Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Dit reglement verstaat onder:
a.categorie bedrijven: categorie waartoe behoren degenen die krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebouwde onroerende zaken in gebruik hebben als bedrijfsruimte;
b.categorie ingezetenen: categorie waartoe behoren degenen die hun werkelijke woonplaats in het waterschap hebben als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet;
c.categorie natuurterreinen: categorie waartoe behoren degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen als bedoeld in artikel 116, onder c, van de wet;
d.categorie ongebouwd: categorie waartoe behoren degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;
e.Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Gelderland en Overijssel, tenzij in het reglement anders is bepaald;
f.watersysteem: samenhangend geheel van één of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken;
g.wet: Waterschapswet.
Hoofdstuk 2. Naam, gebied, zetel en taak van het waterschap
Artikel 2. Naam en gebied van het waterschap
2[Toelichting: Bij het bepalen van het gebied van het waterschap is acht geslagen op het uitgangspunt voor de bestuurlijke organisatie van de waterstaatszorg, dat bij de vorming van waterschappen zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de waterstaatkundige eenheden. Een waterstaatkundige eenheid bestaat uit een samenhangend stelsel van oppervlaktewateren en gronden (inclusief mensen en gebouwen), die belang hebben bij de instandhouding van dat stelsel. Het gebied van het waterschap wordt aangegeven op een kaart die deel uitmaakt van het reglement. Op de kaart zijn de grenzen van het waterschapsgebied zo eenduidig mogelijk vastgelegd. Er kunnen gebiedsspecifieke situaties zijn waarbij het noodzakelijk is de grens van het waterschapsgebied nauwkeuriger vast te stellen (bijvoorbeeld daar waar de grens door bebouwd gebied loopt). In het reglement is de mogelijkheid opgenomen om voor de precieze aanduiding van de grenzen van het waterschapsgebied detailkaarten vast te stellen. Het vaststellen van de detailkaarten is opgedragen aan Gedeputeerde Staten. De grenzen van het waterschap zijn niet gewijzigd en de kaart is dan ook hetzelfde gebleven. Wel is de verwijzing op de kaart aangepast in die zin dat de kaart naar het juiste reglement verwijst en dat de kiesdistricten die momenteel op de kaarten staan, vervallen. ]
1Er is een waterschap met de naam Waterschap Veluwe, verder aan te duiden als het waterschap.
2Het gebied van het waterschap is aangegeven op de bij dit reglement behorende kaart.
3De grenzen van het in het tweede lid bedoelde gebied kunnen nader worden aangegeven op door Gedeputeerde Staten vast te stellen detailkaarten.
4Van elk van de kaarten, bedoeld in het tweede en het derde lid, berust een exemplaar bij het waterschap en bij de provincies Gelderland en Overijssel.
Artikel 3. Zetel van het waterschap
Het algemeen bestuur bepaalt in welke gemeente het waterschap zijn zetel heeft.
Artikel 4. Taak van het waterschap
3[Toelichting: In artikel 1, eerste lid van de Waterschapswet is het functionele karakter van de waterschappen vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied. Deze taak wordt vervolgens in het tweede lid nader gespecificeerd in de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater op de voet van artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. In de Waterschapswet worden de zorg voor de waterkering en de zorg voor de waterhuishouding dus niet meer als aparte taken onderscheiden. Dit sluit beter aan bij het integraal waterbeheer dat in de waterschapspraktijk is ontstaan. In artikel 4 van het reglement is aangesloten bij de wet en de huidige situatie door aan het waterschap de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater op te dragen. De zorg voor het watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Onder de zorg voor de waterhuishouding moet ook het regelen van de grondwaterstanden via het peilbeheer van het oppervlaktewater worden gerekend. Het gebruik van de term "zorg voor het watersysteem" benadrukt dat de tot op heden afzonderlijk benoemde taken een nauwe onderlinge samenhang kennen en als één integrale taak moeten worden uitgevoerd. In de Waterschapswet wordt de zorg voor het watersysteem in algemene zin toegekend. De nadere invulling van dit begrip vindt plaats in de bijzondere wetgeving, zoals de Wet op de waterhuishouding, de Wet op de waterkering, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Grondwaterwet. Aangezien de bijzondere wetgeving, in dit geval de Grondwaterwet, nog niet is aangepast bij de inwerkingtreding van het onderhavige reglement is van een taakverruiming vooralsnog geen sprake. Het grondwaterbeheer zoals dat in de Grondwaterwet is toegedeeld aan Gedeputeerde Staten blijft tot dat moment een verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten. Wanneer de Waterwet in werking treedt, wordt de integratie van de afzonderlijke medebewindstaken van de waterschappen ook in de bijzondere wetgeving doorgevoerd. Op dat moment is er sprake van een nieuwe afbakening van die taken en gaat het grondwaterbeheer gedeeltelijk over naar de waterschappen. Toedeling van taken zal na de inwerkingtreding van de Waterwet, zonder nadere regeling, ook betrekking hebben op de zorg voor de grondwaterlichamen (het grondwaterbeheer). In de praktijk zal het gaan om het grondwaterkwantiteitsbeheer, omdat het belangrijkste instrumentarium voor het grondwaterkwaliteitsbeheer, vanwege de nauwe samenhang met het instrumentarium voor bodembescherming bij de provincies en de gemeenten blijft berusten in het kader van de Wet bodembescherming. De toekenning van "de zorg voor het watersysteem" aan het waterschap impliceert overigens niet dat alle zorg voor het watersysteem of de watersystemen in het waterschapsgebied aan het waterschap wordt toegekend. Ook andere overheden oefenen taken ter zake uit. In het eerste lid van artikel 4 is daarom aangegeven dat het waterschap verantwoordelijk is voor de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet bij andere publiekrechtelijke lichamen berust. Artikel 4, eerste lid kent een duidelijke relatie met artikel 3:4, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In artikel 3:4, eerste lid Awb is namelijk geregeld dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. Wanneer een bestuursorgaan van het waterschap derhalve een besluit of handeling overweegt, dient het over te gaan tot een afweging van alle bij de concrete beslissing of handeling betrokken belangen. Met artikel 4, eerste lid wordt aangegeven dat het waterschap zich bij de belangenafweging primair moet laten leiden door de waterhuishoudkundige belangen. Het zijn deze belangen die de doorslag moeten geven bij de besluitvorming. In artikel 4, tweede lid is ook de zuivering van afvalwater aan het waterschap opgedragen. Sinds 2002 ligt de zorgplicht voor de zuivering van stedelijk afvalwater via artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren al wettelijk bij het waterschap. ]
1De taak van het waterschap is de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen.
2De taak, bedoeld in het eerste lid, omvat de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater, hieronder mede begrepen het stedelijk afvalwater dat afkomstig is vanuit het beheersgebied van een aangrenzende waterkwaliteitsbeheerder en dat krachtens artikel 15a, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren om doelmatigheidsredenen wordt gezuiverd op een zuiveringstechnisch werk dat in beheer is bij het waterschap.
Hoofdstuk 3. De samenstelling en inrichting van het waterschapsbestuur
Paragraaf 1. Het algemeen bestuur
Artikel 5. Benaming bestuursorganen
1Het dagelijks bestuur wordt aangeduid als college van dijkgraaf en heemraden.
2De voorzitter wordt aangeduid als dijkgraaf.
3De leden van het dagelijks bestuur, niet zijnde de dijkgraaf, worden aangeduid als heemraden.
Artikel 6. Omvang algemeen bestuur
5[Toelichting: In de Waterschapswet is, uit oogpunt van uniformering, maar ook vanwege doelmatigheid en slagvaardigheid, de minimale en maximale omvang van het algemeen bestuur vastgelegd. Het waterschapsbestuur kan bestaan uit minimaal achttien en maximaal dertig leden. Om te garanderen dat daadwerkelijk alle belangencategorieën vertegenwoordigd zijn, dient niet alleen de omvang van het bestuur te worden vastgesteld, maar ook het aantal zetels dat daarbinnen toegekend wordt aan ieder van de specifieke categorieën. Op een totale bestuursomvang van minimaal achttien en maximaal dertig zetels zijn zeven tot negen zetels gereserveerd voor de specifieke categorieën gezamenlijk, waarbij iedere categorie minimaal één zetel toegewezen krijgt om vertegenwoordiging zeker te stellen. De overige zetels zijn voor de categorie ingezetenen. Met dit stelsel wordt verzekerd ("geborgd") dat bij de taakuitoefening door het waterschap met alle onderscheiden taakbelangen, de algemene én de specifieke, rekening wordt gehouden. Deze benadering doet recht aan het functionele karakter van het waterschap, dat zich daarmee onderscheidt van de organen van algemene democratie. Doel van de geborgde zetels is het zeker stellen van de vertegenwoordiging van de onderscheiden belangen in het waterschapsbestuur. Bij de bepaling van de omvang van het bestuur en de aantallen zetels per categorie is rekening gehouden met de mate van het belang van iedere categorie. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de omvang van de betaling door een categorie niet meer als zelfstandig criterium wordt gehanteerd omdat dit uit de wet is geschrapt. Daarnaast is de mate van diversiteit van de belangen binnen de categorieën betrokken bij de bepaling van de zetelaantallen. Er zijn de volgende redenen om de ingezetenen een relatief groot aantal zetels in het algemeen bestuur toe te kennen: - de mate van veralgemenisering van de taakuitoefening door de waterschappen (brede taakinvulling en grote verwevenheid met taken algemeen bestuur) rechtvaardigt een maximale zeggenschap van de ingezetenen in het bestuur; - het democratische gehalte van verkiezingen is het grootst wanneer de bezetting van een zo groot mogelijk aantal zetels wordt bepaald door directe verkiezingen; - naar mate er meer zetels te verdelen zijn, is het aantrekkelijker voor belangengroeperingen om een lijst in te dienen. Het door de nieuwe wet geïntroduceerde lijstenstelsel komt dan het meest tot zijn recht. Verder is bij de bepaling van het aantal zetels ten behoeve van het algemeen bestuur ook rekening gehouden met regionale differentiatie (aantal hectares, aantal km wateroppervlak, aantal km sloot, aantal km dijk, aantal installaties, aantal inwoners). Tot slot is gekeken hoe recht kan worden gedaan aan de algemene tendens van verkleinen van besturen. Dit betekent 26 zetels voor het algemeen bestuur. In verband met het democratisch gehalte van de verkiezingen, zoals in het bovenstaande aangegeven zou zoveel mogelijk moeten worden uitgegaan van het minimum aantal geborgde zetels. Dit zou in alle gevallen 7 geborgde zetels betekenen. Immers de specifieke categorieën kunnen ook via de ingezetenenverkiezingen zetels verkrijgen. Echter ook de omvang van het algemeen bestuur, het belang van de specifieke categorieën in het bestuur en de regionale differentiatie spelen een rol. Er is daarom voor 7 geborgde zetels gekozen. Een zodanig aantal zetels voor de specifieke belangencategorieën wordt niet bezwaarlijk geacht, omdat die groeperingen de mogelijkheid hebben een lijst in te dienen. Ze hebben aldus via het democratische proces de mogelijkheid hun positie in het waterschapsbestuur te versterken. Voor de verdeling van de geborgde zetels dient er volgens de wet gekeken te worden naar de aard en omvang van het belang van de categorie. Conform de wet dient elke categorie in ieder geval 1 zetel te hebben. Als grondslag voor het bepalen van het belang is er gekozen voor de economische waarde van de onroerende zaak. Dit geeft een goede weergave van de aard en omvang van het door het waterschap te beschermen belang en het is een eenvoudige en transparante methode die goed aansluit bij de nieuwe financieringssystematiek. Toepassing van deze methode leidt tot de volgende verdeling van de geborgde zetels: bedrijven 4, ongebouwd 2 en natuur 1. Er zijn evenwel bestuurlijke overwegingen om deze verdeling te corrigeren in bedrijven 3, ongebouwd 3 en natuur 1. Deze correctie wordt gerechtvaardigd geacht vanwege het andersoortige belang van het ongebouwd, namelijk de grote mate van inkomensafhankelijkheid van het ongebouwd bij de taakuitoefening door het waterschap. Deze mate van afhankelijkheid is niet in die zin aanwezig bij de categorie bedrijven. ]
Het algemeen bestuur bestaat uit zesentwintig leden. Hiervan vertegenwoordigen:
a.negentien leden de categorie ingezetenen;
b.drie leden de categorie ongebouwd;
c.één lid de categorie natuurterreinen;
d.drie leden de categorie bedrijven.
Artikel 7. Benoeming vertegenwoordigers geborgde zetels
6[Toelichting: Voor de categorie natuurterreinen is het Bosschap belast met de benoeming van kandidaten. Nadere regeling van de benoeming van deze kandidaten in het reglement is niet noodzakelijk. De kandidaten voor de categorie bedrijven worden benoemd door de Kamers van Koophandel en Fabrieken. Voor de categorie ongebouwd is het aan de provincie overgelaten de organisaties aan te wijzen die de benoeming doen. Bij de aanwijzing van de organisaties is rekening gehouden met de verschillende te vertegenwoordigen belangen, de organisatiegraad, representativiteit en dekkingsgraad. Uit een oogpunt van transparantie en eenvoud is gekozen voor één organisatie. Hier speelt dat de Land- en Tuinbouw Organisatie Noord een dekkingspercentage kent van circa 55% in het waterschapsgebied. Ook zijn vrijwel alle sectoren hierin vertegenwoordigd. Derhalve is de Land- en Tuinbouw Organisatie Noord aangewezen als benoemende instantie. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de benoemende instantie bij het benoemen andere (kleinere) organisaties met gelijkluidende belangen betrekt. Dit met het oog op het bereiken van een zo goed mogelijke representatieve vertegenwoordiging. De selectie van de vertegenwoordigers is een verantwoordelijkheid van de benoemende organisaties. De Waterschapswet geeft aan dat de organisaties die de vertegenwoordigers mogen benoemen, de procedure die zij hanteren voor de selectie en benoeming tijdig moeten vastleggen. Daarbij zij opgemerkt dat de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat blijkens haar brief aan de Eerste Kamer van 20 april 2007 met de benoemende organisaties heeft afgesproken dat een open kandidaatstelling onderdeel uitmaakt van die procedure. Het waterschap zorgt vervolgens voor publicatie zodat het voor de leden van de belangengroeperingen (maar ook voor andere betrokkenen) duidelijk is op welke wijze de benoeming tot stand komt. Ook kunnen eventuele kandidaten hun interesse op dat moment kenbaar maken. De benoeming is bindend, dat wil zeggen de status van de benoemde kandidaten is gelijk aan die van gekozen kandidaten. Slechts de toetsing door het algemeen bestuur op grond van artikel 24 van de Waterschapswet kan toelating tot het algemeen bestuur verhinderen. ]
1Voor de categorie bedrijven worden door de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Oost Nederland drie vertegenwoordigers benoemd.
2Voor de categorie ongebouwd worden door de Land- en Tuinbouw Organisatie Noord drie vertegenwoordigers benoemd.
Artikel 8. Reglement van orde
7[Toelichting: De Waterschapswet geeft in de artikelen 35 tot en met 39 een aantal bepalingen over openbare en besloten vergaderingen en over geheimhouding. Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor haar vergaderingen vast. Voor de invulling van dat reglement verdient het aanbeveling zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regelingen, die de Gemeentewet en de Provinciewet kennen omtrent onderwerpen van vergaderorde. Met name wordt hierbij gedacht aan het vergaderquorum, het besluitquorum, de wijze van uitschrijven van een nieuwe vergadering en het opstellen van de agenda, stemrecht van de leden, stemprocedures en het bepalen van de stemuitslag. ]
1Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast.
2In het reglement van orde worden in ieder geval regels gesteld ten aanzien van de wijze van oproeping tot vergadering, de openbaarheid van de vergaderingen, het vergader- en het besluitquorum, de handhaving van de orde tijdens de vergaderingen en de wijze waarop de stemmingen plaatsvinden.
Paragraaf 2. Het college van dijkgraaf en heemraden
Artikel 9. Omvang college van dijkgraaf en heemraden
8[Toelichting: Ten aanzien van de omvang van het college van dijkgraaf en heemraden kan het reglement alleen bepalen hoeveel leden dit college ten minste en ten hoogste telt. In verhouding tot de omvang van het algemeen bestuur en ter voorkoming van versnippering van bestuurstaken is gekozen voor maximaal 5 bestuursleden. Hierbij is ook gekeken naar de huidige omvang van het college van dijkgraaf en heemraden. Meer dan 5 bestuursleden wordt niet doelmatig geacht. In dit reglement is niet gekozen om een minimum aantal leden aan te wijzen. Dit sluit aan bij de huidige situatie. ]
Het college van dijkgraaf en heemraden bestaat uit de dijkgraaf en een door het algemeen bestuur te bepalen aantal andere leden dat ten hoogste vijf bedraagt.
Artikel 10. Benoeming heemraden
9[Toelichting: In de vergadering van het algemeen bestuur vindt de benoeming plaats van de heemraden tot lid van het college van dijkgraaf en heemraden. De benoemde wordt geacht zijn benoeming niet aan te nemen, indien hij op de tiende dag nadat hij in kennis is gesteld van zijn benoeming zijn benoeming niet heeft aanvaard. Aanvaarding van de benoeming dient te geschieden door middel van een aangetekende brief. Hiermee wordt aangesloten bij het stelsel van fictieve weigering zoals ook opgenomen in de Provinciewet en de Gemeentewet. In artikel 41, tweede lid, van de Waterschapswet is bepaald dat de benoeming van de heemraden plaatsvindt uit het algemeen bestuur. Gedeputeerde Staten kunnen hiervan ontheffing verlenen indien het reglement die mogelijkheid biedt. In het tweede lid is deze mogelijkheid aan Gedeputeerde Staten gegeven. Dit maakt het mogelijk om geschikte kandidaten te vinden buiten de kring van het algemeen bestuur. Heemraden die op deze wijze zijn benoemd, maken daarmee overigens nog geen deel uit van het algemeen bestuur. Dat zou immers leiden tot een wijziging van het aantal zetels van het algemeen bestuur. Voor de heemraden die niet tot het algemeen bestuur behoren, gelden op grond van artikel 45 wel de eisen die aan de verkiesbaarheid van leden van het algemeen bestuur worden gesteld alsmede de incompatibiliteiten voor het lidmaatschap van het algemeen bestuur. Ook de verplichting tot het afleggen van de eed of de belofte is op deze leden van toepassing. Daarbij dient expliciet te worden opgemerkt dat de heemraden die via de ontheffing van artikel 41, tweede lid, van de wet in het college zijn terecht gekomen alleen lid zijn van het college van dijkgraaf en heemraden. Zij mogen dus alleen de bevoegdheden uitoefenen die horen bij dit college. Ze zijn geen lid van het algemeen bestuur en kunnen dan ook geen bevoegdheden uitoefenen van het algemeen bestuur. Om praktische redenen is ervoor gekozen om de ontheffing, bedoeld in artikel 11, tweede lid, door Gedeputeerde Staten van Gelderland te laten verlenen. Uiteraard zal Gedeputeerde Staten met de andere betrokken provincie in overleg treden als daartoe redenen zijn. De invulling van een open gevallen plek in het college van dijkgraaf en heemraden geschiedt zo spoedig mogelijk. Dit kan anders zijn indien het algemeen bestuur besluit het aantal heemraden te verminderen. ]
1De benoeming van de heemraden vindt plaats in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in de nieuwe samenstelling.
2Gedeputeerde Staten van Gelderland kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 41, tweede lid, van de wet.
3De tot heemraad benoemde wordt geacht de benoeming niet aan te nemen, indien de dijkgraaf op de tiende dag na kennisgeving van de benoeming door middel van een aangetekende brief nog geen mededeling van hem heeft ontvangen dat hij de benoeming aanvaardt.
4Wanneer de benoeming niet is aangenomen, geschiedt zo spoedig mogelijk een nieuwe benoeming.
5De benoeming ter vervulling van een plaats die tussentijds openvalt, geschiedt zo spoedig mogelijk nadat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is vervuld, tenzij het algemeen bestuur besluit het aantal heemraden te verminderen dan wel indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid.
Artikel 11. Ingang benoeming heemraden
10[Toelichting: In dit artikel wordt het aanvangstijdstip van de benoeming van de heemraden geregeld alsmede de opvolging van het gehele college na de verkiezingen. ]
1In het geval van artikel 10, eerste lid, gaat de benoeming van degene, die de benoeming tot heemraad heeft aangenomen, in op het tijdstip waarop ten minste de helft van de heemraden zijn benoeming heeft aangenomen of, indien de aanneming van de benoeming op een later tijdstip plaatsvindt, op dat tijdstip.
2Vanaf het tijdstip van aftreden van de heemraden tot het tijdstip waarop ten minste de helft van de heemraden de benoeming heeft aangenomen, treedt de dijkgraaf in de plaats van het college van dijkgraaf en heemraden.
Artikel 12. Ontslag op eigen initiatief
11[Toelichting: Dit artikel vormt een aanvulling op artikel 41 van de wet, waarin het ontslag van de heemraden summier wordt geregeld. Heemraden die hun ontslag nemen, geven hiervan, om bewijsrechtelijke redenen, schriftelijk kennis aan het algemeen bestuur. Deze bepaling komt overeen met de artikelen 42 en 43 van respectievelijk de Provinciewet en de Gemeentewet. De Waterschapswet bevat terzake geen bepalingen. Uit de aard van de rechtshandeling vloeit voort dat opzegging niet met terugwerkende kracht mogelijk is (vergelijk artikel 43 Gemeentewet en artikel 42 Provinciewet). ]
1Een heemraad kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur.
2Het ontslag gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen.
Artikel 13. Vervanging heemraden
12[Toelichting: Heemraden kunnen worden vervangen door leden van het algemeen bestuur. De vervanging kan door het algemeen bestuur worden geregeld op verzoek van het college van dijkgraaf en heemraden, het betreffende lid van dat bestuur, of uit eigen beweging. Bepalend is of de vervanging nodig is voor een goed functioneren van het betreffende bestuursorgaan. Het tweede lid regelt de vergoeding bij vervanging van een heemraad. ]
1Bij langdurige afwezigheid van een heemraad, of indien een heemraad met de waarneming van het ambt van dijkgraaf is belast, kan hij worden vervangen door een lid van het algemeen bestuur, aan te wijzen door het algemeen bestuur.
2Degene die gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken een heemraad heeft waargenomen, geniet een vergoeding ten bedrage van de voor die heemraad vastgestelde bezoldiging. De vergoeding wordt verminderd met hetgeen als lid van het algemeen bestuur als vergoeding wordt ontvangen.
Artikel 14. Reglement van orde
13[Toelichting: Het college van dijkgraaf en heemraden bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. Een verschil tussen de vergaderingen van het algemeen bestuur en het college van dijkgraaf en heemraden is, dat de vergaderingen van dit college met gesloten deuren worden gehouden, tenzij dit bestuur anders heeft bepaald. Het reglement van orde voor de vergaderingen kan regels geven over de openbaarheid van de vergaderingen van het college van dijkgraaf en heemraden (artikel 42 Waterschapswet). Met de toevoeging van de woorden "en andere werkzaamheden" wordt aangesloten bij wat daaromtrent in de praktijk is gegroeid en hetgeen is bepaald in de Provinciewet en de Gemeentewet. In de reglementen van orde worden meer activiteiten geregeld dan alleen de vergaderingen. Andere werkzaamheden kunnen betrekking hebben op de bekendmaking van besluiten, de schriftelijke afdoening van zaken en de procedurele voorbereiding van de in het college van dijkgraaf en heemraden te bespreken nota's. ]
1Het college van dijkgraaf en heemraden stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast, dat aan het algemeen bestuur wordt toegezonden.
2In het reglement van orde worden in ieder geval regels gesteld ten aanzien van de wijze van oproeping tot vergadering, het vergader- en besluitquorum, de handhaving van de orde tijdens de vergaderingen en de wijze waarop de stemmingen plaatsvinden.
Artikel 15. Intrekking beroepen of bezwaren
Ingestelde beroepen of gemaakte bezwaren als bedoeld in artikel 86, derde lid, van de wet worden slechts ingetrokken als het algemeen bestuur daartoe beslist.
Paragraaf 3. De dijkgraaf
Artikel 16. Benoeming dijkgraaf
14[Toelichting: Alvorens een aanbeveling voor de benoeming van de dijkgraaf als bedoeld in artikel 46, derde lid, van de wet, wordt opgemaakt, wordt, behalve in het geval van herbenoeming, een open sollicitatieprocedure gevolgd. Een open sollicitatie omvat in ieder geval een bekendmaking in de daarvoor geëigende kranten en of vakbladen. ]
1Alvorens een aanbeveling voor de benoeming van de dijkgraaf als bedoeld in artikel 46, derde lid, van de wet, wordt opgemaakt, wordt behalve in het geval van herbenoeming, een open sollicitatieprocedure gevolgd.
2Indien de aanbeveling uit meer dan één persoon bestaat, wordt over iedere plaats op de aanbeveling afzonderlijk gestemd.
3Voor de toepassing van artikel 46, derde en vijfde lid, van de wet wordt onder Gedeputeerde Staten verstaan: Gedeputeerde Staten van Gelderland.
4Samen met de aanbeveling voor de benoeming van de dijkgraaf wordt een uittreksel uit de notulen van de gehouden stemming aan Gedeputeerde Staten van Gelderland gezonden.
5De aflegging van de eed (verklaring en belofte), bedoeld in artikel 50 van de wet, vindt plaats in handen van de Commissaris van de Koning in de provincie Gelderland.
Artikel 17. Woonplaats dijkgraaf
15[Toelichting: Voor de bepaling van de woonplaats van de dijkgraaf is aansluiting gezocht bij artikel 71 uit de Gemeentewet. ]
1De dijkgraaf heeft zijn werkelijke woonplaats in het gebied van het waterschap.
2Het algemeen bestuur kan eenmalig voor ten hoogste een jaar ontheffing verlenen van de verplichting om de werkelijke woonplaats in het gebied van het waterschap te hebben.
Paragraaf 4. De secretaris
Artikel 18. Benoeming secretaris
16[Toelichting: De vervanging van de secretaris wordt geregeld door het algemeen bestuur. De secretaris zelf is geen bestuursorgaan. Hij is eerste adviseur van het algemeen bestuur en het college van dijkgraaf en heemraden. In verband met die functie is het verbod tot het verrichten van bepaalde handelingen, dat geldt voor leden van het algemeen bestuur, ook van toepassing verklaard op de secretaris. Het algemeen bestuur stelt nadere regels vast omtrent de taak en de bevoegdheid van de secretaris. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Gemeentewet (artikel 103, lid 2) en de Provinciewet (artikel 100, lid 2). ]
De benoeming van de secretaris geschiedt op voordracht van het college van dijkgraaf en heemraden.
Artikel 19. Taken en bevoegdheden
17[Toelichting: De vervanging van de secretaris wordt geregeld door het algemeen bestuur. De secretaris zelf is geen bestuursorgaan. Hij is eerste adviseur van het algemeen bestuur en het college van dijkgraaf en heemraden. In verband met die functie is het verbod tot het verrichten van bepaalde handelingen, dat geldt voor leden van het algemeen bestuur, ook van toepassing verklaard op de secretaris. Het algemeen bestuur stelt nadere regels vast omtrent de taak en de bevoegdheid van de secretaris. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Gemeentewet (artikel 103, lid 2) en de Provinciewet (artikel 100, lid 2). ]
1Het algemeen bestuur stelt in een instructie nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de secretaris.
2Artikel 33, eerste en tweede lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 4. Toezicht
Artikel 20. Toezichtsbevoegdheid
18[Toelichting: In verband met het interprovinciaal karakter van het waterschap moet, ingevolge artikel 164 van de Waterschapswet, in het reglement een regeling over het toezicht worden opgenomen. Aangezien het waterschapsgebied voor het grootste deel op het grondgebied van de provincie Gelderland is gelegen, is het toezicht over het algemeen aan het college van Gedeputeerde Staten van die provincie opgedragen. Het toezicht moet hier in ruime zin worden opgevat. Het omvat bijvoorbeeld ook het (in het artikel duidelijkheidshalve vermelde) beroep op Gedeputeerde Staten tegen besluiten van het waterschapsbestuur en voorts de rol van Gedeputeerde Staten in het kader van taakverwaarlozing, de begroting, de rekening en de waterschapsbelastingen. De wet noemt in artikel 153 - limitatief - de besluiten waartegen belanghebbenden beroep kunnen instellen bij Gedeputeerde Staten. Dit zijn: 1. besluiten omtrent de regeling van de waterbeheersing of tot de aanleg of verbetering van waterstaatswerken die niet aan goedkeuring zijn onderworpen; 2. besluiten betreffende de legger; 3. besluiten betreffende de wijziging en vaststelling van de keur. ]
Voor de toepassing van de bepalingen in de Waterschapswet met betrekking tot het toezicht op het waterschapsbestuur, met inbegrip van het beroep tegen besluiten van het waterschapsbestuur, en voor de toepassing van artikel 9, vijfde lid, van de Wet op de waterhuishouding is Gedeputeerde Staten van Gelderland bevoegd, tenzij anders is bepaald.
Artikel 21. Goedkeuring peilbesluiten
19[Toelichting: De Waterschapswet geeft limitatief aan in welke gevallen vooraf toezicht kan worden uitgeoefend. Wel blijft het voor Gedeputeerde Staten mogelijk om alle waterschapsbesluiten die met het recht of met het algemeen belang in strijd zijn, achteraf te vernietigen (artikel 156 van de Waterschapswet). Toezicht kan worden onderscheiden in preventief toezicht (bijvoorbeeld goedkeuring en ontheffing) en repressief toezicht (administratief beroep en vernietiging). De Waterschapswet beperkt het aantal besluiten dat aan goedkeuring is onderworpen tot: a. kostentoedelingsverordeningen (artikel 120 van de Waterschapswet); b. overige besluiten door de wet aangewezen (artikel 148 van de Waterschapswet). Hiertoe behoren onder meer beheersplannen op grond van de Wet op de waterhuishouding. Daarnaast laat de wet de mogelijkheid open om bij reglement goedkeuring te eisen voor: c. besluiten die betrekking hebben op de regeling van de waterbeheersing (onder andere peilbesluiten); d. besluiten tot de aanleg en verbetering van waterstaatswerken. Beleidsafstemming (tussen functioneel en algemeen belang) is met name voor peilbesluiten van belang. In de praktijk spelen bij peilbesluiten conflicterende kwetsbare belangen een belangrijke rol ook in verband met het toegenomen ruimtelijke belang. Door deze integrale afweging wordt de rol van de algemene democratie belangrijk. Peilbesluiten worden daarom aan goedkeuring onderworpen. In de verordening gebaseerd op de Wet op de waterhuishouding is geregeld welke provincie bevoegd is voor de goedkeuring. Dit betreft een verdeling naar grondgebied. ]
Aan goedkeuring zijn onderworpen peilbesluiten als bedoeld in artikel 16 van de Wet op de waterhuishouding, met inachtneming van hetgeen hieromtrent is bepaald in de verordening, bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet op de Waterhuishouding.
Artikel 22. Meldingen
20[Toelichting: Voor besluiten die niet aan preventief toezicht zijn onderworpen geeft de Waterschapswet in artikel 156 de mogelijkheid van schorsing, eventueel gevolgd door vernietiging. Gedeputeerde Staten kunnen hiertoe spontaan overgaan, danwel een ingediend verzoekschrift honoreren. Het spontane vernietigingsrecht strekt zich uit over alle waterschapsbesluiten. De regels die gelden voor de uitoefening van het schorsings- en vernietigingsrecht zijn in de Waterschapswet beschreven. De criteria voor vernietiging zijn in strijd met het recht of het algemeen belang. Volgens de Waterschapswet moeten in ieder geval aan Gedeputeerde Staten worden toegezonden: a. besluiten tot vaststelling of wijziging van de keur (artikel 80 van de Waterschapswet); b. de begroting en begrotingswijzigingen (artikel 101 van de Waterschapswet); c. de rekening (artikel 107 van de Waterschapswet); d. de verordeningen met betrekking tot de organisatie van de administratie, het beheer en de controle van de vermogenswaarden alsmede de verordening met regels over periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het gevoerde bestuur (artikel 109b van de Waterschapswet). Ook op grond van andere wetten bestaan voor de waterschappen verplichtingen tot toezending van besluiten aan Gedeputeerde Staten. Het reglement vult de wettelijke opsomming aan met enkele categorieën die van wezenlijk belang zijn en waarvan derhalve op provinciaal niveau kennis dient te bestaan (artikel 22). ]
Het college van dijkgraaf en heemraden zendt aan Gedeputeerde Staten van Gelderland ter kennisneming besluiten tot:
a.aanleg of verbetering van waterstaatswerken waarvan in betekenende mate een wijziging van de bestaande waterstaatkundige situatie te verwachten is;
b.oprichting of deelneming in een rechtspersoon.
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 23. Wijzigingen van beperkte strekking
21[Toelichting: Artikel 6 van de Waterschapswet maakt het mogelijk bij een interprovinciaal waterschap bij reglement te bepalen dat reglementswijzigingen van beperkte strekking kunnen worden opgedragen aan één van de Provinciale Staten. Artikel 23 voorziet hierin. Alleen reglementswijzigingen die aan goedkeuring van de Minister van Verkeer en Waterstaat onderhevig zijn moeten bij gemeenschappelijke besluitvorming plaatsvinden. Daarvan is sprake als de taken of het gebied van het waterschap wordt gewijzigd.]
Provinciale Staten van Gelderland zijn bevoegd tot wijziging van dit reglement, tenzij het desbetreffende besluit een regeling bevat van de in artikel 5, eerste lid, van de wet genoemde onderwerpen.
Artikel 24. Intrekken reglement
Het Algemeen reglement voor het Waterschap Veluwe wordt ingetrokken met ingang van 31 maart 2008.
Artikel 25. Overgangsrecht
22[Toelichting: Op grond van artikel 25, eerste lid, is de eis dat de dijkgraaf zijn woonplaats in het gebied van het waterschap heeft, niet van toepassing op zittende dijkgraven. Voorts is in dit artikel overgangsrecht gecreëerd voor de zittende leden van het algemeen bestuur en het college van dijkgraaf en heemraden. Dit overgangsrecht is opgenomen om geen discrepantie te laten ontstaan tussen de bestuurssamenstelling en de bepalingen in het reglement gedurende de periode van de datum van inwerkingtreding van het reglement tot aan de datum waarop een nieuw algemeen bestuur aantreedt. Gelet op de latere inwerkingtreding van de bepalingen over de kostentoedeling in de Wet modernisering waterschapsbestel is eveneens overgangsrecht opgenomen voor de kostentoedeling in de belastingtijdvakken die zijn aangevangen voor 1 januari 2009 (de datum waarop de bepalingen over de kostentoedeling in de Wet modernisering waterschapsbestel van kracht worden). ]
1Ten aanzien van de dijkgraaf die zijn functie bekleedt op de datum van inwerkingtreding van dit reglement is tot zijn ontslag artikel 17 niet van toepassing.
2Ten aanzien van de methode van kostentoedeling die betrekking heeft op de belastingtijdvakken die zijn aangevangen voor 1 januari 2009 blijft artikel 51 van het Algemeen reglement voor het Waterschap Veluwe van toepassing.
3Hoofdstuk 2 van het Algemeen reglement voor het Waterschap Veluwe blijft voor de op het moment van inwerkingtreding van dit reglement zitting hebbende leden van het algemeen bestuur van kracht tot het moment, bedoeld in artikel V, eerste lid van de Wet modernisering waterschapsbestel.
Artikel 26. Inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 31 maart 2008.
Artikel 27. Citeertitel
Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement voor het Waterschap Veluwe