Provinciale wetgeving

Geluidverdeelplan Eemshaven en Oostpolder

Provincie Groningen · geldt sinds 16 oktober 2025

Aanhef

GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE GRONINGEN

ARTIKEL I

Op 8 juli 2025 hebben gedeputeerde staten van de provincie Groningen de volgende beleidsregel vastgesteld:

2 REGELS

2.1 Begrippen

Artikel 1 Begripsbepaling

In deze beleidsregel wordt verstaan onder

Terreinen, plan, GVP

1terrein Eemshaven: het plangebied van het bestemmingsplan Eemshaven;

2terrein Eemshaven Zuidoost: het plangebied van het bestemmingsplan Eemshaven Zuidoost, vastgesteld 2017;

3terrein Oostpolder: het plangebied van het provinciaal inpassingsplan Bedrijventerrein Oostpolder;

4plan: als de activiteiten worden verricht binnen het terrein Eemshaven: het bestemmingsplan Eemshaven en als de activiteiten worden verricht binnen het terrein Oostpolder: het provinciaal inpassingsplan Bedrijventerrein Oostpolder;

5GVP: het Geluidverdeelplan Eemshaven en Bedrijventerrein Oostpolder als vervat in het bestemmingsplan Eemshaven en het provinciaal inpassingsplan Bedrijventerrein Oostpolder;

Geluidverdeelmodel

6geluidverdeelmodel: het rekenmodel behorend bij dit GVP. De invoergegevens bij het in werking treden van het plan zijn in hoofdstuk 6 gespecificeerd.

Zeeschepen

7coaster: een zeewaardig schip met een Gross Tonnage tot ca. 10.000 ton;

8zeeschip: een zeewaardig schip met een Gross Tonnage van ca. 10.000 ton of meer;

Geluidruimte, kavel- en nestgeluidruimte

9geluidruimte: het door bedrijfsactiviteiten veroorzaakte geluid bepaald als geluidimmissiewaarde (of kortweg) immissiewaarde op een beoordelingspunt

a.bij een representatieve bedrijfssituatie,

b.waarbij het geluid van windturbines welke duurzame energie opwekken en het geluid vanwege een internationaal racecircuit gedurende ten hoogste 12 dagen per kalenderjaar buiten beschouwing wordt gelaten;

10kavelgeluidruimte: het gedeelte van de geluidruimte niet omvattende de nestgeluidruimte;

11nestgeluidruimte: het gedeelte van de geluidruimte veroorzaakt door schepen;

Geluidkavel en ligplaats

12geluidkavel: het oppervlak waarvoor een bepaald geluidbudget voor kavelgeluid beschikbaar is gesteld. De geluidkavels zijn gespecificeerd in § 5.1;

13ligplaats: de locatie waarop een bepaald geluidbudget voor nestgeluid beschikbaar is gesteld. De ligplaatsen zijn gespecificeerd in § 5.2;

Gebruikt kaveloppervlak

14gebruikt kaveloppervlak: het aaneengesloten gebied dat daadwerkelijk is ingericht voor bedrijfsactiviteiten, voor zover dat gebied deel uitmaakt van een geluidkavel;

Geluidbudgetten

15standaard geluidbudget: het standaard kavelbudget of het standaard nestbudget;

16standaard kavelbudget: de geluidemissiewaarden voor kavelgeluid in dB(A)/m² die aan een geluidkavel zijn toegekend op basis van het geluidverdeelmodel. De standaard kavelbudgetten zijn gespecificeerd in § 5.1;

17standaard nestbudget: de geluidemissiewaarden voor nestgeluid in dB(A) die aan een ligplaats zijn toegekend op basis van het geluidverdeelmodel. De standaard nestbudgetten zijn gespecificeerd § 5.2;

Grotere kavel- en nestgeluidruimte

18grotere kavelgeluidruimte: de kavelgeluidruimte groter dan het standaard kavelbudget op grond van geluidgrenswaarden in de aan een omgevingsvergunning verbonden voorschriften;

19grotere nestgeluidruimte: de nestgeluidruimte groter dan het standaard nestbudget op grond van geluidgrenswaarden in de aan een omgevingsvergunning verbonden voorschriften;

Beoordelingspunt

20beoordelingspunt: rekenpunt waarop de geluidimmissiewaarde wordt berekend en getoetst. De beoordelingspunten zijn gespecificeerd in § 6.1;

Geluidimmissiewaarde of kortweg immissiewaarde

21geluidimmissiewaarde of immissiewaarde: het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A) op een beoordelingspunt

a.berekend conform de meet- en rekenmethode industrielawaai voor complexe situaties (methode II), zoals beschreven in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (HMRI), onder de in deze handleiding bepaalde voorwaarden,

b.afzonderlijk bepaald voor de dag , avond en nachtperiode conform de periode-indeling van de Wet geluidhinder,

c.waarbij geen toeslagen voor impulsachtig, tonaal of muziekgeluid worden toegepast,

d.berekend in en volgens de modeluitganspunten en -parameters van het geluidverdeelmodel;

In acht te nemen geluidruimte overige terreinen

22in acht te nemen geluidruimte overige terreinen: de geluidruimte die bij toetsingen voor de industrieterreinen buiten het terrein waarop de (getoetste) bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, in acht wordt genomen zoals beschreven in § 6.2;

Grenswaarde

23grenswaarde: de ten hoogste toelaatbare som van alle geluid van (bedrijfs)activiteiten op de terreinen Eemshaven, Eemshaven Zuidoost en Oostpolder op een beoordelingspunt. Het is de beschikbare geluidruimte voor de terreinen. De grenswaarden voor de dag , avond en nachtperiode zijn gespecificeerd in § 6.1;

Reserve

24reserve: op een beoordelingspunt op enig moment het verschil tussen:

▪ de grenswaarde

en

▪ de som van de immissiewaarden van

□ binnen het terrein waarop de activiteiten plaatsvinden: de standaard kavelbudgetten, de standaard nestbudgetten en de grotere kavel- en nestgeluidruimten en

□ de in acht te nemen geluidruimte overige terreinen.

Betrokken partijen bij het zonebeheer

25zonebeheerteam: een team bestaande uit vertegenwoordigers van de gemeente Het Hogeland, de provincie Groningen, Groningen Seaports (GSP) en Samenwerkende Bedrijven Eemsregio (SBE) dat adviseert over de geluidverdeling industrielawaai binnen de Wgh geluidzone rond de terreinen Eemshaven, Eemshaven Zuidoost en Oostpolder;

26zonebeheerder: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland;

27technisch zonebeheerder: de door de gemeente Het Hogeland aangewezen akoestisch adviseur die de geluidruimte beheert en bewaakt.

2.2 Toepassingsgebied

Artikel 2 Toepassingsgebied

De beleidsregel is van toepassing op besluiten op aanvragen om vergunningen en meldingen binnen het terrein Eemshaven en het terrein Oostpolder ten aanzien van toetsing aan de specifieke gebruiksregels en het afwijken hiervan. Voor zover de regels van het bestemmingplan Eemshaven Zuidoost (2017) daarmee niet in strijd zijn, kunnen deze beleidsregels ook worden gehanteerd bij besluiten op aanvragen om vergunningen en meldingen op dit terrein.

2.3 Toetsing aan de gebruiksregels

Artikel 3 Wijze van toetsing

1De kavelgeluidruimte mag op enig beoordelingspunt niet groter zijn dan de immissiewaarde van het standaard kavelbudget over het gebruikt_kaveloppervlak.

2In afwijking van lid 1 mag, indien voor de te toetsten activiteiten een grotere kavelgeluidruimte is toegestaan, de kavelgeluidruimte niet groter zijn dan de grenswaarden in de geluidvoorschriften verbonden aan de vergunning.

3In afwijking van lid 2 wordt, indien toetsing aan de grenswaarden in de geluidvoorschriften verbonden aan de vergunning niet goed mogelijk is, een passende toetsing uitgevoerd.

4In aanvulling op het bepaalde in lid 2 wordt er naar gestreefd dat de kavelgeluidruimte op een aan het gebruikt_kaveloppervlak toegevoegd deel waarop géén grotere kavelruimte aanwezig is, niet groter is dan de immissiewaarde van het standaard kavelbudget behorend tot dat toegevoegd deel.

5De immissiewaarde van de nestgeluidruimte mag op enig beoordelingspunt niet groter zijn dan de immissiewaarde van het nog niet voor andere activiteiten vergunde deel van het standaard nestbudget.

6In afwijking van lid 5 mag, indien een grotere nestgeluidruimte is vergund, de nestgeluidruimte niet groter zijn dan is aangegeven in de geluidvoorschriften verbonden aan de vergunning. Het gestelde in lid 3 is van overeenkomstige toepassing.

7De reserve mag op enig beoordelingspunt niet kleiner zijn dan de actuele reserve.

8Het gestelde in lid 1 t/m 7 geldt afzonderlijk voor de dag-, avond- en nachtperiode.

9Bij de toetsing van lid 1, 4 en 5 worden de rekenregels van bijlage 8 gehanteerd.

Artikel 4 Beste beschikbare technieken

1In het geluidrapport bij de aanvraag is minimaal het bedrijfsscenario opgenomen dat voldoet aan de beste beschikbare technieken.

2Mocht blijken dat door technische ontwikkelingen tegen vergelijkbare kosten een hoger beschermingsniveau bereikt kan worden dan vastgestelde BBT-documenten dan wordt daaraan in het akoestisch onderzoek aandacht besteed.

2.4 Beoordeling bij afwijken van de gebruiksregels

Artikel 5 Toestaan grotere kavelgeluidruimte

1Voor het toestaan van een grotere kavelgeluidruimte moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a.uit het advies van het zonebeheerteam blijkt dat de reserve niet onevenredig wordt aangetast en

b.in de aanvraag is aangetoond dat de extra geluidruimte nodig is ondanks toepassing van de beste beschikbare technieken en eventuele extra maatregelen.

2Voor onevenredige aantasting van de reserve spelen factoren als de mate van overschrijding van het standaard kavelbudget c.q. van de grotere kavelgeluidruimte en van de mate van verkleining van de reserve, op één beoordelingspunt, op meerdere beoordelingspunten of gemiddeld over alle beoordelingspunten een rol.

3Onder eventuele extra maatregelen wordt ook begrepen het toepassen van een qua geluidhinder optimale terreinindeling.

4Bij de omgevingsvergunning wordt de grotere kavelgeluidruimte in voorschriften vastgelegd.

Artikel 6 Toestaan grotere nestgeluidruimte

1Voor het toestaan van een grotere nestgeluidruimte moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a.uit het advies van het zonebeheerteam blijkt dat de reserve niet onevenredig wordt aangetast en

b.in de aanvraag is aangetoond dat de extra geluidruimte nodig is ondanks de mogelijkheid voor dan wel de planning van de aan te leggen walstroom.

2Voor onevenredige aantasting van de reserve spelen factoren als de mate van overschrijding van het standaard nestbudget, van de grotere nestgeluidruimte en van de mate van verkleining van de reserve een rol.

3Bij de omgevingsvergunning wordt de grotere nestgeluidruimte in voorschriften vastgelegd.

Artikel 7 Toestaan verkleining reserve

1Voor het toestaan van een verkleining van de reserve moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a.uit het advies van het zonebeheerteam blijkt dat de reserve niet onevenredig wordt aangetast en

b.in de aanvraag is aangetoond dat het verkleinen van de reserve niet kan worden voorkomen ondanks toepassing van maatregelen, waaronder een qua geluidhinder optimale terreinindeling.

2Het bepaalde in artikel 5 lid 2 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8 Toestaan grotere geluidruimte

Onverminderd het gestelde in de artikelen 5, 6 en 7 betrekt het bevoegd gezag bij het toestaan van een grotere kavelgeluidruimte de volgende beleidsregels.

1Een grotere kavel- of nestgeluidruimte in de dag- en avondperiode zal worden toegestaan, als dat nodig is voor het beperken van het geluid in de nachtperiode. Een grotere geluidruimte in de dagperiode zal worden toegestaan, als dat nodig is voor het beperken van het geluid in de avondperiode.

2Een grotere kavelgeluidruimte op andere beoordelingspunten zal worden toegestaan, als dat nodig is voor het beperken van het geluid op de beoordelingspunten bij woningen.

3Gebouwen en bouwwerken worden zo veel mogelijk zo geplaatst, dat het geluid door de activiteiten en activiteiten bij andere bedrijven zoveel mogelijk naar de beoordelingspunten op woningen wordt afgeschermd.

4Gebouwen en bouwwerken worden zo veel mogelijk zo geplaatst, dat het geluid door de activiteiten en activiteiten bij andere bedrijven zo weinig mogelijk naar de beoordelingspunten op woningen wordt gereflecteerd.

5Zo veel mogelijk wordt vermeden dat bodemverharding leidt tot reflectie van het geluid door activiteiten naar de beoordelingspunten bij woningen.

6Geluidproductie ten zuiden van gebouwen die grenzen aan de groenstrook aan de zuidzijde van het terrein Oostpolder wordt zoveel mogelijk vermeden.

Artikel 9 Voorschriften omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag legt de grotere geluidruimte vast in aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften. Daarin wordt de grotere geluidruimte op advies van dan wel in overleg met de zonebeheerder op een zodanige wijze geborgd dat deze zo goed mogelijk aansluit bij de manier van toetsen aan het standaard kavel- en nestbudget in het GVP.

2.5 Toetsingsprocedure

Artikel 10 Toetsingsprocedure

1Een bedrijf doet bij het bevoegd gezag een aanvraag om een vergunning. In de aanvraag is een geluidrapport opgenomen. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag bij de technisch zonebeheerder een pré-toets aanvragen.

2Het bevoegd gezag verifieert of de inhoud in overeenstemming is met de overige delen van de aanvraag, toetst de inhoud van het geluidrapport aan de algemene vereisten voor een geluidrapport, aan de milieuregelgeving waaronder de toepassing van de beste beschikbare technieken en aan de bepalingen van artikel 4 en stuurt de aanvraag, indien akkoord, vergezeld van zijn beoordeling voor een toets aan het GVP naar de technisch zonebeheerder.

3De technisch zonebeheerder toetst het rapport aan de Wgh grenswaarden en aan de regels van het GVP.

4Indien de aangevraagde geluidruimte voldoet aan de gebruiksregels van het GVP, zendt de technisch zonebeheerder de toetsrapportage naar de zonebeheerder en namens deze tevens naar het bevoegd gezag. Dit geldt dan als advies van de zonebeheerder aan het bevoegd gezag.

5Indien de aangevraagde geluidruimte niet voldoet aan de gebruiksregels van het GVP maar een afwijking daarvan nodig is:

a.toetst de technisch zonebeheerder de aangevraagde geluidruimte aan de afwijkingsregels van het GVP;

b.stuurt de technisch zonebeheerder de concept toetsrapportage naar het zonebeheerteam voor advies;

c.voegt de technisch zonebeheerder het advies van het zonebeheerteam toe aan de toetsrapportage en zendt deze naar de zonebeheerder;

d.zendt de zonebeheerder haar advies naar het bevoegd gezag.

6Het bevoegd gezag houdt bij haar beslissing rekening met het advies van de zonebeheerder.

7Het bevoegd gezag verbindt aan haar besluit geluidvoorschriften.

8Het bevoegd gezag zendt het besluit naar de zonebeheerder. Indien het zonebeheerteam een advies heeft gegeven, licht de zonebeheerder de overige leden van het zonebeheerteam in over het besluit. Het bevoegd gezag informeert de zonebeheerder omtrent eventueel ingestelde beroepen en onherroepelijk worden van het besluit.

9Zodra de omgevingsvergunning onherroepelijk is of het maatwerkvoorschrift is opgelegd, meldt het bevoegd gezag dit aan de technisch zonebeheerder. De technisch zonebeheerder maakt een definitieve mutatie in het zonebeheermodel.

Artikel 11 Bijzondere bepalingen

1Een bedrijf vraagt vooraf bij de technisch zonebeheerder een knip van het geluidverdeelmodel op, waarmee het geluidrapport wordt opgesteld. De technisch zonebeheerder verstrekt het kavel- en het nestbudget. Hij verstrekt ook de spelregels voor het gebruik van het geluidverdeelmodel en de specifieke eisen die ten behoeve van de toetsing aan het GVP aan de aanvraag en het geluidrapport worden gesteld.

2Het bevoegd gezag verzoekt de zonebeheerder in principe om een toetsing vóórdat de definitieve aanvraag wordt ingediend. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag bij de zonebeheerder een pré-toets aanvragen.

3Indien de aangevraagde geluidruimte niet voldoet aan de gebruiksregels van het GVP, ontvangt de aanvrager eerst gelegenheid het geluidrapport aan te passen.

4De technisch zonebeheerder kan het bevoegd gezag advies geven ten aanzien van het bij de aanvraag om grotere geluidruimte gevoegde onderzoek. Indien het geluidrapport hierop niet (voldoende) wordt aangepast, neemt de technisch zonebeheerder zijn advies opnieuw op in zijn (concept) toetsrapportage.

5Wanneer het zonebeheerteam niet tot een unaniem advies kan komen, geeft de technisch zonebeheerder in de toetsrapportage de verschillende standpunten weer. De zonebeheerder geeft een eindadvies.

2.6 Monitoring en evaluatie

Artikel 12 Verkleining grotere kavel- en nestgeluidruimte

1Het bevoegd gezag verlangt van het bedrijf c.q. de eigenaar of gebruiker van de geluidkavel of ligplaats een onderzoek naar de benodigde kavel- c.q. nestgeluidruimte met toepassing van de beste beschikbare technieken

a.bij de aanvraag om revisie van de vergunning;

b.op grond van de evaluatievoorschriften verbonden aan de vergunning;

c.op basis van de wettelijke actualisatieplicht van vergunningen op basis van milieuwetgeving, zoals wijziging in de BREF en

d.op verzoek van de zonebeheerder.

2Het bevoegd gezag zal voor de in lid 1 bedoelde rapportage de volgende termijn stellen in de situaties genoemd onder lid 1:

a.bij de aanvraag;

b.de in het evaluatievoorschrift genoemde termijn;

c.de wettelijk bepaalde termijn en indien géén wettelijke termijn is gesteld 2 jaar na het ingaan van wettelijke actualisatieplicht;

d.2 jaar na het verzoek.

3Het bevoegd gezag verstrekt dit onderzoek vergezeld van zijn beoordeling aan het zonebeheerteam in de situaties genoemd in lid 1:

a.bij de aanvraag;

b.t/m d: binnen 3 maanden na ontvangst van de rapportage.

4De zonebeheerder adviseert omtrent aanpassing van de geluidruimte.

5Het bevoegd gezag past de geluidvoorschriften aan. Het gestelde in artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13 Verkleining grotere kavel- en nestgeluidruimte op verzoek eigenaar of gebruiker

De eigenaar of gebruiker van de geluidkavel of de ligplaats kan verzoeken de grotere kavel- of nestgeluidruimte te verkleinen.

Artikel 14 Monitoring

1De zonebeheerder stelt ten minste elke twee jaar een voortgangsrapport op over de ontwikkelingen op de terreinen en in de zone over de afgelopen kalenderjaren. Daarin wordt onder meer verslag gedaan van de in de voorgaande kalenderjaren uitgegeven geluidruimte en een overzicht van de nog resterende geluidruimte. Ten minste de samenvatting daarvan wordt openbaar gemaakt.

2Het zonebeheerteam evalueert het GVP ten minste elke vijf kalenderjaren. Als er wijzigingen nodig of gewenst zijn, adviseert het zonebeheerteam het college van burgemeester en wethouders over aanpassing. Bij deze aanpassing verwerkt het college in ieder geval de vergrotingen en verkleiningen van de grotere kavel- en nestbudgetten. Ook wordt bezien of de standaard kavelbudgetten, de standaard nestbudgetten, de grotere kavel- en nestgeluidruimten nog wel overeenkomen met de daadwerkelijke geluidproductie van gerealiseerde bedrijven om zodoende onnodige geluidreserveringen te voorkomen. Eerstvolgende reguliere evaluatie is in 2028.

Artikel 15 Zonebeheerteam

De zonebeheerder ziet erop toe dat het zonebeheerteam in beginsel 3x per jaar bijeenkomt voor het bespreken van de ontwikkelingen op de terreinen. Besproken worden in ieder geval:

1de in Artikel 10 bedoelde concept-toetsrapporten;

2het voortgangsrapport en het evaluatierapport zoals bedoeld in Artikel 14.

2.7 Specifieke afspraken

Artikel 16 Handhaven gebouwen

1In het geval een inrichting is gesloten en de vergunning is ingetrokken, blijven de bedrijfsobjecten van de gesloten inrichting in het geluidverdeelmodel gehandhaafd tot het moment waarop voor het slopen dan wel voor andere activiteiten een vergunning is verleend.

2In het geval een inrichting is vergund, maar niet is opgericht, worden bij het intrekken van de vergunning de bedrijfsobjecten uit het geluidverdeelmodel verwijderd.

Artikel 17 Splitsen grotere geluidruimte

Bij splitsing van activiteiten wordt een grotere geluidruimte in overleg door en tussen de bij de splitsing betrokken partijen en met advies van de zonebeheerder verdeeld. De splitsing moet in de aanvraag worden gedocumenteerd. Hieruit moet de instemming van alle bij de splitsing betrokken partijen blijken.

4 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING OP DE REGELS

4.1 Begrippen

Artikel 1 Begripsbepaling

Geluidruimte, kavel- en nestgeluidruimte

9Met de definitie wordt in de eerste plaats duidelijk gemaakt dat in het GVP uitsluitend het geluid vanwege (bedrijfs)activiteiten wordt beoordeeld en niet andere geluidsoorten als weg-, rail-, scheepvaart en/of vliegverkeer over openbare wegen, vaarwegen of via de lucht.

Uitsluitend het geluid veroorzaakt bij een representatieve bedrijfssituatie wordt getoetst, niet het geluid veroorzaakt bij een regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie of een incidentele bedrijfssituatie. Dit is in lijn met de Wgh, die ook alleen deze situatie toets aan de grenswaarden behorend tot de geluidzone. In lijn met artikel 1b lid 2 Wgh worden bepaalde bronnen of omstandigheden uitgesloten van toetsing, wat hier vooral relevant is voor windturbines. Volledigheidshalve is in de omschrijving de héle definitie uit dit wetsartikel opgenomen.

Tot slot wordt uit de definitie duidelijk dat de geluidruimte wordt getoetst als immissiewaarde op de beoordelingspunten: toetsingen vinden plaats door vergelijking van deze immissiewaarden (zie de beleidsregels voor de toetsing). Het begrip immissiewaarde is afzonderlijk gedefinieerd.

Bij de beoordeling in het GVP valt het beoordeelde geluid uiteen in twee delen: kavel- en nestgeluid, zie de hierna volgende begrippen.

10De kavelgeluidruimte is het deel van de geluidruimte veroorzaakt door de (bedrijfs)activiteiten minus het nestgeluid.

Tot het kavelgeluid wordt ook gerekend het geluid vanwege bedrijfsactiviteiten die weliswaar buiten het eigen terrein plaatsvinden (zoals laden en lossen op de openbare weg), maar die toegerekend moeten worden aan de bedrijfsactiviteiten. Dit geldt ook voor het geluid door bedrijfsactiviteiten op schepen (niet zijnde nestgeluid). Kavelgeluid kan dus ook binnen de geografische grens van een ligplaats worden veroorzaakt.

11De nestgeluidruimte is het deel van de geluidruimte vanwege het geluid van aggregaten (met veelal een dieselmotor) en/of hoofd- en/of hulpmotoren op schepen. Deze aggregaten worden gebruikt voor het produceren van de noodzakelijke elektriciteit aan boord van het schip. Deze elektriciteit is nodig voor ventilatiesystemen voor bepaalde ruimten zoals de machinekamers. De installaties zijn in bedrijf op het moment dat de schepen in de haven aan de kade liggen.

Dit geluid kan worden geproduceerd gedurende de tijd van laden en lossen van het schip of de periode dat het schip in een dok of eventueel op de kade ligt om daaraan of daarop werkzaamheden te verrichten. In dit geval is er een duidelijke binding tussen het schip en de kade van de inrichting (zoals onder de Wm en Wabo aangeduid) waaraan of waarop zij liggen en het betreft dan (zoals dat onder Wm en Wabo werd aangeduid als) het inrichtinggebonden nestgeluid, het wordt toegerekend aan de inrichting. Onder het GVP wordt uitsluitend dit inrichtinggebonden nestgeluid als nestgeluid beschouwd. Als regel zal het schip in dit geval ook liggen binnen de – in de vergunningaanvraag aangegeven - grens van de inrichting aan wiens kade het schip ligt. De geluidvoorschriften verbonden aan de (milieu-)vergunning dan wel de voorschriften voor een niet-vergunningplichtige inrichting behoren dit nestgeluid te omvatten.

Er zijn ook schepen die in de haven liggen te wachten totdat ze (kunnen) worden geladen of gelost. Of na afloop nog liggen te wachten vóór zij weer vertrekken, bijvoorbeeld omdat een sluis richting de binnenwateren pas de volgende ochtend weer wordt bediend. Daarnaast schuilen in de haven ook schepen bijvoorbeeld vanwege ongunstige weersomstandigheden op zee of calamiteiten aan het schip. De havenmeester kan deze laatste schepen een plaats toewijzen. De schepen en het dan veroorzaakte nestgeluid behoren niet tot de inrichting (zoals dat onder de Wm of Wabo werd aangeduid) aan wiens kade zij liggen. Mogelijk liggen ze zelfs aan een kade, een steiger of palen die niet eens niet behoort tot een inrichting. Dit nestgeluid wordt onder het GVP niet beoordeeld. De geluidvoorschriften van de inrichting hebben géén betrekking op dit nestgeluid.

Er zijn twee bijzondere situaties a en b bij het onderscheid tussen kavel- en nestgeluid:

a.Het geluid van tankerschepen wordt (altijd) gerekend tot kavelgeluid. Deze schepen worden veelal gelost met pompen op het schip, waarvoor ook de generatoren op het schip in werking zijn.

Voor het lossen zijn de pompen op het schip en de generatoren t.b.v. die pompen van het schip maatgevend. Dit moet in ieder geval worden beschouwd als kavelgeluid, omdat het hoort bij laden en lossen.

De schepen worden vaak geladen met pompen in de inrichting. Het geluid van de aggregaten tijdens het laden zou kunnen worden beschouwd als nestgeluid, maar dan zou een schip op de ene dag kavelgeluid produceren en de andere dag nestgeluid. Daarom wordt het geluid van tankerschepen (altijd) gerekend tot kavelgeluid.

b.Het nestgeluid van schepen op een scheepswerf wordt als inrichtinggebonden beschouwd en dus onder het GVP beoordeeld gedurende de gehele periode dat op of aan het schip werkzaamheden bij of in het dok plaatsvinden. Als deze werkzaamheden bijvoorbeeld alleen gedurende de dagperiode plaatsvinden, wordt óók het nestgeluid gedurende de avonden en nachten ertussen beschouwd als inrichtinggebonden, vanaf de start tot het eind van de werkzaamheden op of aan het schip.

Tot slot wordt het volgende opgemerkt. Het kan zijn dat op één ligplaats meerdere schepen liggen, waaraan of waarop echter niet gelijktijdig bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, bijvoorbeeld omdat de voorzieningen aan een ligplaats slechts het laden of lossen van één schip gelijktijdig mogelijk maken. In het GVP wordt dan slechts rekening gehouden met het nestgeluid van dat ene schip, zelfs al is in omgevingsvergunningen van meerdere bedrijven het nestgeluid op die ligplaats vergund.

Geluidkavel en ligplaats

12In het bestemmingsplan worden via het begrip geluidkavel zowel de “grondkavels” als de ligplaatsen aangeduid. In de beleidsregels worden hiervoor de begrippen geluidkavel en ligplaats gebruikt. Dat er in de beleidsregel twee woorden voor worden gebruikt, is enkel en alleen met het oog op (vereenvoudigd) woordgebruik. Er is geen betekenisverschil.

Geluidkavels zijn gelegd op oppervlakken waarop binnen het plan bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd of met welke voor de toekomst rekening is gehouden. Op elke geluidkavel is een standaard kavelbudget gelegd. Samen omvatten de geluidkavels het totale oppervlak met een standaard kavelbudget binnen het GVP.

13De ligplaatsen zijn bepaald op aangeven van het havenbedrijf Groningen Seaports, daar waarop binnen het plan nestgeluid wordt veroorzaakt of met welke voor de toekomst rekening is gehouden. Op elke ligplaats is een standaard nestbudget gelegd. Samen omvatten de ligplaatsen alle plaatsen met een standaard nestbudget binnen het GVP.

Gebruikt kaveloppervlak

14Het gebruikt kaveloppervlak, gebruikt voor c.q. daadwerkelijk ingericht voor bedrijfsactiviteiten, omvat naast de hoofd- ook de secundaire activiteiten van het bedrijf. Het omvat ook de wegen en parkeerterreinen op het bedrijfsterrein en het groen voor landschappelijke inpassing, maar tijdelijke zaken als bouwketen, bouwopslagen en tijdelijke wegen en parkeerterreinen niet.

In veel gevallen zal het gebruikt kaveloppervlak gelijk zijn aan het bedrijfsperceel. Het kan echter ook voorkomen dat dat vooralsnog slechts een deel van de kavel daadwerkelijk wordt ingevuld met activiteiten en het resterende deel gereserveerd blijft voor toekomstige uit- of inbreidingen. Bij de toetsing zal worden getoetst aan het budget over dit gebruikt kaveloppervlak, dat dus netto kleiner kan zijn dan het bedrijfsperceel. Door op deze manier te toetsen, raakt niet ongemerkt het geluidbudget over het hele bedrijfsperceel op, waardoor voor uit- en inbreidingen geen budget meer beschikbaar is. Op deze manier wordt mede invulling gegeven aan het doel van het geluidverdeelplan. Die is immers de geluidproductie bij de uiteindelijke volledige invulling van het gebruikt kaveloppervlak zoveel mogelijk binnen het gebruikt kavelbudget te realiseren en reserve alleen in te zetten, waar dit beslist nodig is.

Het gebruikt kaveloppervlak moet worden aangegeven in de aanvraag.

Het gebruikt kaveloppervlak wordt begrensd door een lijn rondom deze activiteiten. Vaak zal de indeling van het terrein volgens de tekening bij de aanvraag als uitgangspunt kunnen gelden voor het gebruikt kaveloppervlak. Kleine nog niet met activiteiten ingevulde stukjes binnen deze lijn kunnen deel uitmaken van het gebruikt kaveloppervlak.

Voorkomen moet worden dat het gebruikt kaveloppervlak er uitziet als een gatenkaas en de minste of geringste inbreiding leidt tot een verandering van het gebruikt kaveloppervlak.

Soms zijn binnen het gebruikt kaveloppervlak groei, toekomstige ontwikkelingen, vergroting van de productiecapaciteit mogelijk of misschien worden die op moment van de aanvraag al verwacht. Voor zover die kunnen leiden tot een toename van de geluidproductie, kan dat aanleiding zijn om een overeenkomstig kleiner gebruikt kaveloppervlak aan te (moeten) houden. Het gebruikt kaveloppervlak is dan kleiner dan uit een terreintekening zou worden afgeleid. Dit geldt ook in het specifieke geval dat er activiteiten bóven elkaar plaatsvinden.

Het zou in eveneens uitzonderlijke gevallen kunnen dat er activiteiten plaatsvinden op een gebied waarop bij vaststelling van het plan geen bedrijfsactiviteiten waren voorzien, dus geen deel uitmaakt van een geluidkavel en waarop daarom géén kavelbudget ligt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een deel van de openbare weg zou worden toegevoegd aan een bedrijfskavel. Het laatste deel van dit artikel maakt duidelijk dat hierop dan niet ‘opeens’ ook kavelbudget beschikbaar komt.

Uiteraard kan het kaveloppervlak maar één keer worden gebruikt: voor zover het oppervlak al is gebruikt voor een nog geldende toestemming, kan dit niet nog eens voor een toetsing worden gebruikt.

De bedrijven die al aanwezig waren op het moment dat dit GVP in werking treedt, hadden hun gebruikt kaveloppervlak nog niet expliciet aangegeven. Deze zijn voor de vaststelling van dit GVP door de zonebeheerder bepaald of zodanig gekozen, dat deze (zo goed mogelijk) overeenkomt met het door een bedrijf voor de feitelijke, daadwerkelijke activiteiten gebruikte deel van het bedrijfsterrein. Wanneer het gebruikt kaveloppervlak het héle bedrijfsperceel omvatte, zijn de grenzen van een geluidkavel aangehouden volgens een kadastrale grens of de grens van een (milieu) inrichting al dan niet verkregen uit de aanvraag. In andere gevallen is een begrenzing getrokken rond het voor bedrijfsactiviteiten ingerichte deel van het bedrijfsterrein. Het overige deel van het bedrijfsperceel is dan beschouwd als een nog in te vullen geluidkavel (waarvoor de geluidruimte ten opzichte van het GVP behorend tot de facetbeheersverordening Geluidverdeelplan Eemshaven 16 november 2022 uit de reserve is gehaald).

Geluidbudgetten

15Het standaard geluidbudget als bedoeld in de planregels wordt in deze beleidsregels aangeduid met twee begrippen, te weten het standaard kavelbudget voor een geluidkavel en het standaard nestbudget voor een ligplaats. Het ene begrip uit de planregels wordt in de beleidsregels dus aangeduid met twee afzonderlijke begrippen, maar er wordt exact hetzelfde mee bedoeld, op dezelfde wijze als het ene begrip geluidkavel in de beleidsregels uiteenvalt in geluidkavel en ligplaats.

16Het standaard kavelbudget is een geluidemissie van een standaard geluidbron volgens vaste kenmerken zoals bronhoogte en geluidspectrum gelijkmatig verdeeld over het oppervlak van de geluidkavel. Het is evenredig met de grootte van de kavel en wordt daarom uitgedrukt in een geluidsvermogenniveau LW in dB(A)/m².

De geluidkavels en het daaraan toegekende standaard kavelbudget zijn opgenomen op de verbeelding van het bestemmingsplan. Zij zijn daarmee geborgd binnen het plan.

17Het standaard nestbudget is de combinatie van een geluidemissie van drie standaard geluidbronnen voor respectievelijk een binnenvaartschip, een coaster en een zeeschip. Het heeft vaste kenmerken per type schip. Het is uitsluitend afhankelijk van het aantal bedrijfsduren per type schip per etmaalperiode. Het is onafhankelijk van de grootte van de ligplaats en wordt uitgedrukt in een geluidsvermogenniveau LW in dB(A).

De ligplaatsen en het daaraan toegekende standaard nestbudget zijn opgenomen op de verbeelding van het bestemmingsplan. Zij zijn daarmee geborgd binnen het plan.

Grotere kavel- en nestgeluidruimte

18In de planregels is aangegeven dat het geluidbudget mag worden overschreden door bedrijfsactiviteiten waarvoor een grotere geluidruimte met een omgevingsvergunning is toegestaan, die groter is dan het standaard geluidbudget.

Een grotere geluidruimte geldt uitsluitend voor de betreffende activiteiten.

Uitgangspunt voor de (grotere) geluidruimte in de vergunning is als regel de ruimte zoals gegeven in de geluidgrenswaarden opgenomen in de voorschriften verbonden aan die vergunning.

In de afwijkingsregels is aangegeven onder welke voorwaarden zo’n grotere geluidruimte kan worden toegestaan. Met ‘grotere’ wordt aangeduid: de geluidruimte voor zover die groter is dan het standaard geluidbudget. Hiervan kan sprake zijn in één of meer etmaalperioden.

Een grotere geluidruimte kan zijn of kan worden toegestaan voor zowel kavel- als voor nestgeluidruimte (zie ook de toelichting op art. 3 lid 2, 3 en 6). In dit artikel gaat het om het deel kavelgeluid.

Bij het in werking treden van het plan is op een aantal gebruikte kaveloppervlakken een grotere geluidruimte toegestaan. Hierop wordt ingegaan § 5.3.

19Op dezelfde wijze als voor het kavelgeluid, kan voor het nestgeluid een grotere nestgeluidruimte zijn of worden toegestaan dan het standaard nestbudget.

Bij het in werking treden van het plan is op geen enkele ligplaats een grotere nestgeluidruimte toegestaan.

Beoordelingspunt

20Toetsingen worden uitgevoerd op alle in de beleidsregel gespecificeerde rekenpunten. In uitzonderlijke gevallen kunnen voor een individuele toetsing nog beoordelingspunten worden toegevoegd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een mutatie gelegen op zeer korte afstand op woningen, waarbij een significante toename van de geluidbelasting ontstaat op woningen gelegen tussen twee beoordelingspunten.

Geluidimmissiewaarde of kortweg immissiewaarde

21Dit artikel borgt dat uit de emissie de immissie eenduidig en per etmaalperiode wordt berekend. De berekening van de immissie vindt plaats als de berekening van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A) zoals aangegeven in de HMRI. Evenals de HMRI toepassing van de toeslagen voor een eventueel bijzonder karakter van het geluid voor toetsing aan de Wgh grenswaarden uitsluit, gebeurt dat ook in dit GVP.

In acht te nemen geluidruimte overige terreinen

22Voor een activiteit op terrein Eemshaven is de in acht gehouden geluidruimte overige terreinen dus de ruimte voor terrein Eemshaven Zuidoost plus die voor terrein Oostpolder, zoals die in het provinciaal inpassingsplan Oostpolder voor die terreinen is aangehouden. Op dezelfde manier is voor een activiteit op terrein Oostpolder de in acht gehouden geluidruimte overige terreinen dus de ruimte voor terrein Eemshaven plus die voor terrein Eemshaven Zuidoost, zoals die in het provinciaal inpassingsplan Oostpolder voor die terreinen is aangehouden.

Grenswaarde

23De grenswaarden komen voor de nachtperiode overeen met de geldende of vast te stellen Wgh grenswaarde minus 10 dB bij woningen in de zone en op de buitenste zonegrens. Voor de dag- en avondperiode komen ze overeen met de toelaatbare ruimte, zoals berekend en voorgesteld in het geluidrapport PIP Oostpolder.

Reserve

24Als het bevoegd gezag op enig moment moet beoordelen of een grotere geluidruimte kan worden toegestaan, speelt de reserve een belangrijke rol. Dit is alle geluidruimte binnen de grenswaarden die op dat moment niet in een recht is opgenomen.

In dit GVP wordt voor elk van de drie terreinen een eigen ‘geluidpot’ aangehouden.

De reserve omvat:

-alle standaard kavel- en nestbudgetten en de grotere kavel- en nestruimte op de overige kavels van het terrein waarop de activiteiten worden uitgevoerd. Op deze manier wordt geborgd dat op dat terrein altijd ten minste de budgetten op de overige kavels beschikbaar blijven voor toekomstige activiteiten. Plus

-de totale geluidruimte voor de overige twee terreinen. Zo wordt bij toekenning uit de reserve op het ene terrein de ‘geluidpot’ van de andere terreinen niet aangetast.

In het geluidverdeelmodel is voor het terrein Eemshaven en voor het terrein Oostpolder de in acht te nemen geluidruimte opgenomen, omvattend de kavel- en nestbudgetbronnen plus de bronnen die de reserve representeren. Voor het terrein Eemshaven Zuidoost is de beschikbare ruimte opgenomen conform het bestemmingsplan van 2017. Deze drie ‘geluidpotten’ samen vullen de grenswaarden op de beoordelingspunten zo goed mogelijk op. Alleen voor zover met deze bronnen samen de geluidbelasting op een beoordelingspunt kleiner blijft dan de grenswaarden, is de geluidruimte tussen de terreinen Eemshaven en Oostpolder uitwisselbaar.

Het is duidelijk dat de reserve van beoordelingspunt tot beoordelingspunt en in de tijd kan variëren.

4.2 Toepassingsgebied

Artikel 2 Toepassingsgebied

De beleidsregel wordt in ieder geval gehanteerd bij de genoemde toetsingen en beoordelingen. Het gaat daarbij ten minste om aanvragen op grond van de Omgevingswet voor een bouwactiviteit (technisch), een bouwactiviteit (Omgevingsplan), een sloopactiviteit, aanvragen die betrekkingen hebben op een milieubelastende activiteit (MBA) en op IPPC installaties. Verder wordt deze op gelijke wijze gehanteerd bij meldingen, waaronder het verstrekken van informatie over bestaande activiteiten die niet eerder waren gemeld.

Opgemerkt wordt dat waar in de beleidsregel gesproken wordt over een aanvraag die in de meeste gevallen op overeenkomstige wijze van toepassing is op een melding. Aanvullend wordt de beleidsregel gebruikt voor de monitoring van de reserve en voor evaluatie-doeleinden van de terreinen.

4.3 Toetsing aan de gebruiksregels

Artikel 3 Wijze van toetsing

1De kavelgeluidruimte (de geluidruimte vanwege het door de bedrijfsactiviteiten geproduceerd geluid minus het nestgeluid) die moet worden getoetst (bijv. in verband met een aanvraag) wordt getoetst aan het standaard kavelbudget door deze op alle beoordelingspunten van het GVP te toetsen aan de immissiewaarde van het standaard kavelbudget over het gebruikt kaveloppervlak. Beide worden berekend in het geluidverdeelmodel. Op géén van de beoordelingspunten mag de kavelgeluidruimte groter zijn dan de immissiewaarde van het standaard kavelbudget over het gebruikt kaveloppervlak.

Dat er wordt getoetst aan het standaard kavelbudget over het gebruikt kaveloppervlak heeft als consequentie dat ook het uitsluitend veranderen van het gebruikt kaveloppervlak leidt tot een verandering van de toetswaarden.

Uitsluitend de totale geluidruimte wordt getoetst aan het totale standaard kavelbudget over het gebruikt kaveloppervlak. Er vindt géén toets per gedeelte plaats, bijvoorbeeld per geluidkavel in het geval de activiteiten verdeeld over meerdere geluidkavels plaatsvinden.

2Als voor de te toetsten activiteiten bij omgevingsvergunning een grotere geluidruimte dan het standaard kavelbudget is toegestaan, dan wordt getoetst aan de geluidruimte in die vergunning.

Zoals de planregels duidelijk maken geldt die grotere ruimte uitsluitend voor de vergunde activiteiten. Bij een aanvraag om andere of nieuwe activiteiten wordt weer aan het standaard kavelbudget getoetst. Een grotere geluidruimte is dus verbonden met de vergunde activiteiten, niet met de geluidkavel of een gebruikt kaveloppervlak.

Een bedrijf kan wel zijn grotere geluidruimte inzetten voor nieuwe of gewijzigde (deel)activiteiten. Dat inzetten kan bijvoorbeeld door het treffen van (extra) maatregelen aan bestaande geluidbronnen. Of door het inleveren van een evaluatierapport waaruit blijkt dat de (daadwerkelijke) geluidruimte kleiner is dan de grotere geluidruimte.

Uitgangspunt voor de (grotere) geluidruimte in de vergunning is als regel de ruimte zoals gegeven in de grenswaarden in de geluidvoorschriften verbonden die vergunning. Het actuele reken- en beoordelingskader is namelijk nu niet anders dan ten tijde van vergunningverlening en berekening en toetsing van dezelfde geluidemissie nu zou niet leiden tot andere resultaten dan op het moment dat de vergunning werd verleend. Die berekening moet immers nog worden uitgevoerd volgens de HMRI en de beoordeling van de activiteiten is nog de regelgeving omtrent de representatieve bedrijfssituatie en het afwijken daarvan uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en daaraan gerelateerde regelgeving. Toetsing aan de grotere geluidruimte vindt dan ook als regel plaats door toetsing aan de voorschriften van die vergunning. De te toetsen immissieniveaus worden hierbij dan ook niet berekend in het geluidverdeelmodel, maar in het akoestisch model en met de versie van het rekenprogramma dat is gehanteerd voor het opstellen van de voorschriften van die vergunning.

3In sommige gevallen is toetsing aan de grenswaarden in de geluidvoorschriften verbonden aan de vergunning niet goed mogelijk. Bijvoorbeeld als er in de geldende vergunning geen grenswaarden zijn gesteld. Of deze niet passend blijken op de in die vergunning aangevraagde geluidruimte bijvoorbeeld doordat zij niet (correct) zijn afgestemd op het geluidrapport bij de aanvraag om die vergunning. Of de voorschriften de geluidruimte onvoldoende borgen, bijvoorbeeld door een te beperkt aantal toetspunten en/of de ligging daarvan. In deze gevallen kan het gebeuren dat de aangevraagde geluidruimte wél aan de voorschriften voldoet, maar tóch leidt tot een significante toename van het geluid op één of meer beoordelingspunten van het GVP. Of andersom er niet aan de voorschriften wordt voldaan, terwijl het geluid op de beoordelingspunten van het GVP niet hoger is. In deze gevallen wordt een passende toetsing gezocht, waarbij de verleende vergunning het uitgangspunt is. Als regel zal hiervoor dan het geluidrapport bij de aanvraag en het daartoe behorend geluidmodel de basis vormen.

4In een situatie als bedoeld in de laatste alinea van de toelichting op lid 2 kan in bepaalde gevallen voor die nieuwe of gewijzigde (deel)activiteiten – op een nieuw in gebruik genomen kaveloppervlak - een relatief grote geluidruimte ontstaan, bijvoorbeeld in het geval van een relatief kleine wijziging in geval van een groot bestaand bedrijf. Deze nieuwe of gewijzigde activiteiten worden uiteraard reeds getoetst aan BBT. Deze regel beoogt dat in zo’n geval voor de nieuwe of gewijzigde (deel)activiteiten voor zover redelijkerwijs mogelijk wordt gestreefd naar een geluidproductie die niet hoger is dan het standaard kavelbudget.

5De toetsing van de nestgeluidruimte verloopt grotendeels identiek. Op één onderdeel is het anders. Een ligplaats één geheel. Het nestgeluid van alle gebruikers op één ligplaats wordt samen getoetst.

Het kan zijn dat meerdere bedrijven gelijktijdig, dat wil zeggen op hetzelfde moment binnen dezelfde etmaalperiode op dezelfde dag, gebruik maken van een ligplaats en de voorzieningen van die ligplaats die bedrijfsactiviteiten ook gelijktijdig mogelijk maken. Met de grotere nestgeluidruimte wordt daarom het verschil aangeduid met het nog niet aan het andere bedrijf vergunde deel van het nestbudget.

6Voor toetsing aan een grotere nestgeluidruimte geldt hetzelfde als voor toetsing aan een grotere kavelgeluidruimte als bepaald in lid 2 en 3.

Op het moment dat het GVP in werking treedt, is in een aantal geldende vergunningen wel nestgeluid (via één of meer geluidbronnen) opgenomen, maar veelal niet met de geluidproductie volgens de richtlijnen in dit GVP. In zo’n geval zou toetsing van aan de geluidgrenswaarden in de vergunning nu wél tot andere resultaten leiden en moet dus een andere toetsing worden gehanteerd. Deze situaties zijn door ons bij het opstellen van het GVP met de ons beschikbare informatie zoveel mogelijk “vertaald” in geluidsbronnen volgens de richtlijnen in het GVP. Die vertaalde bronnen worden dan beschouwd als vergund nestgeluid.

Op het moment dat het GVP in werking treedt, is in een aantal geldende vergunning het nestgeluid nog in het geheel niet betrokken, maar waren wel bedrijfsactiviteiten vergund die nestgeluid met zich mee zouden brengen. In dat geval is geen sprake van expliciet vergund nestgeluid, maar wel van impliciet vergund nestgeluid. Voor de toetsing betekent dit dan dat de nestgeluidruimte nog niet was vergund. Bij de afweging over de toelaatbaarheid van een grotere geluidruimte zal meespelen dat de bijbehorende activiteiten al wél waren vergund.

7De mutatie wordt ook getoetst op het effect op de geluidoverdracht van andere bedrijven. Immers realisatie of juist sloop van fysieke objecten kunnen vanwege het ontstaan van reflecties of wegvallen van afscherming leiden tot een toename van de geluidbelasting veroorzaakt door andere bedrijven. Hetzelfde geldt voor het toevoegen of verwijderen van een hard bodemgebied. Voor dergelijke mutaties wordt een toets uitgevoerd naar het effect op de reserve. Wanneer binnen het gebruikt kaveloppervlak geen relevante veranderingen zijn van fysieke objecten of bodemgesteldheid, kan deze toetsing vervallen.

8De toetsing vindt afzonderlijk plaats voor de dag-, avond- en nachtperiode.

9Bij de toetsing aan het standaard kavel- en nestbudget worden een aantal rekenregels gehanteerd. Deze voorkomen enerzijds dat marginaal grotere waarden direct leiden tot een overschrijding. Zij waarborgen anderzijds een consistente uitkomst.

Artikel 4 Beste beschikbare technieken

Bij de toetsing aan en het afwijken van de specifieke gebruiksregels (§ 2.3 en 2.4) gaat het om de ruimtelijke toets. Dit artikel maakt duidelijk dat daarnaast altijd sprake blijft van de verplichte milieutoetsing aan de beste beschikbare technieken (BBT). Er is niet automatisch aan BBT voldaan wanneer aan de gebruiksregels van het plan is voldaan. Dat geldt niet alleen voor een IPPC inrichting c.q. alleen voor toetsing aan BREF-documenten, maar voor alle inrichtingen. Dit betekent dat altijd de toets aan BBT in het aanvraagrapport aan de orde moet komen los van de ruimtelijke toets en dat daaruit kan voortvloeien dat een kleinere geluidruimte moet worden aangevraagd dan het kavelbudget.

Omgekeerd kan – ondanks toepassing van BBT en verdergaande maatregelen – een grótere geluidruimte dan het geluidbudget nodig zijn. Het al dan niet toestaan daarvan verloopt via afwijken van de gebruiksregels.

4.4 Beoordeling bij afwijken van de gebruiksregels

Artikel 5 Toestaan grotere kavelgeluidruimte

1Dit artikel is van toepassing wanneer niet wordt voldaan aan het criterium uit artikel 4 lid 1, 2 en 3.

Over het algemeen zullen beide criteria van lid 1 in samenhang worden beoordeeld: hoe groter de aantasting van de reserve, hoe meer maatregelen mogelijk moeten worden verlangd, c.q. hoe verdergaand aangetoond zal moeten worden dat de geluidbelasting niet verder kan worden verlaagd.

Voorwaarde a:

De toetsing van vindt plaats op de beoordelingspunten, dus het al dan niet toestaan van een grotere geluidruimte wordt ook beoordeeld op het effect op de beoordelingspunten. Afhankelijk van de situatie, zoals de grootte van het gebruikt kaveloppervlak, de ligging ten opzichte van de beoordelingspunten en de richting van de geluiduitstraling, zal een grotere geluidruimte effect kunnen hebben op één maar vaak op meerdere beoordelingspunten. Bij de beoordeling zal hiermee rekening worden gehouden.

Het onevenredig aantasten van de reserve moet worden voorkomen. In dat geval kunnen immers de gebruiksmogelijkheden van de overige kavels of ligplaatsen wanneer daar extra ruimte noodzakelijk is, of andere toekomstige ontwikkelingen onevenredig worden beperkt.

Op het moment dat het plan in werking treedt, is het zonebeheerteam nog niet ingesteld. Zolang het zonebeheerteam nog niet is ingesteld, wordt gebruik gemaakt van het advies van de zonebeheerder.

Voorwaarde b:

Aan het aantonen dat de grotere kavelgeluidruimte nodig is, kan bijvoorbeeld invulling worden gegeven door te beschrijven welke maatregelen reeds zijn voorzien, aangevuld met een beschouwing van de mogelijkheden, de geluidreductie en de kosten en baten van het beperken van de geluidruimte tot het geldend kavelbudget dan wel tot de grotere kavelgeluidruimte).

Wanneer het niet mogelijk is om aan het kavelbudget c.q. de grotere kavelgeluidruimte te voldoen, is het niet voldoende in de beschouwing met die constatering te volstaan. Er moet dan getracht worden de overschrijding zoveel mogelijk te beperken. Hiervoor kan nodig zijn meerdere varianten te bezien, bijvoorbeeld in stappen van bijvoorbeeld 0.5 of 1.0 dB geluidreductie.

Bovenstaande beoordelingen borgen tevens dat de wettelijke bepalingen en grenswaarden van Wgh, Wabo en Wm in acht genomen worden. De totaal vergunde geluidruimte is immers altijd kleiner dan de totaal vergunde geluidruimte plus de budgetten en een reserve die nihil is.

Het toestaan van de grotere kavelgeluidruimte door het bevoegd gezag leidt op het moment van haar besluit tot het ontstaan van een nieuwe dan wel een verandering van een al aanwezige grotere kavelgeluidruimte.

2De kavelbudgetten op Eemshaven en Oostpolder zijn zo gekozen dat zij circa 2 dB lager zijn dan de totale geluidruimte voor kavelgeluid. Het verschil is opgenomen in de reserve, die gebruikt kan worden voor kavel- en nestgeluid samen. Bij het in werking treden van het GVP is deze reserve voor Oostpolder uiteraard nog in zijn geheel beschikbaar. Voor Eemshaven geldt dat deze al gedeeltelijk is gebruikt voor bedrijfsactiviteiten in de vorm van een grotere kavel- en nestgeluidruimte. Deze gegevens bieden een eerste aanknopingspunt voor de beoordeling van het aspect onevenredige aantasting van de reserve.

Of sprake is van onevenredig wordt beoordeeld onder andere in relatie tot de nog beschikbare reserve én tot de activiteit.

Wanneer de reserve op een beoordelingspunt en in een bepaalde etmaalperiode nog groot is, kan er meer worden toegelaten dan wanneer deze al klein is.

Een grote bedrijfsactiviteit zal en mag een grotere geluidimpact op de totale geluidbelasting kunnen hebben dan een kleine. De reserve zal door een grote activiteit ook sneller op meerdere beoordelingspunten worden aangetast. Of een bedrijfsactiviteit als groot of klein bestempeld wordt, hangt af van het gebruikt geluidoppervlak en het daarop liggend kavelbudget, maar kan ook van andere factoren afhangen. Bovenstaande impliceert dat ook van een onevenredige aantasting van de reserve sprake kan zijn bij grote overschrijdingen van het standaard kavelbudget over een klein gebruikt kaveloppervlak. In dat geval kan het effect op de totale geluidbelasting vanwege de industrieterreinen weliswaar zeer beperkt zijn, maar wordt in verhouding tot het gebruikt kaveloppervlak relatief veel geluidruimte in beslag genomen. Wanneer zoiets plaatsvindt op een geluidkavel met een relatief klein kavelbudget, moet wellicht worden geoordeeld dat deze locatie voor deze activiteit niet geschikt is.

Op dit moment is het vrijwel onmogelijk om in de toekomst te kijken en een schatting te maken van de omvang van de in de toekomst voor bedrijven benodigde grotere geluidruimte. Met dit aspect kan daarom op dit moment bij de beoordeling nog geen rekening worden gehouden.

Vooralsnog betrekken de gemeente en de provincie bij de beoordeling uitsluitend geluidargumenten. Een voorrangsbeleid ten aanzien van gewenste of minder gewenste bedrijven speelt hierbij géén rol.

3Via een optimale indeling van het terrein waarop de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, kan in sommige situaties reductie van de geluidimmissie worden bereikt. Dit artikel borgt dat dit aspect in de beoordeling van voorwaarde b wordt betrokken.

4De grotere kavelgeluidruimte wordt vastgelegd in de vergunning. Vastgelegd wordt de kavelgeluidruimte voor zover groter dan het standaard kavelbudget over het gebruikt kaveloppervlak. De immissiewaarden hiervan worden vastgelegd op de beoordelingspunten van het GVP, zoals berekend in het (actuele) geluidverdeelmodel.

Artikel 6 Toestaan grotere nestgeluidruimte

1Dit artikel is van toepassing wanneer niet wordt voldaan aan het criterium uit artikel 4 lid 5.

Hiervoor geldt hetzelfde als voor het toestaan van een grotere kavelgeluidruimte.

Voorwaarde b: Op dit moment is walstroom voor binnenvaartschepen technisch eigenlijk altijd mogelijk, maar voor zeeschepen en coasters niet altijd.

Het toestaan van de grotere nestruimte door het bevoegd gezag leidt op het moment van haar besluit tot het ontstaan van een nieuwe dan wel een verandering van een al aanwezige groter nestgeluidruimte.

2De grotere nestgeluidruimte wordt vastgelegd in de vergunning. Hierop is hetzelfde van toepassing als op de grotere kavelgeluidruimte.

Artikel 7 Toestaan kleinere reserve

1Dit artikel is van toepassing wanneer niet wordt voldaan aan het criterium uit artikel 4 lid 6.

Hiervoor geldt hetzelfde als voor het toestaan van een grotere kavelgeluidruimte.

Voorwaarde b: De mogelijkheden om verkleining van de reserve te voorkomen, zullen veelal beperkt zijn. Soms is met een andere indeling of inrichting van het bedrijfsterrein het gewenste doel te benaderen. In het uiterste geval zullen afschermingen gehandhaafd moeten blijven of alternatieven worden opgericht, of verstrooiende absorberende maatregelen moeten worden genomen om ongewenste reflecties te voorkomen.

Artikel 8 Toestaan grotere geluidruimte

Via de beleidsregels van dit artikel wordt een aanvulling gegeven op de open normen van de beleidsregels uit de artikelen 5 t/m 7. Op deze manier ontstaat voor bedrijven meer zekerheid of en in welke mate de aangevraagde geluidruimte voldoet aan beleidsregels uit het vorige artikel en inzicht in de manier waarop zij kunnen werken in de richting van het voldoen daaraan. Zij treden er niet voor in de plaats. Het kan bijvoorbeeld nog steeds zo zijn dat de reserve op een of meer beoordelingspunten op de overige beoordelingspunten zoveel wordt aangetast dat dit als onevenredig moet worden beschouwd.

Artikel 9 Voorschriften omgevingsvergunning

Dit artikel sluit aan bij onderdeel d van de planregels voor het afwijken van d gebruiksregels.

Het bepaalt in de eerste plaats dat de grotere geluidruimte moet worden vastgelegd in de vergunning. Het bepaalt in de tweede plaats de manier waarop dit gebeurt. In het GVP wordt de geluidruimte getoetst aan het standaard kavel- en nestbudget als immissiewaarden op alle beoordelingspunten van het GVP en met in achtneming van een aantal rekenregels zoals omschreven in artikel 3. Er dient naar te worden gestreefd dat de voorschriften de grotere geluidruimte met een vergelijkbare nauwkeurigheid op deze beoordelingspunten borgen als een standaard kavel- of nestbudget.

Het doel van dit voorschrift is dus het ruimtelijk borgen van de geluidruimte als uitwerking van de in het plan vastgelegde geluidruimte. Toetsing hieraan zal via berekeningen plaatsvinden en niet via metingen. Dit doel is een ander dan voorkoming of beperking van hinder, nadelige gevolgen voor het milieu of met het oog op de gezondheid en het toezicht daarop en de handhaving daarvan. Voorschriften met het oog op dat laatste kunnen dan ook verschillen van de in dit GVP bedoelde ruimtelijke voorschriften.

4.5 Toetsingsprocedure

Artikel 10 Toetsingsprocedure

1Als regel moet bij de aanvraag een geluidrapport worden gevoegd. In sommige gevallen kan worden volstaan met het invullen van een akoestische checklist. De technisch zonebeheerder gebruikt hiervoor een aantal criteria. Het gaat hierbij om situaties met relatief lichte activiteiten, een gebruikte kavelgeluidruimte die op basis van de checklist eenvoudig en eenduidig kan worden vastgesteld en naar verwachting gering is in relatie tot het standaard kavelbudget en er geen nestgeluidruimte wordt gebruikt.

2Hiertoe behoort ook de beoordeling of de aantallen en bedrijfstijden per etmaalperiode in de representatieve bedrijfssituatie overeenstemmen met de aangevraagde bedrijfstijden en capaciteiten, alsook de vraag welke bedrijfssituaties tot de representatieve bedrijfssituatie moeten worden gerekend. Beoordeling van toepassing van de beste beschikbare toetsing is voor het bevoegd gezag. Daarom is toetsing aan de bepalingen van artikel 4 van dit GVP in eerste instantie ook aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag maakt aan de zonebeheerder inzichtelijk hoe hij tot een (positieve) beoordeling is gekomen.

3De technisch zonebeheerder toetst aan de gebruiksregels van artikel 3 en alle aspecten die hiermee annex zijn.

4Als wordt voldaan aan de planregels, zijn geen specifieke acties nodig.

5Als niet wordt voldaan aan de planregels, stelt de zonebeheerder een advies voor het bevoegd gezag op over de beoordeling voor het afwijken van de planregels volgens de voorwaarden van het plan.

Het opstellen van dit advies verloopt in stappen.

Eerst toetst de technische zonebeheerder de aangevraagde geluidruimte aan de afwijkingsregels van het GVP en beoordeelt daarvoor of de reserve niet onevenredig wordt aangetast en of de noodzaak voor de grotere geluidruimte is aangetoond. De technisch zonebeheerder stuurt de concept toetsrapportage naar het zonebeheerteam voor advies. Het zonebeheerteam geeft advies en de technisch zonebeheerder voegt dat toe aan de toetsrapportage en zendt deze naar de zonebeheerder. De zonebeheerder zendt dit advies als haar advies naar het bevoegd gezag.

6Het bevoegd gezag houdt bij haar beslissing rekening met het advies van de zonebeheerder. Zij mag daarvan afwijken, maar heeft daarvoor een motiveringsplicht.

7Het bevoegd gezag legt de geluidruimte in voorschriften vast. Voor een grotere geluidruimte geldt het bepaalde in artikel 9.

8Dit lid heeft net als het volgende als doel het zonebeheermodel up to date te kunnen houden.

Artikel 11 Bijzondere bepalingen

1De initiatiefnemer heeft deze gegevens nodig om hiermee een geluidrapport te kunnen opstellen dat volgens de planregels kan worden getoetst. Om een goede toetsing te kunnen uitvoeren moeten in het geluidrapport ten minste worden aangegeven: het gebruikt kavelppervlak en de aangevraagde kavel- en nestgeluidruimte. Ook moet de initiatiefnemer zijn berekeningen uitvoeren in een knip van en volgens de regels van het geluidverdeelmodel. Anders leiden zijn berekeningen tot andere antwoorden en leidt het tot veel benodigde extra inspanningen voor de zonebeheerder en kans op fouten. Dergelijke berekeningen kunnen als regel niet worden getoetst. Wanneer in het geluidrapport zelf al een toetsing aan de gebruiksregels van het plan is opgenomen, zal dat het bevoegd gezag helpen om zelf al – vóór de toetsing door de zonebeheerder – een indruk te krijgen van het toetsresultaat.

2Een toetsing wordt normaliter uitgevoerd op het moment dat de concept aanvraag inhoudelijk door het bevoegd gezag is beoordeeld. Er zal naar gestreefd worden de toetsings- en adviseringsprocedure af te ronden vóór definitieve indiening van de aanvraag. Zo weet de initiatiefnemer vooraf of de aangevraagde geluidruimte kan worden vergund en kan hij in de gelegenheid worden gesteld om gegevens en uitgangspunten te corrigeren. In specifieke gevallen, bijvoorbeeld bij een grootschalig initiatief of wanneer het aspect geluid cruciaal is om te beoordelen of het initiatief doorgang kan vinden, kan al in een pril stadium van een ontwikkeling, een pré-toets worden uitgevoerd, bijvoorbeeld. Voor de “aangevraagde geluidruimte” wordt dan gelezen: de voor de ontwikkeling benodigde geluidruimte.

3Dit bevordert een snelle doorloop en voorkomt dat de gemeente wellicht onnodig moet adviseren.

4De technisch zonebeheerder kan bijvoorbeeld dit advies geven wanneer onvoldoende maatregelen lijken te worden getroffen in relatie tot de aantasting van de reserve. Op deze wijze kan vooraf een eventueel negatief advies van het zonebeheerteam c.q. de gemeente worden voorkomen.

4.6 Monitoring en evaluatie

Artikel 12 Verkleining grotere kavel- en nestgeluidruimte

Zoals al in hoofdstuk 3 aangegeven is een grotere geluidruimte geen blijvend recht.

In het GVP is getracht om de beschikbare geluidruimte optimaal te verdelen door een goede ruimtelijke verdeling van de geluidbudgetten. Een grotere geluidruimte doet dus een beroep op de reserve. Hoe groter die is, hoe groter dit beroep. Gelet op de doelen van het GVP zijn in deze paragraaf bepalingen opgenomen om activiteiten waarvoor een grotere geluidruimte is toegestaan met regelmaat tegen het licht te houden en te verkleinen wanneer die niet langer nodig is, zodat die niet onnodig voor onbepaalde tijd beslag blijft leggen op de reserve. Latent vergunde geluidruimte zou een onjuist beeld van de geluidsituatie kunnen weergeven en – ernstiger – ontwikkelingen onnodig in de weg zitten.

Veel activiteiten worden in de praktijk stiller of kunnen dat worden. Met de Omgevingswet heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om in te grijpen, als een bedrijf zijn milieuruimte 1 jaar lang niet heeft gebruikt. De bepalingen in deze paragraaf zijn opgenomen opdat in de praktijk ook concreet zal worden gewerkt aan het verminderen van onnodig gebruikte reserve, mede gelet op de verwachting is dat het aantal milieurevisieaanvragen met de Omgevingswet zal afnemen, en dit doel via milieurevisieaanvragen minder zal worden bereikt. Anderzijds vraagt dit wel om een zorgvuldige procedure: het is niet de bedoeling dat bedrijven op een willekeurig moment met een (onnodige) onderzoeksplicht worden geconfronteerd.

Een aanvraag voor activiteiten bevat altijd een toekomstvisie voor enkele jaren. Met het oog daarop kunnen de bepalingen uit het GVP bij het ontwerpplan dat een grotere geluidruimte nog voor ten hoogste 3 jaar kan worden vastgehouden, vervallen.

Artikel 13 Verkleining grotere kavel- en nestgeluidruimte op verzoek eigenaar of gebruiker

De eigenaar of gebruiker kan bijvoorbeeld een dergelijk verzoek indienen opdat voor een andere geluidkavel of ligplaats een grotere geluidruimte kan worden toegestaan.

4.7 Specifieke afspraken

Artikel 16 Handhaven gebouwen

1Uit de verdeelsystematiek is duidelijk dat een grotere kavel- en nestgeluidruimte vervallen, op het moment dat de vergunning wordt ingetrokken. Op dat moment vervallen ook de geluidbronnen, ook van een eventueel grotere kavelgeluidruimte. Intrekken van de (milieu)vergunning betekent echter niet dat ook de gebouwen mogen worden gesloopt. Deze kunnen ook door een andere inrichting weer worden gebruikt. Via dit artikellid wordt geborgd dat het afschermend en reflecterend effect van deze gebouwen op de geluidoverdracht van andere bedrijven in het geluidverdeelmodel blijft gehandhaafd tot het moment dat een sloopvergunning is verleend dan wel deze gebouwen mogen worden veranderd via een vergunning voor andere activiteiten.

2In afwijking van lid 1 wordt van niet gerealiseerde gebouwen het afschermend en reflecterend effect niet in het geluidverdeelmodel gehandhaafd.

Artikel 17 Splitsen grotere geluidruimte

Wanneer een activiteit over meerdere initiatiefnemers wordt verdeeld en een grotere geluidruimte was toegestaan, kan deze grotere geluidruimte worden meegenomen. Zoals al vaker opgemerkt: een grotere geluidruimte geldt alleen voor de vergunde activiteiten en kan niet worden meegenomen voor nieuwe.

In de praktijk zijn de geluidemitterende activiteiten en dus de geluidemissie niet evenredig over de geluidkavel verdeeld. Een evenredige splitsing naar gelang het gebruikt kaveloppervlak in m² zal daarom meestal niet mogelijk zijn. Daarnaast is een splitsing van een bestaande inrichting of activiteit qua verdeling van grond, gebouwen, installaties en ook geluidruimte een privaatrechtelijke aangelegenheid tussen de bij de splitsing betrokken partijen.

Bij de splitsing wordt de geluidruimte in overleg verdeeld door en tussen de bij de splitsing betrokken partijen. Dit kan gebeuren door splitsing in verdeelde activiteiten, heel soms evenredig splitsing naar gebruikt kaveloppervlak en soms op nog andere wijze. Het kan zijn dat het nodig is om hierbij de bestaande modelvorming te wijzigen. Voor de splitsing en de modelvorming daarvan leggen partijen een conceptsplitsing voor advies voor aan de zonebeheerder.

De partijen dienen te bedenken dat op elke geluidkavel altijd het standaard kavelbudget in dB(A) per m² ligt. Op elk gebruikt kaveloppervlak na splitsing ligt dus altijd dat standaard kavelbudget.

De verdeling is nodig opdat de zonebeheerder een toets kan uitvoeren. De splitsing moet dan ook in de aanvraag worden opgenomen en gedocumenteerd. De instemming van alle bij de splitsing betrokken partijen moet hieruit blijken.

Geven de betrokken partijen de verdeling niet aan, dan kan géén toets aan de planregels plaatsvinden, kan de splitsing dus niet worden toegestaan en kan een grotere geluidruimte niet worden toestaan.

Bovenstaande geldt hoofdzakelijk voor een grotere kavelgeluidruimte, maar is in principe ook van toepassing op een grotere nestgeluidruimte. Verschil is de opbouw van het nestbudget: dat is een vaste waarde per ligplaats. De geluidruimte van een ligplaats wordt op een andere wijze verdeeld.

Bijlage 1 SAMENVATTING WETTELIJK KADER

In deze bijlage wordt eerst ingegaan op wat de Wgh voorschrijft ten aanzien van de geluidruimte voor industrieterreinen. Daarna wordt specifiek ingegaan op het aspect nestgeluid. Tot slot wordt nog een doorkijkje gegeven naar de toekomstige Omgevingswet.

Hoofdstuk industriegeluid Wet geluidhinder

In de bestemmingsplannen van de industrieterreinen Eemshaven en Eemshaven Zuidoost hebben deze in hoofdzaak een bestemming industrie die in ieder geval voor een deel van het terrein de mogelijkheid insluit van bedrijven die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken

5Inrichtingen aangewezen op grond van art. 1.1 lid 3 Wabo in art. 2.1 lid 3 en bijlage I onderdeel D Besluit omgevingsrecht, voorheen ook wel “grote lawaaimakers” genoemd.

. Daarmee zijn de terreinen industrieterreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Op dergelijke terreinen is hoofdstuk V (“Zones rond industrieterreinen”) van de Wgh van toepassing. Het terrein Oostpolder krijgt deze bestemming en de Wgh wordt hierop van toepassing.

Hieronder volgt een korte eenvoudige toelichting op de wettelijke bepalingen.

Rond de industrieterreinen is een geluidzone

6De zone is een gebied, aan de buitenzijde begrensd door wat vaak “de 50 dB(A) zonegrens” of “buitenste zonegrens” wordt genoemd en aan de binnenzijde door het industrieterrein. Het industrieterrein zelf is géén onderdeel van de geluidzone.

vastgesteld. Het gebied van de zone is in de bestemmings- plannen voor het omliggend gebied vastgelegd. De Wgh bepaalt het volgende over de geluidbelasting:

▪ Buiten de zone mag de “geluidbelasting” niet meer bedragen dan 50 dB(A).

▪ Voor elk van de woningen binnen de zone geldt een specifieke grenswaarde voor de “geluidbelasting”.

▪ De grenswaarden gelden voor het geluid van alle inrichtingen op het gezoneerde industrieterrein samen.

De “geluidbelasting” is op grond van art. 1 Wgh voor industriegeluid een “etmaalwaarde”. Dat is de hoogste waarde van:

▪ het equivalente (dat is gemiddelde) geluidsniveau LAeq over de dagperiode van 07.00 tot 19.00 uur;

▪ het equivalente geluidsniveau LAeq over de avondperiode van 19.00 tot 23.00 uur +5 dB;

▪ het equivalente geluidsniveau LAeq over de nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur +10 dB

7Dat de geluidbelasting buiten de zonegrens niet meer mag bedragen dan 50 dB(A) betekent dus, dat het equivalente geluidsniveau LAeq daar niet hoger mag zijn dan: 50 dB(A) over de dagperiode, 45 dB(A) over de avondperiode en 40 dB(A) over de nachtperiode. Voor een woning in de zone met een grenswaarde van bijvoorbeeld 55 dB(A), mag het LAeq niet meer bedragen dan achtereenvolgens 55, 50 en 45 dB(A) in deze etmaalperioden.

.

Het gaat hierbij om de geluidbelasting vanwege alle inrichtingen samen zoals ze in werking (kunnen) zijn bij een representatieve bedrijfssituatie: dit is het geluidsniveau van de inrichtingen zoals ze dat globaal ten hoogste produceren in de dag-, de avond- en de nachtperiode. Het betreft de maximale waarden van de vergunning of voor de inrichting geldende algemene regels (uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, Abm). Het (extra) geluid dat ze volgens de vergunning gedurende enkele dagen per jaar in incidentele of afwijkende bedrijfssituaties mogen produceren, wordt niet meegeteld. Binnen de zone moet ten minste deze vergunde geluidruimte zijn opgenomen. Daarnaast kan in de geluidzone rekening gehouden worden met toekomstig geluid van nog te vestigen bedrijven of uitbreidingen van bestaande bedrijven.

Behalve voor woningen gelden de wettelijke grenswaarden ook voor andere geluidsgevoelige gebouwen (zoals scholen) en geluidsgevoelige terreinen in de zone. Binnen de zone rond de terreinen Eemshaven, Eemshaven zuidoost en Oostpolder liggen echter alleen woningen.

De bedoeling van de zonering is om een ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen het industrieterrein en woningen die hierdoor gehinderd kunnen worden. De zonering waarborgt dat woningen buiten het industrieterrein niet blootgesteld worden aan meer geluid dan de vastgestelde grenswaarden. Andersom biedt de zonering bescherming aan bedrijven: er mogen niet zomaar woningen binnen de zone worden gebouwd.

Overheden, burgers en bedrijven krijgen te maken met deze zone in de volgende situaties:

▪ De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verplicht dat bij het verlenen van vergunningen op grond van deze wet voor een milieu-inrichting op het terrein de grenswaarden van de Wgh in acht worden genomen.

▪ Bij het vaststellen van maatwerkvoorschriften aan bedrijven op het terrein die onder de werkingssfeer van het Abm vallen moeten de grenswaarden worden gerespecteerd.

▪ Bij het toestaan van bouwplannen van woningen en dergelijke in de zone die afwijken van het bestemmingsplan moeten de geldende grenswaarden (de geluidruimte) van het industrieterrein in acht genomen worden. Zo nodig moet de overheid (meestal de gemeente) hiervoor een zogenaamde hogere waarde voor de geluidbelasting vaststellen.

▪ Bij het bouwen van geluidsgevoelige gebouwen binnen de zone moeten op grond van het Bouwbesluit zo nodig zodanige voorzieningen aan de gevel worden getroffen dat ten minste de grenswaarde voor het geluidsniveau in de geluidgevoelige ruimten in acht genomen wordt.

De Wgh staat toe de zone en de grenswaarden op woningen binnen de zone te wijzigen bij vaststelling van een bestemmingsplan. Hiervoor stelt de Wgh voorwaarden. Allereerst moet worden onderzocht of een verhoging van de grenswaarden op woningen niet kan worden voorkomen door het treffen van geluidsreducerende maatregelen. Wanneer deze maatregelen redelijkerwijs niet mogelijk zijn of stuiten op wettelijk gedefinieerde bezwaren, kunnen de grenswaarden tot een zeker maximum worden verhoogd. Hiervoor gelden voorwaarden: zo mag de totale geluidbelasting (samen met geluid van weg- en railverkeer en luchtvaart) niet onaanvaardbaar hoog zijn en moet binnen de geluidgevoelige ruimten van de woning de grenswaarde voor het binnengeluidsniveau in acht genomen wordt, indien nodig door het treffen van maatregelen aan de gevel.

Nestgeluid

De Wgh grenswaarden gelden dus voor het vergunde geluid van alle inrichtingen samen. Dat is inclusief het nestgeluid (de hotelfunctie van schepen), oftewel het geluid van (diesel)aggregaten op en/of hoofdmotoren van schepen voor het produceren van elektriciteit.

In de uitspraak 201807456-1-A1, Schiedam (ECLI:NL:RVS:2020:205) d.d. 22 jan 2020 deed de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een belangrijke uitspraak over nestgeluid van schepen. De Afdeling overwoog dat het ontbreken van duidelijkheid in de aanvraag over de omvang van de inrichting, specifiek over of afgemeerde schepen binnen of buiten de grens van de inrichting liggen, in samenhang met andere aspecten, een goede beoordeling van de milieugevolgen in de weg staan. De afdeling oordeelde: “Zijn de voor werkzaamheden aan de kade af te meren schepen feitelijk onderdeel van de inrichting, maar liggen deze buiten de grenzen van de inrichting zoals deze nu is vergund, dan mogen de schepen niet aan de kade afmeren zonder dat eerst vergunning is verleend voor uitbreiding van de inrichting. Liggen de afgemeerde schepen binnen de grenzen van de inrichting zoals deze nu is vergund, dan is de geldende omgevingsvergunning ook van toepassing op de milieugevolgen van de zogenoemde hotelfunctie van die schepen en zal het geluid veroorzaakt door die functie aan de daarin gestelde geluidvoorschriften moeten voldoen.”

Toekomstige Omgevingswet

Het is de bedoeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu om per 1 januari 2024 de Omgevingswet te lateningaan. In deze wet worden 26 wetten, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Wgh, vervangen door één wet. De kaders voor het geluid van gezoneerde industrieterreinen zijn inmiddels grotendeels duidelijk en geregeld via de Aanvullingswet geluid Omgevingswet (19 februari 2020), het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet (9 december 2020) en de Aanvullingsregeling geluid Omgevingswet (19 maart 2021). Voor industriegeluid is via deze wet, dit besluit en deze regeling veel vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Als belangrijkste punten uit de nieuwe wetgeving en wijzigingen ten opzichte van de huidige wetgeving noemen wij:

▪ Het begrip “inrichting” wordt verlatenen vervangen door “activiteit”.

▪ Het geluid van het industrieterrein zal worden bewaakt door middel van Geluid Productie Plafond grenswaarden (GPP’s) op GPP-punten rond het industrieterrein. Deze vervangen de toetsing op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen. Het systeem van vaststelling van hogere waarden en de eerder vastgestelde hogere waarden komen te vervallen. Op deze manier wordt een scheiding aangebracht tussen (ontwikkelingen op het) industrieterrein en (bij) woningen: zo kan bouw van nieuwe woningen in de zone bijvoorbeeld nooit meer leiden tot een beperking van het geluid van het industrieterrein.

▪ De bewaking van de geluidbelasting op de (buitengrens van de 50 dB(A)) zone komt te vervallen. De zone wordt aandachtsgebied. Bij de bouw van nieuwe woningen in het aandachtsgebied moet rekening gehouden worden met het industriegeluid.

▪ Het systeem van grenswaarden op woningen wordt vereenvoudigd: er is nog sprake van één standaard waarde (vergelijk de huidige voorkeurswaarde) en één maximale waarde. Het bevoegd gezag krijgt meer ruimte voor maatwerk en afweging omtrent de toelaatbare geluidbelasting. Die afweging zal belangrijker worden.

▪ In Wabo vergunningen zal nog steeds het Ldag, Lavond en Lnacht worden vastgelegd. Maar voor de cumulatieve belasting van een industrieterrein zullen in plaats van de huidige etmaalwaarde Letmaal in dB(A) (zie § 3.1) de jaargemiddelde geluidbelasting Lden en de jaargemiddelde nachtwaarde Lnight in dB op basis van een jaargemiddelde bedrijfssituatie (JBS) als maat gelden. Het Lden is het gewogen gemiddelde over de dagperiode, de avondperiode + 5 dB en de nachtperiode +10 dB gemiddeld over het jaar. Afwijkende situaties (regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie en incidentele situaties) tellen in het Lden en het Lnight mee. Bij de jaarmiddeling wordt alleen rekening gehouden met minder bedrijfsdagen per jaar, voor zover dat in de vergunning is vastgelegd

8Art. 3.23 lid 1 onder a Omgevingsregeling en § 6.7 van bijlage IVh “meet- en rekenmethode geluid industrie” bij deze regeling: “Een JBS kan afwijken van een RBS. Echter als een vergunning is verleend voor een bepaalde activiteit zonder beperkingen qua aantal dagen per jaar en/of uitsluiting van specifieke weekdagen dan is de JBS voor deze activiteit geluid aan de RBS.”

.

▪ Het nestgeluid van schepen voor zover die niet tot een inrichting behoren, bijvoorbeeld schepen die schuilen in de haven, dan wel schepen die voorafgaand of na laden en lossen of werkzaamheden op of aan het schip in de haven liggen te wachten, mag bij bepaling van het geluid door een industrieterrein niet buiten beschouwing worden gelaten en moet ook worden getoetst aan de grenswaarden op de GPP punten. Voor zover dat nodig is, kan het bevoegd gezag de grenswaarden op de GPP punten éénmalig verhogen met de geluidsbijdrage van het nestgeluid, voor zover dit geluid niet eerder bij het vaststellen van de grenswaarden Wgh was betrokken

9art. 3.25 Bkl, met name lid 3 onder e (zie ook MvT op dit artikel) en 12.2 lid 4 Bkl onder b (zie MvT §15.3 Wijzigingen n.a.v. de bestuurlijke en internetconsultatie in de algemene toelichting en de MvT op dit artikel). Zie https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2020-557.html

.

De gemeenteraad dan wel provinciale staten moeten bij Omgevingsplan de GPP’s als omgevingswaarden vaststellen. Voor dit bestaande industrieterrein moet dat uiterlijk op een nog bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (art. 3.6 lid 2 en 3 Aanvullingswet geluid Omgevingswet). Tot dat moment blijft het recht zoals dat gold vóór in werking treden van de Omgevingswet van kracht (lid 1 van voornoemd artikel).

Het geluid vanwege inrichtingen inclusief nestgeluid zal dus moeten worden beoordeeld conform de Wgh, totdat bij Omgevingsplan onder de Omgevingswet de GPP’s zijn vastgesteld. Tot dat moment wijzigt de komst van de Omgevingswet niets aan de manier van beoordelen van het geluid van de industrieterreinen.

Bijlage 8 REKENREGELS

Rekenregels

Toetsing aan standaard kavelbudget

Bepaling gebruikt kaveloppervlak

Bepaal dit oppervlak volgens de beleidsregel: definitie in hoofdstuk 2 en toelichting in hoofdstuk 4.

Bepaling standaard kavelbudget over gebruikt kaveloppervlak

Dit is een oppervlaktebron met de kenmerken van een standaard kavelbudgetbron als in een bijlage bij het GVP weergegeven ter grootte van het gebruikt kaveloppervlak. De onderlinge puntbronafstand bedraagt:

Gebruikt kaveloppervlak in m²

Puntbronafstand x maal y in m

<= 10.000 m²

5x 5

> 10.000 en <=50.000 m²

10x 10

> 50.000 en <=500.000 m²

20x 20

> 500.000 m²

50x 50

Toetsing

De kavelgeluidruimte mag op de beoordelingspunten niet groter zijn dan de immissiewaarde van het standaard kavelbudget over het gebruikt kaveloppervlak met inachtneming van onderstaande toetsingsmarge:

Gebruikt kaveloppervlak in m²

Toetsingsmarge als % van de Wgh grenswaarde op het beoordelingspunt

<= 10.000

0.01%

> 10.000 en < 100.000

Oppervlak in m²/10.000 * 0.01%

>= 100.000

0.10%

Toetsing aan standaard nestbudget

Bepaling reeds vergund deel nestbudget

Ga na welk deel van het nestbudget op de betreffende ligplaats al is vergund voor andere activiteiten (bijvoorbeeld voor andere bedrijven) die gelijktijdig op dezelfde ligplaats plaatsvinden.

Bepaling standaard nestbudget

Dit is een oppervlaktebron met de kenmerken van een standaard nestbudgetbron als in een bijlage bij het GVP weergegeven ter grootte van de ligplaats. De onderlinge puntbronafstand bedraagt:

Ligplaatsoppervlak in m²

Puntbronafstand x maal y in m

<= 10.000

5x 5

> 10.000

10x 10

Toetsing

De nestgeluidruimte mag op de beoordelingspunten niet groter zijn dan de immissiewaarde van het standaard nestbudget, met inachtneming van onderstaande toetsingsmarge:

Ligplaats

Toetsingsmarge als % van de Wgh grenswaarde op het beoordelingspunt

Alle

0.01%

Algemeen: toeslag op de geluidruimte vóór toetsing

Afhankelijk van de wijze waarop de (aangevraagde, te toetsen) geluidruimte in een vergunning wordt vast- gelegd, dient deze met een toeslag te worden verhoogd, alvorens deze aan de immissiewaardenvan het standaard kavel en nestbudget wordt getoetst. Deze toeslag zal kunnen liggen tussen 0.00 en 1.00 dB.

Algemeen: te gebruiken model, nauwkeurigheid en afrondingen

De toetsing van de geluidruimte aan de immissiewaarden van het standaard kavel- en nestbudget vindt plaats in het geluidverdeelmodel.

De geluidruimte en de immissiewaarden van het standaard kavel- en nestbudget en het verschil daartussen worden berekend in dB(A) en afgerond op 2 decimalen (dus op 0.01 dB).

Een overschrijding (toename) wordt berekend in % van de Wgh grenswaarde. De toename en de toetsings- marge in % worden afgerond op 2 decimalen (dus op 0.01% van de Wgh grenswaarde).

Bijlage 9 BRONKENMERKEN STANDAARD KAVELBUDGETBRONNEN

Kenmerken standaard kavelbudgetbronnen

Oppervlaktebron

Bronhoogte (m)

Octaafbandmiddenfrequenties (Hz)

Totaal dB(A)/m²

31,5

63

125

250

500

1k

2k

4k

8k

Spectrum relatief t.o.v. 0 dB

5

-33.9

-23.9

-12.9

-8.9

-6.9

-4.9

-6.9

-10.9

-20.9

0,0

•Totaal LW in dB(A)/m²: afhankelijk van het standaard kavelbudget en de totale ruimte op de kavel

•Cb dag/avond/nachtperiode: zodanig dat het totaal LW dB(A)/m² wordt gecorrigeerd tot hetstandaard kavelbudget van de geluidkavel in dB(A)/m²

Bijlage 10 BRONKENMERKEN STANDAARD NESTBUDGETBRONNEN

Kenmerken standaard nestbudgetbronnen

Schip

Bronhoogte (m)

Octaafbandmiddenfrequenties (Hz)

Totaal dB(A)

31,5

63

125

250

500

1k

2k

4k

8k

Binnenvaartschip

8

63,1

80,1

89,1

90,1

93,1

93,1

91,1

87,1

83,1

99,0

Coaster

8

70,1

87,1

96,1

97,1

100,1

100,1

98,1

94,1

90,1

106,0

Zeeschip

18

73,6

90,6

99,6

100,6

103,6

103,6

101,6

97,6

93,6

109,5

Cb dag/avond/nachtperiode: correctie voor het aantal uren per etmaalperiode van 1 schip

Bijlage 11 ONDERBOUWING NESTBUDGETBRONNEN

Onderbouwing geluidvermogenniveaus nestbudgetbronnen

Voor de bepaling van het geluidsvermogenniveau ende bronhoogte afhankelijk van het schip is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

1Publicatie “Geluidseffecten scheepvaartlawaai – metingen, literatuurstudie en ontwikkeling rekentool”, met kenmerk PV.W3629.R01, een onderzoek van DHV Ruimte en Mobiliteit BV in opdracht van ministerie van Verkeer en Waterstaat, Adviesdienst Verkeer en Vervoer d.d. december 2004

10De publicatie verwijst naar drie rapporten uit 1992-1997, een rapport uit 1993. Deze rapporten zijn niet in ons bezit.

.

2Rapport “Milieutechnisch onderzoek walstroom, geluid; effecten van walstroom op het milieu in Westpoort met betrekking tot geluid”, rapportnummer I.2009.1641.00.R001 van dgmr d.d. 20 mei 2010 (versie 001 definitief) opgesteld in opdracht van Royal Haskoning

11Het rapport verwijst naar het rapport met kenmerk I.2006.1368.03.R001 d.d. 24 december 2009. Idem.

.

3Rapport “Zeetoegang IJmond - Deelrapport Geluid” dossier BB3986-109-110, registratienummer MD- AF20140071/PO versie 1 Openbaar, januari 2014 definitief van Royal HaskoningDHV, opgesteld in opdracht van Rijkswaterstaat West-Nederland Noord

12Het rapport verwijst in de voetnoten 4 en 5 naar het rapport met kenmerk I.2006.1368.03.R001, d.d. 4 februari 2010 en het rapport met kenmerk I.2010.0610.01.R001, d.d. 7 januari 2011. Idem.

.

4Rapport “Uitbreiding geluidzone industrieterrein HoogTij te Westzaan – akoestisch onderzoek”, kenmerk O 15327-1-RA-008 d.d. 11 augustus 201 van Peutz. Dit rapport is gevoegd bij het “Inpassingsplan Aanpassing Geluidzones Westpoort en HoogTij”, provincie Noord-Holland.

5Rapport “Geluidsruimteregeling Westpoort schepen”, kenmerk M.2016.0488.01.R001 van dgmr d.d. 20 december 2017 (versie 4 definitief)

13Er wordt in het rapport verwezen naar het PIPInpassingsplan Aanpassing Geluidzones Westpoort en HoogTij NL.IMRO.9927.IPGELCONWPRTHT2014-VG01

. Dit rapport is gevoegd bij bestemmingsplan: Geluidverdeelplan Westpoort NL.IMRO.0363.B1702BPGST-VG01

14In § 6.2.1 van de plantoelichting wordt verwezen naar het rapport “Aanpassing zone Westpoort” van 30 juli 2014, rapport I.2006.1368.19.R001, bijlage 1 bij de plantoelichting.

.

6Geluidsmetingen aan tankers en containerschepen (zeeschepen) uitgevoerd in het kader van het project “Neptunes” in opdrachtvan de gemeente Rotterdam. Een uittreksel uit de meetresultaten gepresenteerd op de conferentie d.d. 28 maart 2019 is opgenomen op de volgende pagina’s.

7Enkele pagina’s uit een eindconcept 1 november 2021 van het akoestisch onderzoek van dgmr voor ZHD Stevedores te Dordrecht. Daarin wordt onder meer verslag gedaan van gedetailleerde geluidsmetingen aan enkele coasters en zeeschepen.

De schepen in de havens van Delfzijl hebben de volgende groottes (in ton):

▪ Binnenvaartschepen: 1 tot ca. 4.500 ton

▪ Zeeschepen: 1 tot ca. 30.000 ton.

In de havens van Amsterdam en Rotterdam liggen gemiddeld grotere schepen dan in Delfzijl . De geluids- brongegevens voor zeeschepen uit bovengenoemde rapporten hebben dan ook veelal op de (subcategorie) zeeschepen (en niet op coasters) betrekking, met uitzondering van een beperkte set brongegevens in het laatstgenoemde rapport.

Het geluidspectrum is aangehouden op basis van bron [1]. Aan de hand van de gemiddelde tonnage per type schip is conform bron [2] de gemiddelde bronhoogte per type schip aangehouden.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.