Provinciale wetgeving

Natuurbeheerplan 2026

Provincie Gelderland · geldt sinds 10 februari 2026

Aanhef

Gedeputeerde Staten van Gelderland

Gelet op artikel 1.3 van de Subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016;

Besluiten

Artikel I

Vast te stellen het Natuurbeheerplan 2026 met bijbehorende kaarten:

-de Beheerkaart;

-de Subsidiekaart;

-de Ambitiekaart;

-de Investeringskaart;

-de kaart Toeslag schaapskudde;

-de Leefgebiedenkaart agrarisch natuur- en landschapsbeheer;

-de kaart Categorie Klimaat; en

-de kaart Categorie Water.

Artikel II

Het Natuurbeheerplan 2026 met bijbehorende kaarten van toepassing te verklaren op het beheerjaar 2026.

Artikel III

Vast te stellen de Reactienota Natuurbeheerplan 2026.

Artikel IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst.

Toelichting

Gedeputeerde Staten hebben het Natuurbeheerplan 2026 provincie Gelderland vastgesteld. Dit plan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. Het plan dat jaarlijks wordt vastgesteld, vormt de basis voor het subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL).

In het coalitieakkoord ‘Gewoon doen’ is gekozen voor een praktische en doelgerichte aanpak van natuurbeheer. De focus ligt op het versterken van de natuur die we al hebben, met de ambitie om huidig beheer te versterken en versnellen, waarbij er bijzondere aandacht is voor de agrarische natuur. Goed beheer vormt daarbij de basis: het is essentieel voor het behoud en herstel van biodiversiteit, voor klimaatadaptatie en voor het vinden van een gezonde balans tussen natuur en recreatie.

Dit Natuurbeheerplan sluit aan bij deze doelgerichte aanpak. Het biedt ruimte voor maatwerk en stimuleert samenwerking tussen terreinbeheerders, (agrarische)collectieven, en andere betrokkenen. Zo bouwen we samen aan een duurzame en veerkrachtige natuur in Gelderland.

Met de uitvoering van het Natuurbeheerplan 2026 worden de laatste, reeds geprogrammeerd hectares natuur binnen het Natuurpact, gerealiseerd. Hiermee ronden we de afspraken van het Natuurpact (2013) af.

Artikel I

Het Natuurbeheerplan 2026 is geactualiseerd en toegespitst op de situatie in provincie Gelderland. De kaarten, die bij dit natuurbeheerplan horen, zijn leidend voor de uitvoering van het natuurbeheer. Ze geven aan waar welk type beheer mogelijk is en vormen de basis voor subsidietoekenning en monitoring. De kaarten zijn geactualiseerd om aan te sluiten bij de actuele situatie in het veld.

Artikel II

Het natuurbeheerplan 2026 ziet op het komende beheerjaar 2026. In de openstellingsbesluiten staan de specifieke voorwaarden voor het indienen van een subsidieaanvraag door natuurbeheerders en agrarische collectieven.

Artikel III

Naar aanleiding van de zienswijzen op het ontwerp zijn de tekst en kaarten op onderdelen gewijzigd ten opzichte van het ter inzage gelegde ontwerp. De wijzigingen betreffen voornamelijk technische wijzigingen en mutaties van de kaarten.

Natuurbeheerplan 2026

Voorwoord

Voor u ligt het Natuurbeheerplan 2026 van provincie Gelderland. Dit plan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. Dit plan vormt de basis voor het subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL).

Natuurbeheer in het licht van het Coalitieakkoord ‘Gewoon doen’

Met het coalitieakkoord ‘Gewoon doen’ kiest provincie Gelderland voor een praktische en doelgerichte aanpak van natuurbeheer. De focus ligt op het versterken van de natuur die we al hebben, met de ambitie om huidig beheer te versterken en versnellen, waarbij er bijzondere aandacht is voor agrarische natuur. Goed beheer vormt daarbij de basis: het is essentieel voor het behoud en herstel van biodiversiteit, voor klimaatadaptatie en voor het vinden van een gezonde balans tussen natuur en recreatie.

Dit Natuurbeheerplan (NBP) sluit aan bij deze koers. Het biedt ruimte voor maatwerk en stimuleert samenwerking tussen terreinbeheerders, (agrarische)collectieven, en andere betrokkenen. Zo bouwen we samen aan een duurzame en veerkrachtige natuur in Gelderland.

Opbouw van het document

De 5 hoofdstukken van dit document zijn opgesteld door BIJ12 en worden door alle provincies in Nederland gebruikt. Dit algemene deel bevat de landelijke kaders, definities en systematiek van het natuurbeheer. De bijlagen van het document zijn een specifieke toespitsing op de situatie in Gelderland. Hierin zijn de provinciale keuzes, kaarten en beleidsaccenten opgenomen die van toepassing zijn op het beheer in Gelderland.

2026: afronding van het Natuurpact

In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) over de te ontwikkelen van natuur in Gelderland. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Natuurpact. In 2026 worden de laatste, reeds geprogrammeerde hectares natuur binnen het Natuurpact gerealiseerd.

Kaartlagen als leidraad

De kaartlagen die bij dit NBP horen, zijn leidend voor de uitvoering van het natuurbeheer. Ze geven aan waar welk type beheer mogelijk is en vormen de basis voor subsidietoekenning en monitoring. Deze kaarten zijn zorgvuldig samengesteld en worden jaarlijks geactualiseerd om aan te sluiten bij de actuele situatie in het veld.

Wij danken alle betrokkenen voor hun inzet en samenwerking bij de totstandkoming van dit plan. Samen werken we aan een veerkrachtige en waardevolle natuur in Gelderland.er 2024 – 012661

3. Subsidiestelsel Natuur en Landschap

3.2 Natuurbeheerplanen bijbehorende kaarten

3.2.1 Beheertypenkaart - Beheersubsidie natuur en landschap op grond van de SVNL

De beheertypenkaart geeft alle bestaande en beheerwaardige (agrarische) natuur en landschap weer met de benamingen volgens de landelijk uniforme systematiek van de Index Natuur en Landschap. Met de beheertypenkaart stimuleert de provincie de instandhouding van de op die kaart aangegeven en begrensde beheertypen. Deze kaart vormt ook de basis voor het verlenen van beheersubsidies op grond van de SVNL.

Voor natuurbeheer staat op de beheertypenkaart aangegeven welke gebieden voor subsidie in aanmerking komen (zie kaartbijlage(n) 1). Op de beheertypenkaart wordt alle bestaande natuur weergegeven. Per natuurterrein en/of perceel is één beheertype toegekend en een beheerder komt alleen voor financiering van het aangewezen beheertype in aanmerking. Indien er nog geen bestaand beheertype aanwezig is, wordt het op de ambitiekaart als type N00.01 aangegeven. Dit betekent dat hier ontwikkeling tot een gewenst beheertype uit de ambitiekaart nodig is. Deze gronden komen niet direct, maar pas na inrichting of functieverandering voor beheersubsidie in aanmerking. Voor het bepalen van het dan gewenste beheertype moet vaak nog aanvullend onderzoek gedaan worden.

Op bestaande natuur kan ook subsidie voor landschapsbeheer worden verstrekt. Op de beheertypenkaart is aangegeven voor welke landschapselementen subsidies landschapsbeheer kunnen worden verstrekt. Individuele landschapselementen die in natuurbeheergebied liggen en door de provincie als zodanig worden erkend, zijn op de beheertypenkaart aangegeven.

Niet alle beschreven natuur komt voor subsidie in aanmerking. Zo wordt bestaande natuur buiten het GNN bijvoorbeeld, op enkele uitzonderingen na, uitgesloten. Ook bos en natuur die is aangelegd als compensatie voor ruimtelijke ontwikkelingen die ten koste gaan van de natuur, komt niet voor subsidie in aanmerking. Als de compensatie is aangelegd op grond van een wettelijke of contractuele verplichting komt deze in principe niet voor subsidie in aanmerking. Bijvoorbeeld de aanleg van natuur in het kader van de realisatie van een nieuw landgoed of ontgronding.

Compensatie die samenhangt met de uitvoering van projecten van maatschappelijk belang kunnen wel voor subsidie in aanmerking komen. De voorwaarden voor compensatie van het Gelders Natuurnetwerk vloeien voort uit de Omgevingsverordening Gelderland.

3.2.2 Ambitiekaart en investeringskaart

De ambitiekaart in dit Natuurbeheerplan geeft de begrenzing aan van gronden waar provincie Gelderland functieverandering van landbouw naar natuur zou willen realiseren. Daarmee vormt de ambitiekaart niet alleen een richtinggevend kader voor de verdere invulling van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), maar ook voor natuurontwikkeling door andere partijen, zoals bij compensatieverplichtingen of vrijwillige initiatieven.

Er wordt in de ambitiekaart onderscheidt gemaakt tussen 2 typen percelen: nog niet ingerichte landbouwgronden of voormalige landbouwgronden aangeduid als N00.01, en nog niet ingerichte natuurgronden aangeduid als N00.02, waar het beoogde natuurbeheertype of de indicatieve verhouding natuurbeheertypen nog niet is gerealiseerd.

De ambitiekaart is uitsluitend bedoeld voor de functieverandering van landbouw naar natuur en is niet van toepassing op agrarische gronden die ingericht worden voor agrarisch natuurbeheer. Voor landschappelijke inrichting kunnen gemeenten, landgoederen en agrarische collectieven gebruikmaken van de provinciale subsidieregeling Biodiversiteit en landschap.

Omdat er onvoldoende financiering beschikbaar is om functieverandering op alle percelen van de ambitiekaart te realiseren, is de investeringskaart opgesteld. Deze kaart bepaalt of een perceel daadwerkelijk in aanmerking komt voor subsidie. Op basis van een analyse van alle bij de provincie bekende concrete initiatieven zijn alleen deze percelen op de investeringskaart als subsidiabel aangemerkt. Alle overige N00.01-percelen op de ambitiekaart zijn op de investeringskaart als niet-subsidiabel aangeduid en komen dus niet meer in aanmerking voor subsidie. Het is binnen de huidige afspraken niet meer mogelijk om nieuwe percelen toe te voegen aan de investeringskaart.

De ambitiekaart is ruimer ingezet dan de afspraken die gemaakt zijn in het Natuurpact, zodat het mogelijk is om aan de gemaakte afspraken te voldoen. De investeringskaart is opgesteld om binnen de ambitiekaart gronden aan te wijzen waar de ontwikkeling ook daadwerkelijk gerealiseerd kan worden.

Samenwerkingsovereenkomsten met de waterschappen

Provincie Gelderland heeft met de waterschappen samenwerkingsovereenkomsten afgesloten voor realisatie van natuurdoelen. Deze natuurdoelen liggen veelal langs beken en waterlopen. Deze afspraken zijn nog niet geheel ingevuld. De waterschappen hebben nog de mogelijkheid om natuur te ontwikkelen binnen de in de samenwerkingsovereenkomst overeengekomen oppervlaktes. Deze kunnen gelegen zijn zowel binnen de op de ambitiekaart gestelde percelen te ontwikkelen natuur maar ook daarbuiten, mits eigenaren hiermee instemmen en vergelijkbare of betere kwaliteit gerealiseerd kan worden.

3.2.3 Ambitiekaart - Subsidie Functieverandering en inrichting voor de realisatie van het GNN op grond van de Regels Subsidieverlening Gelderland (RSG)

Landbouwgronden die op de ambitiekaart beheertype N00.01 hebben én op de investeringskaart op subsidiabel staan, kunnen definitief worden omgezet in natuur, waarbij de waardevermindering van de grond wordt vergoed. De huidige geprogrammeerde hectares op de investeringskaart putten de in te richten ruimte binnen het SNL uit, dus het is niet meer mogelijk om landbouwgrond aan te melden voor de subside Functieverandering en inrichting. Het te realiseren natuurbeheertype is vermeld op de ambitiekaart, als ‘indicatieve verhouding beheertypen’. Soms is de ‘indicatieve verhouding beheertypen’ niet ingevuld. Dat betekent dat op die locatie eerst onderzoek plaats moet vinden om de maximaal haalbare ecologische potentie vast te stellen en het te realiseren N-type te bepalen. De provincie streeft daarbij naar realisatie van hoogwaardige natuur, waarbij bij bosaanleg natuurbos prevaleert. Ook particulieren komen voor deze vergoeding in de vorm van subsidie functieverandering in aanmerking. De particulieren zijn en blijven in dat geval eigenaar van de gronden. Voor deze functieverandering bestaat sinds 2005 een fiscale vrijstelling. Een aanvraag voor functieverandering dient vergezeld te gaan van een inrichtingsplan waarin de te nemen inrichtingsmaatregelen uitgewerkt en onderbouwd worden. Particulier natuurbeheer is van belang voor de realisatie van het GNN.

Daarnaast zijn er op de ambitiekaart gronden aangeduid met het beheertype N00.02. Dit betreft al tot natuur omgevormde landbouwgrond waarvan de inrichting nog in uitvoering is of voormalige landbouwgronden, die in het verleden verworven of afgewaardeerd zijn voor de natuuropgaven. Deze gronden worden al wel als natuur beheerd maar de inrichting om te komen tot het gewenste natuurambitietype heeft nog niet plaatsgevonden. Op deze gronden wil de provincie nog investeren in de natuurinrichting om daarmee de gewenste hogere natuurdoelen te behalen.

Na het toekennen van de subsidie functieverandering (vanuit RSG) en het uitvoeren van de inrichtingsmaatregelen zal na de vaststelling de beheertypenkaart worden aangepast, zodat er voor het gerealiseerde beheertype beheersubsidie kan worden verkregen op basis van de SNL. Dit wordt gerealiseerd bij de eerstvolgende wijziging van het Natuurbeheerplan.

Voor de specifieke voorwaarden met betrekking tot de verlening van een investeringssubsidie wordt verwezen naar de subsidiepagina van provincie Gelderland.

SKNL is voor het agrarisch natuurbeheer niet van toepassing op het nemen van inrichtingsmaatregelen op landbouwgrond om de kwaliteit van een aanwezig

agrarisch beheertype te verhogen. Investeringen ten behoeve van het ANLb zijn nader uitgewerkt in het GLB-NSP.

Voor de specifieke voorwaarden met betrekking tot de verlening van een investeringssubsidie wordt verwezen naarwww.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap.

3.2.4 Beheertypenkaart – ANLb, traditioneel gehoede schaapskudde, water en klimaat

Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) onderscheiden de provincies de volgende drie leefgebieden: open grasland, open akkerland en dooradering. Deze drie leefgebieden zijn de drie agrarische natuurtypen van de Index Natuur en Landschap. Daarnaast wordt gewerkt met een categorie water en een categorie klimaat.

In het Natuurbeheerplan worden deze drie agrarische natuurtypen en de categorieën water en klimaat als zoekgebieden op de beheertypenkaart aangeduid. Alleen binnen de begrenzing van de zoekgebieden is subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer mogelijk.

Voor de drie agrarische natuurtypen worden voor de mix aan beheertypen subsidiecriteria meegegeven. Deze criteria beschrijven de instapeisen voor een ecologisch effectieve subsidieaanvraag. Het gaat om uniforme instapeisen, met de mogelijkheid van provincies om daar gemotiveerd van af te wijken.

Bij de begrenzing van de zoekgebieden in het Natuurbeheerplan en de keuze op welke soorten wordt ingezet, houdt de provincie rekening met de naastgelegen provincies. Dit om een goed afgestemd soortenbeleid over de provincies te garanderen.

Er wordt naar gestreefd om het agrarisch natuur- en landschapsbeheer in te zetten in de meest kansrijke gebieden voor stabiele populaties. Hierbij is de versterking van en/of verbinding voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) een belangrijk uitgangspunt. Tevens is het gericht op kansrijkheid voor soorten die (deels) afhankelijk zijn van het agrarische cultuurlandschap.

Op de Leefgebiedenkaart worden de doelstellingen voor specifieke soorten of soortengroepen binnen de agrarische beheertypen niet aangeduid. Welke specifieke doelstellingen de provincie heeft voor soorten of soortengroepen wordt beschreven in hoofdstuk 4.

Voor het zoekgebied water is in hoofdstuk 4 aangegeven op welke blauwe diensten ingezet kan worden en welke criteria daarvoor gelden. Dit geldt ook voor het zoekgebied klimaat.

Voor agrarisch natuurbeheer staat op de beheertypenkaart aangegeven welke leefgebieden, categorieën voor subsidie in aanmerking komen (zie kaartbijlage(n).

Kaart Bijdrage “traditioneel gehoede schaapskudde”

Deze kaart geeft het areaal weer waarbinnen deze bijdrage kan worden aangevraagd.

In overleg met natuurbeheerders en de Gilde van Traditionele Schaapsherders is in het NBP2020 aan de Subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer (SNL2016 Gelderland) een bijdrage “traditioneel gehoede schaapskudde” toegevoegd, uitsluitend bedoeld voor beheer van N06.03 Hoogveen, N06.04 Vochtige heide, N07 Droge heiden of N11 Droge schraallanden. Het areaal hiervoor is op kaart aangegeven.

Het verstrekken van subsidies voor beheer, inrichting en kwaliteitsimpulsen draagt bij aan de realisatie van het in hoofdstuk 2 beschreven beleid en de in hoofdstuk 4 beschreven provinciale natuur- en landschapsdoelen.

Kaart categorie Water

Op de kaart categorie Water of “zoekgebied water ten behoeve van het agrarisch waterbeheer” staan de aandachtsgebieden van de waterschappen. De KRW-wateren en de natuurwateren zijn de basis voor deze aandachtsgebieden. Soms is ook een heel stroomgebied aangegeven. Op basis van deze kaarten kunnen de agrarische collectieven afspraken maken met de agrariërs.

Kaart categorie Klimaat

Op deze kaart, ook wel “zoekgebied klimaat” genoemd, zijn maatregelen mogelijk op agrarische percelen die bijdragen aan het verzachten van de klimaatverandering. In hoofdstuk 4 wordt aangegeven op welke gebieden ingezet kan worden en welke criteria gelden om tot indikking van de zoekgebieden te komen. Op de kaarten categorie water en klimaat staat aangegeven welke gebieden voor subsidie in aanmerking komen (zie bijlage 2b en 2c respectievelijk categorie Water en categorie Klimaat).

3.2.5 Monitoring

Er wordt gewerkt aan het provinciaal monitoringplan in samenwerking met de beheerders. De provincie heeft in 2015 het provinciaal meerjarenprogramma monitoring vastgesteld met als belangrijk onderdeel daarin de rapportagecyclus. Op basis van dit meerjarenprogramma wordt jaarlijks de monitoring voor zowel natuur in de natuurgebieden als natuur in de agrarische gebieden uitgevoerd.

Monitoring is een essentieel onderdeel van de beheercyclus. De uitvoering van het natuurbeleid en beheer dient onderzocht te worden om te weten of de afgesproken doelen ook gehaald en zo nodig bijgesteld moeten worden. Behalve informatie over de gerealiseerde hectares en het daarvoor benodigde geld (kwantiteit), is ook informatie nodig over de resultaten in termen van bijvoorbeeld aantallen dieren en planten (kwaliteit). De SNL-monitoring biedt daarmee een basis om te kunnen toetsen op prestatieafspraken over goed beheer.

Voor de monitoring van het (agrarisch) natuurbeheer is een uniforme landelijke systematiek ontworpen.

Natuurbeheer

Voor alle percelen waarvoor SNL-beheersubsidie wordt aangevraagd, dient ook SNL-monitoring te worden uitgevoerd. Voor deze monitoring is door de gezamenlijke provincies in overleg met de natuurbeheerders een methodiek vastgesteld, die is beschreven in de “Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000, die te vinden is op de website van BIJ12 (https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/productencatalogus/methodieken/werkwijze-monitoring/). Hierin wordt per beheertype beschreven welke monitoring noodzakelijk is en hoe deze moet worden uitgevoerd. Op de website van BIJ12 zijn ook bijlagen en achtergronddocumenten te downloaden.

Gecertificeerde beheerders kunnen een subsidie krijgen voor hun deel van de monitoring, gebaseerd op de monitoringstarieven zoals vastgesteld in het openstellingsbesluit. Ze kunnen er echter voor kiezen om deze subsidie niet aan te vragen, waardoor de provincie zelf zorgt voor de monitoring. Bij niet-gecertificeerde beheerders zorgt de provincie altijd voor de monitoring.

Agrarisch natuur- en landschapsbeheer

Voor de monitoring van het agrarisch natuurbeheer is in 2016 een systematiek ontwikkeld. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen beheermonitoring (het verzamelen van natuurgegevens die nodig zijn om het beheer (beter) uit te voeren) en beleidsmonitoring (het verzamelen van gegevens om de realisatie van de beleidsdoelen (op provinciaal, landelijk en Europees niveau) te evalueren).

De verantwoordelijkheid voor de beheermonitoring bij het agrarisch natuurbeheer ligt bij de agrarische collectieven, de provincies zijn verantwoordelijk voor de beleidsmonitoring.

Water

De blauwe diensten worden ingezet op een bijdrage aan de waterkwaliteit van de KRW-watergangen en het verhogen van het waterbergend vermogen. Hiervoor is een bestaand monitoringsprogramma van waterschappen en provincies (kwaliteit en kwantiteit) via welke lijn de toestand en ontwikkeling van de betreffende parameters worden gemonitord. Dit betekent dat voor blauwe diensten niet een apart monitoringsprogramma ontwikkeld hoeft te worden.

Klimaat

Klimaatmaatregelen worden ingezet om een bijdrage te leveren aan CO2 vastlegging en het reduceren van broeikasgassen. Daarnaast wordt er ingezet op klimaatadaptatie door vernatten, het opvangen van waterpieken en droogte en omgaan met verzilting.

Er is voor klimaatmaatregelen (ANLb) momenteel geen specifiek beleidsmonitoringsprogramma ontwikkeld.

4. Natuur- en Landschapsdoelen

4.4 Beleidsdoelen en criteria water en klimaat

4.4.1 Water

Voor de categorie Water onderscheidt de provincie vier deelgebieden. Dit heeft te maken met het werkingsgebied van de waterschappen in Gelderland. De deelgebieden zijn: de Veluwe, de Achterhoek, Rivierenland1 en Rivierenland2. Deze zijn op de kaart met deelgebieden extra begrensd.

De gebieden waar agrarisch waterbeheer kan worden ingezet, zijn weergegeven op de kaart categorie Water in bijlage 2b van dit Natuurbeheerplan. Op deze kaart zijn de gebieden ruim begrensd. Basis zijn de KRW en natuurwateren. Daar omheen is een zone gelegd van 100 tot 500 meter. Daarnaast zijn de aandachtsgebieden van de waterschappen op de kaart gezet. Er is veel overlap met de leefgebieden van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer.

Met het sluiten van beheercontracten voor water/klimaat wordt een bijdrage geleverd aan onderdelen uit de Catalogus Groen Blauwe Diensten (CGBD):

•Toekomstbestendige, duurzame waterlopen (VI.2): het vergroten van het waterbergend vermogen om neerslagextremen op te vangen (robuust systeem), het verbeteren van de waterkwaliteit en het versterken van het natuurlijk karakter.

•Duurzaam bodembeheer (VI.5): het vergroten van het bufferend vermogen van de bodem door het vergroten van het organisch stofgehalte in de bodem, het verbeteren van de bodemstructuur met een vitaal bodemleven dat mede bijdraagt aan een gezond biotoop voor soorten.

Beheerfunctie

Dit vertaalt zich naar de volgende beheerfuncties uit de CGBD:

•Zone: bestaande uit een onbemeste chemievrije kruidenrijke zone die niet (beperkt) wordt beweid, periodiek wordt gemaaid en maaisel wordt afgevoerd.

•Verbeteren waterkwaliteit door periodiek te maaien, maaisel af te voeren, onderhoud gericht op specifieke flora/fauna en eventuele herstelwerkzaamheden van natuurvriendelijke oevers van sloot/beek/watergang (bufferzone).

•Vasthouden van water door in te zetten op duurzaam bodembeheer. Alle maatregelen die gericht zijn op het vasthouden van water en het verbeteren van de waterkwaliteit door het in kringloop houden van organische stof en mineralen. Hieronder vallen maatregelen als het verwerken en toepassen van (sloot)maaisel in de bodem (op bouwland). Dit maaisel komt van het eigen bedrijf of wordt vanuit het omliggende gebied aangevoerd.

Criteria

Het zoekgebied voor de inzet van agrarisch waterbeheer is ruim begrensd. Dit betekent dat de agrarische collectieven in de gebiedsaanvraag moeten komen tot indikking van de gebieden. Hiervoor zijn afspraken gemaakt met de waterschappen. Met het Waterschap Rijn en IJssel is afgesproken dat het hele werkgebied opengesteld wordt voor de watermaatregelen.

Hieronder zijn criteria aangegeven op basis waarvan het collectief haar gebiedsaanvraag verder moet uitwerken.

1Voldoende omvang en connectiviteit: de effectiviteit van de middelen is groter indien gekozen wordt voor meer focus en bundeling van blauwe diensten. Dit kan door:

•Bestaand agrarisch waterbeheer dat op de goede plek ligt te versterken.

•Synergie te zoeken met de keuze voor beheermaatregelen in de leefgebieden van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer.

2Prioritaire gebieden die de verschillende waterschappen hebben aangegeven: dit houdt in dat bij het zoeken naar mogelijkheden voor de inzet van agrarisch waterbeheer, de volgende prioriteiten worden meegegeven:

•Zones zoveel mogelijk direct langs de KRW of natuurwateren realiseren of langs watergangen die direct uitkomen op de KRW of natuurwateren.

•Beheer van (natuurvriendelijke) oevers.

•Duurzaam bodembeheer, afvoeren van maaisel langs de watergang en dat verwerken op landbouwgronden in de omgeving.

•Duurzaam slootbeheer in de B en C watergangen waarbij speciale aandacht wordt gegeven aan doelsoorten zoals grote modderkruiper en bittervoorn.

Het Waterschap Rijn en IJssel wil voor de watermaatregelen de nadruk leggen op de volgende punten:

•Prioritering inzet agrarisch waterbeheer met name langs de perceelranden van bouwland, en met name in de genoemde gebieden met een belangrijke functie, zoals grondwaterbeschermingsgebieden en drinkwaterwingebieden, en alleen maar langs waterlopen zonder de vanuit het 7e NAP (Nieuw Amsterdams Peil) geregelde bufferstrook van 5 meter.

4.4.2 Klimaat

Vanuit het Nationaal Strategisch Plan zijn middelen beschikbaar gesteld voor klimaatmitigatie-, klimaatadaptatie- en watermaatregelen. Deze klimaatmaatregelen maken net als de bovenbeschreven watermaatregelen onderdeel uit van dit Natuurbeheerplan.

Voor klimaatmitigatie zijn de volgende beheerfuncties in te zetten:

•Verhoging gehalte organische stof op landbouwgrond (VI.6 uit CGBD).

•Versterking van CO2-vastlegging met behulp van aangepaste teelttechniek of aangepaste gewaskeuzes (hiervoor zijn nog geen concrete beheerpakketten geformuleerd).

Voor klimaatadaptatie:

•Het voorkomen van droogte door meer water vast te houden en te laten infiltreren. Het verhogen van het organische stofgehalte draagt bij aan sponswerking/watervasthoudend vermogen van de bodem (VI.2 uit CGBD).

•Inundaties, het gericht opvangen op de daarvoor minst kwetsbare agrarische percelen (VI.1 uit CGBD).

Voor een aantal beheerfuncties zijn nog geen beheerpakketten ontwikkeld, inzet daarvan zal in een volgend Natuurbeheerplan plaatsvinden.

De provincie draagt via het ANLb bij aan de doelen uit het Klimaatakkoord en de Nationale klimaatadaptatiestrategie.

De gebieden waar de klimaatmaatregelen kunnen worden ingezet zijn weergegeven op de kaart 2c categorie Klimaat van dit Natuurbeheerplan. Op deze kaart zijn de gebieden ruim begrensd.

De klimaatpakketten worden voorlopig ingezet in de deelgebieden categorie Water en in de grondwaterbeschermingsgebieden. Waterschap Rijn en IJssel heeft aangegeven de klimaatmitigatie toe te willen passen in de grondwaterbeschermingsgebieden en in een buffer van 100 meter rondom deze gebieden. Mogelijk komen er in de toekomst aanvullende gebieden waar klimaatadaptie-maatregelen een bijdrage kunnen leveren aan het oplossen van klimaatopgaven.

De focus ligt nu vooral op klimaatmaatregelen gericht op het verhogen van koolstofgehaltes in de bodem. Dat draagt bij aan mitigatie van klimaatprobleem en ook aan kwantiteits- en kwaliteitsdoelen voor het grond- en oppervlaktewater.

De basis voor de oppervlaktewater kwantiteits- en kwaliteitsdoelen zijn de KRW en natuurwateren. In de omgeving van deze wateren is naast het klimaatdoel CO2-vastlegging ook vermindering van uitspoeling van belang. Waterberging (vasthouden van water) wordt vergroot door het organische stofgehalte van de bodem te verhogen. Vergelijkbare doelen liggen in de aandachtsgebieden met specifieke waterkwaliteits- of -kwantiteitsopgaven van de waterschappen en in de grondwaterbeschermingsgebieden waar grondwaterkwaliteit en verdroging (water vasthouden) voor uitdagingen zorgt.

Met de inzet van de klimaatmaatregelen voor CO2-vastlegging is sprake van synergie tussen water- en klimaatmaatregelen. Daarnaast is er veel overlap met de leefgebieden van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer waar ook synergie optreden.

Beleidsdoelen klimaat

Een gezonde bodem is een belangrijke voorwaarde voor een goede landbouwproductie en een goed werkend ecosysteem met een rijke natuur. Een gezonde toplaag is eveneens van belang voor het realiseren van de doelen in relatie tot klimaatverandering (regulering). Zowel wat betreft de ruimtelijke inrichting: bodem en ondergrond bieden ruimte voor waterberging. Maar ook wat betreft de kwaliteit van de bodem: een gezonde bodem kan zowel water als mineralen beter vasthouden. Voor dit laatste doel is er een samenhang met de doelen Water. Een gezonde bodem is een belangrijk fundament onder het verhogen van de biodiversiteit die wordt nagestreefd. Daarmee een onmisbaar element voor natuurinclusieve en kringlooplandbouw.

Door het koolstofgehalte van landbouwbodems te verhogen wordt de bodem gezonder, meer koolstof in de bodem legt meer CO2 vast, hetgeen een klimaatdoel is. Vandaar dat wordt ingezet om het klimaatgeld in te zetten voor het verhogen van koolstof in de bodem.

Criteria klimaat

Voor klimaatadaptatie wordt ingezet op bodemmaatregelen gericht op het toepassen van ruige mest op grasland en bouwland en het toepassen van gewasresten op bouwland. Deze maatregelen zijn gericht op CO2-vastlegging in de bouwvoor met als nevenopbrengst het vasthouden van water en het verbeteren van de bodem- en waterkwaliteit door het in kringloop houden van organische stof en mineralen.

Waterschap Rijn en IJssel heeft aangegeven deze pakketten vanaf 2024 in te vullen in de gebieden waar het klimaatadaptatie-opgaven heeft.

1. Soorten Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer

Tabel: Lijst met soorten op basis van onderzoek soorten.nl

Brv=broedvogel, nbrv is niet broedvogel.

Open Grasland

Dooradering

Dooradering, vervolg

Grutto (brv)

Kievit (brv)

Kamsalamander

Watersnip (brv)

Watersnip (brv)

Boomkikker

Tureluur (brv)

Slobeend (brv)

Knoflookpad

Zomertaling (brv)

Tureluur (brv)

Rugstreeppad

Gele kwikstaart (brv)

Wulp (brv)

Heikikker

Graspieper (brv)

Koekoek (brv)

Poelkikker

Scholekster (brv)

Kerkuil (brv)

Grote modderkruiper

Kievit (brv)

Ortolaan (brv)

Bittervoorn

Slobeend (brv)

Patrijs (brv)

Beekprik

Kemphaan (brv)

Ringmus (brv)

Kleverige poelslak

Veldleeuwerik (brv)

Roek (brv, nbrv)

Argusvlinder

Wulp (brv)

Steenuil (brv)

Bosbeekjuffer

Torenvalk (brv)

Torenvalk (brv)

Knautiabij

Zwarte Stern (brv)

Zomertortel (brv)

Roodrandzandbij

Roek (brv, nbrv)

Geelgors (brv, nbrv)

Vliegend hert

Kleine zwaan (nbrv)

Kwartelkoning (brv)

Hermelijn

Goudplevier (nbrv)

Grauwe Gors (nbrv)

Bunzing

Grauwe klauwier (brv)

Rosse vleermuis

Kneu (brv)

Laatvlieger

Spotvogel (brv)

Groot spiegelklokje

Braamsluiper (brv)

Akkerogentroost

Ransuil (brv)

Schijnwolfsmelkwespvlinder

Houtduif (brv, nbrv)

Waterlepeltje

Grote Lijster (brv, nbrv)

Karwij

Blauwe Kiekendief (nbrv)

Keep (nbrv)

2. Kaarten

2aLeefgebiedenkaart agrarisch natuur- en landschapsbeheer

[Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.]

2bKaart categorie water

[Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.]

2cKaart categorie klimaat

[Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.]

2dKaart deelgebieden Agrarische Collectieven

Deze kaarten zijn beschikbaar via de website van provincie Gelderland https://atlas.gelderland.nl/natuurbeheerplan

Kaart 2d. vindt u op de volgende pagina.

2dKaart deelgebieden Agrarische Collectieven

3. Kaarten natuur en landschap

3aBeheerkaart

[Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.]

3bAmbitiekaart

[Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.]

3cSubsidiekaart

[Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.]

3dInvesteringskaart

[Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.]

3eKaart “bijdrage traditioneel gehoede schaapskudde”

[Vanwege de leesbaarheid van de bijlage, is de bijlage opgenomen in de externe bijlage bij deze regeling.]

3fRood met beheer en ecologische verbindingszones

De kaarten van het Natuurbeheerplan 2026 zoals genoemd onder a, b, c, d en e zijn beschikbaar via de website van provincie Gelderland https://atlas.gelderland.nl/natuurbeheerplan

Kaart 3f. vindt u op de volgende pagina.

Kaart 3f. Rood met beheer en ecologische verbindingszones

4. Natuur en landschap in de Gelderse context

“Begin bij wat je hebt: bestaande natuur moet goed worden beheerd en dat geldt ook voor agrarisch natuurbeheer. Goed beheer helpt bij het bereiken van de gestelde natuurdoelen en waterkwaliteit. Dat doen we op basis van inzicht, zodat we samen kunnen werken om de natuurdoelen te bereiken met goed beheer”. Dit staat in het Gelders coalitieakkoord “Gelderland gewoon doen”. Daarnaast heeft het college de ambitie om het natuurbeheer in Gelderland te versnellen en versterken.

Voor de volledige tekst over natuur verwijzen we u graag naar de pagina’s 32, 33, 34 en 35 uit het coalitieakkoord.

4.1 Overwegingen bij het toepassen van Natuurbeheertypen

Op de beheerkaart worden natuurbeheertypen aangegeven. De Index Natuur en Landschap definieert de natuurbeheertypen. Dit is een landelijk instrument dat op lokaal niveau ruimte overlaat voor nadere duiding. In deze bijlage beschrijven wij voor een aantal beheertypen de kaders die wij in Gelderland hanteren om een natuurbeheertype op de beheerkaart op te nemen.

Het belangrijkste criterium voor opname van een natuurbeheertype in het Natuurbeheerplan is dat het type actueel aanwezig is. Dat betekent dat de soorten en karakteristieken van het natuurbeheertype zoals beschreven in de Index Natuur en Landschap aanwezig moeten zijn.

Een uitzondering kan zijn wanneer sprake is van een net ingericht of net onder beheer gebracht perceel. Dan wordt het beheer van het natuurtype dat beoogd wordt subsidiabel gesteld voordat dit zich al heeft ontwikkeld. Immers het beoogde type heeft nog tijd nodig om zich te ontwikkelen.

Wij beschouwen de beheerkaart niet als een statisch gegeven dat onveranderd moet en zal blijven. Er kan doorontwikkeling plaatsvinden van een natuurtype naar een hoger type. Andersom kan ook het geval zijn, als het door verschillende omstandigheden niet lukt om een natuurtype in stand te houden. Het aflopen van de 6-jarige beheerperiode is voor de beheerder het moment om de kaart te actualiseren.

Andere koers voor landschapsbeheer voortgezet

Voor de stimulering van het landschapsbeheer wordt sinds 2014 een nieuwe koers ingezet via gemeenten en landgoederen. Daarvoor is een regeling opgezet (Paragraaf 2.2 van de RSG Biodiversiteit en landschap voorheen RRvG §4.2 Landschap en landgoederen). Via het Natuurbeheerplan wordt alleen nog landschapsbeheer gesubsidieerd binnen het Gelders Natuurnetwerk. Via agrarisch natuurbeheer is het aan de Collectieven om te bepalen welke landschapselementen in de leefgebieden worden beheerd. Deze staan niet op de kaart van het Natuurbeheerplan.

Wij hanteren de volgende uitgangspunten:

•Bosjes groter dan 1 hectare hebben een natuurbeheertype gekregen (bv. N16.03 “droog bos met productie”).

•Knip- en scheerheggen komen traditioneel op landgoederen of in andere cultuurhistorische context voor. Daarbij sluit de index hagen rond boomgaarden uit. Voor het overige wordt in principe de struweelhaag L01.06 op kaart opgenomen. De vergoeding voor knip- en scheerheggen is gebaseerd op een middeling van de kosten van de 3-jaarlijkse cyclus.

•Beheersubsidie voor hoogstamboomgaard wordt alleen gecontinueerd als het een oude boomgaard van minimaal 30 jaar betreft of verjonging daarvan.

•Lanen zijn tweezijdige beplantingen van wegen en paden die onderdeel uitmaken van een cultuurhistorisch patroon (met name op landgoederen). Hiervan komen uitsluitend de oude lanen voor een beheerbijdrage in aanmerking. Jonge lanen stellen wij alleen subsidiabel wanneer het een vervanging van een oude historische laan betreft.

•Lanen in bos worden alleen opgenomen als zij de hoofdstructuur van het bos bepalen en als laan onderhouden worden.

•Knotbomen: Wij beschouwen staken met een stamdiameter <20 cm niet als knotbomen. Knotbomen in bos en houtige landschapselementen worden niet apart uit gekarteerd of gesubsidieerd. Overigens is de vergoeding voor het beheertype gebaseerd op een middeling van de verschillende dikteklassen.

In 2024 is er gewerkt aan een nieuwe versie van de Praktijkhandleiding natuurbeheerplannen voor SNL en geeft nadere uitleg over het intekenen van de verschillende beheertypen.

Deze handleiding is vanaf april 2025 op de website van BIJ12 te vinden.

L02.03 Historische tuin

Het beheertype historische tuinen beslaat oude tuinen of tuinonderdelen bij buitenplaatsen, landgoederen, kastelen of kloosters die onderhouden moeten worden volgens een bepaald historisch ontwerp. Belangrijkste onderdelen in dit type zijn een samenspel van gazons, (rozen)perken en borders, clutches van (uitheemse) bomen en struiken, kleinschalig padenpatroon, sier- en fruitbomen, heggen en bij het ontwerp horende vijvers/waterpartijen. Ook bijzondere tuinelementen als berceaus (loofgangen) of doolhoven vallen onder dit type. Deze onderdelen worden intensief onderhouden volgens een bepaald ontwerp. Meestal maken historische tuinen deel uit van een landgoed waar ook sprake is van het natuurtype park- en stinzenbos (N17.03).

De L02 typen uit de Index Natuur en Landschap worden in Gelderland niet voor subsidie opengesteld omdat zij geen onderdeel uitmaken van het goedkeuringsbesluit voor de SVNL door de Europese Commissie.

Beheer na functieverandering en inrichting

Na het afronden van de inrichting doet de aanvrager een verzoek tot vaststelling bij de provincie. Na vaststelling wordt het N-type, tijdens de jaarlijkse actualisatie van het Natuurbeheerplan, op de beheerkaart opgenomen en op de subsidiekaart op subsidiabel gezet. De beheerder kan dan subsidie voor het beheer aanvragen.

Het is mogelijk om beheer als subsidiabele kosten op te nemen in het inrichtingsplan.

Beheer na realisatie nieuw landgoed

Nieuw gerealiseerde natuur als compensatie voor beleidsruimte voor het mogen vormen van een nieuw landgoed met wooneenheden van allure, gelegen in GNN, kan na inrichting op verzoek van de landgoedeigenaar of zijn vertegenwoordiger worden begrensd als GNN en opgenomen in het Natuurbeheerplan, zodat beheer aangevraagd kan worden. Mits de natuurtypen voldoen aan de SNL2016 Gelderland en de richtlijn uit het Natuurbeheerplan. Hierbij worden inliggende landschapselementen gezien als structuurelement van het N-type en niet afzonderlijk subsidiabel gesteld.

Begrensde natuur kritisch bezien

Het ene beheertype vraagt meer beheerinspanning dan het andere, wat tot uiting komt in hogere subsidiebedragen. Het komt ook voor dat hoogwaardige natuurtypen zijn begrensd op locaties die minder geschikt blijken te zijn voor dit type natuur en waar in de praktijk dus ook niet (met de normale inspanningen) dat type in stand kan worden gehouden. De Index Natuur en Landschap is niet altijd even scherp als het gaat om het formuleren van een duidelijke boven- of ondergrens voor een bepaald type. Daarom geven wij voor een aantal natuurtypen in bijlage 4 van het Natuurbeheerplan een nadere duiding aan de afbakening die wij hanteren bij het op kaart zetten van een bepaald N-type.

N01.03 Rivier- en moeraslandschap

Dit natuurtype is bedoeld als grootschalige beheereenheid van uiterwaarden en eventueel aangrenzend terrein waar de inrichting is afgestemd op de werking van natuurlijke processen als overstroming, sedimentatie en erosie en grootschalige begrazing. In N01.03 komen meerdere kwalificerende natuurtypen voor waarbij het aantal aanwezige N-typen indicatief is voor de kwaliteit. Deze “inliggende” te onderscheiden natuurtypen worden niet ruimtelijk vastgelegd op kaart.

Binnen dit natuurtype liggen ook kwalificerende habitats in Natura 2000-Habitatrichtlijngebied. Deze moeten op basis van het beheerplan van het betreffende Natura 2000-gebied in stand gehouden worden, zoals de stroomdalgraslanden en ooibossen. Deze instandhoudingsverplichting kan in praktijk betekenen dat op deze terreinen aanvullend beheer noodzakelijk is.

N12.01 Bloemdijk

Het beheertype N12.01 Bloemdijk is bedoeld voor glanshaverhooilanden op steile dijktaluds die alleen met speciaal materieel te maaien zijn. Dit rechtvaardigt de dubbel zo hoge beheervergoeding t.o.v. ‘gewoon’ N12.03 Glanshaverhooiland. Vegetatiebeheer van primaire en regionale waterkeringen is in principe een reguliere taak van het waterschap. Wanneer een terreinbeheerder een dijk die de waterkerende functie verloren heeft, in eigendom en beheer heeft kan hij in aanmerking komen voor beheervergoeding. Het gaat bij dit beheertype uitsluitend om dijken. Criterium voor begrenzing in het Natuurbeheerplan is verder of de vegetatie behoort tot glanshaverhooiland, droge graslanden of ruigten van het marjoleinverbond. In Gelderland komt dit slechts bij uitzondering voor. Daarom wordt dit type alleen begrensd na controle van de situatie in het veld.

Om voor beheervergoeding in aanmerking te komen moet:

1de dijk in eigendom en beheer zijn bij een terrein beherende organisatie,

2de dijk de waterkerende functie hebben verloren,

3de vegetatie behoren tot glanshaverhooiland, droge graslanden of ruigten van het marjoleinverbond,

4de dijk zo steil zijn dat hij niet meer met regulier maaimateriaal te maaien is.

N12.02 Kruiden- en Faunarijk grasland

Veel kruiden- en faunarijk grasland is ontstaan na omvorming van landbouwgrond in natuur zonder veel verdere inrichting. Dan is het beheertype N12.02 vaak ook het beoogde eindtype. In een beperkt deel van dit beheertype liggen ontwikkelingskansen voor een ander type, met name N11.01 droog schraalland, N10.02 vochtig hooiland en N12.03 glanshaverhooiland.

Aangezien het hier gaat om natuurterrein, zijn landbouwmaatregelen als bijvoorbeeld toepassing van drijfmest, herinzaai van de grasmat, rantsoenbeweiding, gebruik van bestrijdingsmiddelen, bijvoederen van vee in het natuurterrein op voorhand niet toegestaan. Het beheer is juist niet gericht op grasproductie, maar op het realiseren van het natuurtype met bijhorende specifieke flora en fauna. Daarvoor zijn twee dingen belangrijk: voldoende verschralen en het laten ontstaan van structuur: afwisseling van ruigere en kalere plekken, opslag van struweel, etc.

Uit analyse van monitoringgegevens (2018) blijkt dat de ontwikkeling van kruiden (eis in de Index: 20% bedekking) en kenmerkende soorten binnen de Gelderse percelen N12.02 dikwijls niet tot stand komt. Dat baart ons zorgen omdat juist op deze graslanden qua aard en omvang een belangrijke bijdrage geleverd kan worden aan (versterking van de) biodiversiteit in Gelderland. Goed ontwikkelde kruiden- en faunarijke graslanden zijn een belangrijk biotoop voor planten- en diersoorten en een voedselbron voor insecten, vogels en andere dieren.

Het ingezette verschralingsbeheer (via maaien en afvoeren) blijkt vaak niet de gewenste kwaliteit (bloemen- en kruidenrijkheid) op te leveren. Bij verschralend beheer kan de vegetatie in een langdurig grasstadium terechtkomen waardoor de gewenste nieuwe soorten geen kans krijgen tot ontwikkeling te komen. Wanneer niet verschraald wordt, maar alleen beweid, blijft de vegetatie te voedselrijk en komt de gewenste ontwikkeling evenmin op gang.

Kwaliteitsverbetering van N12.02

Onderzoek geeft aan dat op graslanden via het doorbreken van de graszode en het opbrengen van maaisel mogelijk is om in relatief korte tijd (een paar jaar) een grote kwaliteitsverbetering te realiseren.

Wij willen graag dat deze vernieuwde aanpak een plaats krijgt in het te voeren beheer van het areaal N12.02. Inmiddels is een pilot uitgevoerd waarbij verschillende terreinbeheerders op in totaal 100 percelen ervaring op hebben gedaan met deze aanpak. De ervaringen zijn positief en is het uitgangspunt dat deze aanpak op grote schaal toegepast gaat worden. Een natuurterrein is geschikt voor deze aanpak als de grasproductie voldoende is afgenomen.

N12.03 Glanshaverhooiland

Dit natuurtype wordt met name in de uiterwaarden van de grote rivieren aangetroffen en komt overeen met het habitattype H6510 Glanshaver- en vossenstaartgraslanden. Dit habitattype is ruimer en omvat ook vochtiger graslanden waar de soorten, die de Index als kenmerkend noemt, ontbreken. Voor dit habitattype geldt een uitbreidingsdoelstelling op basis van de Natura 2000-doelstelling Rijntakken. Daarom zullen natuurterreinen begrensd worden waar dit habitattype nu niet is, maar wel binnen de beheerperiode van 6 jaar bereikt kan worden. Hooilandbeheer is het aangewezen beheer voor de Natura 2000-soort Kwartelkoning. In gebieden die van belang zijn voor deze soort zal op ruime schaal N12.03 aangegeven worden.

De kenmerkende soorten die de Index noemt voor glanshaverhooiland komen alleen op weinig overstroomde delen van het perceel voor. Om praktische redenen, maar ook omdat de gradiënten in het terrein hun eigen waarde hebben, wordt het type ruimer begrensd. Het Kwartelkoning-biotoop ligt vaak in de lagergelegen delen van het terrein. De consequentie daarvan is dat voor relatief grote delen van het Kwartelkoning-biotoop dit beheertype formeel niet voldoet. De Kwartelkoning geldt, in aanvulling op de soorten in de Index Natuur en Landschap, als kenmerkende en kwaliteitsbepalende soort voor het glanshaverhooiland in de uiterwaarden.

N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland

Bij N12.04 “Zilt en overstromingsgrasland” gaat het in het binnenland om vrijwel jaarlijks in winter en voorjaar langdurig overstroomde graslanden, waar een natuurkwaliteit gerealiseerd wordt, die hoger is dan van het basistype voor de voedselrijke graslanden en akkers N12.02 “Kruiden- en faunarijk grasland”.

De laaggelegen graslanden in de uiterwaarden van de grote rivieren voldoen niet of slechts sporadisch aan deze criteria. De meeste uiterwaardgraslanden worden door zomerkades afgeschermd van overstroming en na overstroming wordt het water snel weer afgevoerd. In enkele uiterwaarden echter is het beheer gericht op het vasthouden van water na overstroming, ook voor de Natura 2000-soort porseleinhoen. Deze terreinen zijn als N12.04 opgenomen. Ook binnendijks kan dit natuurbeheertype voorkomen. Voorwaarde is dan dat de graslanden jaarlijks één of meerdere malen overstroomd worden door een beek en dat dit water langzaam inzijgt in het perceel. Een aantal graslanden die hieraan voldoen zijn daarom als N12.04 op de beheerkaart opgenomen.

N12.05 Kruiden- en faunarijke akker

De flora en fauna van akkers behoort tot de sterkst bedreigde levensgemeenschappen in Gelderland. Het Actieplan weide- en akkervogels geeft een impuls aan de akkers in het agrarisch natuurbeheer. Wij willen graag dat ook natuurbeheerders meer inzetten op natuurakkers. Uiteindelijk kunnen de planten en dieren van akkers alleen duurzaam behouden worden wanneer er op landschapsschaal een netwerk ontstaat van natuurakkers, akkers in agrarisch natuurbeheer en overige elementen.

In de doelen voor natuurakkers zijn verschillende niveaus te onderscheiden: pleegakkers, flora-akkers, fauna-akkers en landschapsakkers:

•Pleegakkers zijn akkers die dienen als bronpopulatie voor flora-akkers. Met een éénmalige investering door herintroductie van soorten en beheer wordt een akker een goede flora-akker. Het pleegakkerproject wordt apart gefinancierd. De hieraan deelnemende eigenaren houden daarna de akker in stand als flora-akker. Op de beheerkaart zijn pleegakkers gewoon opgenomen als N12.05 (flora-akkers).

•Flora-akkers zijn akkers die beheerd worden op instandhouding van bijzondere akkerflora. In praktijk betekent dit dat het graangewas zeer dun gezaaid wordt en nauwelijks oogstbaar is.

•Fauna-akkers zijn akkers die beheerd worden voor akkervogels, zoals patrijs, geelgors, veldleeuwerik en zomertortel. Hiervoor zijn met name binnen het agrarisch natuurbeheer allerlei technieken ontwikkeld die neerkomen op een afwisseling van akkergewassen met kruidenranden en bijvoorbeeld keverbanken. Deze maatregelen kunnen natuurlijk ook op akkers die onder de natuurbeheerregeling vallen, worden uitgevoerd. Vogelbescherming Nederland heeft speciaal voor deze akkersoorten factsheets gemaakt. (https://www.vogelbescherming.nl/bescherming/wat-wij-doen/op-het-platteland/akkervogels/factsheets) In deze factsheets worden de minimale eisen beschreven waaraan een goede fauna-akker moet voldoen. Wij willen dat de fauna-akkers aan deze minimale eisen die in de factsheets staan beschreven gaan voldoen. De instandhouding van fauna-akkers is te combineren met een redelijke graanoogst. Op de beheerkaart zijn deze akkers opgenomen als N12.05.

•Landschapsakkers betreft feitelijk graanteelt door (biologische) boeren. Deze vallen buiten het natuurbeheertype N12.05.

Uit een inventarisatie blijkt dat relatief veel van de akkers die in de periode 2014 – 2019 in beheer waren onder de SNL niet kwalificeren als N12.05; de minimaal vereiste 3 kwalificerende soorten zijn niet aanwezig. Dat betekent dat door gericht beheer de kwaliteit verbeterd moet worden óf dat het terrein een ander, wel realiseerbaar, of géén natuurtype moet krijgen.

Van de natuurbeheerders verwachten wij dat zij streven naar een gelijke mix van flora- en fauna-akkers. De beheervergoeding voor N12.05 is daarvoor toereikend. Als dat niet mogelijk is (bijvoorbeeld als maar 1 akker wordt aangevraagd) dient het aangevraagde perceel te kwalificeren als N12.05 (conform de index).

Omdat de flora en fauna van akkers tot de meest bedreigde van Gelderland behoren, willen wij dit beheertype een kwaliteitsimpuls geven.

In 2019 zijn wij met een aantal beheerders een project van pleegakkers gestart die verspreid over de provincie zijn aangelegd en met kenmerkende flora zijn ingezaaid. Deze pleegakkers moeten kernen vormen van een netwerk van natuurakkers waarin de biodiversiteit duurzaam veiliggesteld wordt. De opgedane kennis van het beheer van kruiden- en faunarijke-akkers is vervolgens verder verspreid. Vanaf 2025 moeten alle op kaart aangegeven natuurakkers in het veld aan de afbakening van de Index voldoen.

De aanleg van fauna-akkers heeft alleen zin in gebieden waar de doelsoorten ook daadwerkelijk voorkomen. Deze soorten gebruiken vaak ook andere delen van het omliggende landschap. Om succesvol akkerfauna te behouden, zullen de beheerders en agrarische collectieven dus aandacht moeten hebben voor de inbedding van akkers in het landschap.

Hakhoutbossen: N17.02, N17.05, N17.06

Bij deze bostypen is als cruciaal kenmerk vermeld dat de bossen oud zijn, lang geleden aangelegd en sindsdien een specifiek beheer in de vorm van een vaste hakcyclus hebben gehad. Door dicht bij de grond afzetten van de bomen ontstonden de kenmerkende stoven die vele eeuwen oud kunnen zijn.

Het criterium van de aanwezigheid van stoven bepaalt, dat een net aangeplant perceel niet in aanmerking kan komen. Snijgrienden komen daarom ook niet in aanmerking.

N17.05 Griend en N17.06 Vochtig- en hellinghakhout kennen een hoge beheervergoeding. Deze is gebaseerd op handmatig of licht machinaal beheer in natte, van oudsher als hakhout beheerde percelen die moeilijk toegankelijk zijn en dus niet machinaal te bewerken zijn. Voor N17.02 “Droog hakhout” is de beheerbijdrage lager, want het terrein is makkelijker toegankelijk en er wordt minder vaak gehakt, omdat het minder snelgroeiende soorten betreft.

Het verschil tussen N17.05 ‘Griend’ en N17.06 ‘Vochtig- en hellinghakhout’ is de houtsoort: griend is hakhout van wilg. Dit komt in Gelderland uitsluitend in het westelijk rivierengebied voor.

Veel terreinen die als hakhout begrensd waren voldoen niet aan het criterium van ouderdom of het criterium van constant specifiek hakhoutbeheer. Door analyse van de gegevens van de 4e bosstatistiek uit de jaren 80 is bepaald welke percelen voldoen qua ouderdom. Alleen als een perceel in die bosstatistiek is aangegeven als “oud bos met hakhoutbeheer” is het als hakhout op de beheertypenkaart opgenomen. Alle overige terreinen zijn als droog of als nat bos met productie opgenomen. Gebleken is, dat op basis van dit criterium soms percelen onterecht zijn “omgekat” terwijl ze wel aan de criteria van oud hakhout voldoen. De bosstatistiek blijkt iets te grofschalig om volledig betrouwbaar te zijn op perceelniveau. Op basis van een onderbouwde zienswijze kunnen percelen die onterecht zijn “omgekat” weer als hakhout op de beheerkaart worden opgenomen. Hierbij wordt onderstaand figuur 4 Stroomschema gebruikt.

Figuur 4 Stroomschema hakhoutbossen

N17.03 Park- en stinzenbos

Het beheertype Park- en Stinzenbos komt voor op (voormalige) landgoederen. Het Geldersch Genootschap heeft een kaart opgesteld van de Gelderse landgoedkwaliteiten. De in het Natuurbeheerplan begrensde park- en stinzenbossen liggen binnen de op deze kaart geduide gebieden.

Het beheertype bestaat uit opgaand bos, als onderdeel van een (voormalig) landgoed, met meestal een rijke struiklaag en veel kruiden die vooral in het voorjaar bloeien. Lanen die onderdeel zijn van de historische aanleg vallen binnen dit natuurtype en worden dus niet apart op de kaart opgenomen. In de afbakening wordt verder genoemd dat er bijzondere elementen zijn, zoals oude en exotische bomen en er sprake is van een parkaanleg met elementen als paden, vijvers en lanen. In Gelderland zijn veel parkbossen waarin geen stinzenplanten, noch een rijke struiklaag aanwezig zijn. Deze kunnen toch tot dit type gerekend worden wanneer in ieder geval de andere bijzondere elementen (bijzondere bomen of boomgroepen, lanen, vijvers, paden) alle in voldoende mate aanwezig zijn.

Het type N17.03 heeft hogere beheerkosten door aanwezigheid van deze bijzondere elementen en het beheer is gericht op een gevarieerde structuur van kruiden, struiken, dode bomen, open plekken, etc. Ook zijn dit dikwijls drukbezochte plekken waardoor ook onderhoud en toezicht kostbaar zijn.

Er kunnen binnen de parkaanleg van een landgoed bosvakken zonder bijzonder beheer liggen, deze behoren dus niet tot het type Park- en Stinzenbos en worden niet als zodanig begrensd. Op veel plaatsen in Gelderland liggen bossen die ooit als parkbos ontworpen zijn, maar nu niet meer als zodanig beheerd worden, omdat de kenmerkende elementen vervallen of niet meer aanwezig zijn. Het gegeven van een historische park- of tuinaanleg op zich is dus niet voldoende.

Losliggende kleine elementen (een beboste oever, een boom in een weiland) behoren niet tot dit type. Ook parkbossen die als stadsparken fungeren vallen buiten het natuurbeheertype.

Tenslotte is dit type bos alleen subsidiabel als het gedurende het gehele jaar toegankelijk is.

N99.xx Wildweides en -akkers

Wildweides-en -akkers in natuur zijn over het algemeen vrij kleine open plekken in bossen waar ten behoeve van faunabeheer akker- of gras gewas groeit. Deze plekken zijn in het verleden altijd aangeduid als N12.05 (akker) of N12.02 (gras). De bijbehorende natuurkwaliteit wordt echter zelden gehaald.

Het beheer wordt vormgegeven door faunadoelstellingen, maar levert de naastgelegen natuurpercelen veel natuurwinst op. Uit onderzoek is gebleken dat de wildakkers en -weides behulpzaam zijn bij de sturing in faunapopulaties. Hierdoor neemt de druk op omliggende natuur af waardoor de kwaliteit van de natuur toeneemt en onder andere bosverjonging een betere kans van slagen heeft.

In overleg met terreinbeheerders is een nieuw Natuurtype bedacht, het N99.xx type.

De voorwaarden zijn:

o Wildweides en wildakkers zijn toegestaan binnen GNN.

o Als voldaan kan worden aan de kwaliteit die hoort bij N12.02 of N12.05 is er geen wijziging nodig.

o Eventueel kan een eigenaar ervoor kiezen om de akker of weide als structuurelement binnen omliggend terrein te beschouwen (kleine oppervlaktes van maximaal 10 % van het omliggende areaal wanneer dit kleiner is dan 5 ha, of 10 % met een maximum van 5000 m² aaneengesloten wanneer het areaal groter is dan 5 ha).

o Wanneer er door het beheer dat wordt toegepast om de wildweide of wildakker in stand te houden geen natuurdoeltype behaald kan worden kan het perceel een eigen beheertype-aanduiding krijgen, te weten N99.xx.

▪ Er is geen beheervergoeding en/of toeslag van toepassing op percelen met aanduiding N99.xx.

▪ Het perceel heeft wél de bestemming natuur.

▪ De maximale oppervlakte voor een vlak met aanduiding N99.xx is 1 ha. Wanneer een perceel van oorsprong (cultuurhistorisch) in vorm of omvang groter is dan hierboven beschreven, kan in overleg met de provincie afgeweken worden. Nieuw gerealiseerde wildweides- of akkers zijn nooit groter dan de maximaal gestelde oppervlakte.

▪ Het gebruik van drijfmest of bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan.

▪ Aanduiding als N99.xx gebeurt altijd in goed overleg met de provincie en is geen recht.

Als de functie als wildakker of wildweide komt te vervallen, kan het perceel een natuurbeheertype toegekend krijgen.

Bijdrage “traditioneel gehoede schaapskudde”

In overleg met natuurbeheerders en de Gilde van Traditionele Schaapsherders is aan de Subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer (SNL2016 Gelderland) sinds 2020 een bijdrage “traditioneel gehoede schaapskudde” toegevoegd uitsluitend bedoeld voor beheer van N06.03 Hoogveen, N06.04 Vochtige heide, N07 Droge heiden of N11 Droge schraallanden.

Beheervergoeding en openstelling

De Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 (SNL) stelt als eis bij het verkrijgen van een beheervergoeding: een openstelling van tenminste 358 dagen per jaar op wegen en paden. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk op basis van art 2.9 lid 4 SNL:

a.sluiting nodig is bij of krachtens de Omgevingswet uitgewerkt in het Besluit activiteiten leefomgeving;

b.het terrein naar zijn aard buiten machte van de subsidieontvanger niet toegankelijk is;

c.er bescherming van de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk is tot een maximum van een hectare, of

d.het terrein vrijgesteld is op grond van het Natuurbeheerplan.

Deze vrijstelling geven wij op de volgende wijze vorm. Wij houden vast aan het uitgangspunt dat een terrein tenminste 358 dagen per jaar opengesteld is, tenzij er goede redenen zijn om tijdelijk of permanent af te sluiten. Denk aan:

•Ecoducten;

•Wildrustgebieden;

•Recreatiezoneringsmaatregelen op grond van het Recreatiezoneringsplan Veluwe Recreatiezonering op de Veluwe.

Terreineigenaren dienen bij hun subsidieaanvraag SNL aan te geven welke terreinen niet opengesteld zijn, en op grond waarvan. In geval van een (tijdelijke) afsluiting als recreatiezoneringsmaatregel op grond van het Recreatiezoneringsplan Veluwe wordt de maatregel onderbouwd.

Op grond van artikel 2.4, tweede lid, SNL kan een voorzieningenbijdrage voor de vergoeding van het recreatief toegankelijk maken en houden van een natuurterrein slechts worden verstrekt voor zover het terrein niet is vrijgesteld.

Terreinen met een vrijstelling van de openstellingsverplichting komen nog steeds in aanmerking voor een beheervergoeding. Terreinen die volledig zijn vrijgesteld kunnen geen voorzieningenbijdrage ontvangen voor het recreatief toegankelijk maken en houden van een natuurterrein (recreatietoeslag), maar wel een bijdrage in verband met toezicht blijven ontvangen. Dat geldt ook voor terreinen die meer dan 6 maanden per jaar zijn afgesloten. Indien de afsluiting in een jaar minder dan 6 maanden duurt, vervallen de recreatietoeslag en toezichtsbijdrage niet.

Wanneer wij niet akkoord gaan met de “niet openstelling”, verstrekken wij geen beheervergoeding.

4.2 Natuurbeheerplan en preventie natuurbranden

Beleidsdoel preventie natuurbranden

Door toenemende langdurige droogteperiodes neemt de brandbaarheid van natuur toe en daarmee ook het risico op oncontroleerbare natuurbranden. Dat heeft grote consequenties voor de veiligheid en voor de biodiversiteit in en rond natuurgebieden. Geïsoleerd levende (kleine) populaties van bijzondere soorten kunnen door grootschalige natuurbranden en de gevolgen van bluswerkzaamheden verdwijnen.

Op plaatsen met een verhoogd risico moeten soms aanvullende maatregelen worden genomen om de kans op natuurbrand te beperken en uitbreiding te voorkomen. Daarbij kunnen natuurdoelen samengaan met doelen voor brandpreventie, door bijvoorbeeld de aanleg van heidecorridors of omvorming van naald- naar loofhout op strategische plekken.

In 2019 zijn de provincie en de veiligheidsregio's met een gebiedsgerichte aanpak begonnen om risicovolle locaties en maatregelen in beeld te brengen en hierover richting eigenaren te adviseren. Vanuit dit project zijn hoofdcompartimenten in beeld gebracht. Hoofdcompartimenten kunnen ervoor zorgen dat natuurbranden niet van het ene naar het andere deelgebied overslaan. Deze compartimentering bestaat uit rijks- en provinciale wegen, trajecten van hoogspanningsmasten en spoorwegen. Nader onderzoek vindt plaats naar subcompartimentering om zo aanwezige natuurwaarden of kwetsbare objecten en locaties nog beter te beschermen. Daarbij is ook aandacht voor de verbindingen tussen heideterreinen.

Beheerdoelen gericht op brandveiligheid

Grootschalige en onbeheersbare natuurbranden zijn zeker op de Veluwe een groot risico. Dat geldt ook voor delen van het Rijk van Nijmegen en de Achterhoek. De kans daarop wordt vergroot door lange droogteperiodes in het voorjaar en de zomer.

Voor eigenaren van natuurterreinen ligt er een belangrijke opgave om de veiligheid voor inwoners, recreatieondernemingen, woon- en zorglocaties en het behouden van de natuurkwaliteit zo veel mogelijk te garanderen. Samenwerking met de veiligheidsregio’s (brandweer) is dan onontbeerlijk. Deze samenwerking moet leiden tot plannen en maatregelen om het ontstaan van natuurbranden zo veel mogelijk te voorkomen en snelle bestrijding van branden tot stand te brengen.

Financiering

Een deel van de maatregelen kan gefinancierd worden met provinciale SPUK-subsidies. Voor gebieden die onderdeel uitmaken van het Natura 2000-gebied Veluwe is het al mogelijk om maatregelen voor de preventie van natuurbranden gesubsidieerd te krijgen. Voor maatregelen in de Achterhoek of het Rijk van Nijmegen geldt dat deze gesubsidieerd kunnen worden uit de regeling voor revitalisering en omvorming bos buiten Natura 2000-gebieden.

4.3 Bijzondere aandachtspunten

-Landschapselementen buiten het Gelders Natuurnetwerk vallen bij eventuele subsidiëring onder het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Dit wordt uitgevoerd door de agrarische collectieven en waar zij vallen onder de lumpsum-beschikking van Staatsbosbeheer, door Staatsbosbeheer.

-Kaartschaal

Omdat de kaart van het Natuurbeheerplan is geënt op de topografische kaart zit er soms meer detail in dan nodig voor de aansturing van het beheer. Bijvoorbeeld kleine boomgroepjes op de heide die een structuurelement van de heide zijn, maar niet als een aparte beheereenheid “bos” onderscheiden hoeven worden; dit werkt alleen maar belemmerend. De kaartschaal van het Natuurbeheerplan wordt stapsgewijs in overeenstemming gebracht met de beleidstoepassingen. Dit is een omvangrijke exercitie die niet in volle omvang gerealiseerd zal kunnen worden.

Een terrein buiten GNN dat in het bestemmingsplan of omgevingsplan van de gemeente de bestemming natuur of bos heeft (buiten GNN) is niet automatisch subsidiabel voor de SNL.

SNL-subsidie is van toepassing op natuurterreinen indien begrenst op beheertypekaart én subsidiekaart van Natuurbeheerplan.

Echter zijn hier uitzonderingen op wanneer de gronden niet marktconform zijn verkregen.

Wel GNN maar niet subsidiabel indien eigendom van of overgedragen door (= verkoop of erfpacht):

•Rijksvastgoed

•Rijkswaterstaat

•Waterschap

•Waterleidingmaatschappij

•Gemeenten met uitzondering van bestaand oud recht (Indien sprake is van oud recht (programma beheer, SNL2009, etc.) én opeenvolgende beheerovereenkomsten (zonder onderbreking) zogenaamd voortgezet beheer.

Dit oud recht vervalt ook indien het areaal waarvoor subsidie is verkregen in hoedanigheid aangepast of verkocht wordt.

4.3.1Herstelprogramma bossen Natura 2000 Veluwe

Het herstelprogramma bossen Natura 2000 Veluwe (onderdeel van Natura 2000-beheerplan Veluwe) Herstelprogramma Bossen bevat maatregelen om de knelpunten voor het behalen van de Natura 2000-doelen in de bossen op de Veluwe op te lossen. Een belangrijke randvoorwaarde is adequaat bosbeheer in kwalificerende boshabitats. Daarnaast bevat het herstelprogramma een aantal herstelmaatregelen, waaronder een houtoogstverbod en houtoogstbeperking in kwalificerende boshabitats op de Veluwe.

De houtoogstbeperkingen en het houtoogstverbod gelden voor de bossen die kwalificeren als H9120 Beuken-Eikenbos met Hulst en H9190 Oude eikenbossen en op termijn voor de niet kwalificerende bossen binnen de maatregelbegrenzing van de herstelmaatregelen ‘Herstel historisch boscomplex; of ‘Herstel (en uitbreiding) strubbenboscomplexen (§ 6.2.1 en 6.2.2 van het Herstelprogramma bossen).

De kwalificerende bossen worden gedomineerd door inheemse loofbomen en voldoen daarmee per definitie aan de afbakening van N15.02 Dennen-, Eiken-, en Beukenbos. Alle kwalificerende bossen op de Veluwe (H9120 en H9190) worden daarom in het Natuurbeheerplan aan de beheertypen N15 Droge bossen of N14 Vochtige bossen toegevoegd, naar gelang de lokale abiotische omstandigheden (met uitzondering van de bossen die nu al onder N17 Cultuurhistorische bossen vallen).

De niet-kwalificerende bossen worden niet aan N15.02 Dennen-, Eiken-, en Beukenbos toegevoegd, tenzij de bossen nu al volledig binnen de afbakening van het beheertype N15 Droge bossen of N14 Vochtige bossen vallen, zowel voor wat betreft het beheer als de boomsoortensamenstelling.

De begrenzing van deze bossen is vaak grillig en sluit niet altijd aan op logische opstandsgrenzen en het padenstelsel. Eigenaren kunnen dus om een ruimere begrenzing van het N15.02 Dennen-, Eiken-, en Beukenbos verzoeken wanneer dit beter aansluit op de situatie buiten en de gehele begrenzing voldoet aan de afbakening van het beheertype.

Enclaves van uitheemse soorten binnen het kwalificerend habitat of andere inheemse opstanden binnen de maatregelbegrenzing van de herstelmaatregelen ‘Herstel historisch boscomplex; of ‘Herstel (en uitbreiding) strubbenboscomplexen mogen worden opgenomen binnen het N15.02, zolang deze maximaal 0,5 hectare omvatten en binnen de nieuwe beschikkingsperiode omgevormd worden naar inheems bos, dat voldoet aan de afbakening van N15.02 Dennen-, Eiken-, en Beukenbos.

In het Natuurbeheerplan 2026 zijn de Natura 2000-kwalificerende boshabitats Oude eikenbossen (H9190) en Beuken-eikenbossen met hulst (H9120) op de Veluwe omgezet naar N15.02.

4.3.2Beheer na ontgronding

Wat betreft de natuurbeheersubsidie geldt ook dat het niet mogelijk is om subsidies aan te vragen als er sprake is van een ontgronding. In het beleidsplan zand- en kleiwinning staat dat voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit een beheerplan opgesteld moet worden waarin onder andere de wijze waarop de financiering van het beheer duurzaam is veiliggesteld. Het beheer is vanuit de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit een verplichting en is daarom ook niet subsidiabel. Het beheer is onderdeel van het aanvraagformulier en wordt als voorwaarde/voorschrift opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast het beleidsplan zand- en kleiwinning wordt dit ook in de toelichting op het aanvraagformulier nader uiteengezet.

Indien bij een natuurontwikkeling vermarktbare specie of klei vrijkomt, dient inzichtelijk gemaakt te worden dat de natuurdoelen voorop staan en de opbrengsten niet opwegen tegen de kosten.

Of subsidie voor afwaardering van landbouwgrond naar natuur kan worden verstrekt dient per geval te worden bekeken.

4.3.3Subsidielijn Landschapselementen in de SNL-N-regeling

Een landschapselement komt voor subsidie in aanmerking via de SNL-N-regeling als het 1 op 1 begrensd is in het Natuurbeheerplan.

Verder geldt:

1: Landschapselement gelegen in GNN: Subsidiabel

2: Landschapselement gelegen in GO: Subsidiabel

3: Landschapselement buiten GNN en GO maar binnen leefgebied voor agrarisch natuurbeheer en in de Lumpsum-beschikking van Staatsbosbeheer: Subsidiabel

4: landschapselementen buiten GNN en GO en buiten leefgebied ANLb: niet subsidiabel. Binnen dit gebied zijn landschapselementen, waar in een voorgaande zesjarige periode al een subsidie op is afgegeven, ook subsidiabel.

Uitzonderingen:

Alleen de landschapselementen

L01.01; L01.02; L01.03; L01.05; L01.06; L01.07; L01.08; L01.09; L01.16 komen voor subsidie in aanmerking, de overige landschapselementen niet.

Een Natuurelement komt voor subsidie in aanmerking als het 1 op 1 begrensd is in het Natuurbeheerplan.

Verder geldt:

1: Element gelegen in GNN: Subsidiabel

2: Element gelegen in GO: Subsidiabel

3: Element buiten GNN en GO maar binnen leefgebied voor agrarisch natuurbeheer en in de Lumpsum- beschikking van Staatsbosbeheer: niet subsidiabel.

4: Elementen buiten GNN en GO en buiten leefgebied ANLb: niet subsidiabel.

Binnen 3 en 4 zijn natuurelementen, waar in een voorgaande zesjarige periode al een subsidie op is afgegeven, wel subsidiabel.

Binnen de gebieden 3 en 4 komt natuur die niet via een provinciale subsidieregeling voor natuur is gerealiseerd (compensatie, nieuwe landgoederen) niet voor beheer in aanmerking.

4.3.4Stikstofaanpak

Afgelopen jaren hebben we de Gelderse stikstof aanpak verder gebracht in het programma Vitaal landelijk gebied Gelderland (VLGG). We werken voorlopig niet verder aan het vaststellen van het programma VLGG. In de Statenbrief Voortgang realisatie vitaal landelijk gebied Gelderland leest u hier meer over.

We werken verder met de Versnellingsaanpak Stikstof. De doelen zijn onveranderd:

•We willen de natuur sterker maken

•We willen wonen en werken vlot trekken

•We kijken naar wat wél kan in plaats van te kijken naar wat niet kan.

Voorbereidingsbesluit stikstof-emissiearme zone

Provinciale Staten stemden in met het voorbereidingsbesluit voor de stroken (zones) van maximaal 500 meter rondom stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000-gebieden Veluwe, Landgoederen Brummen en Willinks Weust en Bekendelle bij Winterswijk.

Met dit voorbereidingsbesluit zijn alle nieuwe activiteiten die stikstof uitstoten in deze stroken voor de komende 1,5 jaar niet toegestaan. Het gaat om activiteiten waarvoor een natuurvergunning nodig is. Er zijn een paar uitzonderingen. Zo mogen bestaande activiteiten blijven doorgaan, uitbreiding ervan kan niet.

Voor meer informatie verwijzen we u graag naar de website van provincie Gelderland omtrent stikstof.

5 Uitgangspunt voor het opstellen van de beheerstrategie van de collectieven

5.1BoerenNatuur Veluwe

Deelgebied

Leefgebied

Criteria

Gelderse vallei

Dooradering

Binnenveld: watersnip, bittervoorn; Landgoederenzone: heikikker, kamsalamander, poelkikker, is ook verbinding Utrechtse Heuvelrug Veluwe. De begrenzing bij de Buzerd is voor het verbindende karakter tussen Veluwe en Utrechtse Heuvelrug.

Dooradering

Langs de randen van de Veluwe en in het Veldbeek gebied komen geelgors en in mindere mate keep voor. Het landgoederengebied in het Noorden van de Gelderse vallei is belangrijk voor grote lijster. In

Kallenbroek spotvogel. Het hele gebied is belangrijk voor de grote lijster.

Poorten Veluwe

Dooradering

De poorten van de Veluwe zijn vooral begrensd vanwege de mogelijkheden om de gradiënt van Veluwe naar IJsselvallei te kunnen versterken. De afstromende beken en sprengen zijn daarvoor de ruggengraat. Voor de volgende gidssoorten kan het leefgebied uitgebreid of verbeterd worden: beekprik in en rond de beken van het Wisselse veen en Tongerense veen en Pollense Veen, de Vaassense beken en de Klarenbeek. In de Soerense Poort en ten oosten van Voorst voor knoflookpad en kamsalamander. In de Havikerpoort is de begrenzing een logische afronding op de natuurontwikkelingsinitiatieven. Door het voorkomen van lokale kwel kunnen botanisch waardevolle graslanden ontstaan. In alle poorten geldt dat ook synergie gevonden kan worden met maatregelen die gunstig zijn voor het verhogen van de waterkwaliteit van de KRW, natuurwateren en de dooradering.

Dooradering

In de Soerense poort en de Beekbergerpoort komen geelgors en in mindere mate keep voor. Maatregelen voor overwinterende akkervogels. Het Weteringsebroek voor patrijs en zomertortel. Het hele gebied is belangrijk voor de steenuil, grote lijster en houtduif.

Randmeerkust

Open grasland

Voor Gelderland liggen hier de belangrijkste leefgebieden voor open grasland. Vooral inzetten op verbeteren mozaïek, plasdras situatie en verbeteren kruidenrijkdom. En minder op nestbescherming.

Dooradering

In de randmeerkust is een aantal gebieden die vlak naast en rondom de leefgebieden open grasland liggen zijn aangemerkt als dooradering. Deze gebieden zijn belangrijk voor weidevogels, zeker voor de iets minder kritische weidevogels maar liggen onder de minimale instapeis van 10 paar grutto per 100 ha voor weidevogelgebied voor kritische soorten of 30 broedparen per ha voor de minder kritische groep weidevogels die daar onder zit. Ook voldoet het gebied niet aan het gegeven dat het voornamelijk grasland moet zijn. Het kent een grasland-bouwland ratio van 50-50. Dat sluit een begrenzing als 'open grasland' ten behoeve van weidevogels uit. Op basis van het voorkomen van deze weidevogels kan wel via een begrenzing als dooradering aan de verbetering van optimale condities gewerkt worden. Geen perceel beheer ten behoeve van de weidevogelpopulatie maar alleen randenbeheer in de vorm van stroken kruidenrijk grasland of randenbeheer langs bouwland. Ook de omgeving van de Hierdense poort is begrensd. Hier is de begrenzing een logische afronding op de natuurontwikkelingsinitiatieven. Door het voorkomen van lokale kwel kunnen botanisch waardevolle graslanden ontstaan. Hier kan ook synergie gevonden worden met maatregelen die gunstig zijn voor het verhogen van de waterkwaliteit van de KRW en natuurwateren.

Dooradering

Op de overgangen tussen Veluwe en Randmeerkust ligt de nadruk op de overwinterende akkervogels als geelgors en keep, ook is dit het leefgebied voor steenuil. Het is van belang hierbij aan te sluiten op bestaande initiatieven.

Veluwe-Massief

Dooradering

Twee gebieden zijn begrensd voor dooradering: in de agrarische enclave voor de waterkwaliteit van de Staverdense en

Hierdense beek. In de beekdalen van deze twee beken liggen ook mogelijkheden voor de ontwikkeling van botanische hooilanden. In de enclave rondom Ginkel heeft de gemeente Ede initiatieven ontplooid om het landschap te verbetering voor watergebonden soorten. Hier kunnen ook maatregelen worden genomen ter verbetering van de waterkwaliteit. De afstromende beken en sprengen aan de oostkant van de Veluwe vormen in de overgang naar de poorten een belangrijk overgang. Voor de volgende gidssoorten kan het leefgebied uitgebreid of verbeterd worden: beekprik in en rond de beken van het Wisselse veen en Tongerense veen en Pollense Veen, de Vaassense beken en de Klarenbeek.

Dooradering

In de landbouwenclaves zoals Gorssel en Nierssen ligt de nadruk op de overwinterende akkervogels als geelgors. Daarnaast belangrijk als leefgebied voor grote lijster en met name in het noorden voor vliegend hert.

IJsseluiterwaarden

Open grasland

Wapenveldse Broek en de Hoenwaard zijn gebieden van belangrijk voor open grasland nat. Hier met name inzetten op meer plas-dras en kruidenrijkheid en minder op nestbescherming.

Dooradering

De IJsseluiterwaarden in Gelderland waren in het verleden belangrijke gebieden voor de kwartelkoning. De focus voor de bescherming van de kwartelkoning is nu gelegd bij het beheer in natuurgebieden. Als de kwartelkoning in het leefgebied wordt aangetroffen kan met last minute beheer een bijdrage worden geleverd aan een positief broedsucces.

In de dooradering ligt de nadruk op het beheer van stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden en de soorten die daar gebruik van maken.

5.2Collectief Achterhoek

Deelgebied

Leefgebied

Criteria

De Graafschap

Dooradering

Begrensd zijn de actuele kerngebieden voor kamsalamander, en een buffer eromheen met potentiële gebieden. Maatregelen toespitsen op het vergroten van het kerngebied en het verder índikken van de populatie binnen de kerngebieden door realisatie van voortplantingswateren, beheer en aanleg van kleinschalige bosjes en houtwallen, struweel en kruidenrijke graslanden in de nabijheid van de voortplantingswateren. In de omgeving van Gorssel moeten ook maatregelen voor uitbreiding van het leefgebied van de knoflookpad betrokken worden bij bovenstaande maatregelen. In de directe omgeving van potentiële voortplantingswateren (<200m) creëren van zonnige zandige plekken in akkers of in graslanden.

Dooradering

Gebied ten zuiden van landgoederenzone: patrijs; omgeving Vierakker:

steenuil; geelgors tussen Gorsselse heide en Grote Veld. Verbinding met bestaande natuurgebieden is hier ook belangrijk.

De Liemers

Dooradering

Flanken Montferland: kerkuil, patrijs, steenuil, geelgors; in Netterdense Broek: kneu.

Het middengebied

Dooradering

In het middengebied is een groot oppervlakte aangegeven als dooradering. Dit voor de instandhouding en ontwikkeling van de boomkikker en kamsalamanderpopulatie, waarvoor Gelderland op nationale schaal een grote verantwoordelijkheid heeft: 38%`van de populatie boomkikker en 35% van de kamsalamander zit in Gelderland. In het middengebied van de Achterhoek is het Beltrums veld aangewezen als een gebied voor dooradering: Het Beltrums veld is van oudsher een open gebied met veel weidevogels. De huidige weidevogelstand is net voldoende om een deel van het gebied als open grasland te begrenzen Daarbuiten kan in de dooradering aan de verbetering van optimale condities gewerkt worden. Dit gecombineerd met de wateropgave in de KRW-waterlopen. De Groenlose Slinge is van belang voor bittervoorn.

Dooradering

Zuidelijke deel ten zuiden van de lijn Ruurlo- Groenlo: kerkuil, patrijs, steenuil geelgors.

Achterhoek - Oost

Dooradering

Begrensd zijn de actuele kerngebieden voor kamsalamander, en een buffer eromheen met potentiële gebieden. Maatregelen toespitsen op het vergroten van het kerngebied en het verder índikken' van de populatie binnen de kerngebieden door realisatie van voortplantingswateren, beheer en aanleg van kleinschalige bosjes en houtwallen, struweel en kruidenrijke graslanden in de nabijheid van de voortplantingswateren.

Dooradering

In het gehele gebied patrijs, steenuil en geelgors. Voor Winterswijk-Oost komt daar ook de kneu bij.

IJsseluiterwaarden

Dooradering

De IJsseluiterwaarden in Gelderland waren in het verleden belangrijke gebieden voor de kwartelkoning. De focus voor de bescherming van de kwartelkoning is nu gelegd bij het beheer in natuurgebieden. Als de kwartelkoning in het leefgebied wordt aangetroffen kan met last minute beheer aan bijdrage worden geleverd aan een positief broedsucces.

In de dooradering ligt de nadruk op het beheer van stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden en de soorten die daar gebruik van maken.

5.3Collectief Rivierenland

Deelgebied

Leefgebied

Criteria

Betuwe

Open grasland

In de bestaande weidevogelgebieden in het open grasland nat vooral werken aan vergroten kruidenrijkdom en vernatting van de percelen.

Dooradering

Kamsalamander koppelen aan gebieden rondom de open graslanden. Park Lingezegen is het leefgebied van soorten als grote modderkruiper, bittervoorn en tureluur. Schoon oppervlaktewater is essentieel voor het voorkomen van deze soorten. Synergie zoeken met blauwe diensten. De aanwezigheid van water- oevervegetatie is belangrijk.

Dooradering

Park Lingezegen is aangewezen als dooradering vanwege de potenties voor de ontwikkeling van de populaties steenuil en patrijs, en omdat er synergie is vanuit de initiatieven in Park Lingezegen en Lingewaard. Het gebied rond Landgoed Hemmen is opgenomen vanwege de mogelijkheden om via mozaïek van opgaande beplanting, struwelen en ruigten en vooral in combinatie met akkerranden gericht op akkervogels en soorten als kerkuil, steenuil, keep en kneu aan te trekken. Deze zitten vooral in de overstaande gewassen van akkers in de winter. Ook vogels van het vochtige loofbos zoals spotvogel. Het gebied tussen Kesteren en het Amsterdam-Rijnkanaal staat op de kaart vanwege de kalkrijke akkers rondom de Mars bij Lienden met potenties voor de overwinterende akkervogels als kneu en kramsvogel. Overige deel voor steenuil.

De uiterwaarden in Gelderland waren in het verleden belangrijke gebieden voor de kwartelkoning. De focus voor de bescherming van de kwartelkoning is nu gelegd bij het beheer in natuurgebieden. Als de kwartelkoning in het leefgebied wordt aangetroffen kan met last minute beheer aan bijdrage worden geleverd aan een positief broedsucces.

In de dooradering in de uiterwaarden ligt de nadruk op het beheer van stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden en de soorten die daar gebruik van maken.

Bommelerwaard

Open grasland

In de bestaande weidevogelgebieden in het open grasland nat vooral werken aan vergroten kruidenrijkdom en vernatting van de percelen.

Dooradering

De wateren rondom de Capreton zijn begrensd vanwege de aanwezigheid van de bittervoorn. Maatregelen treffen ter bevordering van deze soort. Deze zitten vooral in het verbeteren van de waterkwaliteit door mest- en spuitvrije zones direct grenzend aan watergangen en bittervoornvriendelijk slootbeheer. In het soortenfiche van de bittervoorn staan de maatregelen concreet genoemd.

Dooradering

Begrensd zijn de oeverwallen bij Bruchem en het eiland van Alem vanwege de ontwikkelingsmogelijkheden voor patrijs en overwinterende akkervogels. Inzetten op een mozaïek van struwelen en ruigten.

Land van Maas en Waal

Dooradering

Actueel komt kamsalamander voor in en rond de wateren van de grote wetering en ten oosten van de Hatertse vennen. In de verbindingszone hiertussen zijn al diverse maatregelen getroffen ter verbetering van het leefgebied van de kamsalamander. Maatregelen treffen om het leefgebied verder te vergroten. De grote wetering is de ruggengraat voor de natte EVZ.

Dooradering

Oeverwal Neder-Rijn: voornamelijk voor steenuil; Heumen Horssen voor patrijs, spotvogel en steenuil. Ook de grote lijster heeft hier een zwaartepunt in zijn verspreiding.

Ooijpolder-Duffelt

Dooradering

Circul van de Ooij is actueel leefgebied van kamsalamander, Maatregelen treffen om het leefgebied verder te vergroten.

Daaraan meekoppelmaatregelen die gunstig zijn voor tureluur. Ooijpolder-Duffelt is ook leefgebied van de rosse vleermuis. Ze jagen voornamelijk boven moerassen, open water, vochtige weilanden en bosranden op grotere insecten (bijvoorbeeld krekels), die ze in de vlucht vangen en eten. Soms vangen ze ook prooi van de grond. Ook kleine vliegjes worden gevangen. Maatregelen treffen om dit biotoop te vergroten.

Dooradering

Duffelt: overwinterende akkervogels zoals geelgors, kneu gecombineerd met patrijs, steenuil en kerkuil en zangvogels van “oude vochtige opgaande begroeiing” zoals spotvogel.

Ooijpolder: patrijs, steenuil, kerkuil, spotvogel. De Ooijpolder en de Duffelt zijn ook belangrijke leefgebieden voor grote lijster en de zomertortel.

Rijk van Nijmegen

Dooradering

De flanken van de stuwwal zijn leefgebied voor overwinterende akkervogels: geelgors, keep en in mindere mate kneu. In het bekken van Groesbeek: kerkuil, steenuil en kramsvogel. Het gehele gebied is belangrijk leefgebied voor de grote lijster en vliegend hert. Het gebied tussen Nijmegen en Malden heeft daarnaast ook een belangrijke verbindende functie.

Rijnstrangen

Dooradering

In de Rijnstrangen is een gebied voor dooradering aangemerkt: Het Duivense Broek. Het is van oudsher een open weidevogelgebied. De huidige weidevogelstand is lager dan de in 4.3 aangegeven minimale instapeis van 10 paar grutto per 100 hectare voor weidevogelgebied voor kritische soorten of 30 broedparen per hectare voor de groep weidevogels die daar onder zit. Ook voldoet het gebied niet aan het gegeven dat het voornamelijk grasland moet zijn. Het kent een grasland- bouwland ratio van 50-50. Dat sluit een begrenzing als 'open grasland' uit voor weidevogels. Op basis van het voorkomen van deze weidevogels kan wel via een begrenzing als dooradering aan de verbetering van optimale condities gewerkt worden. Dit kan gecombineerd worden met de wateropgave in de kaderrichtlijnwater waterlopen Wijde wetering en Zevenaarse wetering voor de bittervoorn. Deze maatregelen kunnen elkaar versterken. Inzetten op randenbeheer in de vorm van stroken kruidenrijk grasland of randenbeheer langs bouwland en overgang van droog naar nat om plas-drassituatie te creëren. Het gebied ten zuiden van Zevenaar is actueel leefgebied van kamsalamander en rugstreeppad. Maatregelen treffen ter verbetering en vergroting van het leefgebied van deze twee soorten. Zie ook de beschrijving van de soortenfiches voor de beschrijving van de maatregelen. De Rijnstrangen zijn ook leefgebied van de rosse vleermuis. Ze jagen voornamelijk boven moerassen, open water, vochtige weilanden en bosranden op grotere insecten (bijvoorbeeld krekels), die ze in de vlucht vangen en eten. Soms vangen ze ook prooi van de grond. Ook kleine vliegjes worden gevangen. Maatregelen treffen om dit biotoop te vergroten.

Dooradering

De Rijnstrangen is een belangrijk overwinteringsgebied voor akkervogels van kleinschalige akkers zoals kneu. Ook patrijs, steenuil en kramsvogel komen voor. Gebied is ook belangrijk voor zangvogels van “oude vochtige opgaande begroeiing” zoals spotvogel.

Tieler- en Culemborger waarden

Open grasland

In de bestaande weidevogelgebieden in het open grasland nat vooral werken aan vergroten kruidenrijkdom en vernatting van de percelen.

Dooradering

Kamsalamander koppelen aan weidevogelgebied in Leuvense

Broek en Rijswijkseveld, en de omgeving van de Nieuwe Zuiderlingelinie. De Linge en zijn zijrivieren zijn begrensd vanwege de aanwezigheid van de bittervoorn. Maatregelen treffen ter bevordering van deze soort. Deze zitten vooral in het verbeteren van de waterkwaliteit door mest- en spuitvrije zones direct aan grenzend aan watergangen en bittervoornvriendelijk slootbeheer. In het soortenfiche van de bittervoorn staan maatregelen concreet genoemd.

Dooradering

Oeverwallen van de Linge zijn begrensd vanwege hun verbindende eigenschappen. Daarnaast vormen deze oeverwallen potentieel leefgebied voor soorten als spotvogel en steenuil. Naast de oeverwallen van de Linge zijn ook een aantal aangrenzende akkerbouwgebieden begrensd. In deze gebieden ligt de nadruk op overwinterende akkervogels.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.