bepaald.
De regeling bevat ook enkele beleidsregels die de ministers van BZK en Financiën zullen hanteren bij het beslissen op een verzoek omtrent een aanvullende uitkering. Deze regels strekken ertoe dat bij de besluitvorming géén honorering plaatsvindt van financieel beleid van de gemeente dat heeft geleid of kan leiden tot een verzwakking van de financiële positie van de gemeente. De regels beogen tevens te bewerkstelligen dat gemeenten die een aanvullende uitkering willen ontvangen, en gemeenten die zo'n uitkering ontvangen, het niveau van eigen inkomsten op een redelijk peil brengen en respectievelijk op dit peil houden.
Verslag van GS
In artikel 2 Regeling aanvullende uitkering gemeentefonds is bepaald dat door GS een verslag wordt uitgebracht over de financiële positie van een gemeente. GS zenden dit verslag gelijktijdig aan de ministers en de raad.
Het verslag is een logisch gevolg van de toezichthoudende verantwoordelijkheid inzake de financiële positie van gemeenten die aan GS in de Gemeentewet is toegekend. Het verslag geeft inzicht in de oorzaken van de ontstane financiële problematiek en de maatregelen die de provincie heeft genomen. In de regel zal een gemeente die tot het aanvragen van een aanvullende uitkering overgaat, al de bijzondere aandacht van GS hebben, omdat zij al eerder onder preventief toezicht is gesteld. De gegevens van de betreffende gemeente, die in dit verslag moeten worden opgenomen, zijn in dat geval bij GS bekend.
Het verslag van GS bevat in ieder geval:
•Een beschrijving van de maatregelen die GS hebben getroffen om de gemeente te bewegen maatregelen te nemen om structureel evenwicht in de begroting van de gemeente te brengen of te houden.
•Een analyse van de ontwikkelingen in de lasten en baten van de gemeente.
•Een analyse van de ontwikkelingen in de reserves en voorzieningen van de gemeente.
•Een analyse van de ontwikkelingen in de gegevens over de fysieke, sociale en financiële structuur van de gemeente.
•Een berekening en beoordeling van de mate waarin sprake is van een aanmerkelijk en structureel tekort en van een redelijk peil van de eigen inkomsten van de gemeente. (Zie voor ‘redelijk peil’: Artikel 24 van het besluit financiële verhouding 2001
4Het percentage van de heffingsmaatstaf, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder a, van het besluit financiële verhouding 2001, bedraagt 0,1164.
en Artikel 4 Regeling aanvullende uitkering gemeentefonds)
Bij het verslag worden betrokken:
•De vastgestelde begroting van de gemeente voor het jaar waarover de aanvullende uitkering wordt aangevraagd.
•De begrotingswijzigingen die gelijktijdig met de begroting zijn vastgesteld.
•De begrotingen voor de vijf jaren voorafgaand aan het onder het eerste punt bedoelde jaar.
•De rekeningen over de vier jaren die voorafgaan aan het jaar waarin een aanvullende uitkering voor een volgend jaar wordt gevraagd.
Het verslag van GS vormt voor de artikel 12-inspecteur bij het ministerie van BZK achtergrondinformatie bij het te verrichten onderzoek. Bij een eerste aanvraag van een aanvullende uitkering door een gemeente zal het verslaguitgebreider zijn. Bij eventueel daaropvolgende jaren kunnen GS zich beperken tot het redelijk peil van de eigen heffingen en actuele ontwikkelingen. Over de jaren waarover een gemeente een aanvullende uitkering zal ontvangen wordt ook verslag gedaan van de mate waarin in de gemeente sprake is van een aanmerkelijke verbetering van de financiële positie. Daarnaast wordt ingegaan op de wijze waarop de gemeente zich heeft gehouden aan de van toepassing zijnde voorschriften.
GS hebben specifieke verantwoordelijkheden in verband met het toezicht op de gemeentelijke begroting. Het verslag zal daarom behalve op de meer financieel technische aspecten en een analyse ervan, ook moeten ingaan op de maatregelen die in het ambtelijk en eventueel bestuurlijk verkeer zijn overeengekomen, of van de zijde van de provincie zijn ingebracht. Het gaat hierbij om de afspraken die zijn gemaakt en de wijze waarop hier door de gemeente mee is omgegaan.
De analyse van de lasten en de baten van de gemeente richt zich zowel op de toekomst (onontkoombare en onuitstelbare lasten voor nieuw beleid) als op het verleden. Van belang is wat het lastenpatroon van een gemeente is geweest in de jaren voorafgaand aan de artikel 12-aanvraag. De analyses van de ontwikkelingen in de reserves en voorzieningen en ontwikkelingen in de gegevens over de fysieke, sociale en financiële structuur moeten hierin meer inzicht geven. (Bron: Toelichting bij het besluit van 14 november 1996, Stcrt. 1996, 239)
1. Toelichting op het risicomodel
Algemeen
In het GTK 2020 en de ATT is aangegeven dat de toezichthouders (financieel toezicht) een werkwijze ontwikkelen met behulp waarvan proportioneel en risicogericht toezicht kan worden uitgeoefend. Dit voornemen sluit aan bij het antwoord van het kabinet aan de 2e Kamer over de ontwikkeling van de criteria voor het financieel toezicht.
Vanuit dit gezichtspunt is een risicomodel ontwikkeld waar de provincies al enige ervaring mee hebben opgedaan. Het risicomodel wordt primair als een (intern) hulpmiddel voor de toezichthouder gebruikt. Het model zal verder worden doorontwikkeld.
Het uitgangspunt is dat er zoveel mogelijk informatie uit de (openbare) stukken van de gemeenten wordt benut. In gevallen dat dat niet zo is en aanvullende gegevens noodzakelijk zijn, wordt alsnog contact gezocht met betreffende gemeente.
De optelsom van de indicatoren geeft inzicht in het risicoprofiel van gemeenten. Onderstaand zijn de (huidige) indicatoren uit het risicomodel aangegeven:
Structureel en reëel evenwicht
1
Structureel begrotingsresultaat N
2
Structureel begrotingsresultaat N+1
3
Structureel begrotingsresultaat N+2
4
Structureel begrotingsresultaat N+3
5
Structureel resultaat jaarrekening N-2
6
Lasten (totaal) sociaal domein hoger of lager dan geraamd in laatste jaarrekening
Onderhoud Kapitaalgoederen
7
Aantal actuele beheerplannen (wegen, kunstwerken en gebouwen)
8
Achterstallig onderhoud (ja/ nee, herstelplan?)
9
Lasten beheerplannen correct geraamd in begroting?
Taakstellingen, Bezuinigingen en Ombuigingen
10
Taakstellingen, Bezuinigingen en Ombuigingen (opgave gemeente)
Weerstandsvermogen
11
Weerstandsratio (oordeel gemeente)
12
Risicobedrag per inwoner (vergeleken met gemiddelde provincie/landelijk)
13
Algemene reserve per inwoner (vergeleken met gemiddelde provincie/landelijk)
Kengetallen
14
Netto schuldquote
15
Solvabiliteitsratio
16
Onbenutte belastingcapaciteit (wendbaarheid)(OZB, Afval en Riool)
Grondexploitaties
17
Kengetal grondexploitaties
18
Nog te maken kosten grondexploitaties
19
Nog te realiseren opbrengsten grondexploitaties
Verbonden partijen
20
Structurele lasten (bijdrage aan) verbonden partijen
2. Rekenvoorbeeld onderuitputting kapitaallasten
De norm van de maximale toegestane onderuitputting kapitaallasten van 20% is gebaseerd op een analyse van de IV3-rapportages van alle Nederlandse gemeenten voor de kostensoort afschrijvingen over de jaarrekening 2024 ten opzichte van de begroting 2024.Deze is aangevuld met de rentecomponent en de inschatting van de investeringen in rioleringswerken en investeringen gedekt door bestemmingsreserves kapitaallasten.
Voor de berekening van de onderuitputting kapitaallasten gaan we uit van nieuwe investeringen van het begrotingsjaar B-1. Aangenomen mag worden dat eerdere investeringen zijn gerealiseerd of opnieuw zijn gepland.
Op de volledige kapitaallasten dienen de bijdrage uit de reserve kapitaallasten en de afwijkingen op kapitaallasten van riool- en afvalinvesteringen welke indirect worden gedekt via egalisatie-voorzieningen, gecorrigeerd te worden.
Afhankelijk van het gekozen startmoment van afschrijving (meeste gemeenten gebruiken de methodiek: afschrijving start in het sjaar na de investering) zijn de nieuwe kapitaallasten van begrotingsjaar B gebaseerd op de investeringen van begrotingsjaar B-1. Door vertraging in de uitvoering van investeringen in begrotingsjaar B-1 treedt onderuitputting op in de nieuwe kapitaallasten begrotingsjaar B. Het is niet aannemelijk dat deze onderuitputting van begrotingsjaar B-1 ook in latere begrotingsjaren optreedt en daarmee een structureel karakter krijgt. Dat geldt wel voor de investeringen uit begrotingsjaar B welke door vertraging in de uitvoering kunnen leiden tot onderuitputting kapitaallasten in het begrotingsjaar B+1. Idem ook voor latere investeringsjaren.
Fictief investeringsplan 2026-2030
Uitgangspunten:
•Gemiddelde afschrijvingsduur van 20 jaar
•Rente van 3%
•Afschrijving start in het jaar volgend op het investeringsjaar
•Rente in het investeringsjaar is ½ * 3% (aanname: investeringen worden gedurende het gehele jaar gestart)
2026
2027
2028
2029
2030
Investeringen
20.000.000
18.000.000
30.000.000
25.000.000
42.000.000
Waarvan ten laste van reserve kapitaallasten
-2.000.000
-3.000.000
-4.000.000
-4.500.000
-5.000.000
Waarvan ten laste van gesloten riool/afvalexploitatie
-2.000.000
-2.000.000
-2.500.000
-3.000.000
-3.500.000
Resterende investeringen
16.000.000
13.000.000
23.500.000
17.500.000
33.500.000
Programmabegroting
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Afschrijving volgend uit vorig investeringsjaar
800.000
650.000
1.175.000
875.000
1.675.000
Rente volgend uit vorig investeringsjaar
480.000
390.000
705.000
525.000
1.005.000
Rente uit lopend investeringsjaar
240.000
195.000
352.500
262.500
502.500
0
Totaal kapitaallasten investeringen B-1
1.475.000
1.392.500
2.142.500
1.902.500
2.680.000
Maximale onderuitputting à 20%
295.000
278.500
428.500
380.500
536.000
Toelichting:
•De investeringen 2026 (netto € 16 miljoen) leiden tot kapitaallasten in 2027 van € 1.475.000;
•De investeringen 2027 (netto € 13 miljoen) leiden tot kapitaallasten in 2028 van € 1.392.500;
•De investeringen 2028 (netto € 23,5 miljoen) leiden tot kapitaallasten in 2029 van € 2.142.500;
•De investeringen 2029 (netto € 17,5 miljoen) leiden tot kapitaallasten in 2030 van € 1.902.500;
•De toegestane onderuitputting bedraagt maximaal 20% van de nieuwe investeringen van het vorige boekjaar. De onderuitputting werkt niet cumulatief door en moet worden onderbouwd op basis van de laatste twee jaarrekeningen.
4. Begrippenlijst
Achterstallig onderhoud
Onderhoud dat niet op tijd is uitgevoerd, waardoor een onderhoudsrichtlijn is overschreden en niet (meer) wordt voldaan aan het door de raad vastgestelde kwaliteitsniveau. Achterstallig onderhoud kan leiden tot schade en / of onveilige situaties, hetgeen vaak leidt tot hogere herstelkosten.
Algemene reserve
Eigen vermogensbestanddeel waaraan door de raad nog geen bestemming is gegeven.
Begrotingsanalyse
De gemeente kan een vergelijking maken van haar uitgaven en die van een andere gemeente of gemeenten. Hiervoor is een digitaal rekenblad beschikbaar via: www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2016/04/28/begrotingsanalyse-2016 Gemeenten kunnen deze zelf invullen.
Begrotingsscan
GS maken – in samenwerking met de gemeente - een begrotingsscan, gebaseerd op data van de gemeente en het ministerie van BZK. Zij beoordelen de financiële situatie en doen aanbevelingen voor verbetering. Alleen gemeenten die door hun financiële positie onder preventief toezicht staan van de provincie kunnen deze scan aanvragen.
Berichtenbox
Een persoonlijk, beveiligde brievenbus voor digitale post van overheidsorganisaties.
Bestemmingsreserves kapitaallasten
Bestemmingsreserves voor het dekken van kapitaallasten van reeds gerealiseerde of nog te realiseren investeringen. De omvang van de reserve moet bij besluitvorming voldoende zijn om (een deel van) de kapitaallast gedurende de gehele afschrijvingstermijn te dekken.
Bezuinigingsmaatregelen
Lasten verlagende maatregelen om een begrotingstekort weg te werken. Een bezuiniging is iets wat al rechtstreeks op de lasten van de begroting wordt verwerkt. In de begroting zijn deze bezuinigingen op programmaniveau verwerkt.
Budgetrecht
De bevoegdheid om financiële middelen beschikbaar te stellen. Door de begroting vast te stellen geeft bijvoorbeeld de raad het college toestemming om geld uit te geven aan de afgesproken activiteiten.
Checks and balances
Systeem waarbij bevoegdheden over verschillende organen worden verspreid en ieder orgaan over de uitoefening van zijn bevoegdheden verantwoording verschuldigd is aan een ander orgaan.
Dekkingsmiddelen
Middelen die worden gegenereerd c.q. aangewend om de lasten in de begroting op te vangen.
Dringende spoed
Verplichtingen zijn aangegaan zonder vooraf verkregen goedkeuring van GS. Het gaat hier om uitgaven waarbij voorafgaande toestemming van GS niet tijdig mogelijk was (Art. 209 Gemeentewet).
Financiële functie
Alles wat van belang is voor de wijze waarop gemeenten omgaan met hun financiële middelen, zoals de beleidsbegroting, financiële begroting, meerjarenraming, de productenraming, het jaarverslag en de jaarrekening, de treasuryfunctie, de planning en control, de kostprijzen, de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid.
Financiële kengetallen
Getallen waarmee inzicht verkregen kan worden in de financiële positie van een gemeente.
Financiële positie
Het vermogen van een gemeente in relatie tot de exploitatie, met inachtneming van de risico’s. Belangrijk daarbij is dat het bij de financiële positie uitdrukkelijk gaat om het beeld van de financiën van de gemeente in het recente verleden (rekeningen) en over het begrotingsjaar en de daarop volgende jaren (meerjarenraming)
Geïnventariseerde risico’s
In kaart gebrachte kansen op gevaar of schade met financieel gevolg van substantiële omvang.
Gekwantificeerde risico’s
Het totaal van de financiële gevolgen van de kansen op gevaar of schade
Groot Onderhoud
Uitvoering van correctieve maatregelen, als gevolg van slijtage na een langere periode van gebruik, om een object in goede staat (op een vooraf bepaald kwaliteitsniveau) te houden of te brengen. Groot onderhoud dient zich in de regel aan, is daarom vaak gepland, is veelal ingrijpend van aard en betreft een groot of belangrijk deel van het object.
Herstelplan
Een beschrijving van de maatregelen die getroffen worden om een bepaald doel (bijvoorbeeld oplossen van een financieel probleem of een begrotingstekort) te bereiken. Het plan geeft tevens aan binnen welke periode dit gebeurt.
Incidentele baten
De aard van de begrotingspost is altijd leidend voor het al dan niet incidentele karakter ervan. Een hulpmiddel bij het bepalen van het karakter van de begrotingspost is de tijdsduur. Incidentele baten zijn posten die het begrotingssaldo incidenteel beïnvloeden. Baten die zich drie jaar of minder voordoen kunnen worden gekwalificeerd als incidenteel, maar kunnen ook structureel van aard zijn. Lasten die zich vier jaar of langer voordoen zijn in beginsel structureel van aard. De scheidslijn tussen drie jaar of langer is een hulpmiddel bij het bepalen of er sprake is van structureel of incidenteel; de soort of de eigenschap van een begrotingspost van het taakveld gaat altijd boven dit hulpmiddel.
Incidentele lasten
De aard van de begrotingspost is altijd leidend voor het al dan niet incidentele karakter ervan. Een hulpmiddel bij het bepalen van het karakter van de begrotingspost is de tijdsduur. Incidentele lasten zijn posten die het begrotingssaldo incidenteel beïnvloeden. Lasten die zich drie jaar of minder voordoen kunnen worden gekwalificeerd als incidenteel, maar kunnen ook structureel van aard zijn. Lasten die zich vier jaar of langer voordoen zijn in beginsel structureel van aard. De scheidslijn tussen drie jaar of langer is een hulpmiddel bij het bepalen of er sprake is van structureel of incidenteel; de soort of de eigenschap van een begrotingspost van het taakveld gaat altijd boven dit hulpmiddel.
Intensiever financieel toezicht
Het verzwaren van het toezicht door GS, zowel inhoudelijke als procedureel, op het structureel in evenwicht zijn van de begroting en de jaarstukken van de gemeente.
Investeringsbudgetten
Het bedrag dat beschikbaar gesteld wordt om investeringen te doen waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt.
Inzendtermijnen
De periode waarbinnen financiële stukken, op basis van de Gemeentewet, ingezonden dienen te worden aan GS.
Klein onderhoud
Preventieve maatregelen en dagelijkse reparaties die noodzakelijk zijn om het object in goede, werkende en veilige staat te houden tegen een van te voren vastgesteld kwaliteitsniveau.
Kwaliteitsniveau van het onderhoud
Een maat (norm) voor de staat van onderhoud waarop een kapitaalgoed zich moet bevinden.
Lokale heffingen
Retributies en eigen belastingen die de gemeente ontvangt op basis van publiekrechtelijke regels, zoals bijvoorbeeld onroerende zaakbelasting, leges, rioolheffing en afvalstoffenheffing.
Materiële vaste activa
Investeringen met een meerjarig economisch nut of met een meerjarig maatschappelijk nut.
Onderuitputting
Er is sprake van onderuitputting wanneer er minder lasten worden gerealiseerd dan begroot. Dit wordt ook wel onderschrijding van de begroting genoemd. Artikel 189, lid 2, van de Gemeentewet bepaalt dat de begroting structureel en reëel sluitend hoort te zijn. Vanuit dit uitgangspunt wordt het opnemen van een algemene stelpost voor onderuitputting niet wenselijk geacht, omdat dit kan wijzen op een te weinig realistische raming. Specifieke stelposten onderuitputting kunnen daarentegen passend zijn, mits zij goed zijn onderbouwd en aansluiten bij reële verwachtingen. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van historische patronen ter ondersteuning van de onderbouwing.
Onontkoombaar en onuitstelbaar
Hieraan wordt voldaan wanneer:
•er sprake is van een wettelijke verplichting, of
•uitstel leidt tot aansprakelijkheidsstelling of kapitaalvernietiging, of
•toekomstige onvermijdbare uitgaven worden voorkomen.
Ombuigingen
Bijstelling van de ramingen op grond van beleidsinhoudelijke overwegingen. Een ombuiging heeft geen gevolgen voor de hoogte van de totale begroting, maar kan wel budgettaire gevolgen hebben op programma- of taakveldniveau.
Onderhoud kapitaalgoederen
Het systematisch aan de hand van beheerplannen onderhouden van in de gemeente aanwezige kapitaalgoederen.
Opschuivend sluitend meerjarenperspectief
In de Gemeentewet is bepaald dat een meerjarenraming voor (tenminste) de drie jaren volgend op het begrotingsjaar wordt opgesteld. Als het begrotingsjaar geen structureel en reëel evenwicht laat zien, moet aannemelijk worden gemaakt dat het evenwicht uiterlijk in het derde jaar van de meerjarenraming door de gemeente tot stand kan worden gebracht. Het is daarom in beginsel voor GS niet acceptabel als ieder jaar opnieuw een meerjarenraming wordt opgesteld waarbij er uitsluitend in het laatste jaar weer evenwicht is.
Preventief toezicht
Wanneer de begroting niet aan de wettelijke criteria voor structureel en reëel evenwicht voldoet, is er sprake van preventief toezicht. In dat geval behoeven de begroting en de daarop volgende wijzigingen vooraf de goedkeuring van GS.
Prijscompensatie
In het kader van reëel ramen moet, als een gemeente de algemene uitkering op basis van lopende prijzen heeft geraamd, aan de lastenkant van de meerjarenraming rekening worden gehouden met een mutatie van de prijsontwikkeling van tenminste het in de gehanteerde circulaire genoemde Bruto Binnenlands Product.
Reconstructie van een weg
Maatregelen om de verharding en de inrichting van de weg aan te passen aan de huidige (hogere) eisen.
Reëel evenwicht
Met reëel evenwicht wordt bedoeld dat de geraamde baten en lasten in de begroting en meerjarenraming volledig en realistisch zijn.
Repressief toezicht
Wanneer de begroting aan de wettelijke criteria voor structureel en reëel evenwicht voldoet en tijdig is ingezonden, is er sprake van repressief toezicht. Dit is de standaardvorm van toezicht en houdt in dat de begroting en de begrotingswijzigingen direct uitgevoerd kunnen worden (rechtskracht krijgen), zonder afhankelijk te zijn van een voorafgaande goedkeuring van GS.
Realiteit van de ramingen
Bij de toets of het realiteitsgehalte van de ramingen voldoende is, spelen diverse aspecten een rol. Zo is bijvoorbeeld voor de toetsing van het realiteitsgehalte het verschil tussen vorige begrotingen en de jaarrekeningen van belang. Onder- of overschatten is een belangrijk signaal voor GS.
Risicogericht en proportioneel toezicht
GS bepalen aan de hand van de bij de gemeente door hem geconstateerde risicovolle zaken hoeveel (extra) aandacht een gemeente naar zijn oordeel nodig heeft. De intensiteit van het onderzoek en het contact met de gemeente wordt daarop afgestemd.
Risico-inventarisatie
Een overzicht van de kansen van een positieve of een negatieve gebeurtenis van materieel belang.
Risicomanagement
De gestructureerde beheersing van het risico, dat een organisatie om financiële dan wel niet financiële redenen de beleidsdoelen niet of niet volledig realiseert, dan wel slechts met niet-begrote kosten en/of niet binnen de geplande tijd.
Signaleringswaarde
Het door GS gehanteerde criterium om een kengetal te wegen.
Stelpost
Begrotingspost waarvan de concretisering nog moet worden uitgewerkt.
Structureel en reëel evenwicht (SRE)
Deze situatie is aan de orde als, uitgaande van het bestaande beleid en inclusief nieuw aanvaard beleid,
-alle structurele lasten tenminste worden gedekt door structurele baten en
-incidentele lasten worden gedekt door incidentele baten of structurele baten.
Taakstelling
Opdracht tot bezuinigingen, terwijl (nog) geen concrete maatregelen zijn genomen. Pas op langere termijn worden de positieve financiële effecten verwacht.
Termijnoverschrijding
De situatie waarbij de gemeente niet in staat is om de verplicht toe te zenden financiële stukken aan te leveren bij GS binnen de daartoe gestelde termijnen of vóór de daartoe vastgestelde data.
Toezichtcriterium structureel en reëel evenwicht
De begroting is structureel en reëel in evenwicht. De structurele baten dekken in het begrotingsjaar de structurele lasten en de ramingen zijn realistisch. Als de begroting niet structureel en reëel in evenwicht is, dan moet aannemelijk zijn gemaakt dat dit evenwicht uiterlijk in het laatste jaar van de meerjarenraming tot stand wordt gebracht.
Transparant
Van tevoren is helder wat GS van de gemeente verwacht en wat de gemeente van GS kan verwachten.
Uitkering Artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet
Een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds, die op grond van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet voor één of meerdere jaren door de beheerders van het gemeentefonds wordt verstrekt, op verzoek van een gemeente waarvan de algemene middelen aanmerkelijk én structureel tekort schieten om in de noodzakelijke behoefte te voorzien, terwijl de eigen inkomsten van die gemeente zich op een redelijk peil bevinden.
Vakberaad Gemeentefinanciën
Het ambtelijk overlegorgaan van de gezamenlijke toezichthouders (provincies en BZK) en vertegenwoordigers van de VNG en ROB. Hier vindt ook de landelijke afstemming van het financieel toezicht plaats.
Verbeterplan
Een beschrijving van de maatregelen die getroffen worden om een bepaald doel te bereiken. Het plan geeft tevens aan binnen welke periode dit gebeurt.
Weerstandsvermogen
Het weerstandsvermogen geeft de mate aan waarin de gemeente in staat is middelen vrij te maken dan wel middelen heeft vrijgemaakt om niet begrote financiële tegenvallers op te vangen, zonder ingrijpende beleidswijzigingen. Het weerstandsvermogen bestaat uit twee onderdelen, namelijk de beschikbare weerstandscapaciteit en de risico’s. Het weerstandsvermogen geeft de verhouding tussen deze twee onderdelen aan.
Weerstandscapaciteit, incidenteel
Het vermogen om onverwachte eenmalige tegenvallers op te kunnen vangen, zonder dat dit invloed heeft op de voortzetting van taken op het geldende niveau.
Weerstandscapaciteit, structureel
Het vermogen om onverwachte tegenvallers structureel in de lopende begroting op te vangen, zonder dat dit ten koste gaat van de uitvoering van de bestaande taken.