Provinciale wetgeving

Beleidsregels over de uitvoering van de vergunnings-, toezichts-, handhaving- en adviestaken in de fysieke leefomgeving door Omgevingsdienst ODNZKG

Provincie Utrecht · geldt sinds 25 mei 2024

Aanhef

Het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht

Stelt, gelet op artikel 13.5 lid 2 van het Omgevingsbesluit, de volgende regeling vast:

Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2024-2027 ODNZKG

Voorwoord

In 2023 vierde de Omgevingsdienst NZKG haar 10-jarig bestaan, een bijzondere mijlpaal. De afgelopen tien jaar hebben we aanzienlijke veranderingen doorgemaakt en zijn we sterk geëvolueerd. Ons personeels- bestand is bijna verdubbeld, ons werkgebied is uitgebreid en het aantal taken en verantwoordelijkheden is toegenomen. Na een decennium kunnen we met trots zeggen dat we een solide basis hebben gelegd en zijn uitgegroeid tot een onafhankelijke en deskundige partner, zoals omgevingsdiensten bij de oprichting bedoeld zijn. Als omgevingsdienst is het onze missie om ervoor te zorgen dat iedereen in een veilige, gezonde, en duurzame omgeving kan leven. Als omgevingsdienst verlenen we omgevingsvergunningen en zienwe erop toe dat alle partijen in ons werkgebied hun wettelijke verplichtingen nakomen op het gebied van milieu, bodem en bouw. Dit is een uitdagende opgave.

Wet- en regelgeving is soms nog te sectoraal en onvoldoende gericht op het behalen van integrale doelen. Initiatieven kunnen bijdragen aan het bereiken van bijvoorbeeld klimaatdoelen, maar tegelijkertijd kunnen ze ook veiligheids- en gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Bovendien kunnen we deze missie niet alleen vervullen. Om doeltreffend te kunnen werken aan onze missie is een nauwe samenwerking met de overheden en onze ketenpartners van essentieel belang.

De Omgevingswet biedt gelukkig aanzienlijke mogelijkheden om te focussen op geïntegreerde doelen. Dit vereist wel heldere, goed onderbouwde keuzes op gebiedsniveau. Waarbij het streven een gelijk speelveld voor zowel inwoners als bedrijven – zowel op landelijk als regionaal niveau - zou moeten zijn. Ook om de uitvoering werkbaar te houden. Niettemin zullen de eerste jaren van werken onder de Omgevingswet uitdagingen met zich meebrengen voor alle betrokken partijen. Gemeenten hebben de komend jaren de ruimte om beleidsrijke omgevingsplannen op te stellen en te verfijnen en hierbij staan wij natuurlijk klaar om te ondersteunen vanuit onze kennis en expertise.

Deze Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2024-2027 van de OD NZKG schetst onze strategische kaders om opgavegericht, risicogestuurd, en informatiegestuurd te werken de komende jaren, met flexibiliteit voor maatwerkafspraken met de verschillende deelnemende overheden.

Deze strategie is opgesteld in nauwe samenwerking met de andere drie omgevingsdiensten in Noord-Holland (ODNHN, ODIJ en ODFGV), komt overeen waar het kan en wijkt enkel af waar dat nodig is. Hoewel de wereld voortdurend verandert en dit van invloed is op ons werk, zetten we mooie stappen om samen meer opgavegericht te werken. In de lijn met de landelijke ontwikkelingen rondom het versterken van het VTH-stelsel.

Voor nu zijn wij, met het oog op de vele uitdagingen waarmee onze dienst wordt geconfronteerd, trots op de stappen die de wij samen met onze partners zetten. In de komende jaren zullen wij onze bijdrage blijven leveren aan het versterken van het VTH-stelsel als geheel. Met deze bestuurlijke kaders als uitgangspunt zien wij de toekomst met vertrouwen tegemoet en blijven we ons, in samenwerking met andere overheden, inwoners en bedrijfsleven, voor de volle 100% inzetten voor een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving.

Loes de Maat

Algemeen directeur Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

3. Vertaling naar uitvoering

3.3 Strategie bedrijvigheid & bedrijfsgebonden activiteiten

A Reguleringsstrategie

Regulering (voorheen ‘vergunningverlening’) is de toetsing van (voor- genomen) bedrijfsactiviteiten aan wettelijke en beleidsregels. Op basis daarvan worden toepasselijke maatregelen afgewogen, redelijke eisen die worden gesteld aan de bedrijfsuitvoering, en vertaald in vergunning-voorschriften of maatwerkvoorschriften. Met de vergunning wordt formeel toestemming gegeven voor uitvoering van de bedrijfsactiviteiten, conform de voorschriften (naast rechtstreeks werkende regels) en is een juridische voorwaarde voor het bedrijf om deze activiteiten te kunnen uitvoeren.

Daarmee is de vergunning tevens de grondslag voor toezicht op een recht- matige uitvoering van activiteiten en eventuele handhavingsmaatregelen, mocht een vergunninghouder zich niet aan de voorschriften houden.

Vanaf 2024 ondergaat regulering een aanzienlijke verandering, wat een breuk betekent met de aanpak van de afgelopen decennia. Deze verandering wordt aangestuurd door meerdere factoren, waaronder de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Deze wet brengt met zich mee dat een groter aantal activiteiten onder algemene voorschriften valt, waardoor er minder specifieke vergunningen vereist zijn.

Bovendien wordt het instrumentarium nog volop ontwikkeld. Een belangrijk aspect van deze verandering is de nauwe samenwerking tussen omgevings- diensten, gecoördineerd door OD.nl, in het kader van de Landelijke Vergunningen Strategie. Hierdoor wordt een gecoördineerde aanpak van vergunningverlening en regelgeving mogelijk gemaakt en kan er efficiënter worden gewerkt in het nieuwe regelgevingslandschap. Ook de maatschappelijk toenemende bewustwording van de omgevingskwaliteit, nieuwe inzichten, bestuurlijke verantwoordelijkheden en eisen die zich van daaruit vertalen zijn van invloed op de taakuitvoering van regulering.

Om deze reden bevat deze Reguleringsstrategie hoofdzakelijk strategische uitgangspunten, die in 2024-2025 nader worden uitgewerkt in bijvoorbeeld concrete werkwijzen en prioriteitstelling.

Omgevingswet

Uitgangspunten van de Omgevingswet zijn: minder regels en meer ruimte voor initiatieven in het fysieke domein, vertrouwen (maar waar nodig ook doeltreffend en harder optreden), meer eigen verantwoordelijkheid met zorgplicht, en een evenwichtige ontwikkeling van de ruimtelijke omgeving. Daarin is een kanteling besloten van het instrumenteel toepassen van afzonderlijke regels, naar beleidsopgaven en afwegingen van ruimtelijke en bedrijfsontwikkelingen in relatie tot de feitelijk lokale omgevings- en levenskwaliteit, het milieu, afhankelijk van de situatie (‘opgave-gericht’).

De volgende pijlers van de Omgevingswet zijn voor OD NZKG/de Noord- Hollandse omgevingsdiensten richtinggevend in de uitvoering van regulering:

Concreet is vanaf 2024 in sommige gevallen een specifieke vergunning niet meer nodig voor bepaalde activiteiten en gelden daarvoor algemene, rechtstreeks werkende regels. Het principe is bij voorbaat ‘ja, mits’ in plaats van ‘neen, tenzij’. Onder Omgevingswet is de vergunningplicht gekoppeld aan activiteiten. Wat milieu betreft is de vergunningplicht gekoppeld aan het verrichten van een milieubelastende activiteit. Indien binnen een bedrijf meerdere milieubelastende activiteiten worden uitgevoerd, kunnen er voor een bedrijf meerdere vergunningplichten gelden. Voor het beoordelen van de vergunningaanvragen milieu geldt standaard de reguliere voorbereidingsprocedure. Hierdoor geldt een kortere beslistermijn (acht weken). Alleen in uitzonderingsgevallen geldt de uitgebreide voor- bereidingsprocedure met een beslistermijn van zes maanden. Op grond van de Omgevingswet kan ook advies of instemming nodig zijn van een ander bevoegd gezag.

Vaak is een melding op basis van het Besluit activiteiten leefomgeving vereist voor een milieubelastende activiteit. Per bedrijf kunnen er meerdere meldingsplichten gelden als er meerdere milieubelastende activiteiten worden uitgevoerd. Het is verboden om een milieubelastende activiteit uit te voeren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. Nieuw is dat het Besluit activiteiten leefomgeving voor specifieke gevallen de mogelijkheid biedt om het treffen van een gelijkwaardige maatregel te melden. In die gevallen is geen besluit van het bevoegd gezag vereist waarbij het toestemming verleent om een gelijkwaardige maatregel te treffen. Het Besluit activiteiten kent ook plichten om gegevens en bescheiden in te dienen en de plicht om te informeren. Uitgangspunt is dat een bedrijf moet voldoen aan de algemene regels van het Besluit activiteiten leefomgeving maar het Besluit activiteiten leefomgeving kent ook een ruime maatwerkmogelijkheid. Daarmee kunnen de maatschappelijke doelen uit de wet en de beleidsdoelen in de regio worden doorvertaald naar specifieke voorschriften voor (milieubelastende) activiteiten. De Omgevingsplannen zullen ook algemene milieuregels bevatten: vergunningplichten, plichten om gegevens in te dienen (gegevens en bescheiden/informeren) de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen, de mogelijkheid om gelijkwaardige maatregelen te treffen.

Onder de Omgevingswet blijft een vergunning vereist voor activiteiten die aanzienlijk van omvang zijn, aanzienlijke milieurisico’s met zich meebrengen, of potentieel schadelijk zijn voor het milieu. Gezien de aard van de bedrijfsactiviteiten waarvoor de OD NZKG verantwoordelijk is, blijft de vergunningplicht van toepassing op het merendeel van deze activiteiten.

Het mogelijk maken van (economisch en maatschappelijke) ontwikkelingen, in evenwicht met de omgevings- en levenskwaliteit staat voorop. Waarin niet meer strikte, afzonderlijk instrumenteel vastgelegde regels gelden, maar de vraag ‘wat is de opgave in deze omgeving?’. Integraal opgave-gericht denken, in plaats vanuit afzonderlijke, en vaak conflicterende sectoraal bepaalde regels.

Tot slot zal participatie, het betrekken van de omgeving bij nieuwe en veranderende bedrijfs- en potentieel milieu-beïnvloedende activiteiten, onder de Omgevingswet steeds belangrijker worden in de regulering.

Prioritaire inzet Regulering

Maatschappelijk en bestuurlijk zijn er ontwikkelingen en behoeften om juist strengere milieuregels toe te passen uit oogpunt van klimaatbescherming, veiligheid en milieu-gerelateerde gezondheid. OD NZKG is een uitvoeringsorganisatie van het bevoegd gezag en maakt in de taakuitvoering zelf géén maatschappelijk-bestuurlijke afwegingen. In afzonderlijke gevallen is dat ook niet mogelijk, bijvoorbeeld uit oogpunt van rechtsgelijkheid. OD NZKG heeft wel een zelfstandige verantwoordelijkheid en staat voor een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving. Maatschappelijke en bestuurlijke behoeften vertalen zich wel door in uitgangspunten voor de reguleringsstrategie (voor zover dat past binnen de gegeven kaders van uitvoeringstaakstelling, beleid, wet- en regelgeving). Naast de Omgevings- wet is dit een uitgangspunt voor de reguleringsstrategie van OD NZKG.

Concreet vertaalt zich dit in twee sporen voor de uitvoering:

Scherp vergunnen:

Ingezet wordt op normen in de vergunningvoorschriften en maatwerkvoorschriften, waarmee aan de strengste eisen in wetgeving wordt voldaan. Dat betreft vooral normen voor de uitstoot van stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid en het klimaat. Bovendien stimuleren we bedrijven aan verdergaande normen te voldoen, als de situatie of potentiële milieuverbetering dat rechtvaardigt. In ieder geval is een steekhoudende motivatie van bedrijven vereist, als in aanvragen niet aan de ondergrens van BBT-normen wordt voldaan.

Risicogericht vergunnen:

We geven prioriteit aan die zaken, die de meeste impact hebben (met de slimste inzet van capaciteit en middelen). Voorrang krijgen bijvoorbeeld actualisaties van vergunningen, die de grootste vermindering kunnen opleveren van de uitstoot van stoffen die het meest schadelijk zijn voor klimaat en milieu-gerelateerde gezondheid. Zo ontstaat tegelijkertijd meer gelegenheid (capaciteit) om de aandacht te richten op scherp vergunnen, waar dat is gewenst.

In de uitwerking daarvan gelden de volgende prioriteiten uit de U&H- strategie en worden nader uitgewerkt. In de lijn van onderstaande tabel:

Van Strategie naar uitvoering

De hierboven benoemde maatwerkafspraken zijn strategische uitgangs- punten. Daarmee wordt recht gedaan aan ontwikkelingen van maatschappelijk bewustzijn over de leefomgeving, bestuurlijke verantwoordelijkheid en principes van de Omgevingswet, die zich door-vertalen in de in de uitvoeringstaken van OD NZKG (zonder dat OD NZKG zelf maatschappelijk- bestuurlijke afwegingen maakt en voor zover passend binnen het kader van uitvoering, beleid, wet- en regelgeving.

Deze uitgangspunten worden werkenderwijs in de uitvoeringspraktijk vertaald. De nieuwe uitgangspunten voor prioriteitstelling betekenen bijvoorbeeld niet, dat andere, tevens belangrijke thema’s geen aandacht meer hebben of, laat staan, vergunningaanvragen buiten de prioritering onder de tafel zouden vallen.

De wettelijke uitvoeringskaders met bijvoorbeeld behandelingstermijnen en afspraken op landelijk niveau met omgevingsdiensten en andere overheidsinstanties in de keten, alsmede met het lokaal en regionaal bestuur (bijvoorbeeld over de actualiteit van het vergunningenbestand) blijven uiteraard van kracht. Uitgangspunten voor prioriteitstelling zijn daarin echter noodzakelijk en onvermijdelijk, zowel uit oogpunt van maatschappelijk-bestuurlijk belang en milieu-effectiviteit als efficiency door het grote werkaanbod.

Landelijke afstemming en vergunningverleningsstrategie

De reguleringsstrategie van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) en de gezamenlijke omgevingsdiensten in Noord-Holland wordt landelijk afgestemd en, indien nodig, aangepast aan nieuwe ontwikkelingen en landelijke en Europese regelgeving. Op landelijk niveau is een Landelijke Vergunningen Strategie (LVS) opgesteld door de omgevingsdiensten (onder leiding van OD.nl), die als richtlijn dient voor verdere uniforme ontwikkeling.

Opgavegerichte prioritering Regulering

Tabel 4 is richtinggevend en gebaseerd op de primaire inzet voorkomend uit tabel 1 uit paragraaf 2.3.

Gelijkluidende reguleringsstrategie Noord-Hollandse omgevingsdiensten

In het kader van de Gezamenlijke Uitvoerings- en Handhavingsstrategie Noord-Holland zijn gezamenlijke uitgangspunten geformuleerd. Hierbij zijn de eerste stappen gezet om het onderwerp af te bakenen en een uniforme aanpak te ontwikkelen. Het doel van deze uniforme aanpak is om zowel vraag gestuurd als risico- en opgavegericht te zijn, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen nieuwe initiatieven en bestaande vergunningen en prioritering hier binnen. Dit omvat afspraken over het optimaliseren en versnellen van vergunningsprocessen waar mogelijk, evenals het actualiseren van bestaande vergunningen met prioriteit in het licht van regionale uitdagingen, waarbij impact kan worden bereikt op deze opgaven, zoals het aanscherpen van vergunningen. Dit vereist goede samenwerking met alle betrokken instanties. De eerste gezamenlijke bevindingen maken integraal onderdeel uit van bovenstaande reguleringsstrategie.

B Nalevingsstrategie

De hieronder beschreven nalevingsstrategie legt een solide basis voor een opgavegerichte en risico-gestuurde aanpak. De OD NZKG zal de komende jaren de methodiek verder ontwikkelen en gebruikmaken van de huidige inzichten en analyses als fundament voor een informatiegestuurde aanpak. Deze aanpak richt zich zowel op het waarborgen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving als op het benutten van de kennis en ervaring van de dienst om aan maatschappelijke uitdagingen tegemoet te komen. Prioritering van de brancheaanpak is dus zowel risicogestuurd als gericht op het realiseren van de impact. Concreet betekent dit dat bepaalde branches, bedrijven, milieubelastende activiteiten voorrang krijgen op basis van deze methodiek. Een belangrijk ontwikkelpunt voor de komende jaren zal werken onder de Omgevingswet zijn.

Optreden eigen bestuursorgaan/namens andere bestuursorganen

Ingevolge het Omgevingsbesluit moeten overheden aangeven hoe wordt opgetreden tegen overtredingen van regels die begaan zijn door of in naam van het bestuursorgaan of andere organen van de overheid. Burgemeester en Wethouders en Gedeputeerde Staten zijn niet alleen bevoegd gezag in omgevingszaken, maar hebben ook vele andere taken. Het kan voorkomen dat bij de uitvoering van die taken niet aan het omgevingsrecht wordt voldaan. Te denken valt aan eigen bedrijven (zoals een gemeentewerf) die niet aan de omgevingsvergunning voldoen of bouwactiviteiten van gemeentelijke of provinciale projecten in strijd met de bouwregelgeving.

Onderscheid in werkelijke situaties

Bij de handhaving van dergelijke overtredingen is het relevant een onder- scheid te maken tussen verschillende situaties waarin de gemeente of de provincie bevoegd gezag is:

-Een andere overheid is in overtreding;

-Een (semi) private overheidsinstelling waaraan de gemeente of provincie deelneemt is in overtreding;

-De gemeente of provincie is zelf in overtreding;

-Specifiek binnen Amsterdam: de gemeente Amsterdam of een bestuurs- commissie is in overtreding en een ander orgaan binnen de gemeente is het bevoegd gezag.

Intensieve handhaving

Bij de maatwerktrajecten hebben we veelal te maken met de notoire overtreders, de ondernemers met calculerend gedrag, de uitstellers, de bedrijven met een gebrek aan deskundigheid, of bijvoorbeeld een slechte veiligheidscultuur. Per maatwerktraject worden de interventies bepaald om te komen tot een duurzame naleving door het bedrijf. Zo kan bijvoorbeeld een bedrijf onder verscherpt toezicht worden gesteld. De bevoegdheid om een bedrijf onder verscherpt toezicht te stellen, valt binnen het mandaat van de OD van VTH-taken. De betreffende deelnemer(s) worden hierover geïnformeerd.

Bestuursrechtelijke strafbeschikking

Bij de bestuurlijke strafbeschikking voor milieufeiten, waarin een geldboete kan worden opgelegd voor misdrijven of overtredingen in de sfeer van de milieuwetgeving, voor zover die van geringe ernst of eenvoudige aard zijn (milieufeiten) en voor zover het binnen het reguliere takenpakket van de OD NZKG valt. In het Besluit OM is de afdoening aan de directeur een zelfstandige strafbeschikkingsbevoegdheid toegekend, die in volledige onafhankelijkheid moet worden uitgevoerd.

De OD NZKG heeft zichzelf tot doel gesteld om uiterlijk in 2024 een volwaardige partner te zijn voor strafrechtelijke partners door:

1Op peil hebben capaciteit van de BOA’s;

2Actieve samenwerking met handhavingspartners op lokaal, regionaal en landelijk niveau, gericht op kennisdelen, samenwerking en ketentoezicht;

3Strafrecht integraal onderdeel aanpak OD NZKG;

4Deskundige invulling aan de LHS-O) en volgen overtredingen strafrechtelijk op;

5Onderdeel van aanpak Ondermijning en ketentoezicht;

6Implementatie bestuurlijke boete als handhavingsinstrument onder de Omgevingswet.

Opgavegerichte prioritering Naleving

Tabel 5 is richtinggevend en gebaseerd op de primaire inzet voorkomend uit tabel 1 in paragraaf 2.3.

Gelijkluidende nalevingsstrategie Noord-Hollandse Omgevingsdiensten

Onder de nalevingsstrategie wordt verstaan: richtinggevende keuzes voor de inzet van het instrumentarium dat de naleving van geldende wet- en regelgeving bevordert (het naleefgedrag). Hieronder worden gerekend, de:

-Preventiestrategie,

-Toezichtstrategie,

-Handhavings-strategie (incl. sanctionerings-strategie en gedoogstrategie).

Preventiestrategie

Definitie van preventie

Onder ‘preventie’ wordt verstaan: de spontane naleving van wet- regelgeving voor de fysieke leefomgeving.

Gedeelde visie op preventie onder de Omgevingswet

Voor bevordering van het spontane naleefgedrag wordt ingezet op voorlichting en het uitleggen van het doel van wet- en regelgeving. Relevante onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en rechtstreeks daarbij betrokken belangen worden in samenhang beschouwd, en kunnen vragen om specifieke voorlichting. Adequate voorlichting kan de noodzaak tot interventie en correctie verkleinen. De Noord-Hollandse omgevingsdiensten stellen voor preventie het volgende gedeelde uitgangspunt.

Werkwijze voor preventie

De OD NZKG communiceert actief over de in hun werkgebied geldende voorschriften, aan instellingen, bedrijven en burgers. Hiertoe worden diverse communicatiemiddelen ingezet, gericht op voorlichting en ondersteunend optreden (zoals vooroverleg).

Toezichtstrategie

Definitie van toezicht

Onder toezicht wordt verstaan: de werkzaamheden die door of namens een bestuursorgaan worden verricht om te observeren en constateren of wet- en regelgeving wordt nageleefd. Toezicht heeft een belangrijke preventieve werking. Doel hierbij is bevordering van het naleefgedrag van wet- en regelgeving door inwoners, bedrijven en instellingen.

Visie op toezicht onder de Omgevingswet

Toezicht wordt uitgevoerd op basis van de geldende wettelijke voorschriften, zoals vergunningen of meldingen. Toezicht zal zich onder de Omgevingswet naast risico’s steeds meer richten op de beleidsopgaven. Daarmee verschuift het toezicht voor een deel van routinematige, integrale, controles op basis van risico (gevaaraspect/veiligheid), het jaarlijkse lijstje, naar steeds meer specifiek ingericht toezicht gericht op een opgave of activiteit. Daarbij moet naar de passende vorm van toezicht worden gezocht (fysiek, administratief, zelfcontrole, op afstand, in samenwerking met partners, ketentoezicht, datagericht). Net als bij regulering kunnen de Noord-Hollandse omgevings- diensten bij toezicht het voorzorgbeginsel gebruiken.

De Noord-Hollandse omgevingsdiensten stellen voor toezicht de volgende gedeelde uitgangspunten.

Werkwijze voor toezicht

Toezichtcontroles worden voorbereid op basis van een prioriteitenstelling die de OD NZKG maakt in haar uitvoerings- en handhavingsstrategie.

De Omgevingsdienst wijst een toezichthouder aan om de betreffende controle uit te voeren. Hierbij geldt het volgende. Een toezichthouder controleert geen vergunning die hij zelf heeft opgesteld. Deze rollen zijn nadrukkelijk gescheiden. De Omgevingsdienst rouleert periodiek tussen toezichthouders per instelling, zodat een toezichthouder slechts een beperkt aantal keer eenzelfde instelling controleert. Bij uitzondering wordt van deze beginselen afgeweken – bij voorbeeld in geval van het uitsluitend voorhanden zijn van specifieke specialistische kennis bij één toezichthouder.

Controles

Aan de hand van de prioriteitenstelling wordt in het jaarlijks uitvoeringsplan beschreven welke controles in het betreffende jaar zullen worden uitgevoerd. De Omgevingsdienst bepaalt daarbij welke vorm van toezicht passend is: een controle ter plaatse, administratief toezicht of een combinatie. Voor IPPC-installaties geldt de minimale controlefrequentie overeenkomstig Omgevingsbesluit 13.7. Voor niet-IPPC-installaties is de controlefrequentie afhankelijk van de uitkomsten van de analyse van problemen en prioriteiten- stelling van de individuele Omgevingsdienst.

Integrale controles

Onder een integrale controle verstaan we het uitvoeren van een fysieke controle bij een bedrijf, waarbij alle milieu-gerelateerde aspecten vanuit de Omgevingswet (inclusief geldende richtlijnen) die van toepassing zijn op dat bedrijf worden gecontroleerd. Indien nodig voeren we deze controles ook uit in samenwerking met onze partners. De verzamelde gegevens worden vastgelegd in checklists en controleverslagen, en deze informatie wordt opgenomen in het digitale VTH-systeem. Vervolgens wordt er een rapport uitgebracht aan het betrokken bedrijf.

Themacontroles

Themacontroles omvatten zowel fysieke controles, administratieve controles als het nemen van monsters bij bedrijven waar specifieke thema’s relevant zijn. Deze thema’s zijn gerelateerd aan de focuspunten die zijn geïdentificeerd in de strategie van de Omgevingsdienst, zoals energie- besparing, indirecte lozingen, externe veiligheid, en andere relevante onder- werpen. Indien nodig worden deze controles ook in samenwerking met externe partners uitgevoerd. De verzamelde gegevens worden vastgelegd in checklists en controleverslagen, en deze informatie wordt opgenomen in het digitale VTH-systeem. Er wordt vervolgens een rapport uitgebracht aan het betrokken bedrijf.

Administratieve controles

Bij administratieve controles wordt een bedrijf gecontroleerd op basis van documenten, zoals keurings- of inspectierapporten, waarin een of meerdere milieu-gerelateerde aspecten vanuit de Omgevingswet (inclusief geldende richtlijnen) die van toepassing zijn, worden geëvalueerd. De verzamelde gegevens worden vastgelegd in het digitale VTH-systeem, en er wordt een rapport uitgebracht aan het betrokken bedrijf.

Oplevercontrole

Een oplevercontrole betreft het eerste toezichtsbezoek na de verlening van een vergunning of na de acceptatie van een melding. Incidentele controles (naar aanleiding van een klacht) Naast de reguliere controles organiseert de Omgevingsdienst incidentele controles, die plaatsvinden naar aanleiding van klachten, meldingen van ongewone voorvallen, handhavingsverzoeken, of in het kader van surveillance of hercontroles. In elke situatie bepaalt de Omgevingsdienst of een fysieke controle ter plaatse, een administratieve controle, of een combinatie van beide het meest geschikt is.

Projectmatige controles

Naast de reguliere (integrale) controles en incidentele controles wordt er ook een projectmatige aanpak gehanteerd. Dit wordt toegepast wanneer het toezicht zich richt op een specifiek aspect of een bepaalde doelgroep, bijvoorbeeld bij het controleren van de voorschriften voor propaantanks of bij ketentoezicht dat de gehele branche overspant.

Gedurende een controlebezoek

Gedurende een controle ter plaatse worden, in het kader van integraliteit, (zo veel mogelijk) verschillende rechtsgebieden binnen het omgevingsrecht getoetst. Zo wordt zorggedragen voor een efficiënte wijze van toezicht, en een minimale belasting voor de gecontroleerde instelling.

Administratieve controles toetsen de juiste administratieve vastlegging van wettelijke verplichtingen, al dan niet volgend uit vergunningen en ontheffingen. Dit gebeurt door schriftelijke informatie (zakelijke gegevens en bescheiden) te controleren. Hierbij wordt in ieder geval gecontroleerd of informatie op correcte wijze is verwerkt, of installaties tijdig gekeurd zijn en of formulieren juist worden gebruikt en opgeborgen. Voorbeelden zijn: energiebesparingsonderzoeken, meetrapporten, transportformulieren en keuringsbewijzen, EPRTR-bedrijven.

Na een controlebezoek

In beginsel wordt door omgevingsdiensten de volgende werkwijze gehanteerd na een controlebezoek. Binnen twee weken na een toezichtcontrole wordt de gecontroleerde instelling op de hoogte gesteld van de resultaten van de controle en de gevolgen die eventueel door de gecontroleerde instelling aan deze bevindingen dienen te worden gegeven. Bijvoorbeeld kan de instelling worden gemaand om geconstateerde overtredingen te beëindigen (door middel van een waarschuwingsbrief of in een sanctie- besluit). Na elk controlebezoek bij een IPPC-installatie gelden de termijnen zoals beschreven in artikel 13.7 van het Omgevingsbesluit.

Bij een hercontrole

Bij een hercontrole controleert de toezichthouder of de betreffende instelling of persoon voldoende gevolg heeft gegeven aan de waarschuwing of opgelegde sanctie(s). Een hercontrole vindt plaats na de gestelde termijn die is genoemd in de brief die de overtreder heeft ontvangen na de voorgaande controle.

Samenwerking en afstemming

De Noord-Hollandse omgevingsdiensten stemmen met hun deelnemers (i.e. opdrachtgevers) af in een ambtelijk omgevingsoverleg, waarin lopende trajecten en specifieke casussen worden besproken. In voorkomende gevallen kan de opdrachtgever de Omgevingsdienst een suggestie/aanwijzing doen aangaande de wijze en vorm van toezicht bij een organisatie of specifieke locatie.

Twee omgevingsdiensten, de ODNZKG en de ODNHN, voeren in opdracht van de Provincie Noord-Holland specifieke taken uit die de andere omgevingsdiensten niet uitvoeren. Bijgevolg voeren deze omgevingsdiensten werkzaamheden uit bij instellingen in het werkgebied van de ODIJ en de OFGV. Om deze werkzaamheden op elkaar af te stemmen onderhouden de omgevingsdiensten nauw contact.

Handhavingsstrategie

Definitie van handhaving

Onder handhaving wordt verstaan: het handhavend optreden vanwege de constatering van niet naleven van wet- en regelgeving. Handhaving volgt in beginsel uit toezicht. Sanctioneren en gedogen worden beschouwd als onderdeel van handhaven. De handhavingsstrategie bevat dan ook de sanctionerings- en de gedoogstrategie.

Visie op handhaving onder de Omgevingswet

Om bij iedere overtreding de juiste interventie te plegen is zorgvuldige afweging nodig. Het handhavingsinstrumentarium van de omgevings- diensten verandert onder de Omgevingswet nauwelijks. Een nieuw in te zetten instrument bij bestuursrechtelijke handhaving is de bestuurlijke boete. De omgevingsdiensten volgen hiervoor de Landelijke Handhavingsstrategie, onder de Omgevingswet genaamd de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) en de Landelijke Handhavingsstrategie Brzo (LHS Brzo), en dragen zorg voor adequate afstemming met samenwerkings- partners. Voor geheel Noord-Holland wordt een gelijk speelveld beoogd. Overheden worden hierbij op eenzelfde wijze behandeld als burgers en bedrijven. De teksten hieronder zijn geschreven op basis van de LHSO.

De Noord-Hollandse omgevingsdiensten stellen voor handhaving de volgende gedeelde uitgangspunten.

Werkwijze voor handhaving

De OD NZKG hanteert voor handhaving de volgende gedeelde werkwijze.

Bij sanctioneren

Sanctionering van overtredingen vindt plaats aan de hand van de interventie- matrix en werkwijze zoals beschreven in de Landelijke Handhaving strategie Omgevingsrecht (LHSO). Voor Seveso-taken hanteert de ODNZKG de Landelijke Handhaving strategie Brzo (LHS-Brzo).

In beginsel wordt gekozen voor de kortst mogelijke hersteltermijn. Indien de technisch uitvoerbare termijn niet acceptabel is in verband met de potentiële risico’s, dan moet de activiteit worden beëindigd of direct aanvullende noodmaatregelen worden getroffen totdat naleving gegarandeerd is. Bij systeemtoezicht wordt onder voorwaarden afgeweken van de LHSO.

Dit is het geval als een instelling zelf een overtreding constateert en zelf afdoende maatregelen neemt voor het herstel en voorkoming van herhaling. In dat geval is het doel van het bestuursrechtelijk optreden al bereikt en kan het achterwege blijven.

Zaken die in aanmerking komen voor strafrechtelijke sanctionering worden voorgelegd aan een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) van de OD NZKG. Deze stemt af met het Openbaar Ministerie of, en op welke wijze, strafrechtelijk wordt opgetreden. Strafrechtelijke sanctionering van een overtreding kan gelijktijdig met bestuurlijke sanctionering plaatsvinden.

Overheidsinstanties dienen expliciet te verklaren dat ze de LHS-O (Landelijk Handhavingsstrategie Omgevingsrecht) naleven, waarmee ze instemmen met de daarin opgenomen verplichtingen, met inbegrip van die met betrekking tot dwangsommen. Bovendien dragen overheidsinstanties de verantwoordelijkheid voor het opstellen en vaststellen van deze lijsten. Ze dienen aan te geven welke bevoegde gezagsorganen hun eigen beleids- regels hebben en deze specifiek te benoemen. Het is van essentieel belang op te merken dat bij de uitvoering van taken door de Omgevings- dienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG), deze beleidsregels worden toegepast. Als richtlijn hanteert de OD NZKG de landelijke Leidraad met dwangsombedragen en begunstigingstermijnen. Sommige bevoegde gezagen hebben beleidsregels vastgesteld met betrekking tot dwangsom- bedragen.

Bij gedogen

Actief gedogen van een overtreding komt in uitzonderlijke gevallen voor. De nota Gedogen in Nederland vormt hiervoor de richtlijn. Hierin wordt gedogen gedefinieerd als het niet handhavend optreden tegen een overtreding door een bevoegd bestuursorgaan – of gemandateerd handhavende partij zoals een Omgevingsdienst. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in ‘actief’ en ‘passief’ gedogen. Bij actief gedogen treft het bestuursorgaan een expliciete beslissing om de overtreding toe te staan, doorgaans met voorwaarden. Bij passief of stilzwijgend gedogen neemt het bestuursorgaan echter geen formele beslissing om de overtreding toe te staan. In plaats daarvan wordt de situatie gedoogd door simpelweg niet op te treden tegen de overtreding. Er is geen sprake van een expliciete beslissing om te gedogen, en er zijn meestal geen voorwaarden verbonden aan stilzwijgend gedogen.

Actief gedogen kan plaatsvinden in de volgende situaties:

1Overgangssituaties:

-Concreet zicht op legalisatie,

-Bedrijfsverplaatsingen,

-Experimenten en andere tijdelijke overtredingen (zie ook 3.);

2Overmachtssituaties;

3Situaties waarin handhavend optreden onevenredig is.

Indien sprake is van een van de genoemde situaties kan na een zorgvuldige afweging worden besloten om af te zien van handhaving. De OD NZKG informeert het bevoegd gezag voordat namens het bevoegd gezag wordt overgegaan.

Samenwerking en afstemming t.a.v. handhavend optreden

In verschillende overlegstructuren treffen o.a. gemeenten, veiligheidsregio’s, waterkwaliteitsbeheerders, Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T), Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW), het Openbaar Ministerie (OM), de politie, de Koninklijke Marechaussee, Rijkswaterstaat en verschillende collega-omgevingsdiensten elkaar. In samenwerking met deze partijen wordt vormgegeven aan landelijk en regionaal geprioriteerde thema’s en activiteiten. Landelijke en regionale dreigingsbeelden (milieu) criminaliteit worden vertaald naar uitvoeringsniveau via het RIEC, milieu- informatie-overleggen, en het selectie-overleg. Over bestuurlijk gevoelige zaken wordt Bevoegd gezag geïnformeerd, conform het geldende informatieprotocol.

Individueel stemmen de omgevingsdiensten af met politie en het OM over de inzet van strafrechtelijke handhaving bij specifieke casussen. Dit overleg beoogt een weloverwogen inzet van het bestuursrecht, het bestuurs- én strafrecht of alleen het strafrecht. Dit overleg is derhalve tweerichtingsverkeer: bestuursrechtelijke handhavers zoeken indien noodzakelijk het overleg op met politie en OM en omgekeerd.

Informatiegestuurd werken, met oog voor onzekerheden en nieuwe ontwikkelingen, stelt omgevingsdiensten in staat om effectief en efficiënt inzet te plegen. De Noord-Hollandse omgevingsdiensten ontwikkelen het informatiegestuurd werken verder, door het vergaren, toetsen en uitwisselen van data – onderling en met samenwerkingspartners. Dit gebeurt binnen de grenzen van de wet, in het bijzonder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AGV) en Wet politiegegevens (Wpg), en met aandacht voor de vertrouwelijkheid van informatie. Risico- en aandacht- dossiers worden niet zomaar gedeeld dan wel verspreid met bestuurs- organen of andere partijen.

C Adviesverlening

De OD NZKG wordt door overheden en uitvoeringspartners steeds vaker gevraagd als adviseur bij het opstellen van beleid, regelgeving en initiatieven.

Van ruimtelijke vraagstukken tot het opstellen van nieuw of aanscherping van beleid. Advisering op omgevingsplannen is hier een goed voorbeeld van. Met haar kennis en expertise draagt de OD NZKG een goede bijdrage aan deze beleidsvraagstukken. Advisering is weliswaar geen wettelijke taak van omgevingsdiensten, maar de OD NZKG ziet het als haar taak haar informatie- en kennispositie door te ontwikkelen gericht op een goede inzet zowel richting de eigen wettelijke taken als richting (beleids)vraagstukken van overheden, bedrijven en inwoners. Prioritering op deze rol maakt daarom ook onderdeel uit van deze U&H-strategie.

Opgavegerichte prioritering adviesverlening

Tabel 6 is richtinggevend en gebaseerd op de primaire inzet voorkomend uit tabel 1 in paragraaf 2.3.

De medewerkers van de ODNZKG zetten hun kennis en ervaring in de eerste plaats in voor vergunningverlening, handhaving en toezicht. De OD NZKG is echter meer dan een taakgerichte uitvoeringsdienst alleen. Met haar uitgebreide expertise en op basis van opgedane ervaring in de praktijk adviseert de OD NZKG de gemeenten en provincies binnen het werkgebied en andere overheden. Daarnaast denkt de OD NZKG mee met ondernemers en bedrijven ter verbetering en bescherming van de leefomgeving. Hiermee draagt de OD NZKG bij aan het in stand houden van een verantwoord en veilig woon- en leefklimaat in een steeds dichter bevolkte regio.

De OD NZKG ondersteunt bij het maken van verantwoorde keuzes op het gebied van onder meer:

Veiligheid (constructieve veiligheid, tunnelveiligheid, omgevingsveiligheid, externe veiligheid), Geluid, Luchtkwaliteit en geur, Afval en Duurzaamheid en energie

Vanuit deze expertises zijn we betrokken bij veel grote projecten in de regio, zoals de Cluster Energie Strategie, Versnellingstafels Energie, Tata Steel, luchthaven Schiphol en de transformatie van bedrijventerreinen naar gemengde gebieden (zoals Haven-Stad Amsterdam).

Gevraagd en ongevraagd advies

Overheden kunnen bij de OD NZKG advies inwinnen. De OD onderscheidt daarin advies gericht op omgevingsbeleid op het gebied van milieu, bodem of bouw (denk aan Omgevingsplannen) en advies op het ruimtelijke spoor (denk aan vestigingsbeleid of m.e.r.-beoordeling).

De OD NZKG ziet het nadrukkelijk ook als haar taak om met het oog op de doelen van de Omgevingswet, zowel waarborgen van kwaliteit als een bijdrage leveren aan maatschappelijke opgaven om daar waar nodig ongevraagd de overheden te adviseren. Een goed werkende BIG-8 is hiervoor uitgangspunt. Vanuit haar kennis en expertise signaleren zij tekorten en kansen in beleid of regelgeving die de OD NZKG (ongevraagd) onder de aandacht brengen van de betreffende bevoegde gezag(en). Dit kan ook gaan over kansen en risico’s gericht op de kerntaken.

Gelijkluidende aanpak adviesverlening Noord-Hollandse Omgevingsdiensten:

Definitie van adviesverlening

Onder adviesverlening wordt verstaan: het verlenen van advies aan deelnemers/opdrachtgevers bij zowel beleid en wet- en regelgeving (zoals bij omgevingsplannen en de gemeentelijke geluidkaart) als bij vergunningsprocessen (zoals scherp vergunnen) en toezicht en handhaving (zoals afhandeling van klachten). Hiernaast bevat de adviesfunctie ook het stellen van de uitvoerings- en handhavingsstrategieën (VTH-strategieën), analyses die ten grondslag liggen aan pilotprojecten, deelname in thematische werkgroepen (zoals energietransities, roadmaps ten behoeve van verduurzaming van bedrijven, circulaire economie).

De taak van adviesverlening is geen basistaak; daarom is er ook geen aparte advies-strategie opgesteld. Echter, gezien het toenemende belang van deze taak na inwerkingtreding van de Omgevingswet, bereiden de Noord- Hollandse omgevingsdiensten zich voor op professionele ontwikkeling van de adviestaak. De omgevingsdiensten doen dit afhankelijk van de vraag vanuit de eigen opdrachtgevers. Noord-Hollandse omgevingsdiensten worden door opdrachtgevers steeds vaker gevraagd als adviseur in het kader van de Omgevingswet of de landelijke en provinciale opgaven zoals beschreven in paragraaf 4. Advies bij het opstellen van Omgevingsplannen is hier een voorbeeld van.

Visie op adviesverlening

De omgevingsdiensten richten zich in gezamenlijkheid op het versterken van hun informatie- en kennispositie door onderlinge informatie- en kennisuitwisseling. Dit gebeurt niet alleen ten aanzien van de adviestaak van de omgevingsdiensten, maar ook breder, ten aanzien van de taken vergunningverlening, toezicht en handhaving. Om zoveel mogelijk belemmeringen te voorkomen in het primaire VTH-proces wordt specialistisch advies van de Omgevingsdienst tijdig ingewonnen. In het bijzonder bij ruimtelijk advies kan betrokkenheid van de Omgevingsdienst bijdragen aan een beter zicht op de samenhang tussen beleidsopgaven, activiteiten, projecten en functies en kwaliteiten in de fysieke leefomgeving.

Werkwijze

Een gedeelde werkwijze voor adviesverlening is op dit moment nog in ontwikkeling. Voor de beschrijving van de werkwijze bij adviesverlening geldt geen wettelijke verplichting.

Bijlage 1 Achtergrondinformatie omgevingsdiensten Noord-Holland

De Noord-Hollandse gemeenten zijn ieder deelnemer in één van de vier Noord-Hollandse omgevingsdiensten. In hun eigen regio (zie figuur 5a en figuur 5b) voeren de omgevingsdiensten gemeentelijke taken uit. De provincie Noord-Holland is als enige bestuursorgaan deelnemer in alle vier de omgevingsdiensten. Het werkgebied voor veel van deze taken is provincie-breed, en dus regio-overstijgend. De omgevingsdiensten hebben hierdoor een overlap van werkgebied, hetgeen vraagt om onderlinge afstemming en samenwerking. OD NZKG is BRZO-dienst, en voert BRZO- taken uit voor de provincies Noord-Holland, Flevoland en Utrecht (onder de Omgevingswet spreken we over Seveso-taken).

De deelnemers van de Noord-Hollandse omgevingsdiensten hebben gezamenlijk gedeelde beleidsopgaven gedefinieerd. Deze gezamenlijke beleidsopgaven komen voort uit een analyse van bovenregionaal beleid en de belangrijke opgaven voor het gebied Noord-Holland.

Om de passende inzet te plegen, is het nodig dat de gezamenlijke opgave(n) van omgevingsdiensten in samenhang worden bekeken met de regionale beleidsopgaven per omgevingsdienst. Daartoe dient de eigen gebiedsanalyse per omgevingsdienst. Ieder van de vier omgevingsdiensten bepaalt uiteindelijk in haar individuele U&H-strategie welke inzet passend is op elk van de gezamenlijke beleidsopgaven.

Gezamenlijke U&H-strategie Noord-Holland

De vier Noord-Hollandse Omgevingsdiensten (OD NZKG, OFGV, ODIJ, OD NHN) zijn een proces gestart om te komen tot een Gezamenlijke U&H-strategie. Doel is om te komen tot een meer level-playing field voor inwoners, bedrijven en overheden. Ook zit er veel overlap in de taken van de verschillende omgevingsdiensten, met name op het gebied van milieu (basistaken). Dit heeft geleid tot een gelijkluidende en gezamenlijk opgestelde U&H-strategie van de Noord-Hollandse omgevingsdiensten, zowel inhoudelijk als methodisch. Elke dienst vertaalt deze dan weer naar een eigen U&H-strategie. Deze U&H-strategie 2024-2027 van de OD NZKG is opgesteld binnen deze nieuwe Noord-Hollandse kaders. Deze gezamenlijke aanpak dient naast verbeteren van level-playing field ook als goede basis voor de toekomstige samenwerking en past goed in de ontwikkelingen rondom versterking VTH-stelsel. De basis voor deze gezamenlijke aanpak ligt in het door het Algemeen Bestuur in december 2022 vastgestelde Algemene kader ‘Naar een gezamenlijke VTH&A-strategie Noord-Holland’.

Bijlage 2 Bestuurlijk referentiekader

Inleiding

Het bestuurlijk referentiekader is door het Algemeen bestuur van de OD NZKG vastgesteld op 21 december 2018. Het was opgenomen in hoofdstuk 3 van het Regionaal Uniform Toezicht- en Handhavingsbeleid 2019-2022 OD NZKG.

Het bestuurlijk referentiekader was het vertrekpunt van de evaluatie/ actualisatie en waar nodig bijstelling. Bij de voorbereiding van dit VTH- beleid is destijds een analyse gemaakt van de strategische documenten en werkwijzen die de deelnemende bestuursorganen en de OD NZKG gebruiken bij de uitvoering van VTH-taken. Daar is een bestuurlijk referentiekader uit afgeleid voor de sturing op de regionale uitvoering. De OD NZKG blijft werken langs de vijf elementen van het bestuurlijk referentiekader.

Bestuurlijk referentiekader

De Uitvoerings- en Handhavingsstrategie geeft richting aan de praktijk, met prioriteiten, methoden en werkwijzen. Dat gebeurt met concrete keuzes en handvatten voor de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving. Hiermee wordt de strategie praktisch uitvoerbaar. Tegelijkertijd voorziet deze strategie in vijf gezamenlijke bestuurlijke uitgangspunten voor de inrichting en organisatie van het stelsel van VTH in de vier regio’s van de provincie Noord-Holland. De vijf uitgangspunten vormen tezamen een referentiekader voor de verantwoordelijkheid van elk bevoegd gezag in de vier regio’s voor A) de adequate organisatie van bevoegdheden en taken, en B) de inhoudelijke onderbouwing van keuzes en prioriteiten. Deze is in de lijn met het vastgestelde bestuurlijke referentiekader van de OD NZKG uit 2018.

1Opgavegericht en beleidssensitief sturen met maatwerk

Beleid moet doordacht samenhangen met de realisatie in de uitvoerings- praktijk. Andersom geldt hetzelfde. Om deze wederkerigheid tussen beleid en uitvoering te creëren en te borgen, is maatwerk nodig bij de aanpak van situaties die niet “standaard” kunnen worden opgelost door toepassing van vooraf geschreven regels. Dat speelt ook bij de grote maatschappelijke opgaven (zoals de energietransitie, klimaatadaptatie, water en bodem) omdat daarbij veelal sprake is van complexiteit en samenloop van veel feiten en belangen binnen dezelfde tijd en ruimte. Dat soort omstandigheden versterkt de behoefte aan maatwerk. Deze gezamenlijke uitvoerings- en handhavingsstrategie voorziet erin dat VTH-taken opgavegericht en beleidssensitief worden georganiseerd en uitgevoerd met oog voor de belangen in de omgeving.

2Preventief handelen

Voorkomen is beter dan genezen. Dat betekent dat primair wordt ingezet op preventie, met als doel de spontane naleving van wet- en regelgeving door burgers, bedrijven en instellingen te vergroten. De inzet van VTH is bij voorkeur gericht op het waarmaken van eigen verantwoordelijkheid, maar waar nodig is sprake van interventie en correctie met een intensiteit die proportioneel en effectief is.

3Informatiegestuurd werken

De uitvoering van het beleid voor de fysieke leefomgeving is informatie- intensief. Er is voortdurend sprake is van het vergaren, uitwisselen en toetsen van (bovenregionale) data over de fysieke situatie, de belangen die daarmee gemoeid zijn en de technische, financiële en wettelijke kaders, ook met oog voor onzekerheden en nieuwe ontwikkelingen. De omgevingsdiensten voorzien in kennis, kunde en informatie over de fysieke leefomgeving en zij levert vanuit die positie een belangrijke bijdrage aan de correcte toepassing van het omgevingsrecht. Daardoor kan goed onderbouwd worden beoordeeld welke activiteiten en ontwikkelingen mogelijk zijn binnen de relevante juridische, technische en financiële bandbreedtes. De omgevingsdiensten streven ernaar om op basis van haar expertise en databeheer een verbindende partner te zijn.

4In gelijke situaties gelijkwaardig optreden

De besturen van de omgevingsdiensten zijn eraan gehouden om gelijke situaties zoveel mogelijk gelijk te behandelen, maar ook om oog te hebben voor de bijzonderheden van situaties. Dat lijkt een tegenstrijdige opgave, maar deze eenheid en verscheidenheid is goed te organiseren door onder- scheid te maken tussen standaardsituaties, complexe gevallen en unieke opgaven. Tussen deze drie types kan de strategie verschillen terwijl binnen ieder type een uniforme aanpak wordt gevolgd. Het onderscheidend criterium is de dynamiek in de omstandigheden, die relevant is om een geval te onderscheiden van andere gevallen. Het gevolg van de toepassing van typologieën van situaties is dat vergelijkbare situaties zoveel mogelijk op gelijke wijze worden afgehandeld: willekeur en rechtsongelijkheid wordt voorkomen en het proces is voorspelbaar. Tegelijkertijd wordt voldaan aan het vereiste van evenredige belangenafweging in de context van individuele gevallen. Er worden drie typen onderscheiden:

Type 1: Standaardsituaties

Dit type kenmerkt zich door een vooraf programmeerbaar verloop van de beleidscyclus voor een grotere groep van gelijksoortige gevallen. De omgevingsdiensten werken voor de standaardsituaties zoveel mogelijk langs standaardwerkprocessen en procedures. Het is mogelijk om te sturen op het doelbereik, bijvoorbeeld door te werken met controlefrequenties en algemene regels zonder (veel) variatie. De verwachting is dat de werking van de big-8 cyclus voor dit type situaties opgaat voor het grootste deel van de werkvoorraad.

Type 2: Complexe gevallen

Dit type kenmerkt zich door een grilliger verloop van de uitvoering van de beleidscyclus in termen van doelbereik, benodigde inzet van kennis, capaciteiten informatie en invloed van de betrokken stakeholders. De aanpak moet per situatie bekeken worden. De verwachting is dat de werking van de big-8 cyclus voor dit type situaties opgaat voor een smaldeel van de werkvoorraad.

Type 3: Unieke opgaven

Dit type kenmerkt zich door veel maatwerk en intensieve afstemming ten aanzien van de doelen en in te zetten middelen. De verwachting is dat de werking van de big-8 cyclus voor dit type situaties opgaat voor uitzonderlijke gevallen binnen de werkvoorraad.

5Samenwerken door afstemming van beleid, taken en bevoegdheden De competenties zijn in het omgevingsrecht en -beleid verdeeld over meerdere bestuursorganen en uitvoeringsorganisaties: het vereist samen- werking om tot een samenhangende, informatie gestuurde benadering van beleidsopgaven te komen. Maar samenwerking is ook noodzakelijk vanwege het streven naar een effectieve aanpak van situaties, het bevorderen van een gelijk speelveld en om de dienstverlening efficiënt in te richten.

Bijlage 3 Wettelijk kader

Inleiding

Het wettelijk kader kent een grote wijziging, per 1 januari 2024, treedt de Omgevingswet inwerking.

De Eerste Kamer stemde dinsdag 14 maart in met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Er zijn vier moties aangenomen, de inhoud daarvan raakt ook de OD NZKG. Met name de motie-Kluit c.s. verzoekt de regering om voor 1 juli 2023 een integraal, financieel beeld te maken voor gemeenten, provincies en omgevingsdiensten, en de Kamer voor de zomer te informeren over hoe deze kosten komende jaren gedekt worden. Met het koninklijk besluit wordt het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgesteld op 1 januari 2024.

De Omgevingswet bundelt straks de werking van 26 wetten voor de leefomgeving in één nieuwe wet. Tegelijkertijd worden 60 Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) omgezet naar vier nieuwe AMvB’s en gaan 75 ministeriële regelingen over in één Omgevingsregeling. Het is een majeure operatie die veel energie en creativiteit vraagt in de komende periode.

De Omgevingsdienst OD NZKG heeft zich de afgelopen jaren voorbereid.

Dit betekent dat de OD NZKG vanaf 1 januari 2024 gaat werken vanuit de kaders van de Omgevingswet. In de loop tijd van deze strategie krijgt de overgang van het ene naar het andere wettelijk kader vorm. Voor het geheel invoeren van de Omgevingswet is een transitie periode tot eind 2031 afgesproken.

Omgevingswet: (bron website iplo; https://iplo.nl/):

De Omgevingswet is de wet die alles regelt voor de ruimte waarin we wonen en werken: de leefomgeving. Deze nieuwe wet bundelt en vereenvoudigt de regels voor alles wat u buiten ziet, hoort en ruikt. De wet geldt voor alle Nederlandse inwoners, organisaties en bedrijven. De Omgevingswet treedt op 1 januari 2024 in werking. Om ervoor te zorgen dat onze leefomgeving een gezonde, veilige en prettig leefbare plek is, hebben we in Nederland veel regels gemaakt. Zowel voor inwoners als bedrijven. Die regels gaan onder andere over hoe we omgaan met natuur, milieu, bouwen en wonen. De Omgevingswet bundelt deze regels.

De 6 kerninstrumenten van de Omgevingswet

De Omgevingswet heeft 6 kerninstrumenten voor het gebruiken en beschermen van de leefomgeving. Met deze instrumenten kan de overheid beleid schrijven en uitvoeren. Daarnaast kunnen overheden met deze instrumenten regels stellen aan activiteiten en de uitvoering van projecten. De 6 kerninstrumenten zijn: de omgevingsvisie, het programma, decentrale regels, algemene rijksregels, omgevingsvergunning en het projectbesluit.

Omgevingsvisie

De omgevingsvisie is een samenhangend, strategisch plan over de leef- omgeving. Dit plan richt zich op de hele fysieke leefomgeving. En houdt rekening met alle ontwikkelingen in een gebied. Het Rijk, de provincie en de gemeente stellen elk 1 omgevingsvisie vast voor hun hele grondgebied. Meer informatie kunt u vinden op de pagina’s Omgevingsvisie gemeente

Omgevingsvisie provincie en Nationale omgevingsvisie (zie iplo-site)

Programma

Het programma bevat maatregelen om de leefomgeving te beschermen, te beheren, te gebruiken en te ontwikkelen. Het doel van een programma kan ook zijn om aan omgevingswaarden te voldoen. Het programma richt zich op een onderwerp, een bepaalde bedrijfssector of een gebied. Verschillende overheden kunnen ook samen een programma opstellen. Voor sommige onderwerpen verplicht de Omgevingswet de overheid een programma op te stellen. Meer informatie kunt u vinden op de pagina Programma (zie iplo-site)

Decentrale regels

Decentrale overheden hebben 1 regeling voor de fysieke leefomgeving voor hun hele grondgebied. Dit zijn het gemeentelijk omgevingsplan, de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Hierin staan verschillende soorten regels. Bijvoorbeeld decentrale regels voor activiteiten van burgers en bedrijven. En kaders om vergunningen te toetsen. Ook worden er gebieden in aangewezen die een bepaalde functie hebben.

Kijk voor uitgebreide informatie over decentrale regels op de pagina’s Hoofdlijnen omgevingsplan, Hoofdlijnen omgevingsverordening en Hoofdlijnen waterschapsverordening. Gemeenten krijgen tot eind 2031 de tijd om het tijdelijke deel van het omgevingsplan en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan.

Algemene rijksregels

In de algemene rijksregels staan in de eerste plaats de regels die nodig zijn voor de werking van het stelsel van de Omgevingswet. Deze regels vormen de grondslag voor de instrumenten, en de taken en bevoegdheden van overheden.

De regels bevatten ook de normen voor de kwaliteit van de leefomgeving die het Rijk stelt in omgevingswaarden. Verder gaat het om procedurele regels die gelden voor de instrumenten van de wet. Deze regels staan in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit.

Daarnaast staan in de algemene rijksregels de regels van het Rijk die van invloed zijn op het beleid van decentrale overheden. Bijvoorbeeld de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevatten rijksregels voor activiteiten in de leefomgeving. Hierdoor hoeven burgers en bedrijven niet steeds toestemming te vragen aan de overheid. Nadeel van algemene regels is dat ze soms niet goed passen bij een specifieke situatie. Daarom kennen het Bal en het Bbl mogelijkheden om onder voorwaarden van de algemene regels af te wijken. Meer informatie vindt u op de pagina’s Inhoud van de Omgevingswet Omgevingsbesluit, Besluit kwaliteit leefomgeving, Besluit activiteiten leefomgeving, Besluit bouwwerken leefomgeving en de Omgevingsregeling (zie iplo-site)

Omgevingsvergunning

Veel initiatieven van burgers en bedrijven hebben gevolgen voor de leef- omgeving. Voor de meeste daarvan gelden algemene regels. Soms is een vergunning nodig. Bijvoorbeeld voor het verbouwen van een rijksmonument. De overheid toetst vooraf of dat mag. De toetsing is zo eenvoudig mogelijk en houdt rekening met algemene regels. Zo wordt voorkomen dat regels elkaar tegenspreken of in de weg zitten. Initiatiefnemers kunnen via 1 aanvraag bij 1 loket snel duidelijkheid krijgen of een vergunning nodig is. Op de pagina Omgevingsvergunning vindt u meer informatie (zie iplo-site).

Projectbesluit

Het projectbesluit is een uniforme procedure voor besluitvorming over complexe projecten van het Rijk, een provincie of een waterschap.

Bijvoorbeeld de aanleg van een weg, windmolenpark of natuurgebied.

Een projectbesluit regelt in dezelfde procedure de afwijking van het omgevingsplan. Het projectbesluit kan ook gelden als een omgevingsvergunning. Meer informatie staat op de pagina Projectbesluit (zie iplo-site)

In tabel 1 staat welke kerninstrumenten een overheidslaag (gemeente, provincie, Rijk, waterschap) kan toepassen.

Invoeringswet Omgevingswet

De invoeringswet heeft twee doelen. Ten eerste het aanvullen van de Omgevingswet op zaken die bij het opstellen daarvan nog niet ingevuld konden worden of wijzigingen die bij nader inzien nodig zijn om tot een beter stelsel te komen. Ten tweede het regelen van een evenwichtige overgang van de nu geldende wetgeving naar het nieuwe stelsel van de Omgevingswet.

Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)

De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb), ook wel kortweg Wet kwaliteitsborging genoemd, verplaatst de toetsing aan de bouwtechnische eisen van een bouwwerk van de gemeente naar een onafhankelijke partij, de zogenoemde kwaliteitsborger. Dit geldt niet direct voor alle bouwwerken, maar gaat in fases. De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen heeft als doel de bouwkwaliteit te verbeteren. De toets vooraf op de bouwplannen wordt vervangen door de toets in de praktijk. Dit gebeurt op de bouwplaats zelf, tijdens het bouwproces. Deze toets in de praktijk wordt (in eerste instantie voor bouwwerken in gevolgklasse 1) door onafhankelijke kwaliteitsborgers uitgevoerd. Daarnaast wordt de aansprakelijkheid van de bouwer vergroot voor bouwfouten. De Wkb geldt op 1 januari 2024 en eerst alleen voor nieuw te bouwen bouwwerken in de laagste risicoklasse (gevolgklasse 1). Dit zijn bijvoorbeeld eengezinswoningen en kleinere bedrijfspanden. Uiterlijk 3 jaar na de inwerkingtreding van de Wkb zal een evaluatie plaatsvinden.

Evaluatie:

Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie volgen daarna (al dan niet gelijktijdig) de bouwwerken in hogere risicoklassen. Dit zijn bijvoorbeeld bibliotheken en onderwijsgebouwen (gevolgklasse 2) en voetbalstadions en ziekenhuizen (gevolgklasse 3). Hierdoor kunnen bouwbedrijven en gemeenten stap voor stap ervaring opdoen met het nieuwe toezicht in de bouw.

Aanvullingswet geluid

Het aanvullingsspoor geluid zorgt voor inpassing van de regelgeving over het beheersen van geluid in de Omgevingswet. De regels voor het beoordelen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen veranderen. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels uit bijvoorbeeld de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder.

Aanvullingswet bodem

Het aanvullingsspoor bodem voegt het thema bodem en ondergrond toe aan de Omgevingswet. De instrumenten van de Omgevingswet zijn daarmee toepasbaar op het thema bodem en ondergrond.

De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. Een aantal EU-richt- lijnen vormt het kader voor de wijzigingen en aanvullingen van het stelsel Omgevingswet, bijvoorbeeld de Kaderrichtlijn Water en de Grondwater- richtlijn.

Aanvullingswet natuur

Het aanvullingsspoor natuur voegt regels over natuurbescherming toe aan de Omgevingswet.

Bijlage 4 Programma’s op nationaal en regionaal niveau

Bijlage 4a: Programma’s op nationaal niveau, met beleidsopgaven voor de fysieke leefomgeving

Onderstaande lijst geeft de programma’s op nationaal niveau weer, waarmee de prioriteiten van de Nationale Omgevingsvisie (Novi) nadere specificering krijgen. Deze lijst beoogt niet uitputtend te zijn. Naast programma’s worden enkele belangrijke akkoorden schuingedrukt weergegeven.

Bijlage 4c Gemeentelijk kader

-Gemeentelijk VTH-beleid/U&H-beleid

-Omgevingsvisies

-Omgevingsplannen

-Lokale verordeningen oa. Fysieke leefomgeving

-Specifiek beleid op gebied van milieu, bodem en bouw, zoals VTH-beleid en/of beleid gericht op bijvoorbeeld milieuthema’s als Lucht, Geur en/of Geluid.

Bijlage 5 Opgavegerichte probleem- en risicoanalyse Milieu

Opgavegerichte probleem- en risicoanalyse Milieu

Dit betreft een gezamenlijk opgestelde tekst door de 4 Noord-Hollandse Omgevingsdiensten en moet ook in die context gezien worden. Het is dus niet alleen een beschrijving probleem- en risicoanalyse van de OD NZKG. Deze is wel toegepast door de OD NZKG en onderdeel geworden van de hoofdtekst.

Gezamenlijke methodiek Noord-Hollandse omgevingsdiensten

Om te bepalen hoe werkzaamheden in de uitvoering worden geprioriteerd, maken de Noord-Hollandse omgevingsdiensten gebruik van eenzelfde prioriteringsmethodiek. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar de omvang van het risico van activiteiten, maar ook naar de mate van impact van die activiteiten op de (boven-) regionale beleidsopgaven.

De Noord-Hollandse omgevingsdiensten passen vijf stappen toe om tot prioritering van hun werkzaamheden te komen:

Stap 1: Opgave-analyse: gegeven doelen en ambities

Stap 2: Koppelen van opgaven aan bevoegdheid

Stap 3: Bepaling van verantwoordelijkheid: risico’s en impact

Stap 4: Bepaling van bestuurlijke prioriteit: bepalen van focus

Stap 5: Inzet VTH(A)-instrumentarium

Stap 1: Opgave-analyse

In de opgave-analyse analyseren de omgevingsdiensten welke beleids- opgaven spelen in hun eigen werkgebied, en definiëren deze. De gezamenlijke beleidsopgaven uit de Noord-Hollandse U&H-strategie krijgen een plek in het totaal van beleidsopgaven per omgevingsdienst.

Hoe deze beleidsopgaven spelen op regionaal niveau vraagt om nadere uitwerking. Per beleidsopgave concretiseren de omgevingsdiensten of bestaande doelen en ambities gelden op regionaal niveau. Hoe worden de beleidsopgaven in het regionale beleid gespecificeerd in doelen en ambities? Deze specificering van regionale beleidsopgaven nemen de Noord-Hollandse omgevingsdiensten op in hun individuele U&H-strategie. Deze opgave-analyse staat in paragraaf 3 en 4 van deze gezamenlijke strategie.

Stap 2: Koppeling van beleidsopgaven aan bevoegdheid

Om specifieker te definiëren hoe de beleidsopgaven in het werkgebied van de omgevingsdienst zich verhouden tot de werkzaamheden van de omgevingsdienst, richten de omgevingsdiensten de blik op de eigen bevoegdheden. De omgevingsdiensten zijn bevoegd tot het uitvoeren van taken op het gebied van regulering (vergunningverlening), toezicht en handhaving. Hiernaast geven de omgevingsdiensten ook in toenemende mate advies aan hun deelnemers over het opstellen van omgevingsbeleid op het (mede) beoordelen van een situatie. De omgevingsdiensten dragen hierbij zorg voor een inzicht in het eigen locatiebestand in relatie tot de gedefinieerde beleidsopgaven.

De omgevingsdiensten bepalen per beleidsopgave welke (combinatie van) VTH(A)-instrumenten hiervoor het meest aangewezen zijn. Sommige beleidsopgaven vragen om primaire inzet op toezicht en handhaving, waar een andere beleidsopgave primair vragen om inzet op regulering of adviesverlening.

Ter bepaling van de gezamenlijke beleidsopgaven nemen de vier Noord- Hollandse omgevingsdiensten artikel 1.3 van de Omgevingswet als uitgangspunt. Daarin staat de maatschappelijke doelstelling van de wet, zoals eerder beschreven in paragraaf 3. Aansluitend op dit wettelijke uitgangspunt worden de beleidsopgaven bepaald voor de vier regio’s van Noord-Holland.

Artikel 1.3 Omgevingswet noemt drie belangen, die in het oog moeten worden gehouden bij de uitvoering van alle taken en bevoegdheden uit deze wet (zie ook artikel 2.1 lid 1 Omgevingswet):

-duurzame ontwikkeling,

-bewoonbaarheid van het land, en

-bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Met het oog op de behartiging van deze drie fundamentele belangen geeft artikel 1.3 een opgave aan ieder bestuursorgaan, namelijk het in onderlinge samenhang betrachten van beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. Dat moet gebeuren met inachtneming van in ieder geval: ‘veiligheid’, ‘gezondheid’, ‘omgevingskwaliteit’, ook vanwege ‘de intrinsieke waarde van de natuur’, en ‘vervulling van maatschappelijke behoeften’. Deze elementen moeten steeds in onderlinge samenhang worden bezien, om de genoemde oogmerken te behalen.

De thema’s die Omgevingswet, artikel 1.3, noemt onder a, gelden als waarborgen voor kwaliteit en worden beschouwd als beleidsopgaven. De Noord-Hollandse omgevingsdiensten definiëren deze beleidsopgaven als volgt:

1Veiligheid: Onder ‘veiligheid’ wordt verstaan: de omgeving-gerelateerde risico’s die mensen in hun fysieke leefomgeving lopen, zoals het omgaan met en/of opslaan van gevaarlijke stoffen, en constructieve- en brandveiligheid. De Noord-Hollandse omgevingsdiensten streven naar het beperken van omgeving-gerelateerde risico’s.

2Gezondheid: Onder ‘gezondheid’ wordt verstaan: het fysieke en psychisch welbevinden van de mens. De Noord-Hollandse omgevingsdiensten streven naar een fysieke leefomgeving waar schade aan de fysieke en psychische gezondheid van de mens wordt beperkt.

3Omgevingskwaliteit: Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: de belevings-, gebruiks- en toekomstwaarde van de fysieke leefomgeving. De Noord-Hollandse omgevingsdiensten streven naar het beperken en/of voorkomen van hinder, overlast en ergernissen, zoals geluidsoverlast.

4Natuur: Onder ‘natuur’ wordt verstaan: oog voor ‘de intrinsieke waarde van de natuur’ en de biodiversiteit. De Noord-Hollandse omgevingsdiensten streven naar het beperken en/of voorkomen van schade of nadelige effecten op de natuur, zoals het lozen van schadelijke stoffen en bodemverontreinigingen.

Omgevingswet, artikel 1.3, noemt onder b, het thema ‘vervulling van maatschappelijke behoeften’. Wat deze maatschappelijke behoeften zijn vraagt nadere invulling, waarvoor de omgevingsdiensten zich baseren op bestaand beleid. Hiervoor dient bovenstaande opgave-analyse. Eerder zijn in het ‘Investeringsvoorstel voor de nationale digitale tweeling infrastructuur’ van het Geoinformatie-beraad (GI-beraad), de nationale beleidsopgaven gecategoriseerd, naar vijf hoofdopgaven. Deze hoofdopgaven zijn niet alleen op nationaal niveau herkenbaar, maar ook op provinciaal niveau. Één belangrijke opgave die wel duidelijk uit de bovenstaande beleidsanalyse volgt mist daarin, namelijk: circulaire economie. Deze opgave wordt toegevoegd aan de vijf hoofdopgaven, waarmee zes hoofdopgaven worden geformuleerd. De opgaven zoals genoemd in de Provinciale Omgevingsvisie van Noord-Holland en de provinciale programma’s, sluiten aan bij deze hoofdopgaven.

Zo krijgt het thema ‘vervulling van maatschappelijke behoeften’, als volgt vorm:

5Vervulling van maatschappelijke behoeften: Onder ‘vervulling van maatschappelijke behoeften’ wordt verstaan: specifieke opgaven die vanuit politiek en bestuur als belangrijk worden beschouwd, en als zodanig in beleid zijn benoemd. De Noord-Hollandse omgevingsdiensten streven naar het leveren van een adequate bijdrage aan de volgende maatschappelijke opgaven:

a.Energietransitie: zowel inzet op besparing van energie en water, alsook inzet op hernieuwbare energie, onder meer door de regionale energiestrategieën.

b.Landbouwtransitie: inzet om op duurzame wijze landbouw te bedrijven.

c.Woningbouwopgave: inzet op uitbreiding van de woningvoorraad op duurzame wijze.

d.Klimaatadaptatie: inzet op de klimaatopgave, in navolging van onder meer de Klimaatwet, het Klimaatplan 2021-2030 en de Provinciale omgevingsvisie.

e.Vervanging van infrastructuur: in stand houden en verbeteren van verkeer en vervoer.

f.Circulaire economie: zowel afvalpreventie, alsook inzet op een duurzame economie, waarbij ruimte wordt geboden aan ontwikkeling van een circulaire economie.

Zoals duidelijk wordt uit tabel 1, gelden de oogmerken ‘duurzame ontwikkeling’, ‘bewoonbaarheid van het land’ en ‘bescherming en verbetering van het leefmilieu’ voor ieder van de beleidsopgaven.

Beleidsopgaven worden in onderlinge samenhang beschouwd en nagestreefd, teneinde zorg te dragen voor deze oogmerken.

Stap 3: Bepaling van verantwoordelijkheid: risico- en impactanalyse

In stap 3 wordt geduid welke taken de omgevingsdienst uitvoert en hoe deze zich verhouden tot de beleidsopgaven. De omgevingsdiensten onderscheiden hiervoor hun taken op thema-niveau, zoals taken op het gebied van bodem, lucht, geluid, water, natuur, etc.

Dit stelt de omgevingsdiensten in staat om te bepalen welke thema’s invloed hebben op de beleidsopgaven. Ten aanzien van de maatschappelijke behoeften (grijs), wordt weergegeven welke ambities op regionaal niveau worden gesteld. Dit leidt tot een matrix waarin de invloed op ieder van de thema’s wordt gescoord (zie tabel 2).

Na de koppeling van beleidsopgaven aan thema’s definieert ieder van de omgevingsdiensten, de significatie van ieder thema voor de beleidsopgaven. Nu wordt de mate van invloed nader geduid. Dit gebeurt door een risico- en impactanalyse.

A. Risicoanalyse: Binnen de thema’s wordt bepaald hoe groot het risico is dat hiervan uitgaat. Risico is gedefinieerd als: risico = kans x effect. Kans betekent in dit verband: kans dat een overtreding voorkomt, gezien het eerdere naleefgedrag van en/of inschatting van de toezichthouder. Effect betekent in dit verband: het nadelig effect dat een overtreding heeft op de beleidsopgaven.

Inzicht in het eigen locatiebestand maakt het mogelijk om de juiste doelgroepen (of later, indien mogelijk, activiteiten) te onderscheiden en per doelgroep de risico’s te duiden. De omgevingsdiensten zullen zich onder de Omgevingswet baseren op activiteiten in de leefomgeving (milieubelastende activiteiten). Om activiteiten als uitgangpunt voor analyse te kunnen nemen is echter een locatiebestand nodig dat in bruikbare vorm is omgezet naar activiteiten. Dit vraagt voor de meeste omgevingsdiensten nog tijd. Tot die tijd kan in de risicoanalyse worden gerekend met branches.

B. Impactanalyse: Vervolgens wordt impact op elk van de beleidsopgaven verdisconteerd in de resultaten uit tabel 4. Hiervan wordt een voorbeeld gegeven in tabel 5. In stap 4, bij de bepaling van bestuurlijke prioriteiten, wordt hier eventueel voor gecompenseerd.

Zo ontstaat een eerste prioritering van doelgroepen waar inzet op dient plaats te vinden om zorg te dragen voor de beleidsopgaven. Waar nu geprioriteerd op doelgroepniveau wordt kan dit op termijn – als het locatiebestand in voldoende mate de activiteiten in beeld heeft – op activiteitenniveau in plaats van op doelgroepniveau.

Stap 4: Bepaling van bestuurlijke prioriteit: bepalen van focus

In stap 4 wordt op basis van de analyse uit stap 3 een prioritering van inzet opgesteld. In beginsel wordt prioriteit gegeven aan thema’s en activiteiten die het grootste risico vormen, afgewogen tegen de impact kan worden gemaakt. Deze initiële prioritering, die voorkomt uit stap 3, is informatiegestuurd en daarmee uitlegbaar.

Toch kunnen er vanuit de deelnemers bestuurlijke redenen zijn om thema’s en activiteiten met een lager risico toch meer prioriteit te geven dan een thema of activiteit met hoger risico. Bijvoorbeeld omdat met een bepaalde activiteit een specifieke beleidsopgave effectiever of efficiënter wordt behaald. Bij deze afweging wordt het bestuurlijk referentiekader toegepast. Hierdoor ontstaat een prioritering van inzet, op het niveau van thema’s en activiteiten.

Stap 5: Inzet VTH(A)-instrumentarium

Bepaling hoe het VTH-instrumentarium wordt ingezet door de omgevings- dienst is het sluitstuk van de prioritering. De duiding van inzet van regulering, toezicht en handhaving en adviesverlening, vindt plaats in het jaarlijks uitvoeringsprogramma.

Hierbij wordt de best passende (combinatie van) inzet bepaald. Dat wil zeggen dat aan de prioritering uit stap 4 wordt gekoppeld welke inzet van VTH(A)-instrumenten daadwerkelijk wordt beoogd bij elk van de doelgroepen, in relatie tot de opgaven. Deze wordt voor zover mogelijk gekwantificeerd.

In stap 5 worden ook speerpunten onderscheiden voor de uitvoerings- praktijk. Voor de uitvoeringspraktijk is hierdoor duidelijk naar welke aspecten bij regulering, toezicht en handhaving en advisering in ieder geval aandacht dient te gaan, in relatie tot de opgaven.

Bijlage 6 Methodieken bodem en bouw

Hieronder vindt u de bestaande prioriteringsmethodiek voor bodem en de geactualiseerde methode voor bouw, met specifieke aandacht voor activiteiten die niet aan bedrijven zijn gerelateerd. De prioriteringsmethodiek voor bodem betreft de aanpak vóór de inwerkingtreding van de Omgevings- wet. Gezien de talrijke ontwikkelingen op het gebied van bodem, zoals decentralisatie, nieuwe basisverplichtingen onder de Omgevingswet, en de integratie van bodembeheer in omgevingsplannen, is de OD NZKG van plan om de methodiek bij te werken en in lijn te brengen met de brede, opgavegerichte en risico gestuurde benadering van prioritering. Dit zal met name van toepassing zijn op activiteiten die niet direct verband houden met bedrijfsactiviteiten, aangezien bodem- en bouw gerelateerde zaken al onderdeel zijn van de reeds ontwikkelde prioritering op het gebied van milieu. Voor bouw gerelateerde taken hebben we onze methodiek geactualiseerd in overeenstemming met de Omgevingswet en hebben we deze gekoppeld aan het beleidskader van de betrokken overheidsinstanties die deze taken hebben ingebracht. Dit proces vindt plaats in nauwe samen- werking met de betrokken partijen die hun taken hebben ingebracht. De Omgevingswet dient hierbij als het vertrekpunt en de leidraad.

1Bodem

1.1 Uitgangspunten

Hoofddoel van de Wet bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodem- kwaliteit (Bbk) was het beschermen van de leefomgeving voor wat betreft de bodem. Specifieke handelingen in en op de bodem en de opslag en toepassing van grond en bouwstoffen kunnen van invloed zijn op de bodemkwaliteit. Doel van de uitvoering van de taken is zorgdragen voor verbetering van het naleefgedrag binnen dit taakveld.

Het uitgangspunt van de bodem kerntaken is dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en het gebruik van de bodem ligt bij de gebruiker, waaronder ook de in de bodem uitvoerende of op de bodem toepassende partij wordt verstaan, evenals de eigenaar. Dit kan een burger of bedrijf zijn, maar is in veel gevallen ook een overheid. De OD NZKG voert in opdracht van gemeenten en provincie diverse wettelijke kerntaken uit op het gebied van bodem. Dit betreft in hoofdlijnen de volgende primaire basistaken:

-Wet bodembescherming (Wbb): vergunning- en toezicht (VT)-taken met betrekking tot (oude) bodemsaneringen en handelingen in of met verontreinigde bodem;

-Besluit bodemkwaliteit (Bbk): vergunning- en toezicht (VT)-taken met betrekking tot het toepassen en opslaan van grond, baggerspecie en bouwstoffen, die de bodemkwaliteit kunnen beïnvloeden;

-Wet milieubeheer (Wm): vergunning- en toezicht (VT)-taken met betrekking tot de bodemkwaliteit gerelateerd aan een inrichting (o.a. nieuwe gevallen bodemsanering);

-Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi): toezichttaken met betrekking tot (verontreinigde) lozingen buiten inrichtingen, bijvoorbeeld in combinatie met bodemsaneringsmaatregelen.

Het betreft hier voornamelijk taken die een gevolg zijn van bij het bevoegde gezag gedane meldingen. De OD NZKG handelt zaken voor de bevoegde gezagen af zoals regulering (registratie, beoordeling, beschikking), toezicht (administratieve- en veldcontrole) en handhaving.

Als gevolg van een tekortkoming of gebrek kunnen overtredingen van genoemde regelgeving aan de orde zijn. Als gevolg hiervan kan bestuurlijke en/of strafrechtelijke handhaving (H-taken) aan de orde zijn, en eventueel hierop volgend bezwaar en beroep. Deze taken zijn formeel geen onderdeel van het landelijk gedefinieerde basistakenpakket, maar aan de oorspronkelijke kerntaken te relateren taken (onderdeel van het randvoorwaardelijk pakket). Doel van het bodemtoezicht is het toezien op bescherming van de leefomgeving voor wat betreft bodem, meer specifiek ten aanzien van bodemverontreiniging. Concreet betekent dit dat moet worden toegezien of de uitvoering van bodemwerkzaamheden plaatsvindt binnen de kaders van wet- en regelgeving voor bodembescherming, waaronder de standaardvereisten aan Bus-saneringen of conform de door het bevoegd gezag opgestelde beschikking op een saneringsplan, dan wel de aanwijsbeschikking bij nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. Een deel van de werkzaamheden vindt juist niet plaats op basis van aanvragen of meldingen. Periodieke of gerichte projectmatige surveillances worden ingezet om juist werken te onderzoeken die niet vooraf aan het bevoegd gezag zijn gemeld. Daarmee is er ook geen koppeling aan een product mogelijk. Surveillance is een aanvullende taak welke op regiebasis plaatsvindt.

Voor bodem is ook van belang dat stromen van grond of specifieke bouwstoffen (Besluit bodemkwaliteit) of bouwafvalstoffen (bijvoorbeeld asbest) worden gevolgd in de productieketen of tussen geografische gebieden. Dit vindt vaak plaats in de vorm van projecten en analyses Informatie Gestuurde Handhaving. Deze werkzaamheden vinden op regiebasis plaats.

Voor het bodemwerkveld is een goede informatiepositie van essentieel belang omdat handelingen op vooraf onbekende locaties plaatsvinden dan wel dat verontreinigd materiaal getransporteerd wordt naar een vooraf onbekende bestemming. Risico en Informatie Gestuurd Werken op basis van analyses van beschikbare (externe) databronnen is daarom binnen het Bodemwerkveld een constant product om een goed naleefgedrag te bevorderen. Dit maakt deel uit van het randvoorwaardelijk pakket. Daarnaast voert de OD NZKG diverse overige bodem-gerelateerde taken uit, die niet tot de kerntaken of het randvoorwaardelijk pakket behoren. Dit kan gaan over specifieke ondersteunende taken aparte afspraken worden gemaakt, zoals:

-Zaakgebonden advies (o.a. bodemtoets bij bouwaanvragen);

-Uitvoeren van (historisch) onderzoek bij gemeentelijke opdrachten;

-Verstrekken van beschikbare bodeminformatie aan derden (o.a. makelaarsinfo);

-Activiteiten in het kader van de bodemkwaliteitskaart (ontwikkeling, beheer en onderhoud);

-Advies uitvoeringsbeleid;

-Specifieke thematische bodemprojecten (keteninspecties; steekproef- bemonstering).

1.2 Risico-analyse bodem

Het beginpunt van de categorisering van de output producten bodem zijn de soorten werkzaamheden waaraan de wettelijke bodemtaken gerelateerd zijn. Hierbij is gebruik gemaakt van verwachte milieugevolgen die bij dergelijke werkzaamheden zouden kunnen optreden. Dit heeft geleid tot een indeling van Categorie A (aanzienlijk) t/m E (gering), in afnemende volgorde.

Aan de categorieën zijn de volgende soorten werkzaamheden toegekend:

In de praktijk blijkt een aanzienlijk andere aanpak en inspanning tussen bodemsaneringen (Wbb/Wm) en bodemtoepassingen/lozingen (Bbk/ Blbi). Dientengevolge is een onderscheid in uitvoeringsniveaus oftewel subcategoriseren gerechtvaardigd (voor Wbb/Wm en voor Bbk/Blbi).

Onze functionele bodemwerkzaamheden onderscheiden zich in regulering (voornamelijk registreren, beoordelen, beschikken) en toezicht (administratief en in het veld). Voor deze verschillende handelingen is per (sub)categorie aangegeven welk niveau van inspanning noodzakelijk is om aan een adequaat niveau te kunnen voldoen. Deels wordt dit bepaald door de wettelijke taak, bijvoorbeeld de verplichting tot registratie of beschikking, deels wordt dit gewogen naar de milieugevolgen.

De volgende onderscheidende uitvoeringsniveaus zijn gebruikt:

4= volledig en alle aspecten behandelen;

3= kritische/representatieve aspecten behandelen;

2= risico gestuurd op de uitgangspunten behandelen; 1 = risico gestuurd handelen op basis van plausibiliteit;

0= niet of vrijwel niet behandelen.

Voor het veldtoezicht is dit nader vertaald naar een indicatief bezoekpercentage:

4= 100-90% van de gevallen worden bezocht;

3= 90-60% van de gevallen worden bezocht;

2= 60-40% van de gevallen worden bezocht;

1= 40-10% van de gevallen worden bezocht;

0= 10-0% van de gevallen worden bezocht.

Per subcategorie is voor de verschillende handelingen een inschatting gemaakt van het benodigde uitvoeringsniveau uitgedrukt in uren. Voor iedere subcategorie leidt dit hiermee tot een profiel van adequaat niveau oftewel een globale beschrijving wat minimaal gedaan moet worden om tot een adequaat inzetniveau te komen.

Het totaal van de in te zetten ‘gemiddelde’ uren en het aantal gevallen per opdrachtgever bepaalt uiteindelijk de benodigde inzet (gewogen kengetal) per categorie voor de vergunnings- en toezichtstaken samen.

Het aantal gevallen per jaar binnen het gebied van de opdrachtgever betreft een inschatting op basis van eerdere ervaringen en onderbouwde verwachtingen. Gezamenlijk leidt dit met de randvoorwaardelijke inzet (= factor maal de kerninzet) tot het totaal aantal uren adequate inzet. Worden de specifieke (thematische) opdrachten op het gebied van bodem toegevoegd, dan leidt dit tot het geraamde totaal aantal in te zetten uren op het gebied van bodemprojecten (fte’s). De feitelijke inzet wordt uiteindelijk bepaald door het feitelijke aanbod aan projecten op ieder moment en het dan geldende uitvoeringsprogramma en de daarin gestelde prioriteiten en beleidsvoorkeuren.

1.3 Risicomatrix bodemtoezicht

De uitvoering bij het bodemtoezicht wordt geprioriteerd volgens de onder- staande risicomatrix. In deze tabel is een onderscheid gemaakt op vier niveaus. De taken die in de hoogste prioriteit (vier) vallen worden te allen tijde uitgevoerd. De taken op prioriteitsniveau drie altijd, tenzij er op dat moment geen capaciteit beschikbaar is. Taken op prioriteitsniveau twee en één worden binnen projecten dan wel als er meermalen overtredingen op een specifiek onderdeel worden geconstateerd uitgevoerd.

Tabel 1: risicomatrix bodemtoezicht

2Bouw

2.1 Doelen

De doelstellingen voor de uitvoering Bouw vallen uiteen in technische en overige doelstellingen.

De technische doelstellingen zijn het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het waarborgen van duurzaamheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid bij het bouwen en gebruiken van bouwwerken. De overige doelstellingen zijn gerelateerd aan de ruimtelijke regels en aan de regels over de omgevingskwaliteit, waarop het nalevingstoezicht betrekking heeft, zoals:

-het beschermen van de leefbaarheid;

-het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;

-het zorgen voor een goede visuele kwaliteit van bouwwerken;

-het behoud van cultureel erfgoed;

-de natuurbescherming;

-het tegengaan van klimaatverandering en

-de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Bij de uitvoering gaat de OD NZKG uit van een uniform uitvoeringsniveau zoals hieronder is weergegeven, tenzij opdrachtgevende bestuursorganen besloten hebben tot afwijkend uitvoeringsniveau voor deze plustaak. In de besluitvorming daarover houden de opdrachtgevende bestuursorganen rekening met het belang van de doelmatige en doeltreffende uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak door de OD NZKG.

Vergunningverleners, constructeurs en toezichthouders spelen in het nalevingstoezicht een rol in de uitvoerende zin, dat wil zeggen toetsend, inspecterend en handhavend.

2.2 Verguningverlening, toezicht en handhaving (Vth)

De OD NZKG voert afhankelijk van de opdrachtgever combinaties van de volgende VTH-taken omgevingsrecht/bouw uit:

-VTH-taken omgevingsrecht/bouw voor bepaalde gebieden en projecten;

-VTH-taken omgevingsrecht/bouw voor bedrijven/utiliteitsbouw

(o.a. Type C en provinciale bedrijven (1));

-VTH-taken omgevingsrecht/bouw en openstellingsvergunning tunnels en ondergrondse spoorwegen (metro);

-(V)TH-taken in verband met brandveiligheid in de gebruiksfase voor de utiliteitsbouw (toezicht brandveilig gebruik;

-Adviestaken op uitvoering VTH.

De OD NZKG voert de basistaken VTH voor bouw- en sloopactiviteiten uit waarbij de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland het bevoegd gezag zijn. Dan gaat het om bouwprojecten van provinciaal belang of complexe bedrijven. Daarnaast voert de OD NZKG deze taken uit bij bedrijven in de provincies Flevoland en Utrecht die onder de regelgeving over het voorkomen van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen vallen.

Algemeen doel van vergunningverlening is het bevorderen dat de vergunde werkzaamheden plaatsvinden binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving en voor toezicht en handhaving dat de uitvoering van werkzaamheden en het gebruik van de betrokken panden plaatsvinden binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving en – voor zover van toepassing – de afgegeven vergunning.

Prioritering in vergunningverlening: vraaggestuurd en risicogericht

De prioritering van vergunningverlening is primair vraag-gestuurd, dat betekent reageren op en behandelen van vergunningaanvragen die door initiatiefnemers worden ingediend. In deze benadering worden alle aanvragen behandeld zonder vooraf vastgestelde prioriteiten, waarbij de volgorde van behandeling wordt bepaald door de binnenkomst van de aanvragen en de specifieke eisen van elk project. Tegelijkertijd wordt er een risicogerichte aanpak gehanteerd, waarbij projecten met een hoger risico voor de leefomgeving of de naleving van regelgeving meer aandacht en middelen krijgen via Bouwtoezicht op Maat (BOM, zie par 6.5.). Hierbij moet worden aangetekend dat ook onder de Omgevingswet bij de toetsing aan de bouwregelgeving meestal een zogenoemd limitatief- imperatief stelsel geldt. Als een aanvraag voldoet aan de regels, moet de omgevingsvergunning worden verleend; als dat niet zo is, moet de gevraagde vergunning worden geweigerd. Het bevoegd gezag heeft daarbij weinig ruimte om een belangenafweging te maken.

Overtredingen

Indien overtredingen worden geconstateerd wordt bestuursrechtelijk opgetreden met passende waarschuwingen of sancties als stillegging van de bouwwerkzaamheden of het opleggen van een last onder dwangsom. Resultaat van het bouwtoezicht moet zijn dat het uiteindelijk gerealiseerde bouwwerk aan de regels voldoet. In een enkel geval is dat niet mogelijk en is er sprake van onomkeerbare schade. In dat geval kan strafrechtelijk worden opgetreden (bijvoorbeeld bij overtredingen met asbest). In de uitvoering sluit de OD NZKG aan bij de landelijke handhavingstrategie (LHS of LHSO.onder de Omgevingswet).

2.3 Ontwikkelingsagenda in verband met de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen en Omgevingswet

De ‘knip’ in het VTH-stelsel bouw

Met de Omgevingswet wordt VTH bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dat levert twee activiteiten op waarop bestuurlijk toezicht wordt gehouden: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Dit noemen we ‘de knip’.

Wet kwaliteitsborging voor het bouwen

De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) wordt naar verwachting tegelijk met de Omgevingswet ingevoerd, te beginnen met bouwwerken in gevolgklasse 1. Hierbij verandert de vergunningplicht in een meldingsplicht. Het Wkb-stelsel zal uiteindelijk het gehele technische toezicht op de kwaliteit van bouwwerken omvatten, met uitzondering van vergunningvrije bouwwerken. De Wkb verschuift de verantwoordelijkheid voor bouw- technische toetsing en toezicht naar private kwaliteitsborgers. Dit betekent dat de nadruk minder op de voorafgaande toets van bouwplannen ligt en de rol van de vergunningverlener vervalt. De nadruk komt te liggen op uitgebreide toetsing tijdens de bouw en bij oplevering door de kwaliteits- borger.

De Wkb brengt geen veranderingen in toezichts- en handhavings- bevoegdheden. De OD NZKG blijft op grond van verleende mandaten verantwoordelijk voor het bestuurlijk toezicht op naleving van de technische bouwregelgeving en bestuursrechtelijke handhaving bij overtredingen.

Handelingskader Wkb

De OD NZKG heeft in samenspraak met de gemeentelijke opdrachtgevers van de bouwtaken een voorlopig uitvoeringskader opgesteld dat de uitvoering van het toezicht op naleving onder de Wkb beschrijft. Dit kader is gebaseerd op het door de VNG ontwikkelde referentieproces melding Wkb en geeft specifieke invulling aan beleidsruimte bij bestuurlijk toezicht en handhaving. Na de inwerkingtreding van de Wkb zal dit kader voortdurend worden aangepast op basis van praktijkervaringen. De verwachting is dat na een jaar voldoende ervaring is opgedaan om het aangepaste Handelingskader formeel vast te stellen.

Meer bouwtechnisch vergunningvrij bouwen

Onder de Wkb neemt het aantal technisch vergunningvrije bouwwerken, oftewel ‘gevolgklasse 0’, toe. Deze worden niet vooraf getoetst door het bevoegd gezag of de kwaliteitsborger. Het bevoegd gezag blijft echter verantwoordelijk voor het repressieve toezicht op deze bouwwerken. Dit betekent dat in meer gevallen repressief moet worden opgetreden om strijdigheid met de bouwtechnische regels ongedaan te maken. Er blijkt overigens in veel gevallen wel een vergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouw vereist. De precieze invloed op de aard en omvang van de werkzaamheden van de OD NZKG is nog onbekend. Naar verwachting zal een jaar na de inwerkingtreding van de Wkb de impact duidelijker zijn, waarna het uitvoeringsbeleid kan worden bijgesteld.

Bouwtoezicht op maat

In het huidige uitvoeringskader Bouwtoezicht Op Maat (BOM) zijn

-indicatief – de toetsing- en inspectieniveaus voor naleving van de bouw- regels vastgelegd. Dit kader dient te worden geëvalueerd en te worden aangepast tegen de achtergrond van de op handen zijnde stelselwijzigingen (Wkb/Omgevingswet). Het kader is in de afgelopen jaren heel waardevol gebleken in het voldoen aan het uitgangspunt van de Wet VTH om het uitvoeringsbeleid te baseren op een risicoanalyse van mogelijke gevolgen die zich kunnen voordoen als de regels niet worden nageleefd. De 1 op 1 doorvertaling van de risico-categorieën naar financieringssystematiek is echter minder succesvol gebleken dan was voorzien. In de praktijk is gebleken dat ook andere factoren dan de in het geding zijnde risico’s voor de fysieke leefomgeving invloed hebben op de benodigde inzet op gebied van VTH. In afwachting van de herziening van dit uitvoeringskader op grond van een evaluatie en in verband met de op handelen zijnde stelselwijzigingen, blijft het ongewijzigd van kracht zoals beschreven in paragraaf 2.5.

Inzet van capaciteit, kennis en ervaring op het gebied van het technisch bouwtoezicht

De gemeenten in het werkgebied van de OD NZKG werken net als gemeenten elders in het land met criteria die aangeven welke personele kwaliteit ten minste in de eigen organisatie aanwezig moet zijn om de VTH-taken goed uit te voeren. Deze ‘criteria voor kritische massa’ dienen in verband met de komende stelselwijzigingen te worden aangepast. Omdat de gemeenten een rol houden bij het bestuurlijke toezicht en de handhaving van de technische bouwregels, moeten gemeenten ook onder de Wkb bij de uitvoering een beroep kunnen doen op capaciteit, kennis en ervaring. De OD NZKG kan een rol vervullen in het beschikbaar houden van voldoende kritische massa om de op de Wkb aanvullende wettelijke toezichts- en handhavingstaken uit te voeren. Die rol is alleen mogelijk als gemeenten gezamenlijk zorgen voor voldoende financiering van de uitvoeringscapaciteit van de OD NZKG.

2.4 Amsterdamse VTH-strategie

Op het moment van schrijven worden de Amsterdams VTH-strategie geactualiseerd.

Uitvoering strategieën gemeente Amsterdam

Afgesproken is dat het Amsterdamse VTH-beleid/U&H-strategie geldt voor U&H-taken in de fysieke leefomgeving die in de grootstedelijke gebieden aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied zijn gemandateerd en voor de plustaken die de Omgevingsdienst namens Amsterdam uitvoert.

Hiervoor geldt dat de Omgevingsdienst in overleg met Amsterdam voor de uitvoering van deze taken uitvoeringsaccenten kan aanbrengen. Bijvoorbeeld in het belang van de regionale uniformiteit of vanuit bedrijfsmatige over- wegingen. Deze accenten passen binnen de kaders van Amsterdamse beleid en worden vastgelegd in de jaarlijkse uitvoeringsovereenkomsten tussen Amsterdam en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. In afspraken bij de jaarlijkse uitvoeringsovereenkomsten wordt rekening gehouden met bedrijfsmatige overwegingen van de OD NZKG.

ODNZK neemt de specifieke strategieën voor bouwen van gemeente Amsterdam in beginsel over wat betreft de plustaken. Deze algemene strategieën zijn veel in lijn met landelijk beleid, in specifieke uitwerkingen zoals hoogte van dwangsommen volgen in beginsel de opdrachtgevers.

ODNZK neemt specifieke strategieën in beginsel over wat betreft de plustaken:

-Strategie externe kwaliteitsborging (Wkb), met accenten samenhangend met de aard van de bouwwerken (veel nieuwbouw ipv verbouw, samenloop met milieuaspecten etc)

-Strategie woningkwaliteit

-Strategie toepassen uitgebreide procedure

-Participatiestrategie

-Strategie handhavingsverzoeken en –meldingen (aangepast aan de specifieke opgaven OD NZKG bijv. toezicht veiligheid metrosysteem)

-Strategie intrekken ongebruikte vergunningen

-Strategie 24h verantwoordelijkheid, roulatie en functiescheiding

-Preventie en communicatiestrategie (wellicht met accenten)

-Strategie samenwerking ketenpartners en afhandeling signalen (contramal van lokaal beleid)

2.5 Bouwtoezicht Op Maat

Bouwtoezicht Op Maat (BOM) is het systeem dat wordt gebruikt binnen de OD NZKG voor omgevingsvergunningen bouw en bouwtoezicht. Het systeem is gebaseerd op landelijke toetsingskaders en verdeelt bouwwerken in verschillende categorieën. Het uitgangspunt van BOM is dat de verantwoordelijkheid bij de eigenaar ligt en het bevoegd gezag beoordeelt of deze verantwoordelijkheid voldoende wordt genomen. BOM heeft als doel onaanvaardbare risico’s af te vangen op het gebied van ruimtelijke inpassing, esthetische inpassing, technische bouwkwaliteit en omgevingsaspecten.

Werkniveau’s

De BOM-systematiek hanteert vier werkniveaus voor bouwtoezicht op basis van een risicoanalyse:

-Integraal (4): Beoordeling van alle onderdelen op detailniveau, met gebruik van project specifieke en detailtekeningen.

-Representatief (3): Beoordeling op hoofdlijnen en kenmerkende details, met gebruik van algemene project specifieke tekeningen en detailtekeningen van kritische detailleringen.

-Beperkt (2): Beoordeling op hoofdlijnen, met gebruik van algemene project specifieke tekeningen. Detailtekeningen worden alleen geraadpleegd bij twijfel.

-Marginaal (1): Visuele controle zonder het raadplegen van tekeningen of het gebruik van hulpmiddelen.

De toezichthouders werken volgens het principe van opbouwen van vertrouwen en beoordelen op basis van deskundigheid. Afhankelijk van het vertrouwen dat uit de beoordeling voortkomt, kan het werkniveau in een concreet geval worden aangepast. Voor verbouwsituaties zijn vaak minder onderdelen aan de orde dan voor nieuwbouw omdat de nadruk ligt op het beoordelen van de gevolgen van de verbouwingsingreep en niet op die delen waarop de ingreep geen invloed heeft.

Typologie van bouwwerken

De werkniveau’s zijn gekoppeld aan zogenaamde BOM-categorieën voor nieuwbouw en verbouw, waarbij categorieën bouwwerken zijn gedefinieerd als volgt:

-A1 (bouwkosten < €100.000, niet constructief): Vlaggenmasten, hekwerken, gevelwijzigingen, installaties, interne niet-constructieve verbouwingen, en reclame zonder constructie.

-A2 (bouwkosten < €100.000, constructief): Constructieve verbouwingen, dakopbouw, funderingsherstel, meerpalen, steigers, porto-cabins, en reclame met constructie (zoals op het dak of reclameborden).

-B1 (woongebouw): Woongebouwen en woontorens.

-B2 (andere woonfunctie): Vrijstaande en eengezinswoningen.

-B3 (lichte industriefunctie): Loodsen, hallen, tanks(installaties), opslag- ruimtes, opvangbassins, pompkamers, en schakelhallen.

-B4 (overige industriefunctie): Bedrijfs(verzamel)gebouwen, ateliers, broedplaatsen, autoshowrooms of -werkplaatsen, tankstations, en (zelfstandige) parkeergarages.

-B5 (bijeenkomst-, cel-, onderwijs-, gezondheid- (bed-gebonden), logiesfunctie): Theaters, stations, restaurants, gevangenissen, scholen, universiteiten, ziekenhuizen, vakantiewoningen en hotels.

-B6 (kantoor-, winkel-, sport-, gezondheidsfunctie (niet bed-gebonden)): Kantoren, winkels, gezondheidscentra, artsenpraktijken, sporthallen en stadions.

-B7 (bouwwerk geen gebouw zijnde): Kades, geluidsschermen, dam- wanden, bruggen, laadplatforms, hoogspanningsstations, en funderingen.

-B8 (bijzondere categorie): grote vaak infrastructurele projecten.

Daarnaast zijn er BRIKS en overige beoordelingen (RO-, inrit-, kap-, sloop- en brandveilig gebruik en sloop). De Bouwtoezicht op maat (BOM) systematiek dient als basis voor het vaststellen van de uitvoeringsniveaus op basis van een risicoanalyse. Het uitvoeringsniveau is in 2016 bepaald (zie tabel 1).

In de afgelopen jaren zorgden de krapte op de arbeidsmarkt en de corona- pandemie voor grote uitdagingen om het vastgestelde uitvoeringsniveau te handhaven. In dialoog met de opdrachtgevers wordt het uitvoeringsniveau steeds aangepast aan de omstandigheden van het moment. De aanstaande stelselwijzigingen door de invoering van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging maken een herziening van het beleid over het uitvoeringsniveau sowieso noodzakelijk.

Uitzonderingen BOM systematiek

Werkzaamheden rondom tunnels en ondergronds lokaalspoor (metro) en toezicht hierop vallen niet onder de BOM-systematiek. Dat geldt ook voor het toezicht op brandveilig gebruik van panden, In de laatste categorie wordt gewerkt met een kengetallen per controle, waarbij de prioritering van de opdrachtgever de controlefrequentie bepaalt.

2.6 Tunnelveiligheid

De OD NZKG voert taken uit met betrekking tot de veiligheid van verkeerstunnels, zoals vastgelegd in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Warvw). Deze taken worden uitgevoerd in nauw overleg met de tunnelbeheerder(organisatie en de veiligheidsbeambte De OD NZKG is verantwoordelijk voor het behandelen en verlenen van omgevings- vergunningen en openstellingsvergunningen voor nieuwe tunnels en bij tunnelrenovaties, het houden van toezicht tijdens de bouw en renovatie van tunnels, en het uitvoeren van systeemtoezicht en inspecties van tunnelveiligheid elke zes jaar. Bij elke tunnel zijn er een tunnelbeheerder (de wegbeheerder) en een veiligheidsbeambte (aangesteld door de tunnelbeheerder) betrokken. Voor elke nieuwe wegtunnel moet een tunnelveiligheidsplan worden opgesteld Ten behoeve van de omgevingsvergunning dient een bouwplan te worden opgesteld. Het openstellen van een tunnel zonder openstellingsvergunning en het gebruik van een tunnel in afwijking van het veiligheidsbeheerplan is verboden.

De volgende wegtunnels vallen onder het toezicht van de OD NZKG:

IJ-tunnel, Coentunnel, Zeeburgertunnel, Piet Heintunnel, Michiel de Ruijtertunnel, Spaarndammertunnel, Gaasperdammertunnel, Buitenvelderttunnel, Abdijtunnel, Kaagbaantunnel en Waterwolftunnel.

2.7 Toezicht op ondergronds lokaalspoor (metro)

In de Beheervisie 2023 van de Vervoerregio Amsterdam zijn (in lijn met de bouwregelgeving) uitgangspunten vastgelegd voor toezicht op bouwkundige brandveiligheid als integraal onderdeel van de veiligheid van het gehele metro vervoerssysteem. ILT is aangewezen als toezichthouder op naleving van Wet lokaal spoor en gerelateerde regelgeving bij beheerders en vervoerders. De Vervoerregio Amsterdam heeft een overeenkomst met ILT voor het uitvoeren van wettelijke taken, waaronder het opstellen van een vierjarenplan en jaarplan. Toezicht en handhaving van bouwregelgeving zijn opgedragen aan OD NZKG, die bij de toepassing van de bouwvoorschriften zoveel mogelijk uitgaat van de integrale veiligheidsfilosofie uit de Beheervisie 2023. Het toezicht door OD NZKG is gebaseerd op wettelijke bevoegdheden uit de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit omvat onder andere toezicht op naleving van meldingsvoorwaarden, de mogelijkheid om voorwaarden te wijzigen bij veranderingen in inzichten of omstandigheden, het aanschrijven voor noodzakelijke bouwkundige maatwerkvoorzieningen bij gebreken of veranderingen in gebruik, toezien op naleving van de bouw- vergunningplicht en bij vergunningvrije bouwwerkzaamheden, en toezicht op naleving van rechtstreeks werkende regels.

2.8 Adviestaken bouw OD NZKG

De OD NZKG vervult diverse adviestaken op het gebied van constructie en andere aspecten van de bouwregelgeving, waarbij de adviezen worden gebaseerd op de toepasselijke bouwregelgeving en het beleid van de opdrachtgevers. Constructeurs van de OD NZKG beoordelen constructieve gegevens zowel op hoofdlijnen als op uitgewerkte tekeningen en berekeningen, rekening houdend met de geldende regelgeving en het beleid van de betrokken partijen.

Bij technische regelgeving is de lokale beleidsruimte overigens beperkt, aangezien het voornamelijk gaat om regels van het Rijk. De OD NZKG adviseert ook bij evenementen, incidenten, handhavingszaken etc., met inachtneming van de relevante bouwregelgeving en het lokale beleid van de opdrachtgevers, voor zover mogelijk. Daarnaast ondersteunt de OD NZKG gemeenten, provincies en andere overheidsorganisaties bij het opstellen en toepassen van bouwbeleid en landelijke regelgeving, zodat deze op de juiste wijze wordengeïmplementeerd en nageleefd, met respect voor de beperkte beleidsruimte op lokaal niveau bij technische regelgeving.

Bijlage 6 Begrippenlijst

Basistakenpakket:

Het basistakenpakket is het minimale pakket aan taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving dat door gemeenten en provincies ondergebracht moet worden bij omgevingsdiensten. Het basistakenpakket is per 1 januari 2024 geborgd in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit. In samenwerking met gemeenten, provincies en omgevingsdiensten is een nieuw basistakenpakket vastgesteld. Dit pakket heeft een plaats gekregen in artikel 13.12 en bijlage VI van het Omgevingsbesluit.

Bevoegd gezag:

Het bestuursorgaan dat bevoegd is voor toezicht en handhaving, meldingen ontvangt en vergunningaanvragen behandelt. Het bevoegd gezag kan ook maatwerkbesluiten nemen of vergunningen (ambtshalve) wijzigen of intrekken. Voor VTH-taken gaat het meestal om het college van burgemeester en wethouders van een gemeente of om het college van gedeputeerde staten.

Big 8-cyclus:

Systematiek afkomstig uit de wet VTH. De verschillende stappen in de cyclus (die in de vorm van een acht worden weergegeven) vormen samen het VTH-beleid en het uitvoeringsprogramma. Ook geven de stappen richting aan de systematiek van doorwerking en evaluatie.

Bruidsschat:

Onder de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het Rijk naar gemeenten en waterschappen. Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit voor dat deze regels automatisch in het omgevingsplan of de waterschap verordening komen. Dit heet ook wel de ‘bruidsschat’.

Deelnemers:

De in de omgevingsdiensten deelnemende partijen: gemeenten en de provincie.

IBP VTH:

Het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH (IBP VTH) is een samenwerkings- programma dat gericht is op de versterking van Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) op het gebied van milieu, bouw en ruimtelijke ordening. Dit programma brengt verschillende bestuurslagen, zoals gemeenten, provincies en het Rijk, samen om gezamenlijke doelen en afspraken te formuleren en uit te voeren om de kwaliteit en effectiviteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving in Nederland te verbeteren. Het IBP VTH heeft als doel om te zorgen voor een betere naleving van wet- en regelgeving en het waarborgen van een veilige en gezonde leefomgeving. Het programma richt zich op het ontwikkelen van beleid, het delen van kennis en ervaring, en het bevorderen van samenwerking tussen verschillende overheidsinstanties en stakeholders op het gebied van VTH.

IPPC-bedrijven:

Grote industriële bedrijven met een IPPC-installatie die valt onder de Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU).

Klimaatopgave:

De klimaatopgave verwijst naar de uitdagingen en problemen die voortkomen uit de klimaatverandering, zoals de opwarming van de aarde en de gevolgen ervan. Het omvat maatregelen en acties die moeten worden genomen om de oorzaken van klimaatverandering aan te pakken, zoals het verminderen van broeikasgasemissies en het bevorderen van duurzame praktijken. De aanpak van de opgaven Circulaire economie (verminderen van afval en het efficiënt gebruik van grondstoffen), Klimaatadaptatie (aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering die al plaatsvinden of onvermijdelijk zullen optreden) en Energietransitie (overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame en hernieuwbare energiebronnen) dragen allen bij aan de aanpak van klimaatverandering.

Kwaliteitscriteria VTH:

Er gelden kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Artikel 13 van het Omgevingsbesluit legt de kwaliteitscriteria vast voor vergunningen en toezicht met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit artikel stelt eisen aan de inhoud van vergunningen en het toezicht daarop, met als doel het waarborgen van de kwaliteit en bescherming van het milieu. Voor de overige VTH-taken geldt er een zorgplicht. De invulling hiervan is vrij.

Level playing field: Een ‘level playing field’ in de context van uitvoerings- en handhavingstaken;

van Omgevingsdiensten verwijst naar een situatie waarin er een eerlijke en gelijke speelruimte is gecreëerd voor alle betrokken partijen, waaronder overheden, bewoners en bedrijven. Dit betekent dat alle partijen gelijke kansen en gelijke behandeling krijgen bij het aanvragen, beoordelen en uitvoeren van vergunningen en bij het naleven van wet- en regelgeving met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Het concept van een ‘level playing field’ is van groot belang om te zorgen voor rechtvaardigheid, transparantie en consistentie in het besluitvormingsproces met betrekking tot VTH-taken

Maatwerktraject:

Een maatwerktraject voor een bedrijf is een op maat gemaakt proces of programma dat specifiek is ontworpen om de individuele behoeften en situatie van een bedrijf aan te pakken in overeenstemming met milieu-, bodem- en bouwvoorschriften. Dit traject omvat aangepaste vergunningverlening, toezicht, handhaving, advies en andere relevante activiteiten om ervoor te zorgen dat het bedrijf voldoet aan geldende regels en voorschriften, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de unieke omstandigheden en uitdagingen van dat specifieke bedrijf. De focus ligt op een individuele aanpak die in lijn is met breder beleid en regelgeving, waarbij een evenwicht wordt gezocht tussen economische belangen en het behoud van een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving.

Minimaliserende normen:

Minimaliserende normen verwijzen naar specifieke wettelijke voorschriften of regels die zijn opgesteld met als doel het minimaliseren van bepaalde negatieve effecten, risico’s of invloeden op de fysieke leefomgeving, volksgezondheid, of andere relevante aspecten. Deze normen stellen limieten of criteria vast die moeten worden nageleefd om de impact van activiteiten of situaties te beperken of te minimaliseren.

Naleefgedrag:

De mate waarin de wettelijke regels door bedrijven worden nageleefd.

Omgevingsloket:

Een online voorziening waarmee een aanvraag opgesteld kan worden voor een omgevingsvergunning, watervergunning en/of melding. Ook kan men een vergunningencheck doen om te zien of een vergunning of een melding nodig is.

Plustaken:

Extra taken die (buiten het verplichte basistakenpakket) aan de Omgevingsdienst zijn opgedragen.

RIE4-bedrijf:

RIE4 staat voor Risico-Inventarisatie en -Evaluatie 4. Het betreft een bedrijf waarin een installatie staat als bedoeld in bijlage I, categorie 4 (chemische industrie) van de Richtlijn industriële emissies.

Samenlevingsgericht werken:

Samenlevingsgericht werken door omgevingsdiensten verwijst naar een benadering waarbij deze diensten actief betrokken zijn bij en samenwerken met de bredere samenleving, waaronder burgers, bedrijven, lokale gemeenschappen en andere belanghebbenden, bij het vormgeven en uitvoeren van activiteiten met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Het houdt in dat omgevingsdiensten niet alleen top- down reguleren en handhaven, maar ook luisteren naar en rekening houden met de behoeften, inzichten en zorgen van de samenleving.

Seveso-bedrijf:

Milieubelastende activiteit die is aangewezen in paragraaf 3.3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij een Seveso-bedrijf gaat het om een bedrijf met gevaarlijke stoffen boven de drempelwaarde uit bijlage I, deel 1 of deel 2 van de Sevesorichtlijn. De bedrijven worden ingedeeld in hogedrempelinrichtingen (grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen) en lagedrempelinrichtingen (kleinere hoeveelheden). Tot 1 januari 2024 vielen deze bedrijven onder de regels van het Besluit risico’s zware ongevallen. Dit besluit is per 1 januari 2024 ingetrokken.

Seveso-bedrijven moeten risicoanalyses uitvoeren, veiligheidsmaatregelen treffen en noodplannen opstellen om de veiligheid van mens en milieu te waarborgen. Het doel is om de risico’s van zware ongevallen te beheersen en de bescherming van de omgeving en de bevolking te waarborgen.

Voorzorgbeginsel:

Dit betreft het beleidsprincipe waarbij omgevingsdiensten preventieve maatregelen en beslissingen nemen met betrekking tot de fysieke leefomgeving, zelfs als er wetenschappelijke onzekerheid bestaat over mogelijke risico’s voor milieu, gezondheid of veiligheid. Dit betekent dat de OD NZKG maatregelen neemt om potentiële schade te voorkomen in situaties waarin er aanwijzingen zijn voor schadelijke effecten, zelfs als er geen definitief bewijs is. Het principe streeft ernaar om de belangen van bescherming van de leefomgeving en volksgezondheid voorop te stellen, met aandacht voor het verminderen van risico’s en het nemen van voorzorgsmaatregelen in onzekere situaties.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.