Aanhef
Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 22 september 2026, nr. AJAHVWPX4S2V-720256541-15865, tot vaststelling van het Natuurbeheerplan 2027
[Een deel van de tekst van deze bekendmaking is overeenkomstig artikel 7 lid 2 Bekendmakingswet bekendgemaakt en hier beschikbaar: Natuurbeheerplannen.]
Besluiten:
Gedeputeerde Staten van Noord-Holland hebben in overeenstemming met artikel 1.3 van de Uitvoeringsregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Holland 2016-2021 op 22 september 2026 de definitieve versie van het Natuurbeheerplan 2027 en Nota van Beantwoording vastgesteld.
Natuurbeheerplan 2027
Het Natuurbeheerplan bevat de kaders en de doelen voor natuur en (agrarisch) natuurbeheer door de provincie. De provincie stelt op grond van het Natuurbeheerplan jaarlijks subsidie beschikbaar voor realisatie en beheer van natuur en voor (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. Deze subsidies zijn bedoeld voor particulieren, terreinbeheerders en agrarische collectieven.
Beroep aantekenen
Het Natuurbeheerplan 2027 is tot stand gekomen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbenden kunnen binnen zes weken na bekendmaking schriftelijk beroep instellen tegen het Natuurbeheerplan 2027. Het beroepschrift kunt u sturen aan de Rechtbank Noord-Holland, Sector Bestuursrecht, Postbus 1621, 2003 BR Haarlem. U kunt ook digitaal beroep instellen bij de genoemde rechtbank via Externe link:Digitale Diensten van de Rechtspraak. Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden.
Meer informatie over de beroepsprocedure vindt u hier: Externe link:https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bezwaar-en-beroep/vraag-en-antwoord/in-hoger-beroep-tegen-beslissing-overheid
Het Natuurbeheerplan 2027 treedt in werking, ook al wordt een beroepschrift ingediend.
Gelijktijdig met het indienen van een beroepschrift kunt u - bij spoedeisend belang - een voorlopige voorziening vragen bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland.
NATUURBEHEERPLAN 2027
Provincie Noord-Holland
In ontwerp vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland op 31 maart 2026
Terinzagelegging Ontwerp Natuurbeheerplan 10 april 2026 tot en met 21 mei 2026
Definitief vast te stellen door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland op 22 september 2026
Documentnummer: NR13022026JdJ2 / AJAHVWPX4S2V-720256541-15865
4. Natuur- en Landschapsdoelen
4.3 Beleidsdoelen en criteria agrarische leefgebieden
4.3.1. Open grasland
(deelkaart b). Het leefgebied open grasland bestaat uit open landschappen met overwegend grasland, waarvan een substantieel deel uit vochtig en kruidenrijk grasland bestaat. Vaak is dit leefgebied doorsneden met een fijnmazig netwerk van lijnvormige wateren: sloten, weteringen en vaarten. Er kan in beperkte mate opgaande begroeiing aanwezig zijn. Het leefgebied open grasland bevindt zich met name in de veenweidegebieden van Laag-Holland, Amstelland en West-Friesland. De prioriteit bij het beheer ligt bij broedende weidevogels, maar ook wintergasten worden door dit leefgebied bediend. Voor wat betreft de broedende weidevogels is Nederland internationaal gezien vooral van belang voor de grutto, maar ook voor bijvoorbeeld de scholekster, slobeend en tureluur.
De onderstaande doelsoortenlijst is gebaseerd op het landelijk vastgestelde overzicht van de doelsoorten van internationaal belang, voorkomend in Noord-Holland. Genoemde vogels betreffen broedvogels, tenzij anders vermeld.
Doelsoorten Noord-Holland.
•Watersnip
•Grutto
•Kievit
•Scholekster
•Slobeend
•Wulp
•Tureluur
•Zomertaling
•Kemphaan
•Gele kwikstaart
•Graspieper
•Veldleeuwerik
•Kwartelkoning
•Torenvalk
•Spreeuw
•Kleine zwaan (niet-broedvogel/nbrv)
•Rotgans (nbrv)
•Noordse woelmuis
De Anlb-activiteiten die worden uitgevoerd in het leefgebied open grasland dragen voor deze soorten bij aan het optimaliseren van de foerageer-, en broed- en opgroeimogelijkheden en het creëren van nat biotoop.
Tabel instapcriteria voor oppervlakte en doelsoorten (open grasland)
De instapcriteria voor het leefgebied open grasland ondersteunen ecologisch effectief beheer en staan in onderstaand overzicht.
Beheertypen open grasland
Aanwezigheid doelsoorten (komen de relevante soorten voor)
Omvang gebied
Weidevogelgrasland in open landschap
Minimaal 10 broedparen van grutto per 100 ha óf minimaal 50 broedparen van de soorten grutto, tureluur en slobeend samen per 100 ha.
Minimaal 100 ha samenhangende beheerde oppervlakte waarop leefgebied open grasland aanwezig is.
Weidevogelland met riet en opgaande begroeiing
Minimaal 30 broedparen van de soorten kievit, scholekster en wulp samen per 100 ha óf het gebied is van groot belang voor de noordse woelmuis.
Minimaal 100 ha samenhangende beheerde oppervlakte waarop leefgebied open grasland aanwezig is.
Aanvalsplan Grutto
Via het Aanvalsplan Grutto zijn in 2023 extra middelen beschikbaar gesteld voor het uitbreiden en verzwaren van het ANLb in de zogenaamde grutto-kansgebieden, verspreid over zeven provincies. In Noord-Holland zijn vier kansgebieden aangewezen, namelijk Laag Holland, Amstelland, West-Friesland en Spaarnwoude.
De kansgebieden omvatten zowel natuurgebied (NNN) met een weidevogeldoelstelling (13.01 Vochtig weidevogelgrasland) als landbouwgrond in het leefgebied Open grasland, waar agrarisch natuurbeheer voor is of wordt afgesloten. Onderstaand wordt alleen ingegaan op de mogelijkheden van inzet van ANLb voor de realisatie van het Aanvalsplan Grutto (AvG).
Speerpunten AvG
De inrichting en beheer voor het Aanvalsplan Grutto richt zich op vier speerpunten. Ten eerste wordt ingezet op grote open gebieden van voldoende schaal. In de praktijk wordt gestreefd naar gebieden van minimaal 1000 ha, met een kern van circa 200 ha met inrichting en beheer volledig toegespitst op weidevogels. Ten tweede worden deze gebieden gekenmerkt door een relatief hoog waterpeil. Het derde speerpunt richt zich op aangepast agrarisch beheer met voldoende kuikenland zodat er per broedpaar jaarlijks 0,8 grutto's kunnen uitvliegen. Het vierde punt betreft actief predatorenbeheer.
Kwaliteitscriteria AvG
Vanuit de behoefte binnen AvG om meer houvast te bieden, zijn de speerpunten vertaald naar heldere criteria. Voor de percelen die deelnemen aan het Aanvalsplan zijn de volgende criteria uitgewerkt
4Aanvalsplan-Grutto-uitwerking-kwaliteitscriteria-15-juli-2021-website.pdf
:
•Minimaal 1 ha plasdras volvelds per 100 ha gedurende het gehele broedseizoen met kruidenrijk grasland aangrenzend, ook in juli en augustus (periode vogelgestuurd in afstemming met gebiedsregisseur). Bij minder dan 100 ha een halve ha volvelds plas dras gedurende het gehele broedseizoen met kruidenrijk grasland aangrenzend, ook in juli en augustus (periode vogel gestuurd in afstemming met gebiedsregisseur).
•50% hoog oppervlaktewaterpeil variërend van 0- 40 cm beneden maaiveld (15 februari-1 juli,) bv via de greppel/slootplasdras (aanvullend) bij zowel veen als klei; aanpassing periode is mogelijk in overleg met de mozaïekregisseur
550% hoog oppervlaktewaterpeil variërend van 0- 40 cm beneden maaiveld (15 februari-1 juli,) bv via de greppel/slootplasdras (aanvullend) bij zowel veen als klei; aanpassing periode is mogelijk in overleg met de mozaïekregisseur. NB: naar verwachting wordt rond de zomer 2026 het Beleidsplan Boerenlandvogels vastgesteld, met toegesneden criteria voor het waterpeil. Bij eventueel afwijkende peilcriteria wordt de tekst van het Natuurbeheerplan hierop aangepast.
.
•Minimaal 20% van de percelen worden tijden het broedseizoen beweid met melkvee en/of jongvee. Vogelgericht beweiden op advies van de mozaïekregisseur. Voor- en naweiden, in afstemming met mozaïek/beheerregisseur.
•Minimaal 30% van de percelen zijn kruidenrijk met inheemse kruiden en latere of tragere grassen. Dit betekent type 2 grassenmix-plus als basis, idealiter type 3 graskruidenmix of type 4 bloemrijk grasland. Of er wordt toegegroeid naar kruidenrijk grasland via verschralingsbeheer (via niet bemesten en hoger waterpeil).
•Op minimaal 50% van de percelen is een rustperiode tijdens het broedseizoen aanwezig (15 maart- 1 juli) aanpassing periode is mogelijk in overleg met de mozaïekregisseur.
•Bemesting vaste mest en/of vaste fractie voor percelen met kruidenrijk grasland en uitgesteld maaibeheer. Geen kunstmest voor deze percelen. Voorjaar minimale tot lichte bemesting (max 5-10 ton per ha per jaar)
6Recent uit intensief gebruik genomen grasland en sommige klei- en veengraslanden zijn zo productief dat er tijdens het ontwikkelingsbeheer geen bemesting nodig is.
.
•Geen kerende grondbewerking, behoud microreliëf.
•Rust (niet nachtmaaien).
4.3.2. Open akkerland
(deelkaart c). Dit leefgebied bestaat uit landschappen met overwegend bouwland waarin wordt voldaan aan de eisen die akkervogels stellen. Bouwland bestaat uit akkers met gewassen zoals bijvoorbeeld granen, aardappels of suikerbieten. De akkers zijn doorsneden met bermen, sloten, waterkeringen en meer of minder opgaande begroeiing. Het leefgebied open akkerland concentreert zich in de kop van Noord-Holland, Texel en de grote droogmakerijen (Haarlemmermeer, Beemster, Schermer). Deze gebieden herbergen hoge dichtheden akkervogels als gele kwikstaart, kievit en scholekster, die ook landelijk in het oog springen. De belangrijkste ecologische eisen van akkersoorten zijn: voldoende voedsel en veilige broedgebieden in de zomer en voldoende voedsel en rustgebieden in de winter.
De onderstaande doelsoortenlijst is gebaseerd op het landelijk vastgestelde overzicht van de doelsoorten van internationaal belang, voorkomend in Noord-Holland. Het betreft broedvogels, tenzij anders vermeld.
Doelsoorten Noord-Holland
•Blauwe kiekendief (nbrv)
•Ruigpootbuizerd (nbrv)
•Velduil (brv + nbrv)
•Kievit
•Scholekster
•Gele kwikstaart
•Veldleeuwerik
•Graspieper
•Ringmus
•Kneu
•Patrijs
•Kwartelkoning
De Anlb-activiteiten die worden uitgevoerd in het leefgebied open akkerland dragen voor deze soorten bij aan het creëren van foerageergebied en het optimaliseren van voortplantingsmogelijkheden.
Tabel instapcriteria voor oppervlakte en doelsoorten (open akkerland)
De instapcriteria voor het leefgebied open akkerland ondersteunen ecologisch effectief beheer en staan in onderstaand overzicht.
Beheertypen open akkerland
Aanwezigheid doelsoorten (komen de relevante soorten voor)
Omvang gebied
Open akkerland voor broedende en/of overwinterende akkervogels
minimaal 1-3 broedparen van patrijs, kievit, of scholekster per 100 ha en minimaal 20 broedparen van veldleeuwerik, kneu, of gele kwikstaart per 100 ha komen voor in het gebied.
akkerbouwgebied van tenminste 250 ha.
4.3.3. Dooradering
(deelkaart d). Dit leefgebied bestaat uit netwerken van natte en droge landschapselementen.
Het leefgebied dooradering bestaat uit een breed scala aan opgaande en natte landschapselementen met uiteenlopende dimensies. Het zoekgebied beslaat het agrarisch gebied van de hele provincie.
De opgaande elementen bestaan uit o.a. (knot)bomenrijen, half- en hoogstamboomgaarden, hout- en tuinwallen, heggen/hagen en bosjes. Kenmerkende doelsoorten zijn zowel soorten die voedsel in deze landschapselementen zelf vinden als broedvogels die er broeden maar voedsel daarbuiten vinden (zomer en winter). De natte elementen bestaan uit watergangen, natuurvriendelijke oevers en poelen. De aanwezigheid van poelen, oevers en sloten is mede van belang voor het voorkomen van amfibieën en libellen, en werken vaak als stapstenen.
De onderstaande doelsoortenlijst is gebaseerd op het landelijk vastgestelde overzicht van de doelsoorten van internationaal belang, voorkomend in Noord-Holland. Genoemde vogels betreffen broedvogels.
Doelsoorten NH droge dooradering
•Patrijs
•Kneu
•Grote lijster
•Ransuil
•Spotvogel
•Ringmus
•Steenuil
•Kerkuil
•Torenvalk
•Spreeuw
Doelsoorten NH natte dooradering
•Watersnip
•Slobeend
•Tureluur
•Zomertaling
•Bittervoorn
•Grote modderkruiper
•Rugstreeppad
•Heikikker
•Gevlekte witsnuitlibel
•Noordse woelmuis
De Anlb-activiteiten die worden uitgevoerd in het leefgebied dooradering dragen voor deze soorten bij aan het optimaliseren van foerageer-, broed- en opgroeimogelijkheden en het verschralen van bodems.
Tabel instapcriteria voor oppervlakte en doelsoorten (dooradering)
De instapcriteria voor het leefgebied dooradering ondersteunen ecologisch effectief beheer en staan in onderstaand overzicht.
Aanwezigheid doelsoorten (komen de relevante soorten voor)
Omvang gebied
Er komt minimaal 1 van de doelsoorten dooradering voor in het gebied of het gebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de betreffende doelsoort(en).
Minimaal 1 van de doelsoorten dooradering is recent (maximaal 2 jaar geleden) vastgesteld in het gebied óf de biotoopomstandigheden zijn optimaal aanwezig voor minimaal één van de doelsoorten én er zijn bronpopulaties van die soort aanwezig op een voor de betreffende soort te overbruggen afstand.
n.v.t.
4.3.4. Groeimiddelen 2027 voor open grasland, open akkerland en dooradering
In 2025 heeft Wageningen University & Research (WUR) onderzocht wat de ecologische effecten zijn van het ANLb-stelsel, verder genoemd de ecologische evaluatie van het Anlb
7Ecologische evaluatie Anlb WUR 2025
. Volgens het WUR heeft het ANLb sinds de stelselwijziging in 2016 weliswaar gezorgd voor een afremming van de afname van een aantal soorten boerenlandvogels, maar is er desondanks nog steeds sprake van een brede afname. Het ANLb is in principe in staat om de negatieve trends van deze doelsoorten om te buigen, mits er maar voldoende zwaar beheer geclusterd wordt uitgevoerd. De benodigde aandelen zwaar beheer voor stabiele tot positieve trends op gebiedsniveau zijn echter fors en worden nog vrijwel nergens gehaald. Voor de doelsoort grutto bijvoorbeeld is volgens het WUR een oppervlakteaandeel van 49% zwaar beheer nodig om niet verder achteruit te gaan; voor een 3% jaarlijkse toename is dat zelfs 61% zwaar beheer. Momenteel bestaat echter de meerderheid van de Nederlandse graslandgebieden uit een onvoldoende groot aandeel zwaar beheer.
Voor een effectief ANLb zal er volgens het WUR dan ook werk moeten worden gemaakt van robuuste clusters van zwaar beheer en van verhoging van het slootwaterpeil in graslandgebieden.
Mede naar aanleiding van de ecologische evaluatie hebben het Ministerie van LVVN en de provincies de Leidraad 2.0 opgesteld, om komende extra Anlb-middelen zo effectief mogelijk te besteden. In deze Leidraad wordt een set aan inhoudelijke eisen gehanteerd, waarmee wordt toegewerkt naar een groter aandeel geconcentreerd zwaar beheer in deze gebieden. Deze prioritaire gebieden zijn:
1Kerngebieden voor de Grutto
Het betreft landbouwgrond binnen de kerngebieden voor de grutto. De kerngebieden bestaan volgens de Leidraad uit:
•Concentratiegebieden voor de grutto zoals benoemd in het concentratiegebiedenrapport van SOVON
8Basisrapport_concentratiegebieden_LR.pdf
;
•Aanvalsplan Grutto gebieden;
•Gebieden in en rondom de 25 bestaande VR-gebieden waaraan instandhoudingsdoelen voor de grutto worden toegevoegd.
Voor de beoordeling van de gebiedsaanvragen en de daarin aangeboden pakketten voor open grasland gelden de inhoudelijke criteria zoals beschreven in het kader van Aanvalsplan Grutto (zie 4.3.1). De nadruk hierbij ligt op het verzwaren van het beheer binnen het gebied, overeenkomstig de aanbevelingen uit de ecologische evaluatie van het Anlb. Dat betekent dat voor de groei van de staat van instandhouding een forse inzet gewenst is (minimaal ca 65 ha aaneengesloten beheer waarvan de helft (50%) moet bestaan uit zwaar beheer
9In het agrarisch weidevogelbeheer wordt onderscheid gemaakt tussen zwaar beheer en legselbeheer. Een gebied met optimaal weidevogelbeheer bestaat uit een minimumpercentage (volvelds) zwaar beheer. Voorbeelden van zwaar-beheerpakketten zijn kruidenrijk grasland, plasdras, extensief beweid grasland, ontwikkeling kruidenrijk grasland, hoog waterpeil voor weidevogels en grasland met rustperiode. Het gebruik van het verzamelbegrip zwaar beheer geeft ruimte aan ondernemers en het agrarisch collectief om in te spelen op de specifieke kwaliteiten van het gebied.
). Daarbij realiseert de provincie zich dat dergelijke hoge aandelen zwaar beheer lastig zijn in te passen in de individuele agrarische bedrijfsvoering. Omdat reservaatsbeheer ook tot zwaar beheer wordt gerekend, wordt voor de gebiedsaanvragen geadviseerd het gesprek aan te gaan met de aangrenzende natuurbeheerder.
2In en rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden
Het betreft landbouwgrond in en rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden
10De provincie hanteert in de Realisatiestrategie NNN (GS, 7 oktober 2025) het begrip ‘overgangszone’. Dit is gedefinieerd als een zone van 500 meter rondom stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. In deze zone staat de overgang van natuur en landbouw centraal en stimuleren we maatregelen die de natuur versterken, waaronder agrarisch natuurbeheer.
, inclusief bovenstrooms en aangrenzend gelegen beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. Indien deze leefgebieden zijn begrensd als open akkerland, dooradering of open grasland (kerngebied voor de Grutto) dan gelden de volgende richtinggevende landelijke uniforme criteria voor beoordeling van de gebiedsaanvragen:
Clusters van minimaal 100 ha (robuust genoeg);
Minimaal 10% zware beheermaatregelen
11Zwaar beheer zijn alle vormen van beheer in het ANLb met uitzondering van legselbeheer, bodemverbetering en ruige mest.
binnen het cluster:
•De verhouding van de inzet van de beheermaatregelen wordt gericht op de specifieke doelstellingen in het gebied en synergie tussen de betreffende leefgebieden/categorieën;
•Bij voorkeur toepassing van volveldse maatregelen;
•Beperkte toepassing van drijf- en kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen, door te kiezen voor passende beheerpakketten van het ANLb
12Voor elk stikstofgevoelig Natura 2000-gebieden zijn in de Natuurdoelanalyses (NDA's) drukfactoren vastgesteld. Het ligt voor de hand te kiezen voor pakketten waarmee deze drukfactoren verminderen, zoals pakket 05 (Kruidenrijk grasland), 50 (Vogelvriendelijke eiwitgewassen) en 55 (Beperkt gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen).
.
De (minimaal) 10 hectares zwaar beheer hoeven niet aaneengesloten te liggen, maar wel binnen een gebied van 100 hectare. Op de geselecteerde hectares wordt verwacht dat er doelsoorten open akkerland, dooradering of open grasland aanwezig zijn.
4.4 Beleidsdoelen en criteria water en klimaat
4.4.1 Beleidsdoelen en criteria water
Categorie water (deelkaart e). Een groot deel van de landbouwpercelen in Noord-Holland heeft een watergang als grens. De oevers van de watergangen kunnen door aanpassing van het normale talud (vloeiender overgang land-water bijvoorbeeld) veel diversiteit in flora en fauna bevatten en bijdragen aan de waterkwaliteit. Ook het natuurvriendelijk schonen van watergangen draagt bij aan de waterkwaliteit. Om in te spelen op veranderende klimaatomstandigheden is er daarnaast behoefte aan mogelijkheden het water (tijdelijk) op een andere manier te beheren. Daarnaast worden beheermaatregelen via de categorie Water ingezet om aan de fysisch chemische en biologische maatlatten uit de Kaderrichtlijn Water (KRW) te voldoen.
De doelen in relatie tot agrarisch waterbeheer zijn dan ook samen te vatten onder twee noemers:
•het bewerkstelligen van een goede toestand van al het water conform de Kaderrichtlijn Water (KRW);
•het realiseren van een robuust, duurzaam en klimaatbestendig watersysteem.
De Anlb-activiteiten die worden uitgevoerd in de categorie water dragen bij aan waterberging, verbeteren (chemische en ecologische) waterkwaliteit, vernatting van percelen en het vasthouden van water. De beheermaatregelen zijn verder beschreven op de website van BIJ12: W01 Waterbeheergebieden.
4.4.2 Beleidsdoelen en criteria klimaat
Categorie klimaat (deelkaart f). Sinds 2023 zijn maatregelen ten behoeve van het klimaat onderdeel van het NSP. De Anlb-activiteiten die worden uitgevoerd in de categorie klimaat dragen bij aan het vastleggen van CO2, het reduceren van broeikasgassen, vernatten van percelen, opvangen van waterpieken en droogte en het omgaan met verzilting. De categorie klimaat draagt zodoende bij aan het behalen van doelen uit de nationale klimaatadaptatiestrategie, het klimaatakkoord en de bossenstrategie.
De uitvoering van de beheermaatregelen, onderverdeeld in klimaatmitigatie en klimaatadaptatie, zijn verder beschreven op de website van BIJ12: K01.01 Agrarisch klimaatbeheergebied.
4.4.3 Groeimiddelen voor water en klimaat 2027 in en rondom stikstofgevoelige N2000-gebieden
Ook voor de categorieën water en klimaat kan, conform de Leidraad 2.0, beheer worden gerealiseerd op landbouwgrond in en rondom stikstofgevoelige Natura2000-gebieden. Daarmee wordt voorgesorteerd op het mogelijk nemen van maatregelen rondom de N2000-gebieden en te verwachten opgaven uit de Natuurherstelverordening. Binnen de gebieden is het van belang dat voldoende maatregelen geclusterd worden ingezet en de clusters van voldoende omvang zijn. De inzet van de maatregelen kan worden gericht op het beperken van drukfactoren rondom de Natura 2000-gebieden. Denk bijvoorbeeld aan het beperken van de (stikstof)emissies, beperking van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of het stimuleren van hydrologisch herstel afhankelijk van het gebied.
Het betreft landbouwgrond in en rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, inclusief bovenstrooms en aangrenzend gelegen beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. Indien deze als categorie water of klimaat zijn begrensd, dan gelden de volgende richtinggevende landelijke uniforme criteria voor beoordeling van de gebiedsaanvragen:
Clusters van minimaal 100 ha (robuust genoeg);
Minimaal 10% zware beheermaatregelen
13Zwaar beheer zijn alle vormen van beheer in het ANLb met uitzondering van legselbeheer, bodemverbetering en ruige mest.
binnen het cluster:
•De verhouding van de inzet van de beheermaatregelen wordt gericht op de specifieke doelstellingen in het gebied en synergie tussen de betreffende leefgebieden/categorieën;
•Bij voorkeur toepassing van volveldse maatregelen;
•Beperkte toepassing van drijf- en kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen, door te kiezen voor passende beheerpakketten van het ANLb
14Voor elk stikstofgevoelig Natura 2000-gebieden zijn in de Natuurdoelanalyses (NDA's) drukfactoren vastgesteld. Het ligt voor de hand te kiezen voor pakketten waarmee deze drukfactoren verminderen, zoals pakket 05 (Kruidenrijk grasland), 50 (Vogelvriendelijke eiwitgewassen) en 55 (Beperkt gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen).
.
De (minimaal) 10 hectares zwaar beheer hoeven niet aaneengesloten te liggen, maar wel binnen een gebied van 100 hectare.