Aanhef
Gedeputeerde Staten van Groningen maken bekend dat zij op 27 januari 2026, nr. 8, team Financiën, dossiernummer K3468 het onderstaande Financieringsstatuut van de provincie Groningen 2026 hebben vastgesteld.
Beslispunt:
1Vaststellen van het Financieringsstatuut 2026 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 en dit bekend te maken in het Provinciaal Blad.
2Instemmen met de intrekking van het Financieringsstatuut 2022 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026;
3. UITVOERING VAN HET TREASURYBELEID
3.1. Uitzetten van gelden
3.1.1. Rekeningcourant
Het saldo van de rekeningcourant bij de huisbankier van de provincie zal op werkdagen - conform de voorwaarden van de Wet Fido - worden afgeroomd naar dan wel aangevuld van de rekeningcourant van de provincie Groningen bij de Staat der Nederlanden (verplicht schatkistbankieren).
3.1.2. Deposito's
Naast de mogelijkheid van het afromen of aanvullen van de rekeningcourant via het verplicht schatkistbankieren kunnen deposito's bij de Staat worden geplaatst. Hiertoe dient een financieringsvoorstel opgesteld te worden.
Het financieringsvoorstel wordt gebaseerd op een voorafgaand aan het jaar door Gedeputeerde Staten of door de gedeputeerde financiën namens Gedeputeerde Staten geaccordeerd treasury jaarplan, waarin voornemens ten aanzien van deposito's en uitzettingen bij medeoverheden (zie 3.1.3) worden voorgelegd en - indien gewenst - aan een maximum omvang worden gebonden. Het jaarplan bevat daarmee de kaders voor de uit te zetten gelden in een jaar en wordt - waar nodig - tussentijds in afstemming met de gedeputeerde financiën bijgesteld via besluitvorming in het Portefeuillehoudersoverleg.
Het financieringsvoorstel bevat:
o Een (meerjarige) actuele liquiditeitsprognose zoals opgenomen in het treasury jaarplan;
o Een recent overzicht van de uitgezette middelen.
o Een toets van de Treasurer van het tarief en de voorwaarden.
De Treasurer legt het financieringsvoorstel als mandaatvoorstel ter goedkeuring voor aan de teamleider Financiën van het domein Organisatieondersteuning. Aldus goedgekeurde transacties worden door de Treasurer vastgelegd via een transactieformulier.
3.1.3. Medeoverheden
Tenslotte bestaat de mogelijkheid tot het uitzetten van middelen bij medeoverheden. Dit dient plaats te vinden onder de voorwaarden zoals gesteld in de Wet Fido. In het treasury jaarplan dienen omvang en mogelijk aanvullende voorwaarden te worden vastgelegd. Daarmee vormt het jaarplan eveneens de basis voor het financieringsvoorstel voor uitzettingen bij medeoverheden, geaccordeerd door Gedeputeerde Staten of de gedeputeerde financiën namens Gedeputeerde Staten. Noodzakelijke wijzigingen van het jaarplan worden voorgelegd aan de gedeputeerde financiën via het Portefeuille Overleg. Het financieringsvoorstel voor uitzettingen bij medeoverheden bevat eveneens:
o Een (meerjarige) actuele liquiditeitsprognose zoals opgenomen in het treasury jaarplan;
o Een recent overzicht van de uitgezette middelen.
o Een toets van de Treasurer van het tarief en de voorwaarden.
De Treasurer legt het financieringsvoorstel als mandaatvoorstel ter goedkeuring voor aan de teamleider Financiën van het domein Organisatieondersteuning.
Ook de uitzettingen aan medeoverheden worden door de Treasurer vastgelegd via een transactieformulier. Verantwoording van de uitzettingen vindt daarnaast plaats via de reguliere rapportages aan Gedeputeerde Staten (halfjaarrapportages treasury) en Provinciale Staten (rapportages beleidscyclus).
3.4 Risicomanagement
3.4.1 Renterisico
Renterisico kan worden gedefinieerd als het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de provincie als gevolg van rentewijzigingen. Om renterisico's te beheersen en reduceren wordt gebruik gemaakt van de instrumenten van de Wet Fido (de kasgeldlimiet en de renterisiconorm). Voorts wordt periodiek de ontwikkeling van de rente gemonitord. Hierbij wordt gebruik gemaakt van informatie van gezaghebbende algemene banken en hun gepubliceerde rentevisie.
3.4.2 Kredietrisico
Kredietrisico, ook wel debiteurenrisico genoemd, heeft betrekking op de mogelijkheid dat een tegenpartij, waarbij middelen uitstaan, failliet gaat waardoor de hoofdsom verloren gaat.
Ter beperking van het kredietrisico wordt uitsluitend belegd:
•Bij het Rijk en medeoverheden;
•Voor de overgangsfase en de uitzonderingen op het verplicht schatkistbankieren in financiële waarden en financiële ondernemingen conform de voorwaarden van de Wet Fido.
Indien de financiële waarde of financiële onderneming niet meer voldoet aan de eisen zoals gesteld in de Wet Fido, zal onderzocht moeten worden op welke termijn de afgesloten overeenkomst kan worden beëindigd en tegen welke kosten, bijvoorbeeld een boete. Vervolgens zullen Gedeputeerde Staten afwegen wat de risico's zijn met betrekking tot de tegenpartij en de kosten.
3.4.3 Koersrisico
Het koersrisico is het risico dat de uitzettingen in waarde verminderen door ongunstige koers- c.q. renteontwikkelingen. Ter beperking van het koersrisico wordt uitsluitend belegd in deposito's, spaarrekeningen, commercial paper, certificates of deposit, obligaties, medium term notes en garantieproducten waarbij de hoofdsom gegarandeerd is. Voor nazorgfondsen mag conform voorwaarden van de Wet Fido belegd worden in aandelen of andere risicovollere waardepapieren.
3.4.4 Interne liquiditeitsrisico
Het interne liquiditeitsrisico bestaat uit kosten als gevolg van onverwachte wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjarenplanning. Hierdoor hadden middelen achteraf voor een langere periode tegen een hogere rente uitgezet kunnen worden of had minder geld uitgezet moeten worden of voor een kortere periode. Ter beperking van het interne liquiditeitsrisico worden tijdig de verplichtingen in de administratie vastgelegd en wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van goed verhandelbare financieringsinstrumenten. Voorts wordt de liquiditeitsprognose periodiek aangepast aan de actuele verwachtingen.
3.4.5. Risico leningen publieke taak
Bij verstrekte leningen uit hoofde van de publieke taak worden conform het afwegingskader provinciaal vermogen risico's in kaart gebracht en daarmee leningen met risico onderkend. Ter beperking van dat risico wordt waar nodig weerstandsvermogen gereserveerd en wordt in de reguliere planning & control-cyclus periodiek gebruik gemaakt van vervaardigde risico-inventarisaties ter onderbouwing van het benodigde minimale weerstandsvermogen.
Eens in de vier jaar wordt daarnaast in de Kadernota Risicomanagement de omvang van de risico's en mogelijk noodzakelijke bijstellingen in beeld gebracht.