Aanhef
GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE GRONINGEN
Gelet op artikel 2.13 en 2.18 van de Omgevingswet waaruit de taak volgt om zowel te zorgen voor het behoud en herstel van inheemse diersoorten, als het waarborgen van de waterveiligheid;
Overwegende
-dat het beverbeheerplan de afgelopen jaren een bruikbaar handelingsperspectief heeft geboden aan de waterschappen om de waterveiligheid te garanderen;
-dat de beverpopulatie in Groningen en Drenthe zich positief heeft ontwikkeld, ondanks het uitgevoerde beheer;
-dat er de komende jaren schade door bevers valt te verwachten en continuïteit van het beverbeheer bijdraagt aan een goede balans tussen bescherming van de bever enerzijds, en schadebestrijding en het waarborgen van de waterveiligheid anderzijds;
-dat het actualiseren van het beverbeheerplan een zorgvuldige voorbereiding behoeft waarvoor voldoende tijd nodig is, ook om alle belanghebbenden daarin op een goede manier te kunnen betrekken.
-dat de waterschappen hebben verzocht om het beverbeheerplan tot en met 2028 te verlengen.
Besluiten
1Het huidige beverbeheerplan 2021-2025 te verlengen tot en met 31 december 2028.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking een dag na de bekendmaking van dit besluit in het Provinciaal blad.
Samenvatting
Om de bescherming van bevers in de beheergebieden van de waterschappen Hunze & Aa's en Noorderzijlvest te borgen en tegelijkertijd heldere richtlijnen te formuleren om in voorkomende situaties vlot en effectief op te kunnen treden, is onderhavig concept- beverbeheerplan geschreven.
In dit beheerplan wordt een analyse gepresenteerd van alle relevante informatie over de beverpopulatie in Groningen en Drenthe, de aard en omvang van de effecten van beveraanwezigheid, de mogelijkheden om die effecten te mitigeren en de juridische context. In het beheerplan worden keuzes gemaakt ten aanzien van beheer en inrichting. Het bijbehorende beverprotocol beschrijft hoe er gehandeld kan worden in het veld op basis daarvan.
Het betreft een plan, geschreven in opdracht van provincies Groningen en Drenthe en de waterschappen Hunze & Aa's en Noorderzijlvest, op basis waarvan overleg heeft plaatsgehad met een klankbordgroep van belanghebbenden en de betrokken bestuurders van de opdrachtgevers. Er is een planhorizon gekozen van vijf jaar, maar tussentijdse evaluatie en eventuele aanscherping ligt voor de hand.
Door de kenmerkende levenswijze is de bever in staat een bijzondere leefomgeving te creëren voor allerlei gewenste planten- en diersoorten. Maar er is overduidelijk ook een spanningsveld met, onder andere, de waterveiligheid en de economische belangen in het huidige cultuurlandschap.
Om problemen vóór te zijn en draagvlak te behouden zal in Groningen en Drenthe in de komende jaren worden ingezet op doordacht en samenhangend beverbeheer. In navolging van wat daarover in de literatuur is geschreven rust dat beheer op vier pijlers 1) professioneel advies, 2) preventieve maatregelen, 3) tegemoetkoming bij schade en 4) adequaat ingrijpen bij onacceptabele natschade of in geval van gevaar voor veiligheid.
Dit beheer wordt (vooralsnog tijdelijk) ingevuld met een zonering in de ruimte, omdat de belangen op grond waarvan ingrijpen te rechtvaardigen is en de beschikbare alternatieven, verschillen per deelgebied. Het gaat om drie zones: “bever welkom”, “bever groot risico” en “bever met aandacht”. Op onderstaande kaart is deze zonering weergegeven.
Groningen en Drenthe dragen bij aan de duurzame instandhouding van de bever in Nederland en hebben daarvoor een groot oppervlak, onderling verbonden, geschikt leefgebied beschikbaar, met name in de beekdalen, de grote meren en de laagveenmoerassen. Aan goede aansluiting met de metapopulatie in West-Europa wordt al jaren gewerkt. Delen van dit geschikte gebied met een beschermde status vormen de in het kader van dit plan omlijnde “bever welkom”-zone. Er is in deze zone ruimte voor naar schatting 91 bever territoria, mede dankzij forse investeringen ten behoeve van beekherstel en waterretentie in de afgelopen decennia. De aanwezigheid van de bever draagt positief bij aan de water- en natuurdoelen in deze gebieden.
Gezien de situatie dat beveraanwezigheid tot grote calamiteiten met de veiligheid kan leiden in de lage delen van het beheergebied, is daar de zone “bever groot risico” begrenst. Het overwegende belang hierachter is de openbare veiligheid in relatie tot overstroming. Zonder buitenproportionele investeringen kan aanwezigheid van de bever hier, in ieder geval in de voorliggende beheerperiode van vijf jaar, niet worden geaccepteerd. Door het handhaven van ecologische barrières voor de bever en het gericht wegvangen en verplaatsen van individuen wordt enerzijds vestiging voorkomen en anderzijds bijgedragen aan het verbinden van de noordelijke deelpopulatie met de centraal zuidelijke populatie in Nederland. In de wat verdere toekomst zal mogelijk populatiebeheer door doding aan de orde zijn, als herplaatsing niet meer mogelijk is.
In de “bever met aandacht” zone is co-existentie met de bever mogelijk. Dat zal kunnen slagen als mensen niet alleen de lasten ondervinden, maar ook profijt ervaren (natuurschoon, ecotoerisme, etc.). Het is belangrijk dat particulieren, bedrijven en andere belanghebbenden hierin ondersteund worden met kennis en middelen, dat ingezet wordt op preventie en dat er een duidelijk en consistent beleid wordt gevoerd waarbij in voorkomende gevallen snel en adequaat wordt opgetreden. Het 'Beverprotocol Groningen en Drenthe, dat in Bijlage 5 is gegeven, geeft de handelwijze op grond waarvan op voorhand vrijstelling kan worden verleend van een aantal verboden uit de wet Natuurbescherming voor een periode van vijf jaar. Belangen die ingrijpen rechtvaardigen zijn belangrijke schade aan gewas of risico’s op persoonlijke veiligheid. Aldus werken we toe naar een situatie waarin mensen voelen dat beveraanwezigheid in veel gevallen niét tot problemen hoeft te leiden of dat die problemen beheersbaar zijn.
De verzamelde inzichten geven richting aan maatregelen in het veld om de bescherming van bevers te optimaliseren en stellen daar een taakverdeling bij voor. Het is ons duidelijk dat we hierbij het meest kunnen bereiken als dit beheer in samenwerking wordt vormgegeven. De beoogde partners in deze samenwerking zijn daarom aan tafel gevraagd. Het plan is een eerste keer met hen besproken en op basis daarvan aangescherpt.
2 Bevers in provincies Groningen en Drenthe
2.1 Aantal en verspreiding
2.1.1 In het projectgebied
Er is vanaf 2008 met de uitzetting gestart (vier dieren) en later is er nog een aantal dieren bijgeplaatst (zie tabel 2.1: dertien in 2009; vijf in 2011 en vier in 2012. Bron: Het Drentse Landschap; zie ook http://www.natuurplatform-drentsche-aa.nl/Aa_themas/-bever.html, en (Nooren 2006).
De huidige stand van de bever populatie voor Groningen en Drenthe wordt momenteel ingeschat op 125-180 dieren (januari 2020, pers. med. B. Zoer). De schatting betreft een expertoordeel op basis van het aantal bezette bever territoria en kennis van het voortplantingssucces in een deel daarvan. In 2017 waren er 17 tot 21 reproductieve paartjes in Groningen en Drenthe (pers. med. B. Zoer). De verspreiding is vooralsnog beperkt tot het Zuidlaardermeergebied, de Hunze en de Drentsche Aa (zie figuur 2.1), met enkele waarnemingen sinds februari 2017 in het dal van de Ruiten Aa.
Tabel 2.1. Overzicht van aantallen aanwezige en uitgezette bevers in Drenthe en Groningen en bekende sterfgevallen.
Aantal
Jaar
min
max
Introductie
Bekende sterf-gevallen
2008
4
4
4
0
2009
15
13
1
2010
0
2011
5
3
2012
4
1
2013
0
2014
3
2015
1
2016
2
2017
115
140
2018
3
2019
125
180
3
Er zijn daarmee in totaal 26 Elbe-bevers uitgezet. De herkomst van de uitgezette bevers is in zekere zin divers omdat acht dieren via Antwerpen zijn gekomen, vier dieren uit de Biesbosch, twee dieren uit Limburg en twaalf rechtstreeks uit de Elbe (pers. med. B. Zoer). Er is ook één spontane vestiging bekend, waarschijnlijk vanuit de Ems, die hierboven niet is bijgeteld. De huidige genetische diversiteit is onbekend. Voor zover bekend, zijn in de loop der jaren 17 bevers dood teruggevonden, waarvan 9 verkeersslachtoffer en 3 natuurlijke sterfte en 5 onbekend.
Gemiddeld betekent een aantal tussen 125 en 180 individuen dat er een gemiddeld groeipercentage van 18-23% op jaarbasis is geweest (eigen berekening). De berekende populatiegroei van de afgelopen 3 jaar in Nederland als geheel was gemiddeld 17,5% (Dijkstra & Hollander, 2016). In de aangrenzende gebieden zijn in Friesland ca. 3 bevers aanwezig in 10 5*5 km-hokken. In Duitsland in de regio Hase-Ems komen ca. 175 bevers voor in 26 5*5 km-hokken. De centraal-zuidelijke aaneengesloten Nederlandse populatie die verbonden is via de grote rivieren beslaat ca. 300 5*5 km-hokken (Lammertsma et al. 2019).
Figuur 2.1 Kaart met alle bekende waarnemingen van bevers en beversporen in Groningen en Drenthe (bron: NDFF tot december 2019). Met een ster zijn alle locaties van territoria aangegeven die minimaal één jaar bezet zijn geweest (bron: Het Drentse Landschap). De bekende territoria in het Emsland zijn overgenomen van www.emslandbiber.de (bron: Niedersächsischer Landesbetrieb für Wasserwirtschaft, Küsten- und Naturschutz – NLWKN)
2.1.2 In Nederland
In Nederland is de bever soort met succes geherintroduceerd. Door groei van de populatie en kolonisatie van nieuwe leefgebieden is de populatie inmiddels flink uitgebreid. (Fig. 1). Tegenwoordig komt de bever in een te groot gebied voor om de aantallen exact te bepalen, maar in het voorjaar van 2019 leefden naar schatting ongeveer 3.500 dieren in ons land (Dijkstra 2019, nature today). Dijkstra & Hollander (2016) geven een overzicht van de huidige verspreiding van de bever in Nederland en maken een voorzichtige inschatting van welke gebieden of watersystemen de komende 5 jaar waarschijnlijk bevolkt gaan worden. Met name het rivierengebied (Rijntakken en Maasdal) is van groot belang voor de bevers in Nederland. Ten eerste omdat momenteel een belangrijk deel van de populatie hier voorkomt en daarmee de ruggengraat van de Nederlandse populatie vormt. Ten tweede omdat het de functie vervult van verbindingsgebied, waardoor verschillende delen van Nederland met elkaar in verbinding staan en genetische uitwisseling plaatsvindt. Dijkstra & Hollander wijzen op de ontwikkeling van de beverpopulatie die na uitzettingen langs de Hase in Duitsland rond 1988 is ontstaan. Deze populatie betreft ook Elbe bevers en is inmiddels zodanig gegroeid dat ze de Nederlandse grens heeft bereikt (figuur 2.1). Als deze dieren aansluiting vinden bij de Drentse populatie, dan heeft dat gunstige effecten op de genetische diversiteit van de populatie Groningen en Drenthe. Of dat ook betekent dat de populatie-ontwikkeling versnelt is ongewis. In Flevoland ontsnapten in 1990 enkele bevers en in 2019 werd het aantal op ruim 230 dieren geschat (Reinhold & Smeets 2014, data landschapsbeheer Flevoland). Naar verwachting zal ook op termijn van 5-10 jaar vanuit Overijssel en Flevoland aansluiting met de populatie in Drenthe gevonden kunnen worden, bijvoorbeeld via de Wieden/ Weerribben en de beeksystemen van Zuid-Drenthe.
Figuur 2.2 Huidige verspreiding van de Europese bever (rood) en de Canadese bever (groen) in Europa. Zwart geeft de refugia aan waar Europese bevers nooit zijn uitgestorven. ‘F’ geeft aan welke landen haalbaarheidsstudies hebben uitgevoerd. (overgenomen uit Campbell-Palmer et al. 2016).
Bijlage 1 Oppervlakte tabellen habitat en beheer
Tabel met oppervlaktes (ha) van habitat geschiktheid (zie figuur 2.3). ‘Core habitat’ is alle gebied in Groningen en Drenthe, binnen 20m van permanent water inclusief dat water zelf, waarbij niet onaannemelijk is dat bevers er voldoende voedsel kunnen vinden.
Legenda
Oppervlak (ha)
beschermd gebied * en geschikt habitat nabij water (‘Core habitat’)
11398
beschermd gebied * en geschikt habitat
22436
geschikt habitat nabij water (‘Core habitat’ buien beschermd gebied)
3093
geschikt habitat
4049
water + 20 meter buffer
104146
Overig
213539
totaal
358662
* Beschermd gebied staat voor begrensde natuur binnen Natuurnetwerk Nederland (NNN, inclusief overige Natuur), de Natura_2000 gebieden en alle eigendom van terreinbeherende organisaties (TBO’s, Groninger Landschap, NMM en SBB).
Tabel met oppervlaktes (ha) per zone van beverbeheer (zie figuur 7.1).
Zone
Oppervlak (ha)
Bever groot risico
101059
Bever met aandacht
208959
Bever welkom
44698
Bijlage 2 Lengte kwetsbare kade in verhouding tot theoretisch te realiseren aantal territoria
Tabel bijlage 2. Het aantal km kwetsbare kade in een selectie van watersystemen (met paars omcirkeld in het onderstaande kaartje) en de bijbehorende schatting van het aantal beverterritoria dat in die watersystemen verwacht mag worden (verantwoording in § 4.3 en § 6.2).
potentieel
Lengte kade
Gebiedsnaam
# territoria
beverproof
lengte kwetsbare kade (km)
verhouding
A
Eelderdiep en Peizerdiep
13
niet gemeten
Drentse Aa
24
niet gemeten
Hunze
21
niet gemeten
Ruiten Aa
14
niet gemeten
Fochteloerveen
2
niet gemeten
Bargerveen
2
niet gemeten
Reitdiep
0
niet gemeten
Onlanden
9
40
39
4
Paterswoldsemeer -Friesche veen
3
28
9
Zuidlaardermeer/Foxholstermeer
3
75
25
Totale schatting
91
B
Lauwersmeer
10
18
23
2
Oude diep in Marumerlaag
4
51
13
Roegwold (incl. Schildmeer)
8
110
14
Oldambtmeer
4
122
31
Hondshalstermeer
1
10
10
Bad Nieuweschans
2
28
14
Bijlage 3 Handvat voor discussie over organisatie & samenwerking
Op grond van de reeds beschikbare informatie (hfdst 1 t/m 6), de vooralsnog gemaakte keuzes en de processchema's (hfdst 7) is het duidelijk dat er afstemming wenselijk is om tot een passende uitvoering te komen. De provincies en waterschappen willen het beverbeheer in Groningen en Drenthe graag samen met andere betrokken partijen doen. Er is daarom over dit concept beheerplan met een klankbordgroep van belanghebbenden en de betrokken bestuurders van de opdrachtgevers overlegd. Daarna is het zaak om samen vorm te geven aan de organisatie van dat beverbeheer.
Deze bijlage benoemt daarom alle betrokken partijen en biedt een opzet voor een eventuele organisatiestructuur, als handvat voor de discussie over de beoogde organisatie en samenwerking.
3.1 Gezamenlijke inspanning
De samenwerkende partijen financieren en organiseren gezamenlijk de aanstelling van een beverbeheerder en stellen een digitaal loket (website met mogelijkheid voor daadwerkelijk telefonisch contact met de beverbeheerder) voor de burger in bij beverproblemen. De beverbeheerder zorgt voor professioneel advies bij conflicten en communicatie over de bever en zijn leefwijze. Hij of zij kan beschikken over enig budget voor mitigatie en ander beverbeheer.
Gezien de decentralisatie van vrijwel alle natuurbeleidstaken naar de provincies ligt het voor de hand dat de beverbeheerder van de provincies mandaat krijgt om actie te ondernemen, en bindende adviezen te geven.
3.2 Provincie
De provincies zorgen voor een fonds voor beverbeheer d.w.z. lokale, proportionele, duurzame, (al dan niet preventieve) maatregelen bij voorkomende of te verwachten problemen in ‘bever-welkom’ en ‘bever met aandacht’ gebied, alsmede kosten voor onderzoek en monitoring.
De provincies regisseren overleg met terreineigenaren en onderzoeken met hen de bereidwilligheid en mogelijkheden voor duurzame oplossingen (vergoedingen of eventuele verschuivingen binnen NNN) bij percelen die natschade ondervinden door beverdammen en die binnen het natuurnetwerk liggen. De provincie is bevoegd gezag bij afweging van bevers versus andere natuurbelangen in ‘bever-welkom’ gebied.
De provincies verlenen ontheffing voor wegvangen/ transporteren en in het uiterste geval doden van bevers (specifieke individuen in goed gedefinieerde omstandigheden).
3.3 Waterschappen
Het waterschap werkt op basis van de aan dit plan gekoppelde beverprotocol. Hierin is duidelijk beschreven wanneer wel en niet (zie ook processchema) en op welke manier problemen die door bevers worden veroorzaakt opgelost worden. De veldmensen van de waterschappen spelen een belangrijke rol in de monitoring van bevers. Het waterschap verzorgt haar deel van de gezamenlijke communicatie.
De waterschappen worden door de provincie aangewezen om het wegvangen en herplaatsen van bevers uit te voeren wanneer daar noodzaak toe ontstaat, in de beschermde gebieden altijd in overleg en bij voorkeur samen met de betreffende TBO(’s). Voor het doden van specifieke individuen, selectief en strikt gecontroleerd, op basis van dit beheerplan en het beverprotocol, wijst de Provincie de Waterschappen en/of de TBO’s als uitvoerder aan, die op haar beurt een bevoegd persoon aanwijzen.
3.4 Bij12/Faunafonds
Het Faunafonds/BIJ12 vergoedt alle erkende vraatschade.
3.5 Terreinbeheerders (Staatsbosbeheer, het Groninger Landschap, het Drentse Landschap, Natuurmonumenten), Landschapsbeheer en particulieren
De meeste bevers zullen leven in terreinen van de vier grote terreinbeheerders. Doorgaans dragen de bevers in positieve zin bij aan het behalen van natuurdoelstellingen, bijv. die van Natura 2000 of de Kaderrichtlijn Water. Soms kunnen er ook in natuurgebieden conflicten bestaan tussen de bever en andere natuurwaarden. De terreinbeheerders nemen het nieuwe beverprotocol van de waterschappen ook op in hun gedragscode om te kunnen ingrijpen in geval van schade aan natuur- of cultuurdoelen. In overleg met provincie en waterschap kan besloten worden tot ingrijpen, waarbij provincie eindafweging maakt als Bevoegd gezag. Terughoudendheid is het devies zoals is beschreven in paragraaf 7.1. Concreet betekent dat ook dat het doden van bevers in natuurgebieden voorlopig niet aan de orde is.
Terreinbeheerders hebben goede contacten met vrijwilligers in het veld en met andere specialisten. Zij dragen bij aan de monitoring van bevers en hebben een grote rol in de communicatie over de bever. Bevers zijn aantrekkelijke dieren om (wildernis)verhalen over te vertellen en tijdens gerichte (kano) excursies te observeren. Particuliere natuurbeheerders en TBO's kunnen door grondverwerving meewerken aan de realisatie van het Nieuwe Natuur Netwerk en daarmee aan de uitbreiding van leefgebied voor de bever. Terreinbeheerders nemen zelf maatregelen in geval van vraatschade aan cultuurhistorische elementen in hun gebieden of eventuele natschade in tertiaire watergangen.
De gezamenlijke partijen vragen een TBO om de aanstelling van de beverbeheerder te verzorgen en te gaan fungeren als loket voor de burger bij beverproblemen. Deze loketfunctie wordt mede concreet gemaakt door het aanmaken van een gezamenlijke website voor beverbeheer op basis van dit plan.
De provincie vraagt de TBO’s om de waterschappen te assisteren bij wegvangen en herplaatsen van bever, i.i.g. als daar noodzaak toe ontstaat in beschermde gebieden. Voor het doden van specifieke individuen, selectief en strikt gecontroleerd, op basis van dit beheerplan en het beverprotocol, wijst de Provincie de TBO’s en/of de Waterschappen als uitvoerder aan, die op haar beurt een bevoegd persoon aanwijzen.
Particuliere terreinbeheerders en boeren zullen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het herbergen en beschermen van bevers, mits zij voldoende worden ondersteund met kennis en middelen, een consistent en op lange termijn stabiel beleid, en de mogelijkheid om problemen adequaat op te lossen. Vrijwilligers en organisaties voor landschapsbeheer zullen worden gevraagd om hun kennis en ervaring in te zetten om de particuliere terreinbeheerders en boeren te helpen deze uitdaging op te nemen.
3.6 Rijkswaterstaat (en andere overheden)
Rijkswaterstaat, Prorail en gemeenten wordt verzocht om het nieuwe beverprotocol van waterschappen ook in haar gedragscode op te nemen om te kunnen ingrijpen in geval van graafschade.
3.7 Beverdeskundigen
Op verzoek van de provincie en waterschappen kan de beverbeheerder of een andere beverdeskundige uit haar netwerk worden ingezet om problemen op te lossen in afstemming met (particuliere) grondeigenaren, terreinbeheerders, waterschappen en provincie. Speciale aandacht gaat uit naar particuliere grondeigenaren die doorgaans geen beroep kunnen doen op het Faunafonds bij vraatschade. Dit geldt ook voor graafschade bij agrariërs en natschade in tertiaire watergangen. Hoewel vraatschade in principe de verantwoordelijkheid van de particulier is, kan in specifieke gevallen hulp geboden worden bij overlast (door advies, maatwerk, rasters, anti-vraatmiddel etc.). De beverdeskundigen kunnen tevens aandacht schenken aan voorlichting omtrent de bever. Daarnaast kunnen beverdeskundigen betrokken worden bij het oplossen van problemen met schade door samen met partners knopen door te hakken over de wijze van ingrijpen. In sommige situaties spelen beverdeskundigen deze rol in het kader van het beverprotocol, en dan is het prettig wanneer er een definitie van de term 'beverdeskundige' bestaat. Die definitie is daarom in een tekstvak aan het eind van het bever protocol gegeven.
De beverbeheerder is of wordt zelf een beverdeskundige. Zij/hij stimuleert en ondersteunt bij scholing van (toekomstige) beverdeskundigen. De overige taken van de beverbeheerder zijn samengevat in § 7.4 en tabel 7.2.
3.8 Overleg/ samenwerking
Jaarlijks wordt een beveroverleg ingepland onder de noemer ‘beveroverleg Groningen en Drenthe’. Daarin participeren naast de provincies Groningen en Drenthe en de beide waterschappen ook de beverbeheerder, de terreinbeherende organisaties, Rijkswaterstaat en LTO. De Bosgroep wordt uitgenodigd als belangenbehartiger van particuliere (landgoed)eigenaren. Als belangenbehartiger van dieren worden de dierenwelzijnsorganisaties gevraagd.
Bijlage 4 Aandachtspunten langs de beoogde verbindingszones
Tabel bijlage 4. Een overzicht van de aandachtspunten die met name voor de bever relevant kunnen zijn. De aandachtspunten zijn met een zwarte ster weergegeven in figuur 2.4 en moeten in het veld nader beoordeeld worden.
Provincie
code
Locatie
Naam
Omschrijving
Drenthe
G253
Munnikevaart
G266
Oostingslaan
G678
Schansweg
G741
Bakkeveenseweg
G423
Oranjekanaal Noordzijde
G639
Orvelterveld
G643
Orvelterstraat
P123
Suikerveen – Gijsselterweg
De N375 doorkruist natuurgebiedje het Suikerveen ter plaatse van de kruising met de Gijsselterweg/Barriere Wegen
P133
Ir Wic van Veelenweg - 1ste Dwarsdiep
De N378 kruist het 1ste Dwarsdiep via een duiker(brug) met stuw Eigendom provincie Drenthe en gemeente Gasselte/ waterschap Dollardzijlvest/Barriere Wegen/Stuw (in watervoerende duiker)/Steile taluds (1:1)
G731
Noordveenkanaal ZZ
G745
Noordveenkanaal NZ
G746
Vledderdiep
G603
Moersloot
G604
Foxel
G693
Van Echtenskanaal NZ
P103
Buinen - kanaal Buinen-Schoonoord
De N374 kruist het kanaal Buinen-Schoonoord via een lange watervoerende duiker (ca. 170m) Eigendom provincie Drenthe/ waterschap Hunze en Aa Barriere Wegen
G426
Westdorperstraat
G428
Rozendael
R776
RV de Hunze
G329
Kanaaldijk
G330
Marsdijk
R759
Ruimsloot
R761
RV Drentse Aa De Poll
R802
Groningen
24c
Reitdiep
V. Starkenborghkanaal / Dorkwerd
24d
Hoogkerk
N355 - Provinciale weg Gron – Zuidhorn
A
R
K
N
L
M
17b
Lauwerzijl
N388 – Stadsweg
17c
Visvliet
N355
17e
Lutjegast
V. Starkenborghkanaal / Visvlieterdiep
D
B
+I
+II
23a
Onstwedde
N365 – Kampweg
J
E
26c
Jipsinghuizen
N976
H
G
P
26b
Vlagtweddde
N976
4a
Witte Molen
Noord-Willemskanaal stuw/sluis
19a
Meerweg
N861 – Meerweg
3
10
S
IV
12e
Boerakker 2
N388 / Matsloot
18b
Pasop
N978 – Pasop
Bijlage 5 Beverprotocol Groningen en Drenthe
Inleiding
Aanleiding en doel
Met dit door provincie goedgekeurde beverprotocol, is op voorhand een vrijstelling van een aantal verboden uit de Wet natuurbescherming voor de periode van 5 jaar geregeld, mits conform dit protocol wordt gewerkt en dit protocol onderdeel uitmaakt van een door GS vastgestelde generieke ontheffing. In dit "Beverprotocol Groningen Drenthe" wordt beschreven hoe, waar en wanneer maatregelen om beverproblemen te voorkomen of te mitigeren mogen worden uitgevoerd.
De doelgroep voor dit protocol bestaat uit medewerkers werkzaam bij het beheer van de infrastructuur van het waterschap en partijen die namens en onder regie van het waterschap werkzaamheden verrichten.
Voor dit beverprotocol is de concepttekst van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) en Waterschap Vechtstromen overgenomen, die was geschreven op basis van een aantal bestaande notities (beverprotocollen van waterschappen Limburg, Zuiderzeeland en Rijn en IJssel; en de Soortenstandaard Bever van het RVO.nl).
Onderzoek, monitoring en rapportage
Het gebruik van de ontheffing (werken volgens dit Beverprotocol Groningen Drenthe) wordt gedocumenteerd en jaarlijks ter beschikking gesteld aan de provincies. Bij het uitvoeren van werkzaamheden aan een burcht/hol of beverdam worden de werkzaamheden geregistreerd en worden vooraf en aan het eind foto’s gemaakt. In de registratie wordt in ieder geval vermeldt: datum, tijd en plaats en wie de beslissingen heeft genomen waar het protocol van spreekt (teamhoofd, hydroloog en betrokken beverdeskundige). Bewoonde burchten worden minimaal jaarlijks geregistreerd.
Gebiedszonering
De beheergebieden van de waterschappen Hunze & Aa's en Noorderzijlvest (en een klein deel van WF in de prov. Groningen) zijn onderverdeeld in drie verschillende zones van beverbeheer (zie de Beverbeheerkaart, figuur 7.1 van het Beverbeheerplan). Per zone is een processchema gegeven. Indien relevant is onderscheid gemaakt in drie categorieën van schades die bevers kunnen veroorzaken en welke partij in welk geval verantwoordelijk is voor het oplossen van het probleem. Mocht zich een probleem voordoen dat niet conform protocol / stroomschema kan worden opgelost, dan kan hiervoor een separate ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming bij bevoegd gezag (provincie) worden aangevraagd. De provincies Groningen en Drenthe maken bij conflicterende belangen tussen de bever en andere (N2000) natuurdoelen de eindafweging.
Werkwijze/periode in de oranje en groene zones van beverbeheer
Gevoelige periode in de oranje en groene zones (van 1 mei tot en met 31 augustus): opzettelijk verstoren van vaste rust- of verblijfplaats mag alleen als hier directe noodzaak voor geldt vanwege openbare veiligheid. In deze periode kan het immers om een zogend vrouwtje gaan. Overige jaarperiode in de oranje en groene zones: opzettelijk verstoren van vaste rust- of verblijfplaats mag alleen als de primaire waterschaptaak in het geding is (zie afwegingskader).
Werkprotocollen
De handelwijze zelf wordt in dit "Beverprotocol Groningen Drenthe" gegeven, voor die gevallen die de waterschappen aangaan. Ze staan beschreven in de volgende paragraaf als werkprotocollen. In de werkprotocollen wordt aangegeven op welke wijze voorzorgsmaatregelen worden genomen en op welke wijze handelingen of activiteiten moeten worden uitgevoerd waarmee een negatief effect op bever, beverburcht of beverleefgebied zo veel mogelijk wordt voorkomen.
Het gaat hierbij om de volgende mogelijke situaties met conflicterende belangen:
1) hol of burcht in waterkering;
2) beverdam of afgeknaagde boom in watergang;
3) hol of burcht in oever watergang.
Uitzonderingen
Wanneer niet exact gewerkt kan worden volgens de handelwijze uit dit beverprotocol, wordt een ecologisch werkprotocol
16In het algemeen zullen dergelijke schriftelijke beoordelingen de volgende inhoud hebben: wie heeft de analyse gemaakt en wanneer, plaats en locatie van handelen, foto van de omstandigheden, wat is de reden om in te grijpen, welke alternatieven zijn gewogen en waarom zijn die afgevallen, of er acuut gevaar is, en wie er zijn geïnformeerd.
opgesteld door een (externe) beverdeskundige of een interne ecoloog. Een definitie daarvan is gegeven na het stroomschema bij dit protocol.
Bij terugkerende problemen op een locatie wordt een externe beverdeskundige óf een (interne) ecoloog ingeschakeld en wordt een plan gemaakt waarbij in kaart gebracht wordt of voldoende alternatieven aanwezig zijn voor de bever en hoe die alternatieven gerealiseerd of verbeterd kunnen worden. Het eventueel wegvangen van een bever valt onder de werking van dit beverprotocol in de rode en de oranje zone. Doding valt ook onder de reikwijdte van dit protocol, maar slechts als alle andere opties zijn uitgeput. Mocht doding aan de orde zijn, dan gaat het om specifieke individuen in specifieke goed omschreven situaties.
Werkprotocollen
1Werkprotocol 'Hol of Burcht in waterkering'
Afwegingskader
Graafactiviteiten van de bever in waterkeringen zijn om veiligheidsredenen niet acceptabel. De kering moet wettelijk en vanwege de openbare veiligheid altijd weer op sterkte gebracht worden. Zodra een dergelijke situatie zich voordoet, hoeft er daarom geen afweging plaats te vinden of de kering hersteld moet worden of niet. Ten behoeve van de veiligheid treffen we waar mogelijk en zo nodig structurele maatregelen om te voorkomen dat de bever een waterkering of oever langs de waterkering gebruikt als woonplaats. Er is dus een onderscheid in situaties die ofwel acuut optreden vereisen ofwel minder urgent zijn.
Handelen indien sprake is van een ACUUT VEILIGHEIDSRISICO:
Bevers worden verjaagd door voorzichtig het hol of burcht te ontmantelen (laag voor laag afgraven, vanaf de uitgang naar de kamer(s) te werken en eventueel aanwezige bevers de kans te geven weg te zwemmen). Daarna wordt het hol dichtgemaakt en wordt gecontroleerd op nieuwe graafschade. Het kan voor komen dat een bever zich gaat verdedigen. Het kan nodig zijn om gaas of iets dergelijks te verwerken in de waterkering om verdere graafschade te voorkómen. In situaties met zeer acute veiligheidsrisico’s en waarbij de factor tijd cruciaal is kan worden overgegaan tot het direct doden van een bever.
Handelen indien er GEEN ACUUT VEILIGHEIDSRISICO is:
Indien er geen acuut gevaar voor een dijkdoorbraak bestaat, is er tijd om zorgvuldig te werk te gaan en zal gebruik gemaakt worden van de ontmoedigingsmaatregel.
Als er sprake is van herhaalde graverij, met groot risico voor de veiligheid of onevenredige schade, kan worden overgegaan tot de maatregel vangen en verplaatsen of vangen en doden. Doden is alleen toegestaan als verplaatsen geen optie meer is. Door het ongeschikt maken van de locatie voor bevers kan voorkomen worden dat op de locatie zich opnieuw een bever zal vestigen
Maatregelen
‘Ontmoedigingsmaatregel’
Het hol meerdere malen dichtmaken met de bedoeling de bever op deze plek te ontmoedigen de plek nog langer te blijven gebruiken, dient op de volgende wijze uitgevoerd te worden:
•Het hol, inclusief gangenstelsel wordt in kaart gebracht door vanaf de waterkant de oever in te werken. Alle ingangen vanaf het water worden (desnoods vanuit het water) opgespoord.
•Elke ingang van het hol wordt voor 75% versperd met boomstammetjes of 5-10 cm dikke takken. De methode staat of valt wel met het goed in kaart brengen van alle ingangen. De grond wordt niet aangestampt of verdicht, er moet altijd lucht in het hol kunnen komen.
•Wanneer een hol voor 75% is dichtgezet wordt er dagelijks op graaf- of vraatactiviteiten gecontroleerd. Is de ingang naar het hol weer open gemaakt dan wordt het dichtzetten herhaald. Worden er geen graaf- of vraatactiviteiten meer gesignaleerd dan wordt de inspectie nog minimaal 3 dagen voortgezet.
•Pas als de dichtgezette ingang 3 dagen achtereen niet meer is open gemaakt kan er vanuit worden gegaan dat er geen bever meer in het hol aanwezig is. Het gehele hol en gangenstelsel wordt dan zorgvuldig blootgelegd. Indien blijkt dat er nog een bever aanwezig is dan krijgt deze de mogelijkheid om naar het water te vluchten, waarna het geheel wordt opgevuld met grond.
•Technische ontwikkelingen en innovatieve methoden kunnen ingezet worden om zo goed mogelijk in beeld te krijgen of nog bevers aanwezig zijn. Met deze methoden kan dan ervaring worden opgedaan.
•Mocht de bever blijven terugkomen dan kan er betongaas verwerkt worden in de oever. Vervolgens dient een plan gemaakt worden voor het inrichten van een alternatieve locatie voor een hol of burcht voor de bever.
Vangen en verplaatsen van bevers
Vangen gebeurt met vangkooien of schepnet zoals beschreven in het Eurasian Beaver Handbook (Campbell-Palmer et al. 2016). Een solitair dier wordt na wegvangen direct elders uitgezet in geschikt gebied. Bijplaatsing in bezet gebied is niet verantwoord. Bij families eerst alle dieren vangen en opvangen (er is dus een opvangkooi nodig!) en dan pas gezamenlijk uitzetten, liefst in een kunstburcht, zoals bij de herintroductie destijds. In de kunstburcht worden eerst houtsnippers aangebracht die uit het hok in de opvang komen, zodat hun geur er al aanwezig is.
Doden van bevers
Bevers doden gebeurt zo humaan mogelijk door een schot in het hoofd met het juiste type geweer in een ‘killing pen’ of door een ervaren schutter binnen gepaste afstand met het juiste type geweer en kogels. Een gedetailleerde werkinstructie van Waterschap Limburg voor het vangen en doden van bevers wordt voor de lokale situatie aangepast in het kader van de ontheffingsaanvraag. Hier staat een samenvatting daarvan. De gedetailleerde versie is te vinden in Faunabeheereenheid Limburg (2017). De uitvoering van bever doding binnen het bever beheer is voorbehouden aan medewerkers van de Waterschappen of de TBO’s. De werkzaamheden worden goed voorbereid en de uitvoerend medewerker heeft alle benodigde papieren in bezit. De dieren worden in het veld of in een kooi gedood volgens werkinstructies. Werkwijze en hulpmiddelen staan hierin omschreven. Gedode bevers worden ter beschikking gesteld voor onderzoek.
2Werkprotocol 'Beverdam of afgeknaagde boom in watergang'
Bevers bouwen dammen om de ingang van hun burcht of oeverhol permanent onder water te zetten, om een waterdiepte van ongeveer 100 cm voor de ingang te garanderen, of om het foerageergebied (oeverlengte) te vergroten (onderzoek in Limburg, 2013, mond. mededeling Vilmar Dijkstra). Vooral in de winterperiode knagen bevers bomen langs beekoevers om, waarbij de bast en twijgen als voedsel dient. Het bouwen van dammen en/of het omvallen van bomen in de watergangen kan al snel leiden tot wateroverlast op aangrenzende percelen.
Afwegingskader
1Het teamhoofd van de afdeling Waterbeheer bekijkt welke strategie gevolgd kan worden voor de eventuele aanpak van de beverdam of afgeknaagde boom. Strategieën:
a.Opstuwing is acceptabel
17Acceptabel verwijst naar de situatie waarin het Waterschap de resulterende waterstanden binnen de vastgestelde normen kan blijven houden.
→ geen maatregelen nemen.
b.Opstuwing is bespreekbaar → risico-inschatting maken (stap 2).
c.Opstuwing is niet acceptabel → maatregelen nemen.
2Onder verantwoordelijkheid van het teamhoofd wordt een risico-inschatting gemaakt voor verschillende afvoerregimes (in het groene gebied gebeurt dit schriftelijk door een hydroloog). Op basis hiervan bepaalt het teamhoofd of de dam/boom (gedeeltelijk) verwijderd moet worden. Hierbij hanteert hij de volgende uitgangspunten:
•Natschade aan bebouwing of aan infrastructurele weken is niet acceptabel.
•Verminderde werking van (riool-) overstorten is niet acceptabel.
•Verminderde drooglegging van aanliggende landbouwgronden mogen niet leiden tot opbrengstderving.
•Vernatting van naastliggende gronden met een natuurfunctie is meestal wel acceptabel (maar moet uiteraard ook besproken worden met terreineigenaar in kwestie).
3Er vindt overleg plaats met de betreffende grondeigenaar(en) over de ontstane situatie.
4Na verwijdering van de dam wordt de situatie, onder verantwoordelijkheid van het teamhoofd, regelmatig gecontroleerd. Wanneer een boom in de watergang kan blijven liggen, wordt ook deze situatie regelmatig gecontroleerd.
5waar van toepassing worden maatregelen genomen om herbouw te voorkomen zoals schrikdraad en jerrycans.
Maatregelen
Aanleggen drainagebuis door of langs de beverdam (optioneel)
Uitgangspunt bij het toepassen van een drainagebuis is dat het bovenstroomse water wordt afgelaten tot voldaan wordt aan het kritisch peil, zodat de dam kan worden gehandhaafd). Door gebruik te maken van een geperforeerde PVC-buis is het moeilijk(er) voor de bever het lek te vinden en te dichten. Op basis van ervaring elders blijkt dat:
•de buis op het diepste punt van de beek moet worden gelegd;
•de uitstroom van de buis onder water moet liggen;
•de instroom van de buis beschermd moet worden tegen verstopping;
•de capaciteit van de buis voldoende groot moet zijn.
•soms kan het handig blijken een buis rond de dam te leggen door de oever of een nieuwe dam met buis te maken en vervolgens de beverdam te verwijderen
Onderstaand een schets van deze maatregel:
Wanneer blijkt dat de bever de dam steeds weer opnieuw opbouwt, wordt door een beverdeskundige een ecologisch werkprotocol opgesteld en wordt lokaal in kaart gebracht welke alternatieven voor de bever ingericht kunnen worden, waarbij opstuwing door een beverdam kan worden beperkt. In het uiterste geval kan besloten worden om over te gaan tot het wegvangen van het dier. Binnen de oranje zone valt dit onder de reikwijdte van dit protocol. Binnen de groene zone is deze optie niet aan de orde.
Verwijderen van een afgeknaagde boom
Indien een afgeknaagde boom binnen 20 meter van een beverburcht ligt, wordt voorzichtig gewerkt, dat wil zeggen overdag en zodanig dat de burcht niet wordt beschadigd. Bij het verwijderen van een afgeknaagde boom uit de watergang wordt (wanneer dit geen problemen oplevert) de boom, inclusief de takken op het direct aangrenzende perceel of het onderhoudspad van het waterschap gelegd. Op deze manier kan de bever gebruik blijven maken van zijn voedsel (bast) en is de opstuwing verholpen. Wanneer de boom wordt afgevoerd dan is de kans groot dat de bever andere bomen zal omknagen. Een particuliere boom die door activiteiten van de bever op eigendom van het waterschap terecht gekomen is, wordt in principe door de eigenaar zelf verwijderd.
3Werkprotocol 'Hol of burcht in oever watergang'
Door het inzakken van de oever door een beverhol kan er schade ontstaan en kunnen gevaarlijke situaties ontstaan tijdens de uitvoering van de reguliere onderhoudswerkzaamheden aan de watergangen. Het is niet altijd noodzakelijk om in te grijpen.
Afwegingskader
1Er wordt bepaald of de graafwerkzaamheden directe overlast veroorzaken. Schade aan bebouwing en infrastructurele werken is niet acceptabel.
2Wanneer het mogelijk is om met onderhoudsmachines te blijven passeren, dan blijft het hol of de burcht gehandhaafd.
3Bij overlast wordt gekeken of deze kan worden opgelost door eenvoudige technische maatregelen of het afzetten hiervan met lint.
4Indien er geen praktische technische maatregelen mogelijk zijn, dan wordt de bever ‘ontmoedigd’ om het hol te gebruiken en wordt dit open gegraven en duurzaam afgedicht. Daarbij wordt wanneer nodig (al dan niet samen met een beverdeskundige) een alternatieve locatie voor een hol of burcht voor de bever ingericht.
5Onder verantwoordelijkheid van waterschap wordt de situatie na het dicht maken van het hol regelmatig gecontroleerd. Wanneer blijkt dat de bever het hol steeds weer opnieuw uitgraaft, wordt onder leiding van een beverdeskundige een alternatief ingericht voor de bever. In het uiterste geval kan worden overgegaan tot het wegvangen van het dier. Ook dit valt (zowel binnen de oranje als binnen de rode zone) onder de reikwijdte van dit protocol.
6Wanneer er schade bij derden wordt geconstateerd dan stelt de het waterschap de betreffende grondeigenaar op de hoogte.
Als er sprake is van herhaalde graverij, met groot risico voor de veiligheid of onevenredige schade, kan worden overgegaan tot de maatregel vangen en verplaatsen of vangen en doden. Doden is alleen toegestaan als verplaatsen geen optie meer is. Door het ongeschikt maken van de locatie voor bevers kan voorkomen worden dat op de locatie zich opnieuw een bever zal vestigen.
Maatregelen
‘Ontmoedigingsmaatregel’
Het hol meerdere malen dichtmaken met de bedoeling de bever op deze plek te ontmoedigen de plek nog langer te blijven gebruiken, dient op de volgende wijze uitgevoerd te worden:
•Het hol, inclusief gangenstelsel wordt in kaart gebracht door vanaf de waterkant de oever in te werken. Alle ingangen vanaf het water worden (desnoods vanuit het water) opgespoord.
•Elke ingang van het hol wordt voor 75% versperd met boomstammetjes of 5-10 cm dikke takken. De methode staat of valt wel met het goed in kaart brengen van alle ingangen. De grond wordt niet aangestampt of verdicht, er moet altijd lucht in het hol kunnen komen.
•Wanneer een hol voor 75% is dichtgezet wordt er dagelijks op graaf- of vraatactiviteiten gecontroleerd. Is de ingang naar het hol weer open gemaakt dan wordt het dichtzetten herhaald. Worden er geen graaf- of vraatactiviteiten meer gesignaleerd dan wordt de inspectie nog minimaal 3 dagen voortgezet.
•Pas als de dichtgezette ingang 3 dagen achtereen niet meer is open gemaakt kan er vanuit worden gegaan dat er geen bever meer in het hol aanwezig is. Het gehele hol en gangenstelsel wordt dan zorgvuldig blootgelegd. Indien blijkt dat er nog een bever aanwezig is dan krijgt deze de mogelijkheid om naar het water te vluchten, waarna het geheel wordt opgevuld met grond.
•Technische ontwikkelingen en innovatieve methoden kunnen ingezet worden om zo goed mogelijk in beeld te krijgen of nog bevers aanwezig zijn. Met deze methoden kan dan ervaring worden opgedaan.
•Mocht de bever blijven terugkomen dan kan er betongaas verwerkt worden in de oever. Vervolgens dient een plan gemaakt worden voor het inrichten van een alternatieve locatie voor een hol of burcht voor de bever.
Vangen en verplaatsen van bevers
Vangen gebeurt met vangkooien of schepnet zoals beschreven in het Eurasian Beaver Handbook (Campbell-Palmer et al. 2016). Een solitair dier wordt na wegvangen direct elders uitgezet in geschikt gebied. Bijplaatsing in bezet gebied is niet verantwoord. Bij families eerst alle dieren vangen en opvangen (er is dus een opvangkooi nodig!) en dan pas gezamenlijk uitzetten, liefst in een kunstburcht, zoals bij de herintroductie destijds. In de kunstburcht worden eerst houtsnippers aangebracht die uit het hok in de opvang komen, zodat hun geur er al aanwezig is.
Doden van bevers
Bevers doden gebeurt zo humaan mogelijk door een schot in het hoofd met het juiste type geweer in een ‘killing pen’ of door een ervaren schutter binnen gepaste afstand met het juiste type geweer en kogels. Een gedetailleerde werkinstructie van Waterschap Limburg voor het vangen en doden van bevers wordt voor de lokale situatie aangepast in het kader van de ontheffingsaanvraag. Hier staat een samenvatting daarvan. De gedetailleerde versie is te vinden in Faunabeheereenheid Limburg (2017). De uitvoering van bever doding binnen het bever beheer is voorbehouden aan medewerkers van de Waterschappen of de TBO’s. De werkzaamheden worden goed voorbereid en de uitvoerend medewerker heeft alle benodigde papieren in bezit. De dieren worden in het veld of in een kooi gedood volgens werkinstructies. Werkwijze en hulpmiddelen staan hierin omschreven. Gedode bevers worden ter beschikking gesteld voor onderzoek.
Voorkeurmaatregelen om schade of overlast van bevers te voorkómen
•In waterbergingsgebieden hoogwatervluchtplekken aanleggen (met opslag van houtige vegetaties).
•Lokaal bij keringen opslag van houtige vegetaties weghalen om vestiging van bevers te voorkomen.
•Bij het aanpassen van keringen nagaan of anti-graafmaatregelen moeten of kunnen worden genomen op de betreffende locatie.
•Bij snoei,- of kapwerkzaamheden in bevergebied voldoende voedsel achterlaten (bomen en takken). Geen bomen en struiken weghalen zonder ecologisch werkprotocol. Bomen vormen voedsel en leefgebied voor de bever. Een beverdeskundige inschakelen als adviseur bij bomenkap.
•Alternatieve locaties bieden met voor de bever geschikte condities om te voorkómen dat bevers zich vestigen op een (voor de mens) ongunstige locatie.
Signalerende en/of adviserende rol waterschap
De bever kan door zijn activiteiten ook schade veroorzaken waarbij de waterbeheerder geen verantwoordelijkheid heeft. Mocht het nodig zijn, dan zal het Waterschap in deze gevallen uitsluitend signalerend en/of adviserend optreden.
Vraatschade aan gewassen
Bij vraatschade aan gewassen door beschermde soorten kunnen agrariërs aanspraak maken op een vergoeding uit het Faunafonds (provincie). Vanwege de beschermde status van de bever wordt geen schadedrempel gehanteerd en kan dus alle schade worden geclaimd. Het waterschap kan de getroffen agrariërs informeren over de mogelijkheden van het Faunafonds.
Vraatschade aan bomen van particulieren
Voor vraatschade aan (monumentale) bomen in tuinen of parken is geen schadevergoeding mogelijk uit het Faunafonds. Ter preventie of als een boom aangeknaagd wordt, kan de eigenaar er een stevig gaas omheen zetten om de boom te beschermen. Ook zijn er geurmiddelen in de handel die aangebracht kunnen worden zodat de boom niet verder wordt aangevreten. Het waterschap kan hierin adviserend optreden.
Hol onder een infrastructureel werk, bebouwing of perceel
Schade aan een infrastructureel werk of bebouwing is niet acceptabel. Wanneer het hol onder een landbouw- of particulierperceel is gegraven, kan het hol eventueel behouden worden. In al deze gevallen zal het waterschap signalerend en/of adviserend naar de eigenaar optreden.
Een ter zake kundige 'beverdeskundige'
Met een ter zake kundige wordt bedoeld: een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waar-van hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
•op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie en/of;
•op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Flora- en faunawet of Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of;
•als ecoloog werkzaam is voor een provincie, waterschap of een ecologisch adviesbureau, zoals bij voorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en/of;
•zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam is voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, VOFF, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied) en/of;
•zich aantoonbaar actief inzet bij het beverbeheer in Groningen en Drenthe, Bijvoorbeeld bij de uitzetting van de bever alsmede bij het beheer in Drenthe en Groningen vanaf uitzetting tot heden en/of;
•aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Indien een of meer kenmerken van toepassing zijn, kan ook een waterschapsmedewerker als ‘ter zake kundige’ optreden.
Stroomschema Beverprotocol Groningen-Drenthe