Provinciale wetgeving

Subsidieverordening inrichting landelijk gebied Zeeland

Provincie Zeeland · geldt sinds 12 oktober 2011

Aanhef

Gedeputeerde staten van Zeeland,

-overwegende dat in verband met artikel 11, derde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied regeling nodig is van de subsidies die de provincie zal verstrekken uit het Investeringsbudget landelijk gebied;

-gelet op artikel 11, derde lid van de Wet inrichting landelijk gebied juncto het besluit van provinciale staten van 8 december 2006 en het besluit van provinciale staten van 9 november 2007 ex artikel 11, vierde lid van de Wet inrichting landelijk gebied;

-gelet op artikel 4:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

besluiten vast te stellen de navolgende Subsidieverordening inrichting landelijk gebied Zeeland:

Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a.de wet: de Wet inrichting landelijk gebied (Staatsblad 2006, nr. 666);

b.meerjarenprogramma: provinciaal meerjarenprogramma voor het gebiedsgerichte beleid als bedoeld in artikel 4 van de wet;

c.plattelandsontwikkelingsprogramma: het Nederlandse programma voor plattelandsontwikkeling 2007 tot en met 2013 als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EG) 1698/2005 (PbEU L 277);

d.aanbestedende dienst: een publiekrechtelijke rechtspersoon of publiekrechtelijke instelling als bedoeld in artikel 1, negende lid, van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, d.d. 31 maart 2004, betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEU L 134/114);

e.steunmodule: een regeling voor de verstrekking van een subsidie die als steunmaatregel als bedoeld in artikel 11 van de wet wordt beschouwd.

Artikel 2 Subsidieverstrekking

1Deze verordening is niet van toepassing op subsidies waarop de Subsidieregeling natuurbeheer Zeeland of de subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Zeeland van toepassing is.

2Gedeputeerde staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten als bedoeld in het meerjarenprogramma of de maatregelen als bedoeld in het plattelandsontwikkelingsprogramma. De criteria voor het verstrekken van subsidie zijn neergelegd in deel 2 van het Provinciaal Meerjarenprogramma Inrichting Landelijke Gebied 2007-2013.

3Indien de in het tweede lid genoemde subsidie kwalificeert als een steunmaatregel als bedoeld in artikel 11 van de wet, kan deze slechts worden verstrekt wanneer is voldaan aan de relevante voorwaarden die voortvloeien uit Verordening (EG) 1698/2005, (PbEU L 277); Verordening (EG) nr. 1974/2006 (PbEU L 368); Verordening (EG) nr. 1975/2006 (PbEU L 368); Verordening (EG) nr. 1857/2006, (PbEU L 358); Verordening (EG) nr. 70/2001, (PbEG L 10/33); Verordening (EG) nr. 1535/2007 (PbEU L 337); dan wel Verordening (EG) nr. 1998/2006 (PbEU L 379/5);

4Subsidie wordt slechts verstrekt:

a.voor kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de totstandkoming van een activiteit;

b.indien er geen strijd is met bestaand of reeds bekend toekomstig relevant overheidsbeleid;

c.indien de uitvoering van de prestaties kostenefficiënt geschiedt.

5Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.

6Gedeputeerde staten kunnen bij afzonderlijk besluit bepalen in welke delen van de provincie deze verordening of onderdelen van deze verordening van toepassing is.

7Gedeputeerde staten kunnen steunmodules vaststellen.

8Gedeputeerde staten kunnen jaarlijks per onderdeel van het Provinciaal Meerjarenprogramma Inrichting Landelijk Gebied 2007-2013 subsidieplafonds vaststellen per operationeel doel.

9Gedeputeerde staten kunnen voor verschillende subsidies een subsidiedrempel vaststellen.

Artikel 3 Niet subsidiabele kosten

1Er wordt geen subsidie verstrekt voor:

a.kosten die uit anderen hoofde zijn of worden gesubsidieerd;

b.kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de subsidieverlening;

c.kosten van bodemsanering voor zover verhaal op de vervuiler of een beroep op fondsen mogelijk is.

d.kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, boetes of sancties;

e.kosten van activiteiten die redelijkerwijs kunnen worden gedekt uit de inkomsten die met deze activiteiten verband houden;

f.kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen;

g.kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager, zoals onderhoud of herstelwerkzaamheden;

h.exploitatiekosten die niet verband houden met de aanloopfase van een activiteit.

2In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan wel subsidie worden verstrekt voor kosten van voorbereiding, planvorming, onderzoek of voorlichting voor zover:

a.die kosten zijn gemaakt vóór subsidieverlening en na ontvangstbevestiging van de subsidieaanvraag en

b.de subsidie niet kan worden aangemerkt als staatssteun als bedoeld in artikel 87 van het EG-verdrag

3In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan wel subsidie worden verstrekt voor kosten die zijn gemaakt vóór subsidieverlening en na ontvangstbevestiging van de subsidieaanvraag voor zover:

a.de Europese voorschriften inzake de verlening van staatssteun vergoeding van dergelijke kosten expliciet toestaan, of

b.het plattelandsontwikkelingsprogramma (POP2) 2007-2013 voor Nederland zoals goedgekeurd door de Commissie van de Europese Gemeenschappen bij beschikking C(2007) 3464 def. van 20 juli 2007 inclusief de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurde wijzigingen van dit programmadocument, vergoeding van dergelijke kosten toestaat.

Aanvraag en subsidieverlening

Artikel 4 Aanvraag

1Gedeputeerde staten kunnen tijdstippen of periodes voor het indienen van een aanvraag vaststellen, al dan niet voor afzonderlijke operationele doelen danwel categorieën van activiteiten.

2Een aanvraag om subsidie wordt ingediend bij gedeputeerde staten op een daartoe vastgesteld formulier.

Artikel 5 Gegevens bij de aanvraag

1De aanvraag bevat tenminste:

a.een concrete beschrijving van de activiteit,

b.een uiteenzetting van de wijze waarop de activiteit bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen van de provincie Zeeland,

c.duur van de activiteit,

d.het geografisch bereik waarop de activiteit betrekking heeft,

e.een concrete beschrijving van het verwachte resultaat en het na te streven kwaliteitsniveau,

f.een plan van aanpak,

g.een sluitende begroting waarin wordt vermeld of en bij welke instanties en tot welke bedragen voorts subsidies, sponsorgelden of andere bijdragen worden aangevraagd, en welke inmiddels zijn verleend en indien gevraagd wordt om een subsidie uit het plattelandsontwikkelingsprogramma de financiële planning in perioden van drie maanden,

h.documenten waaruit blijkt dat de bekostiging door medefinanciers zeker is;

i.een overzicht van alle andere subsidies die de aanvrager in de drie jaren die aan de aanvraag voorafgaan heeft verkregen of aangevraagd.

2Als subsidie ten behoeve van een samenwerkingsverband wordt aangevraagd, verstrekt de aanvrager de informatie of de verklaring als bedoeld in het eerste lid, onder i, voor iedere deelnemer in het samenwerkingsverband en tevens een exemplaar van de samenwerkingsovereenkomst.

Artikel 6 Beslistermijn verlening

1Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen 13 weken na ontvangst of, in voorkomend geval, binnen 13 weken na afloop van een termijn als bedoeld in artikel 4, eerste lid.

2Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste 13 weken verdagen.

3Voor beschikkingen waarbij sprake is van een tendersystematiek is het einde van de tender de aanvangsdatum van de beslistermijn voor de beschikkingverlening (13 of 26 weken).

Voorschotten

Artikel 7 Bevoorschotting

1Na subsidieverlening kunnen gedeputeerde staten op aanvraag een voorschot verstrekken.

2In afwijking van het eerste lid kunnen geen voorschotten worden verstrekt voor subsidies in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma.

3Het voorschot bedraagt minimaal € 1.000,- en wordt berekend naar rato van gemaakte en betaalde kosten, voorzover deze nog niet eerder bij een verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen.

4In totaal is het bedrag aan voorschotten niet groter dan 75 % van het maximaal te verlenen subsidiebedrag.

5Een verzoek om een voorschot wordt ingediend bij gedeputeerde staten op een daartoe vastgesteld formulier.

6Gedeputeerde staten kunnen in afwijking van het tweede lid, voordat kosten zijn gemaakt en betaald, een voorschot verstrekken aan een natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersoon als deze naar genoegen van gedeputeerde staten de financieringsbehoefte heeft aangetoond.

Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 8 Uitvoering activiteiten

1De activiteiten starten uiterlijk binnen twee maanden na subsidieverlening, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening een andere termijn is bepaald.

2De activiteiten worden afgerond binnen twee jaren na de subsidieverlening, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald.

Artikel 9 Opdrachten aan derden

1Indien de subsidieontvanger een aanbestedende dienst is, geldt de volgende verplichting:

a.als de aanbestedende dienst een publiekrechtelijke rechtspersoon is, dient deze voor de uitvoering van de activiteiten het eigen beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden toe te passen of, bij afwezigheid daarvan, het provinciale beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden;

b.als de aanbestedende dienst geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, dient deze het provinciale beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden toe te passen. Hiervan kan door gedeputeerde staten ontheffing worden verleend, indien de aanbestedende dienst aantoont dat haar eigen beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden naar Europese normen voldoende transparant, objectief en niet discriminatoir is.

2Indien de activiteiten voor meer dan 50% door een aanbestedende dienst worden gesubsidieerd, dient de subsidieontvanger het provinciale beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden toe te passen. Hiervan kan door gedeputeerde staten ontheffing worden verleend indien op het project het beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden van een andere overheid van toepassing is.

3De subsidieontvangende aanbestedende dienst voldoet bij de besteding van subsidies die voortvloeien uit het plattelandsontwikkelingsprogramma bij het verstrekken van opdrachten onder de aanbestedingdrempels aan de algemene Europeesrechtelijke uitgangspunten inzake transparantie, non-discriminatie en de mogelijkheid van rechtsbescherming.

Artikel 10 Boekhouding

1De subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor een juist inzicht in de realisatie van de te subsidiëren activiteiten en voor een juiste subsidieverstrekking, hetgeen inhoudt dat:

a.alle ontvangsten en uitgaven in de administratie zijn vastgelegd met onderliggende bewijsstukken;

b.bewijsstukken, als onderdeel van de administratie, aanwezig zijn ten name van de gesubsidieerde en dat daaruit de aard van de geleverde goederen en diensten duidelijk blijkt.

2De begunstigde moet met een gescheiden boekhouding kunnen aantonen, dat de subsidie alleen wordt besteed voor het project waarvoor de subsidie wordt verstrekt.

3De subsidieontvanger dient de administratie zeven jaren te bewaren vanaf beëindiging van de subsidiabele activiteiten, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald.

4De subsidieontvanger is verplicht aan gedeputeerde staten te allen tijde inzage te verlenen in de administratie en alle inlichtingen te verstrekken.

Artikel 11 Voortgang uitvoering

1De subsidieontvanger brengt eenmaal per jaar, of zo vaak als in de beschikking is bepaald, schriftelijk verslag uit aan gedeputeerde staten over de inhoudelijke en financiële voortgang van de activiteiten en legt daarbij over een overzicht van boekingsbescheiden en een overzicht van betaalde facturen van die periode.

2Gedeputeerde staten kunnen in de beschikking als bedoeld in het eerste lid bepalen dat rapportage over de voortgang geheel achterwege kan blijven.

Artikel 12 Publiciteit

1De subsidieontvanger vermeldt in iedere externe communicatie, dat de activiteit geheel of gedeeltelijk is gerealiseerd met financiële steun van de provincie en, indien van toepassing, van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling.

2Indien het een subsidie betreft in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma gelden de regels voor publiciteit zoals vermeld in artikel 58 van Verordening (EG) 1974/2006 en de daarbij behorende bijlage (bijlage VI, onder 2.2 en 3).

3Indien niet of niet volledig is voldaan aan de in het eerste lid bedoelde verplichting, wordt bij de vaststelling van de subsidie het toegezegde subsidiebedrag ten hoogste verlaagd met vijf procent met een maximum van € 5.000,-, tenzij het plattelandsontwikkelingsprogramma van toepassing is.

Artikel 13 Informatieverstrekking

De subsidieontvanger doet onmiddellijk mededeling aan gedeputeerde staten over alle feiten en omstandigheden, waaronder verzoeken tot zijn faillissement of tot surséance van betaling, waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij invloed kunnen hebben op de aanspraak op subsidie.

Vaststelling

Artikel 14 Aanvraag subsidievaststelling

1De subsidieontvanger dient de aanvraag tot vaststelling van subsidie in binnen drie maanden na afloop van de activiteiten, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald.

2De subsidieontvanger verstrekt bij de aanvraag om vaststelling van:

a.een subsidiebedrag van meer dan € 25.000,- een overzicht van de werkelijke inkomsten en uitgaven, voorzien van een verklaring van getrouwheid van een accountant waaruit blijkt dat de subsidie is aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt en dat de subsidieontvanger de activiteit rechtmatig heeft uitgevoerd en de subsidievoorschriften heeft nageleefd;

b.een subsidiebedrag van minder dan € 25.000,- een overzicht van werkelijke inkomsten en uitgaven, inclusief facturen en betalingsbewijzen, die door de subsidieontvanger is gewaarmerkt.

3De subsidieontvanger verstrekt bij de aanvraag een inhoudelijke eindrapportage en het in de beschikking genoemde prestatiebewijs waarmee wordt aangetoond dat de in de beschikking vermelde prestatieafspraak ook daadwerkelijk is gerealiseerd.

4De aanvraag wordt ingediend bij gedeputeerde staten op een daartoe vastgesteld formulier.

Artikel 15 Beslistermijn vaststelling

1Gedeputeerde staten stellen de subsidie vast binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

2Zij kunnen de beslissing eenmaal met ten hoogste twaalf weken verdagen.

Verplichtingen subsidieontvanger na subsidievaststelling

Artikel 16 Instandhouding

1De subsidieontvanger houdt minstens vijf jaar na subsidievaststelling, of zolang als in de beschikking is vermeld, de activiteiten of de resultaten van de activiteiten in stand.

2Gedeputeerde staten kunnen op verzoek ontheffing verlenen van het bij of krachtens het eerste lid bepaalde.

Artikel 17 Terugbetaling vergoeding

1In gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd die door gedeputeerde staten wordt vastgesteld.

2De vergoeding bedraagt maximaal het bedrag waarmee de subsidie heeft bijgedragen aan de vermogensvorming in verhouding tot de andere middelen die daaraan hebben bijgedragen.

3Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de economische waarde van eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het moment waarop de vergoeding verschuldigd wordt.

4In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten op verzoek beslissen dat een vergoeding niet verschuldigd is, als aan elke van de volgende voorwaarden is voldaan:

a.de activiteiten worden door een ander overgenomen,

b.de realisatie van de doelstelling komt niet in gevaar,

c.de activa en passiva worden tegen boekwaarde overgenomen.

Bijzondere en slotbepalingen

Artikel 18 Intrekking en terugvordering

1De subsidieverlening of subsidievaststelling kan worden gewijzigd of worden ingetrokken voor zover subsidieverstrekking in strijd is met ingevolge een verdrag voor de provincie geldende verplichtingen.

2Bij de vaststelling, intrekking of wijziging kan worden bepaald, dat over onverschuldigd betaalde subsidiebedragen een rentevergoeding verschuldigd is.

3De wijziging of intrekking werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verstrekt, tenzij bij de wijziging of intrekking anders is bepaald.

Artikel 19 Afwijkingsbevoegdheid

1Gedeputeerde staten kunnen de bepalingen en criteria gesteld bij of krachtens deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover toepassing, gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige subsidieverstrekking, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.

2In afwijking van het eerste lid kan niet van de verplichtingen als bedoeld in artikel 2, derde lid, en artikel 3, onderdelen a, c en g worden afgeweken.

3In afwijking van het eerste lid kan niet van de afwijkingsbevoegdheid gebruik worden gemaakt, indien dit zich niet verhoudt met Europeesrechtelijke verplichtingen.

Artikel 20 Toezicht

Gedeputeerde staten kunnen ambtenaren aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald.

Artikel 21 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad, waarin deze verordening wordt geplaatst.

Artikel 22 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Subsidieverordening inrichting landelijk gebied Zeeland.

Toelichting algemeen

Het gebiedsgericht werken en subsidie

De afgelopen jaren hebben rijk en provincie voortdurend verbetering gezocht van het gebiedsgerichte werken aan de ontwikkeling van het platteland. De provincies hebben in dit verband de planningen steeds verbeterd in nauwe samenwerking met alle betrokkenen in het gebied, zoals waterschappen, gemeenten, bedrijven en belangenorganisaties. De aldus ontstane samenwerking tussen de verschillende bestuurslagen heeft vorm gekregen in de Wet inrichting landelijk gebied (hierna: Wilg). Deze wet beoogt enerzijds het wettelijk landinrichtingsinstrumentarium te vereenvoudigen, anderzijds wordt een decentralisatie van taken van het Rijk naar de provincies en een deregulering beoogd. Belangrijke begrippen in de Wilg zijn het Rijks meerjarenprogramma, waarin het Rijk aangeeft welke doelen voor het gebiedsgerichte beleid het wil realiseren, het provinciaal meerjarenprogramma, waarin elke provincie voor zich aangeeft welke bijdrage die provincie kan leveren aan het bereiken van de doelen van het Rijk, en de bestuursovereenkomst, waarin het Rijk en provincie op basis van het provinciaal meerjarenprogramma afspraken maken met betrekking tot door het Rijk ter beschikking te stellen middelen in de vorm van een investeringsbudget en personele capaciteit van de Dienst Landelijk Gebied (hierna: DLG) en van de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna DR).

Het betreft hier een investeringsbudget voor een periode van zeven jaar. Dit budget dient te worden aangewend om een bijdrage te leveren aan het bereiken van de doelen van het gebiedsgerichte beleid van het Rijk, hetgeen onder meer kan geschieden door het verstrekken van subsidies. Daarnaast worden uit dit budget bijdragen verstrekt in de kosten voor uitvoering van opdrachten van de provincie voor gebiedsinrichting en grondverwerving.

De onderhavige verordening geeft - in samenhang met het door provinciale staten op 8 december 2006, provinciaal blad nr. 32 van 2006, vastgestelde Algemene Subsidieverordening Zeeland 2007 en het besluit van provinciale staten van 09 november 2007, provinciaal blad nr. 41 van 2007- de juridische basis voor het verstrekken van subsidies. Zij regelt in die zin alle subsidies (Europese, PMJP subsidies en hiermee samenhangende autonome provinciale middelen) die de provincie verleent voor de inrichting van het landelijk gebied als bedoeld in PMJP en het plattelandslandsontwikkelingsprogramma (POP-2).

Systeem: verwijzing naar Provinciaal Meerjarenprogramma (PMJP) en Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP)

De onderhavige verordening bevat de juridische grondslag voor subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 11, lid 3 van de Wet inrichting landelijk gebied (WILG) en daarnaast in hoofdzaak procedurele aspecten (in ruime zin), evenals subsidiabele kosten, algemene subsidievoorwaarden, rapportageplicht, evaluatie en toezicht.

In de programma's PMJP en POP-2 is vastgelegd voor welke activiteiten en doelen welke subsidies kunnen worden verstrekt en onder welke voorwaarden. Tevens is daarin opgenomen hoe in voorkomende gevallen subsidie kan worden verstrekt met inachtneming van de Europese vrijstellingsverordeningen, of overeenkomstig door de Europese Commissie goedgekeurde steunmodules. Dit biedt niet alleen flexibiliteit in de uitvoering maar ook transparantie en werkbaarheid van deze verordening. De DLG van het Ministerie van LNV zal voor POP-2 optreden als betaalorgaan en DR als delegated body voor ondernemer gerelateerde aanvragen van de assen 1 en 2. Verdere afspraken met DLG en DR krijgen per provincie nadere invulling.

Staatssteun en steunmodules

Hoewel een groot deel van de subsidies geen staatssteun zullen betreffen, moet het anderzijds van tevoren toch wél voldoende duidelijk zijn hoe aan belangrijke vereisten, zoals die van de EU voor staatssteun, wordt voldaan.

Dat gebeurt in artikel 2, derde lid. Op grond van de minimis verordeningen (EG) nr. 1998/2006 (PbEU L 379/5); en (EG) nr. 1535/2007 (PbEU L 337) voor het Midden- en Kleinbedrijf, resp. de landbouw, mag in een periode van drie jaar niet meer dan € 200.000 resp. € 7.500 per onderneming steun worden verleend. Het gaat hier om steun in welke vorm dan ook, dus bijv. ook belastingvoordelen tellen mee, van welke overheid dan ook. Deze minimissteun is vrijgesteld van de goedkeuringsprocedure zoals bedoeld in artikel 88 van het EG-Verdrag. Vervolgens zijn er EG vrijstellingsverordeningen onder meer voor het Midden- en Kleinbedrijf en voor de landbouw. Als subsidie wordt verstrekt met toepassing van deze verordeningen kan worden volstaan met een kennisgeving aan de Europese Commissie. De provincie zal gebruik gaan maken van de vrijstellingsverordeningen, door de toepassing ervan op te nemen in de PMJP subsidieverordening. Ten derde kan op basis van het POP-2 programma subsidie worden verstrekt voor de daar geregelde maatregelen, die immers door de Europese Commissie zijn goedgekeurd. Tenslotte kan subsidie worden verstrekt overeenkomstig de daarvoor geldende steunmodule, die eveneens door de Europese Commissie is goedgekeurd. Bestuurlijk is het commitment uitgesproken om deze steunmodules niet per provincie te ontwikkelen, maar ze in samenwerking tussen alle provincies, dan wel de provincies die het aangaat, en het Rijk te ontwikkelen.

Versterking van de voortgang in de uitvoering

Een aantal bepalingen is gericht op een versterking van de voortgang in de uitvoering. De provincie wil hier, met als uitgangspunt dat projecten uitvoeringsgereed zijn en na de subsidieverlening onmiddellijk kunnen starten, bevorderen dat de projecten ook professioneel en snel worden uitgevoerd en afgerekend. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de bevoorschotting (artikel 7), de uitvoering (artikel 8) en uit de manier waarop de voortgangsrapportages worden geregeld (artikel 11). De frequentie van voortgangsrapportages is eveneens afgestemd op de frequentie waarmee over voortgang van het plattelandsontwikkelingsprogramma door het rijk aan de EU moet worden gerapporteerd.

Toelichting artikelsgewijs

Artikel 2

Dit artikel geeft de rechtsbasis voor het verstrekken van subsidie.

In het eerste lid is aangegeven dat voor subsidies voor agrarisch en particulier natuurbeheer twee aparte regelingen gelden, op welke subsidies deze verordening niet van toepassing is.

De functie van het tweede lid, waar de beleidsmatige aspecten en inhoudelijke regels voor subsidieverstrekking worden genoemd, is in het algemene deel toegelicht. Het plattelandsontwikkelingsprogramma (POP-2) is een landelijk programma. Omdat niet alle activiteiten of maatregelen van het landelijke programma voor elke provincie nuttig zijn, kunnen de provincies ervoor kiezen om slechts enkele activiteiten of maatregelen van het POP-2 te cofinancieren. Daarom geeft de provincie ingevolge het tweede lid van dit artikel in deel 2 van deze subsidieverordening aan voor welke onderdelen van het POP-2 subsidie wordt verstrekt.

In het vijfde lid is geregeld dat gedeputeerde staten voor een goede uitvoering van deze verordening nadere regels kunnen stellen. Het betreft dus onderwerpen die op de uitvoering betrekking hebben, de aanvraag te verstrekken gegevens, precisering van subsidiabele kosten, de aanpassing van subsidiepercentages en maximumbedragen, de bekendmaking van resultaten van activiteiten of het geven van informatie over gesubsidieerde activiteiten door de subsidieontvanger, of andere nadere technische uitwerkingen.

Op grond van het achtste lid kunnen gedeputeerde staten jaarlijks een subsidieplafond vaststellen per onderdeel van het PMJP of in verband met uit te schrijven tenders.

In het negende lid is de mogelijkheid opgenomen om voor verschillende subsidies een subsidiedrempel vast te stellen. Het is de bedoeling om voor subsidies in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma een subsidiedrempel in te stellen van € 10.000,-. Bij de openstelling zal deze drempel worden ingesteld. Kleinere subsidies zijn voor dit programma dan alleen mogelijk door bundeling van aanvragen.

Artikel 3

In dit artikel worden beperkingen gesteld aan de subsidiabele kosten. Subsidie kan voor dezelfde activiteit slechts een keer worden verleend. Daarnaast zijn bijvoorbeeld investeringen in milieumaatregelen, waarmee slechts wordt voldaan aan bestaande wettelijke eisen, nooit subsidiabel.

Kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager zijn niet subsidiabel. Reguliere werkzaamheden zijn werkzaamheden die bestaan uit of voorkomen uit het voldoen aan een wettelijke verplichting. Onder wettelijke voorschrift wordt bedoeld naast de EU - regelgeving en formele wetgeving ook voorschriften van lagere wetgevers: algemene maatregel van bestuur, ministeriele regeling, verordeningen van provincies, gemeenten, waterschappen, etc.

Artikel 4

Voor aanvragen in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma dat door de provincie wordt uitgevoerd geldt een tendersysteem.

Aanvragen dienen vóór 15 juni en vóór 01 december van enig jaar volgens het tendersysteem te worden ingediend. Indien aanvragen binnen dit genoemde kader vanuit de gebiedsgerichte projecten worden ingediend, geldt geen tendersysteem. Voor de overige aanvragen geldt ook geen tendersysteem.

Artikel 5

De verplichting om een financiële planning te geven per drie maanden is in ieder geval verplicht als het gaat om aanvragen in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma. De bepalingen in het eerste lid onder d en het tweede lid zijn opgenomen om te kunnen beoordelen of er sprake is van steun die de minimisgrens niet te boven gaat. De verantwoordelijkheid voor de gevolgen van verkeerde informatie ligt bij de aanvrager.

Artikel 6

Voor subsidieaanvragen in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma POP-2 geldt een tendersysteem. Omdat er voor deze categorie beschikkingen gewerkt wordt met een tendersystematiek en een wettelijk verplicht betaalorgaan is de algemene termijn volgens de AWB tekort. Om die reden is de termijn gesteld op 13 weken met de mogelijkheid dat gedeputeerde staten voor deze categorie de beslissing eenmaal voor ten hoogste 13 weken verdagen.

Artikel 7

Dit artikel is, net als bijvoorbeeld artikel 11, gericht op een voortvarende uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. In de subsidiepraktijk van veel overheden komt het regelmatig voor dat een voorschot wordt verstrekt, voordat de subsidieontvanger een begin heeft gemaakt met de uitvoering van de activiteiten. Met deze praktijk wordt in het onderhavige artikel gebroken. Voorschotten worden slechts verstrekt op basis van gemaakte en betaalde kosten, dus op basis van declaraties, die worden ingediend samen met de voortgangsrapportage. De achterliggende gedachte hierbij is enerzijds zoals al vermeld, het bespoedigen van de voortgang van de uitvoering, anderzijds wordt hiermee voorkomen dat het lucratief kan zijn om helemaal niet met de uitvoering van de activiteiten te beginnen, omdat men rente kan trekken van de voorgeschoten bedragen. De subsidieverordening heeft immers betrekking op zeer uiteenlopende activiteiten, ook wat betreft financiële omvang. In het zesde lid wordt op deze regel een uitzondering gemaakt, voor het geval private subsidieontvangers zonder het voorschot geen begin kunnen maken met de uitvoering van de activiteiten. Het gaat in die gevallen om bijvoorbeeld kleine stichtingen of natuurlijke personen die de projectkosten niet zelf kunnen voorschieten en ook niet in de financiering kunnen voorzien door een lening bij een bank. Als zij naar genoegen van gedeputeerde staten hun financieringsbehoefte hebben aangetoond, komen zij voor een voorschot vooruitlopend op gemaakte kosten in aanmerking.

Artikel 9

Boven de Europese drempels moet worden voldaan aan de Europese aanbestedingsregels. Met artikel 9 wordt verzekerd dat ook onder die drempels zal worden voldaan aan de Europese eisen van transparantie, objectiviteit en non-discriminatie. De onderdelen a en b betreffen aanbestedende diensten, overheidsorganen en publiekrechtelijke instellingen, als bedoeld in artikel 1, negende lid, van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, d.d. 31 maart 2004, betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (Pb L 134/114).

In onderdeel a wordt bepaald dat andere overheden het eigen beleid kunnen toepassen. Het uitgangspunt is dat dat aan de te stellen eisen zal voldoen. Voor publiekrechtelijke instellingen is in onderdeel b bepaald dat zij, indien beschikbaar, het eigen beleid mogen toepassen, maar dat ze dan eerst moeten aantonen dat dat aan alle eisen voldoet.

Het tweede lid bepaalt dat niet aanbestedende diensten, dat zijn andere subsidieontvangers dan die genoemd onder a en b die meer dan 50 % subsidie ontvangen ook aan de Europese eisen moeten voldoen. Dit is de situatie als bedoeld in artikel 8 van de richtlijn. Dit artikel beperkt zich tot werken en wat daarmee in verband staat. Deze beperking is niet overgenomen, zodat alle aanbestedingen moeten voldoen aan de gestelde eisen.

De Europese Commissie heeft aangegeven dat overheidsopdrachten die onder de aanbestedingsdrempel liggen, toch moeten voldoen aan een aantal algemene Europeesrechtelijke uitgangspunten: transparantie, non-discriminatie en de mogelijkheid van rechtsbescherming. Dit betekent dat overheidsorganen aan dergelijke voorgenomen opdrachten een passende mate van bekendheid geven om zo potentiële marktpartijen de gelegenheid te bieden mee te dingen naar de overheidsopdracht. Vooralsnog geldt een uitzondering voor opdrachten onder EUR 527.800 voor werken en EUR 42.200 voor leveringen en diensten. Omdat het POP2 deels wordt gefinancierd met Europese gelden, is het van belang dat de door de Europese Commissie aangegeven handelwijze wordt gevolgd. Dit om in de toekomst terugvorderingen van de Europese gelden te voorkomen.

Artikel 10

De administratie moet zolang bewaard worden dat zij beschikbaar blijft voor de eindafrekening van het ILG-budget tussen minister en de provincie en in verband met de eindafrekening over het POP.

Artikel 12

De subsidieontvanger vermeldt in iedere externe communicatie, dat de activiteit geheel of gedeeltelijk is gerealiseerd met financiële steun van de provincie en, indien van toepassing, van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling. Een CD-rom met uitwerking van de EU-voorwaarden m.b.t. voorlichting en communicatie is verkrijgbaar via de loketten van de provincie en het Regiebureau POP.

Artikel 17

De provincie zal een vergoeding eisen bij overname van de activiteiten door een ander, tenzij aan alle drie de genoemde vereisten wordt voldaan. Dit betreffende artikel is overigens niet van toepassing op subsidies in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma.

Artikel 18

Op grond van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999 (Pb 1999 L83) kan de Europese Commissie beschikken dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen moet nemen om onrechtmatige steun van de begunstigde terug te vorderen, en geeft daarbij aan welk wettelijk rentepercentage passend is. Wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum waarop de onrechtmatige steun voor de begunstigde beschikbaar was tot aan de daadwerkelijke terugbetaling.

Het tweede lid biedt de publiekrechtelijke grondslag die ingevolge jurisprudentie (bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak, 11 januari 2006, zaaknummer 200503463/1) voor de terugvordering van wettelijke rente vereist is. Zo wordt in afwachting van de nieuwe afdeling 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht over bestuursrechtelijke geldschulden voorkomen, dat ingevolge de genoemde jurisprudentie óók een civielrechtelijke procedure zou moeten worden gevoerd.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.