Provinciale wetgeving

Beleidsregels externe veiligheid Oostpolder, Groningen

Provincie Groningen · geldt sinds 16 oktober 2025

Aanhef

GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE GRONINGEN

ARTIKEL I

Op 8 juli 2025 hebben gedeputeerde staten van de provincie Groningen de volgende beleidsregel vastgesteld:

2. Beleidsregels: voldoende beschermingsniveau

2.1 Bedrijfsveiligheidsplan

2.1.1 BHV en gewenst handelingsperspectief

Door het treffen van organisatorische maatregelen wordt bevorderd dat bij een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen de aanwezige personen het gewenste handelingsperspectief ten uitvoer brengen. De toepassing van organisatorische maatregelen is goed mogelijk indien de BHV (bedrijfshulpverlening)

1Elk bedrijf is verplicht om maatregelen te treffen op het gebied van interne bedrijfshulpverlening

:

•veiligheidsinstructies samenvoegt met de andere veiligheidstaken (veiligheid binnen het gebouw);

•regelmatig oefent;

•waar nodig de faciliteiten en getroffen maatregelen in stand houdt.

De Arbo-wetgeving verplicht tot het hebben van een BHV voor bedrijven met 1 of meerdere werknemers. De onderstaande beleidsregels zijn gericht op het samenspel tussen interne en externe veiligheid.

1De instructies van de BHV-organisatie moeten, naast de algemene verplichtingen, uitgebreid zijn met instructies omtrent de volgende scenario’s:

a.brand buiten het gebouw (op een afstand van 0 tot 50 meter);

b.explosie (Bleve) buiten het gebouw (op een afstand van 0 tot 300 meter);

c.gifwolk.

2De instructies moet ingaan op:

a.de organisatie, taakverdeling en onderlinge communicatie van de BHV bij de onderscheiden type scenario’s;

b.de wijze van communicatie met hulpdiensten;

c.de criteria wanneer te vluchten dan wel te schuilen bij een (dreigende) calamiteit;

d.de wijze waarop aanwezigen in het gebouw geïnformeerd worden over de van hun gewenste handelswijze;

e.de vluchtroutes die bij een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen beschikbaar zijn;

f.de locaties van verzamelplaatsen buiten het gebouw die geschikt zijn om te verzamelen na een calamiteit met gevaarlijke stoffen;

g.de wijze waarop (en door wie) de mechanische ventilatie bij een brand- en gifwolkscenario wordt afgezet, ramen en deuren worden gesloten en de luchtcirculatie binnen het gebouw wordt geoptimaliseerd

2Door het afschakelen van de mechanische ventilatie wordt voorkomen dat giftige stoffen geforceerd en in grote hoeveelheid een gebouw worden ingezogen.

;

h.welke gebouwen/ruimten geschikt zijn om te schuilen bij een (dreigend) incident en bij welk scenario;

i.het beleid bij buitendeuren om bij een calamiteit personen naar binnen of buiten te laten gaan

3Bij het openen van deuren kunnen gevaarlijke stoffen het gebouw versneld binnendringen.

;

j.de wijze van samenwerking met BHV-organisaties van naastliggende panden ten tijde van een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen;

k.het moment van activeren van de mechanische ventilatie na de calamiteit met gevaarlijke stoffen en – indien de personen uit een gebouw geëvacueerd zijn – het moment van betreden en herstart van het gebruik van het gebouw door het personeel.

3Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften opnemen waarin bepaald dat:

a.de instructies binnen drie maanden na ingebruikname van het gebouw, ter goedkeuring aan het bevoegd gezag moeten worden overgelegd. Eventuele op- en aanmerkingen door het bevoegd gezag moeten binnen een maand zijn verwerkt, waarna de instructies geïmplementeerd moeten zijn. Wanneer niet aan de vergunningvoorschriften wordt voldaan is dat een reden tot handhaving.

Burgemeester en wethouders kunnen de Veiligheidsregio om advies vragen ten aanzien van de beoordeling van de instructies;

b.een BHV-organisatie aantoonbaar over communicatiemiddelen moet beschikken, waarmee bij een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen direct gecommuniceerd kan worden met de BHV-organisatie van het naastliggende bedrijf.

2.1.2 Veilig schuilen en vluchten

1De mechanische ventilatie in een gebouw moet handmatig kunnen worden afgeschakeld.

2Wegen, paden en andere vluchtroutes op bedrijfspercelen, moeten zoveel mogelijk in een gesloten gridstructuur zijn uitgevoerd.

3Doodlopende wegen hebben geen grotere lengte dan 200 meter.

4Een bedrijfsperceel wordt op tenminste twee plaatsen aangesloten op buiten het bedrijfsperceel gelegen openbare gebied met dien verstande dat de ontsluitingen op verschillende windrichtingen georiënteerd zijn.

5Aangetoond wordt dat personen en apparatuur in controlekamers, van waaruit processen met gevaarlijke stoffen worden aangestuurd, afdoende beschermd zijn tegen de impact van een incident met gevaarlijke stoffen.

2.2 De berekeningsmethodiek van de plaatsgebonden risicocontour

2.2.1 Berekening 10-6 contour bij Bevi-bedrijven

1De berekening van het plaatsgebonden 10-6 risicocontour van een Bevi-bedrijf moet plaatsvinden met het wettelijk aangewezen rekenprogramma en de versie hiervan, die vigerend is ten tijde van de vergunningaanvraag.

2De 10-6 contour betreft de wettelijk voor het Bevi-bedrijf aangegeven vaste afstand dan wel de berekende 10-6 contour van die activiteit op basis van lid 1.

3De toetsing aan de cumulatieve PR 10-6-contour moet plaatsvinden met het wettelijk aangewezen rekenprogramma en de versie hiervan, die vigerend is ten tijde van de vergunningaanvraag.

4De berekening of wordt voldaan aan de cumulatieve PR 10 6 contour vindt plaats op basis van de laatste vergunningsaanvraag in combinatie met alle eerder vergunde (risicovolle) inrichtingen in het plangebied. Als een latere versie van het rekenprogramma – bij eenzelfde input van de berekening - een grotere cumulatieve contour berekent die niet meer past binnen de artikel 14 Bevi contour, dan geldt er een eerbiedigende werking. De reeds verleende vergunningen blijven in stand en de grotere cumulatieve contour vervangt de bij het PIP vastgestelde contour vanwege die eerbiedigende werking.

5Het aangewezen rekenprogramma voor windturbines is het Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid Module IV, 2020 of een nieuwere gewijzigde versie hiervan.

6Indien de Regeling externe veiligheid inrichtingen een vaste afstand geeft voor de 10-6-contour, dan beoordeelt het bevoegd gezag of de individuele 10-6-contour een relevante bijdrage aan de artikel 14-Bevi-contour.

7Als de individuele contour, zoals genoemd onder lid 6, een relevante bijdrage kan leveren, moet de 10-6-contour alsnog berekend worden om de cumulatieve toetsing mogelijk te maken.

8Indien voor een risicovolle activiteit geen rekenmethode beschikbaar is, zoals thans bij de lithium houdende producten, dan vindt beoordeling van het risico, na consultatie van de Veiligheidsregio en het RIVM, plaats op basis van professioneel inzicht. Het bevoegd gezag kan – ten behoeve van de inhoudelijke beeldvorming en besluitvorming - hierbij een beroep doen op externe deskundigen. De kosten van ondersteuning door externe deskundigen worden in rekening gebracht bij de aanvrager van de vergunning.

9Windturbines worden niet betrokken bij de beoordeling van het cumulatieve risico op de artikel 14 Bevi-contour.

10De rapportage moet samen met de met de PSU-files van de berekening, verstrekt worden aan het bevoegd gezag.

2.2.2 Berekening 10-5 contour bij Bevi-bedrijven

A. Berekening of de 10-5-contour de inrichtingsgrens overschrijdt:

1De berekening van de PR 10-5-contour van een Bevi-bedrijf moet plaatsvinden met het wettelijk aangewezen rekenprogramma en de versie hiervan, die vigerend is ten tijde van de vergunningaanvraag.

2De contour van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen tussen aansluitende bedrijfspercelen wordt niet betrokken bij de beoordeling van de grensoverschrijding van de 10-5-contour van een Bevi-bedrijf.

3De 10-5-contour van een bedrijf bevat het risico van het bedrijf vermeerderd met – bij de ligging in een signaleringsgebied - het toegevoegde risico van de windturbine.

4Indien de Regeling externe veiligheid inrichtingen een vaste afstand geeft voor de 10-6-contour, dan mag eerst op basis van een professionele inschatting beoordeeld worden of deze activiteit een 10-5-contour heeft die inrichtingsgrens overschrijdend kan zijn. Als ingeschat wordt dat er sprake is van een relevante contour, moet deze berekend worden.

5De ruimtelijke rechten die op basis van de vergunningverlening verkregen zijn, zijn verkregen op basis van de verleende verguningen. Als een latere versie van het rekenprogramma – bij eenzelfde input van de berekening - een grotere contour berekent, dan treedt die grotere contour in de plaats van de eerdere contour. Als deze contour door de wijziging in het rekenprogramma komt te vallen over de zone waarbinnen risicovolle objecten zijn uitgesloten is sprake van een eerbiedigende werking en blijft de vergunning van het bedrijf in stand en treedt die grotere contour van rechtswege in werking.

6Indien voor een risicovolle activiteit nog geen rekenmethode beschikbaar is, zoals thans bij de lithium houdende producten, dan vindt beoordeling van het risico, na consultatie van de Veiligheidsregio en het RIVM, plaats op basis van professioneel inzicht. Het bevoegd gezag kan – ten behoeve van de inhoudelijke beeldvorming en besluitvorming - hierbij een beroep doen op externe deskundigen. De kosten van ondersteuning door externe deskundigen worden in rekening gebracht bij de aanvrager van de vergunning.

7De rapportage moet samen met de met de PSU-files van de berekening, verstrekt worden aan het bevoegd gezag.

B. Berekening van de omvang van de 10-5-contour binnen de inrichtingsgrens

1De berekening wordt uitgevoerd conform de methode voor het overschrijden van de inrichtingsgrens, zoals beschreven onder A.

2Aanvullend moet bij de berekening van de 10-5-contour, ten behoeve van de bepaling van de omvang van die contour binnen de inrichtingsgrens, de relevante bedrijfsinterne risico’s worden beschouwd op basis van een Building Risk Assessment. Omdat hier sprake is van een berekening van het interne risico, is paragraaf 2.1.2. van het Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid Module 1 op dit punt niet van toepassing.

2.2.3 Berekening van het plaatsgebonden risico van niet Bevi-bedrijven, exclusief windturbines

Het plaatsgebonden risico van niet Bevi-bedrijven wordt niet betrokken bij de toetsing aan de artikel 14-Bevi-contour.

1Ten aanzien van vaste veiligheidsafstanden in het Activiteitenbesluit, bepaalt het bevoegd gezag op basis van de aan de veiligheidscontour ten grondslag liggende uitgangspunten, wat de omvang van de 10-6-contour is van een niet Bevi-bedrijf.

Het bedrijf hoeft de informatie hoe voldaan wordt aan de uitgangspunten niet aan te leveren. Om toch te kunnen beoordelen, is de taak bij het bevoegd gezag gelegd. Overigens bij kleine contouren zal de conclusie meteen helder zijn, bij grotere contouren zal veelal sprake zijn van een (milieu)vergunningplichtige inrichting.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.