Provinciale wetgeving

Natuurbeheerplan 2027 Fryslân

Provincie Fryslân · geldt sinds 1 oktober 2026

Aanhef

Op 22 september 2026 hebben Gedeputeerde Staten van Fryslân het Natuurbeheerplan Fryslân 2027 en de Reactienota Natuurbeheerplan Fryslân 2027 vastgesteld. Het Natuurbeheerplan geeft de actuele en beoogde natuurdoelen weer. Het Natuurbeheerplan is onderdeel van het stelsel voor subsidiëring van natuurterreinen, agrarisch natuurbeheer en landschapselementen.

Grondeigenaren kunnen met het Natuurbeheerplan nagaan welke natuurdoelen zijn gesteld op hun terreinen en wat de precieze begrenzing van de verschillende doelen is. Het is van belang dat de doelen zowel ambitieus als reëel zijn en dat de afbakening van de verschillende doelen op de plankaart overeenkomt met de werkelijkheid.

Procedure

Het Natuurbeheerplan Fryslân 2027 is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Belanghebbenden hebben de mogelijkheid om na publicatie binnen 6 weken, van 30 september tot en met 11 november 2026, beroep in te dienen bij de Rechtbank Noord-Nederland. U vindt meer informatie op de website: http://www.fryslan.frl/natuurbeheerplan2027.

Heeft u vragen? Dan kunt u contact opnemen met het Klantcontactcentrum via 058 - 292 59 25 of provincie@fryslan.frl. Zij helpen u graag verder.

2. Beleidskader

2.3 Provinciaal beleid

2.3.1 Omgevingsverordening Fryslân 2022, begrenzing natuurgebieden

De Omgevingsverordening bevat provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Het gaat hier om bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed, werelderfgoed en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.

In de verordening zijn ook de begrenzingen van de natuurgebieden in Fryslân vastgelegd. Verzoeken voor het aanpassen van de begrenzing van natuurgebieden, zowel binnen en buiten het NNN, dienen te worden ingediend in kader van deze verordening en niet in kader van het Natuurbeheerplan. Verzoeken worden op basis van de ecologische- en hydrologische waarden en ruimtelijke samenhang door een commissie beoordeeld. Hierbij wordt ook de oppervlakte bijgehouden, gezien het NNN niet in oppervlakte mag krimpen. Aanpassingen worden kenbaar gemaakt en ter inzage gelegd via een wijzigingsverordening en worden verwerkt op de beheer- en ambitietypenkaart van het Natuurbeheerplan. Voorbeelden van verzoeken kunnen zijn:

•Het herstellen van kadastrale fouten;

•Verschillen met andere planologische beleidsdocumenten zoals bestemmingsplannen corrigeren;

•Het perceel kan een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van natuurpotenties van het omliggende NNN-gebied, bijvoorbeeld doordat het kan bijdragen aan het herstel van de hydrologie, andere systeemherstelmaatregelen of als (alternatieve) verbindingszone (overwegen toe te voegen);

•Toevoegingen of verwijderingen van natuurterreinen op kaart. Hieronder kunnen ook verzoeken vallen als het omzetten van een natuurterrein van buiten naar binnen het natuurnetwerk.

2.3.2 Fryslân Klimaatbestendig 2050+

In Fryslân raken steeds nadrukkelijker de grenzen van ons water- en bodemsysteem in zicht. Door klimaatverandering en bodemdaling neemt de kans op overstromingen, wateroverlast, droogteschade, hittestress en verzilting toe. Dit heeft o.a. gevolgen voor grond- en oppervlaktewater, voor zowel de afvoer en aanvoer van water, voor waterkwaliteit, alsook voor waterveiligheid. De maatschappelijke consequenties hiervan worden steeds meer merkbaar en zullen alsmaar groter worden als we niets doen. Zeker in Fryslân. Veel opgaven komen hier samen (verdroging, verzilting, zoetwaterbeschikbaarheid, wateroverlast, veenoxidatie, waterkwaliteitsopgaven, bodemdaling, etc.). Daarom schreven Wetterskip Fryslân en Provinsje Fryslân gezamenlijk de toekomstvisie Fryslân Klimaatbestendig 2050+ (FK2050). FK2050 is een toekomstvisie, gebaseerd op hydrologische analyses van Provinsje Fryslân en Wetterskip Fryslân. De visie laat zien wat het betekent als de natuurlijke water- en bodemsystemen sturend zijn in het toekomstige water- en bodembeheer en de doorwerking daarvan in ruimtelijke beslissingen. FK2050 is daarmee geen blauwdruk voor Fryslân anno 2050, maar levert input voor de ruimtelijke keuzes die we in overleg met partijen in de gebieden nader invullen. FK2050 toont aan dat “doorgaan op de huidige voet” grote, onomkeerbare nadelige gevolgen heeft voor Fryslân. FK2050 is tevens de Friese doorvertaling van de Kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend in de Ruimtelijke Inrichting’ (WaBoS, 25-11-2025). FK2050 is in juni/juli 2023 vastgesteld door GS van Provinsje Fryslân en het DB en AB van Wetterskip Fryslân. De uitgangspunten van FK2050 vinden doorwerking als bouwsteen in de aanstaande vernieuwing van de Provinciale Omgevingsvisie.

2.3.3 Grutsk op ‘e Romte

Dit is de provinciale thematische visie voor landschap en cultuurhistorie die gekoppeld is aan de omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. In deze visie worden de landschappelijke en cultuurhistorische structuren en elementen van provinciaal belang beschreven en van adviezen voorzien. Dit gebeurt op provinciale schaal in een Top 10 van provinciale belangen. Relevante structuren uit de Top 10 zijn onder andere: de verscheidenheid van landschapstypen; openheid en weidsheid; het watersysteem, het stelsel van dijken, reliëf, verkaveling, het archeologische bodemarchief en groene landschapselementen. Daarnaast zijn er per gebied structuren en elementen aangewezen van provinciaal belang. Deze zijn in Bijlage 11: Kaart Grutsk op ‘e Romte opgenomen.

2.3.4 De romte diele

Veel provinciaal beleid, programma’s en projecten raken de Friese leefomgeving waarin mensen wonen, werken, zich verplaatsen, elkaar ontmoeten en recreëren. In de Omgevingsvisie De romte diele staat waar de provincie met de leefomgeving van Fryslân naar toe wil: de ambitie en doelen voor de toekomst. Het is een visie voor de lange termijn op een tamelijk hoog abstractieniveau. De visie geeft de richting aan waar de provincie met allerlei partijen naar toe wil werken. Samen met verschillende organisaties, inwoners en ondernemers in Fryslân geeft de provincie nu invulling aan deze visie. Dit gebeurt in programma’s, concrete projecten en initiatieven. En zo nodig ook in regels.

De Provinciale Omgevingsvisie vervangt het strategisch beleid van de provincie in het Streekplan, Milieubeleidsplan, Waterhuishoudingsplan en het Verkeer- en vervoerplan. In de visie is aangegeven wat de provincie doet om de huidige basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden. Dit is opgenomen in het onderdeel Basis op orde waarbij voor landschap en cultuurhistorie verwezen wordt naar de visie Grutsk op ‘e Romte. Bij ontwikkelingen is het belangrijk dat er gewerkt wordt via een aantal inhoudelijke principes en samenwerkingsprincipes. Daarnaast wil de provincie extra inzetten op vier urgente, integrale opgaven:

•Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar houden;

•Energietransitie met kracht voortzetten;

•Fryslân klimaatadaptief inrichten;

•Versterken biodiversiteit.

Gelet op de urgente opgaven wordt op dit moment gewerkt aan een vernieuwing van de Provinciale Omgevingsvisie.

2.3.5 Landbouwbeleidsbrief 2025-2030 "Noflik Buorkje yn Fryslân"

Deze beleidsbrief geeft op hoofdlijnen aan waar de Provinsje Fryslân zich voor het beleidsveld landbouw op wil richten in de periode tot 2030. De beleidsbrief, opgesteld met boeren, natuurorganisaties, onderwijsinstellingen, agrarische belangenbehartigers en het bedrijfsleven, richt zich op een meerjarig en kansrijk toekomstperspectief voor de Friese landbouw. De provincie heeft, boven op de bestaande financiële landbouwmiddelen, € 2 miljoen beschikbaar gesteld om de ambities uit de beleidsbrief te realiseren. De maatregelen kunnen variëren van subsidies op investeringen en betere voorzieningen tot het werken aan korte ketens en innovatie. Het sluiten van kringlopen is een belangrijk thema met het oog op de afschaffing van de derogatie en de mestcrisis die daardoor is ontstaan. Ook het aansturen op een zogenaamde ‘Landbouwhoofdstructuur’ komt erin terug. Hierbinnen wordt hoogwaardige landbouwgrond beschermd en worden agrarische ontwikkelmogelijkheden meer afgestemd op de natuurlijke omstandigheden in een gebied. Dit houdt ook verband met de nieuwe Provinciale Omgevingsvisie waaraan wordt gewerkt.

2.3.6 Veenweideprogramma 2021-2030

Eind mei 2021 werd het Veenweideprogramma 2021-2030 door Provinciale Staten Fryslân en het Algemeen Bestuur van Wetterskip Fryslân aangenomen. Voor de lange termijn (2050) richt het programma zich op een veenweidegebied waarin veenafbraak, bodemdaling en CO2-uitstoot nagenoeg zijn gestopt. De kwaliteiten van landschap en natuur zijn verbeterd. Ook de leefbaarheid en vitaliteit staan hoog op de agenda; de landbouw heeft zich kunnen aanpassen aan de veranderde omstandigheden en recreatie en toerisme hebben zich verder ontwikkeld. De visie beschrijft de aanpak in de periode tot 2030.

De ambitie is om in gebieden met een veendek van dikker dan 80 cm een gemiddeld streefpeil van 40 cm beneden maaiveld te realiseren, d.m.v. een gebiedsgerichte aanpak. Dus van onderop en samen met boeren, ondernemers, natuurbeheerders, bewoners etc. Kansen voor meerwaarde worden er o.a. gezien voor doelen ten aanzien van biodiversiteit, bijvoorbeeld met betrekking tot weidevogels.

2.3.7 Nota weidevogels 2021-2030

In de Nota weidevogels 2021-2030 constateert de Provincie dat herstel voor de steltlopers als grutto, kievit en scholekster zonder verdergaande maatregelen niet gaat lukken. De provincie wil haar beleid dan ook aanscherpen en aanvullende maatregelen treffen. Provinciale Staten kozen op basis van de evaluatie, startnotitie en genoemde aanbevelingen voor het volgende ambitieniveau:

“Ombuigen van de neerwaartse spiraal in een opwaartse trend van veel weidevogelsoorten, met als inzet groei van de weidevogelpopulaties. Voor de gidssoort grutto wordt daarbij gestreefd naar minimaal 10.000 broedparen in Fryslân in 2030. Doel is per soort een opwaartse trend van circa 30% te realiseren die leidt tot duurzame populaties.”

Dit doel is vastgelegd in de Nota Weidevogels 2021-2030, welke door Provinciale Staten op 24 november 2021 is aangenomen. Daarbij fungeert de grutto als gidssoort. Voorop staat het ombuigen van de neerwaartse spiraal in een opwaartse trend met perspectief op duurzame, levensvatbare populaties. Daarvoor wordt ingezet op een jaarlijkse nestoverleving van minimaal 70% én een Bruto Territoriaal Broedsucces (BTS) van minimaal 70%.

2.3.8 Aanvalsplan Grutto

Op initiatief van Pieter Winsemius (oud-minister van VROM), It Fryske Gea, de Friese Milieu Federatie en Vogelbescherming Nederland is met inbreng van zes weidevogelprovincies, landbouworganisaties, natuurorganisaties en wetenschappers, het Aanvalsplan Grutto (2020) opgesteld. Met dit plan moet het lukken de neerwaartse trend van de grutto en andere weidevogels te keren. De organisaties putten daarbij inspiratie uit succesvolle aanvalsplannen met een symboolsoort, zoals de zalm bij het schoonmaken van de Rijn na de Sandozramp in 1986 en de zeehond bij de verbetering van de Waddennatuur. Dieren en planten vormen immers de thermometer van de kwaliteit van de natuur.

Om de grutto te redden zijn optimale inrichting en beheer vereist in speciaal aan te wijzen kansrijke gebieden voor weidevogels. Deze gebieden moeten van voldoende omvang zijn om te kunnen fungeren als brongebied voor het herstel van de populaties grutto’s en andere weidevogels. De kansgebieden liggen in laag-Nederland, in de weidevogelprovincies: Friesland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Groningen, Gelderland en Overijssel. Provincies selecteren de kansgebieden samen met boeren, natuurorganisaties en betrokken vrijwilligers. Het aanvalsplan stelt voor om de kerngebieden te vergroten, het waterpeil tijdens het broedseizoen omhoog te brengen, het agrarische landgebruik aan te passen en maatregelen tegen predatoren in te zetten.

Voor het Aanvalsplan Grutto worden extra middelen beschikbaar gesteld om grote gebieden (streven 1000 ha) te optimaliseren voor weidevogelbeheer. Dit betreft zowel bestaande natuurgebieden met een weidevogeldoelstelling (N13.01 Vochtig weidevogelgrasland) als landbouwgrond (“open grasland”) waar agrarisch natuurbeheer wordt toegepast. In de Nota Weidevogels 2021 -2030 zijn de grote gebieden benoemd als “Weidevogelplusgebieden”.

2.3.9 Friese Bomen- en Bossenstrategie

In juli 2022 is de Friese Bomen- en bossenstrategie vastgesteld, de Friese aanpak voor CO2-vastlegging. De Provinsje Fryslân wil door middel van bomen, bos en natte natuur bijdragen aan de Europese en landelijke opgave voor CO2-vastlegging. Doel is om een bijdrage te leveren aan het beperken van de effecten van klimaatverandering en tegelijkertijd de biodiversiteit en de ruimtelijke kwaliteit te versterken. In lijn met de landelijke Bossenstrategie heeft de Provinsje Fryslân tot en met 2030 de ambitie om:

•Door uitbreiding van bomen, bos en natte natuur minimaal de hoeveelheid CO2 vast te leggen die we met een uitbreiding van 10% van ons bosareaal zouden vastleggen (de potentiële CO2-winst is met deze strategie voor 2030 geschat op 10.301 ton).

•Bos en landschapselementen te revitaliseren.

De ambitie is uitgewerkt langs zes sporen:

1Bosuitbreiding binnen het NNN.

2Bosuitbreiding buiten het NNN (ook dorpen, steden, bedrijventerreinen en infrastructuur).

3Revitalisering van bestaand bos (binnen en buiten NNN).

4Uitbreiding en revitalisering van landschapselementen.

5Agroforestry en voedselbos.

6Uitbreiding natte natuur (zoals kwelders en moeras).

2.3.10 Uitvoeringskader ANLb overige leefgebieden

Deze nota beschrijft het kader voor de uitvoering van agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Doel van de inzet van ANLb is: het scheppen van gunstige condities voor het leefgebied van soorten die vooral afhankelijk zijn van agrarisch gebied, ter versterking van de biodiversiteit in Fryslân. Het betreft vooral Europese beschermde soorten. Sinds 1 januari 2016 is het agrarisch natuur- en landschapsbeheer landelijk anders georganiseerd en zijn in Fryslân zeven agrarische collectieven aan de slag gegaan met de uitvoering van het ANLb. Binnen het ANLb werden vier leefgebieden onderscheiden: open grasland, open akker, droge dooradering en natte dooradering. De leefgebieden droge- en natte dooradering zijn vanaf 2023 samengevoegd in leefgebied Dooradering. Voor de inzet van ANLb in het leefgebied open grasland is er het Friese weidevogelbeleid. Voor de overige drie leefgebieden was er nog geen provinciaal kader voor de uitvoering. Daartoe is deze nota opgesteld. In de nota wordt een handreiking voor het beheer in de drie leefgebieden gegeven. Hiermee ondersteunt de provincie het ‘lerend beheren’ van de collectieven. Tevens is de nota als inhoudelijke onderlegger voor de drie leefgebieden basis voor de subsidieverlening in het Natuurbeheerplan.

De nota bevat drie hoofdonderdelen:

•Algemene uitgangspunten over verantwoordelijkheden, kansrijke leefgebieden en toepassingsbereik van dit uitvoeringskader.

•Per leefgebied zijn doelsoorten en ecologische uitgangspunten aangegeven. Als met ANLb op het leefgebied van deze soorten wordt ingezet, kan een goede (ecologische) kwaliteit worden bereikt, waar ook andere (regionale) soorten van meeprofiteren.

•Handreiking beheer per leefgebied: binnen de verschillende leefgebieden zijn ecologische en praktische accenten voor de uitvoering gelegd.

2.4 Overige beleidskaders

2.4.1 Waterbeleid

Naast Europese, nationale en provinciale natuurbeleidskaders, spelen ook andere beleidskaders een rol. Koppeling van natuurdoelen/waterdoelen kan win-win opleveren. Daarom wordt in de uitvoering van de doelen altijd naar wegen gezocht om die koppeling te realiseren.

De Provinsje Fryslân en Wetterskip Fryslân hebben LTO Noord Fryslân, als penvoerder van de Friese landbouworganisaties, opdracht gegeven de DAW-coördinatie ter hand te nemen. Het doel van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) is een bijdrage te leveren aan de wateropgaven in agrarische gebieden en het realiseren van een economisch sterke en duurzame landbouw. Daar is een intensieve samenwerking tussen het agrarische bedrijfsleven voor nodig, maar ook met de waterschappen om de knelpunten op het gebied van water op te lossen. Te denken valt aan verontreiniging van het water met te veel meststoffen of gewasbeschermingsmiddelen, verzilting, te veel dan wel te weinig water. Het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer wil de agrarische ondernemers faciliteren en de samenwerking met de waterschappen bevorderen. Binnen het Regionaal Programma KRW Landbouw wordt uitvoering gegeven aan de doelen die bijdragen aan het oplossen van de wateropgaven op het gebied van waterkwaliteit (o.a. KRW).

Het verbeteren van vismigratie door visvriendelijke aanpassing van gemalen en het (beter) passeerbaar maken van sluizen en stuwen in de beken en vaarten in Zuidoost-Friesland wordt structureel en effectief aangepakt in het kader van de KRW. Door het beter vispasseerbaar maken van stuwen en aanleggen van bredere duikers in hoofdwatergangen en schouwwatergangen waar dat effectief is, kunnen de leef- en trekmogelijkheden voor vissen sterk worden verbeterd. Daarnaast wordt ingezet op het verbeteren van de leef- en (door)trek(schuil)mogelijkheden voor vissoorten die migreren tussen zoete en zoute wateren, zoals glasaal en driedoornige stekelbaars, in doorgaande wateren in akkerfauna gebieden en daarbuiten langs de kust van de Waddenzee.

De aanpassingen in het watersysteem worden zoveel mogelijk gecombineerd met ecologische en -natuurdoelen. Zo vormen verbrede en daardoor minder intensief onderhouden wateren en natuurvriendelijke oevers groene zuiveringen. Deze zijn niet alleen leefgebieden voor waterplanten en dieren, maar ook voor riet- en watervogels, insecten, kleine zoogdieren, amfibieën, reptielen en andere dieren. Het minder intensief onderhouden van wateren (niet vaker dan 1 x per jaar en niet alles schonen) betekent ook meer ruimte voor en een grotere diversiteit van waterplanten en waterdieren, waaronder vissoorten als de Kleine en de Grote Modderkruiper, de Bittervoorn, Krabbescheer, de larve van de Groene Glazenmaker (libel) en de Zwarte Stern.

Het waterbeleid van de Provinsje Fryslân en Wetterskip Fryslân werd eerder vastgelegd in het Waterhuishoudingsplan (WHP) en het Waterbeheerplan. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het provinciale waterbeleid voortaan vastgelegd in de Omgevingsvisie en is nader uitgewerkt in het Regionaal Water Programma (RWP). Het RWP is een Omgevingsprogramma met beleidskaders en uitwerkingen voor het provinciale waterbeheer en klimaatadaptatie. Het is een wettelijk verplicht programma dat een uitwerking is van de Friese Omgevingsvisie ‘De Romte Diele’. Het beleidsmatige kader voor Wetterskip Fryslân is het wettelijk verplichte waterbeheerprogramma. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Wetterskip Fryslân is gelijktijdig met het Regionaal Waterprogramma 2022-2027 op- en vastgesteld, hierin zijn 4 programmalijnen uitgewerkt:

1Klimaatadaptatie: de Provinsje Fryslân is in 2050 zoveel mogelijk water robuust en klimaatbestendig ingericht.

2Waterveiligheid: Fryslân is beschermd tegen overstromingen, zowel vanuit het hoofd-, als in het regionaal watersysteem.

3Voldoende water: We willen niet te veel en niet te weinig water voor landbouw, industrie, recreatie, natuur en drinkwatervoorziening en een goede verdeling tussen stedelijk en landelijk gebied. Verdroging en verzilting worden zoveel mogelijk voorkomen.

4Waterkwaliteit: Water van een goede kwaliteit is van groot belang als drinkwater, voor de watervoorziening van de landbouw en daarmee voor onze voedselvoorziening, om in te zwemmen en voor natuur en biodiversiteit. Onder waterkwaliteit verstaan we zowel de ecologische kwaliteit (biodiversiteit, soorten die in het water leven zoals waterplanten en vis) als de (fysisch-) chemische kwaliteit (stoffen). De KRW-doelen en normen zijn daarbij leidend.

3. Subsidiestelsel Natuur en Landschap

3.2 Natuurbeheerplan: beheertypenkaart en ambitiekaart

3.2.1 Beheertypenkaart - Beheersubsidie natuur en landschap op grond van de SRNL

Voor natuurbeheer staat op de beheertypenkaart aangegeven welke gebieden voor subsidie in aanmerking komen. Op de beheertypenkaart wordt alle bestaande natuur weergegeven. Per oppervlakte/natuurterrein is één beheertype toegekend. Een beheerder komt alleen voor financiering van het aangewezen beheertype in aanmerking. Indien er nog geen bestaand beheertype aanwezig is, wordt het op de beheertypekaart als type N00.01 aangegeven. Dit betekent dat hier ontwikkeling tot een gewenst beheertype uit de ambitiekaart nodig is. Deze gronden komen niet direct, maar pas na inrichting of functieverandering voor beheersubsidie in aanmerking.

Op bestaande natuur kan ook subsidie voor landschapsbeheer worden verstrekt. Op de beheertypenkaart is aangegeven voor welke landschapselementen subsidies landschapsbeheer kunnen worden verstrekt. Individuele landschapselementen die in natuurbeheergebied liggen en door de provincie als zodanig worden erkend, zijn op de beheertypenkaart aangegeven.

3.2.2 Ambitiekaart- Functieverandering op grond van de SKNL

Op de ambitiekaart zijn naast de ambitie van bestaande natuurgebieden ook de ontwikkeling en realisatie opgave van natuur op kaart gezet. Het gaat hierbij om permanente omvorming van landbouwgrond naar natuur en het inrichten van deze gebieden. Het ambitietype geeft aan naar welke type natuur wordt gestreefd. De grondslag voor deze natuuropgave is vastgelegd in diverse beleidsstukken en is verdeeld in de volgende prioriteiten:

•Kader Richtlijn Water.

•Natura 2000.

•Natuurnetwerk Nederland of provinciaal Natuurnetwerk Nederland.

Landbouwgronden waar een natuuropgave op ligt worden op de beheertypekaart aangeduid met beheertype N00.01. Deze kunnen vrijwillig worden omgezet in natuur. Hierbij wordt de waardevermindering van de grond vergoed. De grond zal zowel op landbouwkundige- als natuurwaarde worden getaxeerd. Het verschil tussen deze twee taxaties is de vergoeding voor functieverandering. De omzetting van landbouwgronden naar natuur is definitief. Ook particulieren of natuurcollectieven komen voor deze vergoeding in de vorm van een subsidie voor functieverandering in aanmerking. De particulieren zijn en blijven in dat geval eigenaar van de gronden. Voor deze functieverandering bestaat sinds 2005 een fiscale vrijstelling. Particulier natuurbeheer is een belangrijk middel voor de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland.

3.2.3 Ambitiekaart- Investeringen/ kwaliteitsverbetering op grond van de SKNL

Op de ambitiekaart is aangegeven in welke gebieden gebruik kan worden gemaakt van een investeringssubsidie voor een kwaliteitsimpuls voor natuur en agrarische natuur. Op de beheertypenkaart kan nu bijvoorbeeld bos zijn aangegeven, terwijl het de bedoeling is om hier heide te ontwikkelen. De investeringssubsidie kan dan worden gebruikt voor de verandering van bos naar heide. Na het toekennen van de subsidie (vanuit SKNL) en het uitvoeren van de inrichtingsmaatregelen wordt de beheertypenkaart van het Natuurbeheerplan aangepast zodat er voor het beheer van de heide subsidie kan worden aangevraagd.

De investeringssubsidie kan gericht zijn op:

a.maatregelen voor verbetering van de natuurkwaliteit in een bestaand natuurterrein waarbij het beheertype niet verandert.

b.inrichtingsmaatregelen in een bestaand natuurterrein waarbij van het aanwezige beheertype wordt overgestapt naar het gewenste beheertype.

c.inrichtingsmaatregelen waarbij landbouwgrond wordt omgevormd naar natuurterrein.

Bij alle inrichtingsmaatregelen moet rekening worden gehouden met de kwaliteiten van het landschap zoals beschreven in de Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte.

Voor de specifieke voorwaarden met betrekking tot de verlening van een investeringssubsidie wordt verwezen naar de website Bij12.

3.2.4 Beheertypenkaart- agrarisch natuur- en landschapsbeheer

Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer onderscheiden de provincies vanaf 2023 de volgende drie leefgebieden: Open grasland, Open akkerland en Dooradering. Daarnaast wordt gewerkt met een categorie water en een categorie klimaat.

In het Natuurbeheerplan zijn deze 3 leefgebieden en categorieën weergegeven op de kaarten in Bijlage 6: Kaart Zoekgebied Agrarisch, Bijlage 7: Kaart Zoekgebied Water en Bijlage 9: Kaart Zoekgebied Klimaat. . Alleen binnen de begrenzing van de leefgebieden is het aanvragen van subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer mogelijk. De begrenzing van de leefgebieden hebben vorm gekregen in de aanloop naar het Natuurbeheerplan 2016, via overleg in gebiedsprocessen. Vanaf 2016 kan een agrarisch collectief een verzoek voor uitbreiding van het leefgebied indienen, dit moet worden onderbouwd met een uitvoerige beschrijving van te behalen resultaten.

Voor elk leefgebied worden voor de mix aan beheertypen ook subsidiecriteria meegegeven. Deze criteria beschrijven de minimale instapeisen voor een ecologisch effectieve subsidieaanvraag zoals een minimaal aantal broedparen per 100 hectare en omvang van het gebied en samenhang van broed- en foerageergebieden.

Bij de begrenzing van de leefgebieden in het Natuurbeheerplan en de keuze op welke soorten wordt ingezet, heeft de provincie rekening gehouden met de naastgelegen provincies. Dit om een goede soortenbeleidsverdeling over de provincies te garanderen. Kerngebieden en potentieel kansrijke (suboptimale) gebieden worden niet apart op de kaart gezet. Zij maken onderdeel uit van het grotere leefgebied.

Op deze wijze wordt ernaar gestreefd om het agrarisch natuur- en landschapsbeheer in te zetten in de meest kansrijke gebieden voor stabiele populaties. Hierbij is de versterking en/of verbinding van het NNN een belangrijk uitgangspunt. Ook is het gericht op de kansen voor soorten die (deels) afhankelijk zijn van het agrarische cultuurlandschap. Welke specifieke doelstellingen de provincie heeft m.b.t. soorten of soortengroepen wordt beschreven in hoofdstuk 4. Vanaf 2027 wordt het ANLb aanvullend versterkt met Rijksmiddelen uit het programma Agrarisch Natuurbeheer (ANB). Deze middelen worden conform een gezamenlijk (LVVN en IPO) opgestelde Leidraad ingezet in de prioritaire gebieden. De Leidraad wordt specifiek omschreven in hoofdstuk 4 paragraaf 4.3 en 4.4.

Voor het zoekgebied water is in hoofdstuk 4 aangegeven op welke blauwe diensten ingezet kan worden en welke criteria daarvoor gelden. Dit geldt ook voor het zoekgebied klimaat.

3.2.5 Monitoring

Monitoring is een essentieel onderdeel van de beheercyclus. De uitvoering van het natuurbeleid en beheer dient onderzocht te worden om te weten of de afgesproken doelen ook gehaald en zo nodig bijgesteld moeten worden. Behalve informatie over de gerealiseerde hectares en het daarvoor benodigde geld (kwantiteit), is ook informatie nodig over de resultaten in termen van bijv. aantallen dieren en planten (kwaliteit). Voor de monitoring van het natuurbeheer en het vernieuwde agrarisch natuur- en landschapsbeheer is een uniforme landelijke systematiek ontworpen.

Natuurbeheer

Voor de monitoring van het natuurbeheer is door de gezamenlijke provincies in overleg met de natuurbeheerders een methodiek vastgesteld, die is beschreven in de “Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS”, die te vinden is op de website Bij12.

Hierin wordt per beheertype beschreven welke monitoring noodzakelijk is en hoe deze moet worden uitgevoerd. Op deze website zijn ook bijlagen en achtergronddocumenten te downloaden.

Gecertificeerde natuurbeheerders (inclusief natuurcollectieven) hebben het recht om de monitoring zelf uit te (laten) voeren en krijgen daarvoor een monitoringssubsidie gebaseerd op de monitoringstarieven zoals vastgesteld in het openstellingsbesluit. Voor de overige natuurbeheerders voert de provincie de monitoring uit.

Agrarisch natuur- en landschapsbeheer

Voor de monitoring van het agrarisch natuurbeheer is landelijk in 2016 een systematiek ontwikkeld. Er is onderscheid gemaakt tussen beheermonitoring (het verzamelen van natuurgegevens die nodig zijn om het beheer (beter) uit te voeren) en beleidsmonitoring (het verzamelen van gegevens om de realisatie van de beleidsdoelen op provinciaal, landelijk en Europees niveau te evalueren). In 2016 is gestart met het uitvoeren van de beleidsmonitoring gericht op landelijke en provinciale meetvragen. Ook worden de meetnetten waar gewenst geoptimaliseerd om voor het provinciale beleid het verschil in trends tussen groepen van collectieven zichtbaar te maken. De verantwoordelijkheid voor de beheermonitoring bij het agrarisch natuurbeheer ligt bij de agrarische collectieven, de provincies zijn verantwoordelijk voor de beleidsmonitoring.

Water

De blauwe diensten worden ingezet op een bijdrage aan de ecologische en chemische waterkwaliteit van alle KRW-watergangen en overige watergangen en in de toekomst voor het verhogen van het waterbergend vermogen. Hiervoor is een bestaand monitoringsprogramma van waterschappen aanwezig (kwaliteit en kwantiteit), via dit programma wordt de toestand en ontwikkeling van de betreffende parameters gemonitord. Voor de blauwe diensten hoeft geen apart monitoringsprogramma ontwikkeld te worden.

Klimaat

Klimaatmaatregelen worden ingezet om een bijdrage te leveren aan CO2 vastlegging en het reduceren van broeikasgassen. Daarnaast wordt er ingezet op klimaatadaptatie door middelen van vernatten, het opvangen van waterpieken en droogte en omgaan met verzilting. Er is voor klimaatmaatregelen (ANLb) momenteel geen specifiek beleidsmonitoringsprogramma ontwikkeld.

4. Natuur- en Landschapsdoelen

4.3 Beleidsdoelen en criteria agrarisch natuur- en landschapsbeheer

4.3.1 Leefgebied Open grasland

Het leefgebied open grasland bestaat uit open landschappen met overwegend grasland, waarvan een relevant deel uit vochtig en kruidenrijk grasland bestaat, waaronder het oude greppelland. Vaak is dit leefgebied doorsneden met een fijnmazig netwerk van lijnvormige wateren: sloten en vaarten. Enige opgaande begroeiing is aanwezig als ook microreliëf in de oppervlakte in de vorm van greppels en oude slenken. Sommige weidevogelsoorten (zoals grutto) zoeken altijd de meest open delen van het landschap op. Andere soorten zijn toleranter (zoals kievit en wulp) of juist gebaat bij (noordse woelmuis) de aanwezigheid van riet of opgaande elementen. Naast broedende weidevogels is er ook beheer nodig voor overwinterende soorten. Enkele soorten, zoals houtduif, torenvalk, roek, kramsvogel en spreeuw maken vooral gebruik van het leefgebied open grasland voor voedsel en kunnen voor een groot deel meeliften met de maatregelen voor de doel-soorten.

Idealiter bestaat een kerngebied voor soorten van open grasland zowel uit natuur- als agrarische gronden die in samenhang worden beheerd, gefaseerd in ruimte en tijd. Op de natuurgronden staat de natuurfunctie voorop. Op de agrarische gronden die mede voor weidevogels worden beheerd, weegt de productiefunctie het zwaarst, maar vindt deze productie plaats binnen de voorwaarden die het behoud van biodiversiteit stelt. Beheer en inrichting van agrarisch gronden en natuurgronden worden zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Wanneer een natuurgebied geheel afwezig is, wordt in het agrarisch gebied voor het zelfstandig functioneren als kerngebied voldoende ‘op kuikenland gericht beheer’ ingezet. Op de percelen zonder kuikenlandbeheer, wordt gestreefd naar een maximale overleving van nesten door middel van nestbescherming in combinatie met maatregelen voor kuikenoverleving zoals randen- en greppelbeheer, vluchtheuvels en verbindingen met kruidenrijk grasland.

De provinciale hoofddoelen voor het ANLb-leefgebied open grasland zijn:

•Ombuigen van de neerwaartse spiraal in een opwaartse trend van veel weidevogelsoorten, met als inzet groei van de weidevogelpopulaties.

•Minimaal 10.000 broedparen grutto in Fryslân in 2030.

Het provinciale doel specifiek voor het Aanvalsplan Grutto is:

•Realiseren van minimaal 18 robuuste weidevogelplusgebieden voor het Aanvalsplan Grutto

De gidssoorten voor het ANLb-leefgebied open grasland zijn:

•Broedende weidevogels: Grutto, Scholekster, Kievit en Tureluur.

Kwaliteitscriteria leefgebied Open grasland

Omvang gebied:

•Minimaal 250 ha samenhangend agrarisch gebied aansluitend op bestaande natuurreservaten (met kwelder, extensief grasland, weidevogelgrasland) óf minimaal 100 ha samenhangend agrarisch gebied.

Weidevogelmozaïek:

•Mozaïek van samenhangend beheer

•Minimaal 0,5 ha plasdras per 100 ha gedurende het broedseizoen met kuikenland aangrenzend en passend bij de kernkwaliteiten van het landschap.

•Minimaal 5 ha per 100 ha hoog waterpeil.

•Minimaal 20% van de percelen wordt tijdens het broedseizoen beweid met melkvee en/of jongvee.

•Minimaal 1,4 ha kuikenland per grutto broedpaar, waarvan minimaal 0,7 ha kruidenrijk, hiervoor zijn de in Bijlage 13: Overzicht wegingsfactoren kuikenland gebruikt.

Beheer

•Bemesting met vaste mest en/of vaste fractie voor percelen met kruidenrijk grasland en uitgesteld maaibeheer.

•Beheerpercelen met een rustperiode liggen zoveel mogelijk buiten de invloedssfeer van verstoringsbronnen.

•Voor het gebied wordt met gebiedspartners gewerkt met planmatig predatiebeheer.

•Aanwezigheid van een gebieds-/mozaïekregisseur die zorgt voor een gecoördineerd en afgestemd beheer.

Aanvullende kwaliteitscriteria voor Aanvalsplan Grutto

De criteria voor leefgebied Open Grasland zijn ook van toepassing voor Aanvalsplan Grutto, waarbij een aantal verder zijn aangescherpt/verzwaard.

Omvang gebied:

•Minimaal 1000 hectare (netto) optimaal ingericht, bruto 2000 ha. Afwijkingen (meer/minder) mogelijk met onderbouwing op basis van ecologisch criteria.

Weidevogelmozaïek:

•Mozaïek van samenhangend beheer, niet verder dan 300 m uiteen.

•Minimaal 1 ha plasdras per 100 ha gedurende het broedseizoen met aangrenzend kruidenrijk grasland en passend bij de kernkwaliteiten van het landschap.

•Minimaal 50 ha per 100 ha beheerd gebied heeft een oppervlaktewaterpeil gemiddeld tussen de 0 - 40 -mv voor de periode 15 februari tot minimaal 1 juli met de volgende streefpeilen:

o Veen 0 - 25 cm –mv.

o Klei-op-veen 0 - 35 cm –mv.

o Klei 0 - 40 cm -mv.

•Minimaal 50 ha per 100 ha beheerd gebied bestaat uit kruidenrijk grasland met inheemse kruiden en latere en tragere grassen.

•Op minimaal 50 ha per 100 ha beheerd gebied is een rustperiode aanwezig.

•Minimaal 30 ha per 100 ha beheerd gebied wordt tijdens het broedseizoen beweid met melkvee en/of jongvee.

Beheer:

•Bemesting met vaste mest en/of vaste fractie voor percelen met kruidenrijk grasland en uitgesteld maaibeheer.

•Gebruik gewasbeschermingsmiddelen, neonicotines e.d., is niet toegestaan, evenals kunstmest.

•’s Nachts wordt niet gemaaid.

•Geen regulier maisland.

•Minimaal 50 ha per 100 ha buiten de invloedsfeer van verstoringsbronnen.

•Behoud van landschappelijk (micro) reliëf.

•Voor het gebied wordt met gebiedspartners gewerkt met planmatig predatiebeheer.

•Aanwezigheid van een gebieds-/mozaïekregisseur die zorgt voor een gecoördineerd en afgestemd beheer.

4.3.2 Leefgebied Open akker

Het leefgebied open akker bestaat uit landschappen met overwegend bouwland, waar gewassen als aardappels, granen en wortelgewassen verbouwd worden. De akkers zijn doorsneden met sloten, bermen en perceelsranden met kruiden en gras. In het gebied is microreliëf aanwezig als oude dijken, kruinige percelen en terpen. In Fryslân gaat het wat betreft ANLb-doelsoorten vooral om akkervogels. Een betere term is boerenlandvogels, omdat diverse akkervogels gebruik maken van zowel akkers als graslanden. Door intensivering van grasland in de landbouw is het belang van akkers oor deze soorten toegenomen en het belang van grasland afgenomen. Het betreft soorten als kievit, scholekster, veldleeuwerik, graspieper en gele kwikstaart, grondbroeders die voorheen in open landschappen als steppes, kwelders en natuurlijke graslanden leefden.

Akkervogels hebben een aantal basisbehoeften: ‘s zomers veilige broedgelegenheid met dekking en rust, toegang tot zomervoedsel (voornamelijk insecten) in de nabijheid van het nest en in de winter voldoende voedsel en rustgebieden. Bepaalde broedvogels, zoals gele kwikstaart en grauwe kiekendief, komen alleen in de zomer in het Friese akkergebied voor. Andere soorten, als de veldleeuwerik, vertoeven er het hele jaar, zij broeden en overwinteren er. De blauwe kiekendief broedt incidenteel in de duinen op de Waddeneilanden en deze soort foerageert met name in de winter in het akkergebied. Het akkergebied kent ook typische wintergasten, zoals gorzen en vinken, die tijdens de trek of overwintering afhankelijk zijn van niet geoogste granen en zaden van kruiden op akkers. Akkers met veel zaden en granen leveren, in de vorm van muizen, ook voedsel voor roofvogels.

De provinciale hoofddoelen voor het ANLb-leefgebied open akker zijn:

•Instandhouding en verbetering van de populatie broedende akkervogels.

•Het vergroten van de winteroverleving van akkervogels.

•Op termijn een compleet leefgebied voor akkerflora, insecten, akkervogels, zoogdieren en organismen die van belang zijn voor het bodemleven.

De gidssoorten voor het ANLb-leefgebied open akker zijn:

•Broedende vogels in open akkers: veldleeuwerik, gele kwikstaart, grauwe kiekendief en velduil

•Winterakkervogels: veldleeuwerik, geelgors en velduil.

•Soorten in besloten akkergebieden: geelgors, patrijs en kneu.

Kwaliteitscriteria leefgebied Open akker

Omvang kerngebied:

•Minimaal 250 ha samenhangend agrarisch gebied aansluitend op bestaande natuurreservaten (met kwelder, extensief grasland, ruigte) óf minimaal 500 ha samenhangend agrarisch gebied.

Akkermozaïek:

•Verhouding zomer- en winterbeheer 75:25 %.

•Afwisseling van volvelds en randenbeheer.

Aantal broedparen:

•Minimaal 2 gidssoorten als broedvogel aanwezig of in directe omgeving.

•20 broedparen overige akkervogels per 100 ha.

•10 broedparen kievit en scholekster per 100 ha.

Volveldsbeheer

•Minimaal 2 gewassen in akkervogelmozaïek

•Gemiddeld 5 ha per 100 ha is zomergraan

•Gemiddeld 10 ha per 100 is gedurende de winterperiode stoppelveld (niet van toepassing op zandgronden in verband met vigerende mestwetgeving).

•Minimaal 2 ha per 100 ha is wintervoedselgewas, verdeeld over minimaal 2 locaties

Beheer randen en overhoeken

•Minimaal 2 ha per 100 ha

•Minimaal 50% buiten de invloed van verstoringsbronnen

•Minimaal 2 clusters aanwezig per kerngebied bestaande uit minimaal 5 randen

•Randen minimaal 3 meter breed

•Randen als broedlocatie minimaal 9 meter breed en minimaal 5 ha per 100 ha

Specifiek voor velduil en grauwe kiekendief:

•Regelmatige waarnemingen van de soort in omgeving

•Minimaal 100 ha samenhangend agrarisch gebied

•Randen minimaal 6 meter breed

•Minimaal 5 ha per 100 ha meerjarige braaklegging

•Actieve nestbescherming en nestbeschermend maaien

4.3.3 Leefgebied Dooradering

Het leefgebied dooradering is een divers leefgebied, welke bestaat uit een netwerk van allerlei landschapselementen. Van opgaande begroeiing van verschillende omvang (houtwallen, houtsingels, bosjes, struwelen en hagen) tot terreintjes met droge vegetaties (dijken, bermen, ruigtezomen, droge sloten en kruidenrijke taluds). Maar ook natte landschapselementen als permanente wateren (sloten, poelen, beken en moerasjes) en tijdelijke wateren (greppels, plasdrasgebieden en pionierssituaties). Het leefgebied dooradering is niet alleen divers in uiterlijke verschijningsvorm, maar ook in functionaliteit.

Het leefgebied vervult diverse functies, zoals paai- en broedgebied, foerageergebied en schuilplaats. Vogels gebruiken elementen als opgaande begroeiing als hun broedgebied. Terwijl diezelfde elementen voor vleermuizen belangrijk zijn als voedselgebied en als oriëntering tussen de vaste rust- of verblijfplaatsen. De combinatie van droge en natte elementen naast elkaar is aantrekkelijk als voortplantingsbiotoop voor amfibieën. Terwijl de watergangen voor de vissen onmisbaar zijn als paai-, opgroei- en overwinteringsgebied. Daarnaast komen er in Fryslân specialisten voor als de bittervoorn, die eieren afzet in een zoetwatermossel en de groene glazenmaker die dit doet op krabbenscheer. Al deze soorten stellen zeer verschillende eisen aan hun leefgebied, waarbij deze afhankelijk van hun levensfase in tijd en ruimte kunnen verschillen.

Maar het leefgebied Dooradering is bovenal de ader in het landelijk gebied, welke de agrarisch natuur met elkaar en met de natuurgebieden in Fryslân verbindt. Waar de opbouw en structuur van zowel het netwerk aan landschapselementen als het landschapselement zelf belangrijk zijn om te kunnen voldoen aan de verbindende functie van dit leefgebied.

De provinciale hoofddoelen voor het ANLb-leefgebied dooradering zijn:

•Behoud en versterking van de biodiversiteit door het ontwikkelen van een robuust leefgebied.

•Handhaving van alle aanwezige ANLb-soorten, uitbreiding van het aantal broedparen en een stabiele populatie van amfibieën.

•Behoud en verbetering van het leefgebied voor vissen.

•Ontwikkeling van onbelemmerde migratieroutes en verbetering van de vrije uitwisseling tussen soorten.

De gidssoorten voor het ANLb-leefgebied dooradering zijn:

•Broedende vogels in opgaande begroeiing: gekraagde roodstaart, spotvogel, braamsluiper, grote lijster, geelgors, kneu en laatvlieger.

•Soorten in watergangen en plas-dras: grote modderkruiper en bittervoorn.

•Soorten in weides, water en moeras: meervleermuis, groene glazenmaker, noordse woelmuis, zwarte stern en poelkikker.

•Soorten in poelen: heikikker, ringslang, kamsalamander en poelkikker.

Kwaliteitscriteria leefgebied dooradering

Omvang kerngebied:

•Minimaal 100 ha samenhangend agrarisch gebied aansluitend op bestaande natuurreservaten (met kwelder, extensief grasland, ruigte) óf minimaal 250 ha samenhangend agrarisch gebied

Dooradering mozaïek:

•Minimaal 3 km per 100 ha is beheerde opgaande begroeiing óf totale lengte watergangen/ Opp. met beheer minimaal gelijk aan minimum biotoop omvang v/d soort voor een stabiele populatie verspreidt over minimaal 3 watergangen (zie soortenfiches)

•Verschillende fasen element in tijd en ruimte aanwezig

•Elementen zijn zoveel mogelijk zonder belemmeringen met elkaar verbonden

Aantal gidssoorten:

•Minimaal 2 gidssoorten als broedvogel aanwezig of in directe omgeving óf minimaal 2 andere gidssoorten zijnde geen broedvogel aanwezig of in directe omgeving

Opgaande elementen:

•Minimaal 2 lagen aanwezig (boom, mantel, zoom, kruid)

•Inheemse soorten domineren

•Besdragende soorten zijn aanwezig

Watergangen

•Voldoen aan behoefte als overwinter-, voortplant- en opgroeigebied voor de gidssoorten

•Taluds worden niet voor september gemaaid

•Schonen wordt gefaseerd uitgevoerd waarbij 50% van de watervegetatie en bagger wordt gespaard

Poelen

•Minimaal 3 poelen binnen 500 meter aanwezig welke voldoen aan de biotoopeisen

•25-30% wordt per jaar geschoond in het najaar

•Minimaal 50% bestaat uit water

•5 meter rondom de poel wordt niet bemest en bespoten

•Binnen 300 meter is landbiotoop aanwezig

4.3.4 Groeimiddelen 2027 binnen prioritaire gebieden

Voor de inzet van groeimiddelen in 2027 in prioritaire gebieden volgens Leidraad 2.0 wordt een set aan inhoudelijke eisen gehanteerd, waarmee wordt toegewerkt naar een groter aandeel geconcentreerd zwaar beheer in deze gebieden. Deze prioritaire gebieden zijn:

1Kerngebieden voor de grutto

Het betreft de leefgebieden voor de grutto:

•Concentratiegebieden voor de grutto zoals benoemd in het concentratiegebiedenrapport van SOVON;

•Aanvalsplan Grutto gebieden;

•Gebieden rondom de 25 bestaande VR-gebieden (landelijk) waaraan instandhoudingsdoelen voor de grutto worden toegevoegd.

2In en rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden

Het betreft landbouwgrond in en rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, inclusief bovenstrooms en aangrenzend gelegen beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. Indien deze leefgebieden zijn begrensd als open akkerland, dooradering of open grasland (indien geen kerngebied voor de grutto) dan gelden de volgende richtinggevende landelijke uniforme criteria voor beoordeling van de gebiedsaanvragen:

•Clusters van minimaal 100 ha (robuust genoeg);

•Minimaal 10% (zware) beheermaatregelen binnen het cluster:

o De verhouding van de inzet van de beheermaatregelen wordt gericht op de specifieke doelstellingen in het gebied en synergie tussen de betreffende leefgebieden/categorieën;

o Bij voorkeur toepassing van volveldse maatregelen;

o Beperkte toepassing van drijf- en kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen.

o Lichte beheermaatregelen zoals bodemverbetering, legselbeheer en ruige mest kunnen wel aanvullend op de 10% zware beheermaatregelen worden ingezet.

4.4 Beleidsdoelen en Categorie water en klimaat

4.4.1 Categorie Water

In het Natuurpact en de overeenkomst met de Manifestpartijen zijn afspraken gemaakt om naast internationale soortendoelen ook internationale Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen op te nemen.

Die doelen zijn gericht op een zo goed mogelijke ecologische en chemische toestand in alle wateren. De doelen zijn voor de grotere wateren, de KRW-waterlichamen, kwantitatief beschreven in zogenaamde factsheets die gekoppeld zijn aan het Waterhuishoudingsplan4 en het Waterbeheerplan /Regionaal Waterprogramma. De streefdoelen voor overige wateren zijn per watertype vastgelegd in een aantal landelijke rapporten van de STOWA en worden komende jaren, samen met betrokken partijen, voor de Friese situatie nader ingevuld.

Om de KRW-doelen te realiseren is het noodzakelijk om in en rond watergangen maatregelen te nemen. Dat betreft vooral inrichtingsmaatregelen en maatregelen om de belasting van het watersysteem met nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen te voorkomen/beperken. Het gaat daarbij met name om:

•Maatregelen die de af- en uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen van agrarische percelen en erven verminderen.

•De aanleg of het reserveren van (delen in) watergangen die geschikt zijn voor de groei van waterplanten en de daarop en tussen levende waterdieren.

•De aanleg van groene zuiveringen.

Voor Categorie Water, welke de gehele provincie beslaat, wordt met randenbeheer langs wateren en het ecologisch schonen van water en talud gestreefd naar het verbeteren van de waterkwaliteit. Voor Fryslân geldt dat de ecologische doelen voor de KRW-oppervlaktewaterlichamen nog niet gehaald worden (mede) vanwege een te hoge belasting van die wateren met nutriënten en/of gewasbeschermingsmiddelen. Uit di-verse studies is gebleken dat de KRW-doelen niet haalbaar zijn vanwege de afspoeling van deze stoffen uit landbouwpercelen. De afspoeling van fosfaat en gewasbeschermingsmiddelen is niet overal in Fryslân ge-lijk. Daarom is in Bijlage 8: Kaart Prioritaire gebieden Zoekgebied Water een kaart opgenomen als onder-steuning voor deze categorie. Aan de hand van een gebiedsanalyse, uitgevoerd door Wetterskip Fryslân, is op deze kaart aangegeven in welke gebieden de aandacht voor vermindering van afspoeling prioriteit heeft. Hierin hebben de rode gebieden (1) de hoogste prioriteit en de gele gebieden (4) de minst hoge prioriteit. Binnen deze gebieden worden er mogelijkheden geboden om via randenbeheer de afspoeling van fosfaten en gewasbeschermingsmiddelen te verminderen.

4.4.2 Categorie Klimaat

Met het nieuwe GLB-NSP is per 1 januari 2023 een nieuwe categorie toegevoegd: de categorie Klimaat. Met deze categorie wordt de subsidiering van een gedeelte van de klimaatopgave voor de provincies in het ANLb meegenomen. Dit is in overeenstemming met de kaders van het Klimaatakkoord en de Nationale Klimaat adaptatiestrategie. De doelen zijn tweeledig: klimaatmitigatie (het tegengaan van klimaatverandering) en klimaatadaptatie (het omgaan met de gevolgen van klimaatverandering). Het kader voor toepassing van de ANLb middelen en beheerpakketten conform de catalogus beheerpakketten BoerenNatuur 2023 wordt hieronder nader toegelicht.

De collectieven sluiten de beheerpakketten die bijdragen aan de doelen van categorie Klimaat zoveel mogelijk af in synergie met de beheerpakketten in andere leefgebieden en de activiteiten vanuit de ecoregelingen.

Klimaatmitigatie

Klimaatmitigatie bestaat uit de volgende drie maatregelen:

1Verhogen gehalte organische stof in akkerbouwbodems en grasland.

Omdat zowel niet-kerende grondbewerking als blijvend grasland waarschijnlijk via de ecoregeling worden vergoed, wil de provincie in het ANLb op dit onderdeel vooral inzetten op het gebruik van ruige stalmest, compost of bokashi en het inzetten van vanggewassen en groenbemesters.

2Aanpassing gewaskeuze en teelttechniek in akkerbouw en weidegebied, inclusief onderhoud en beheer van nieuwe boomrijen, nieuwe struweellinten, het toepassen van meer CO2-bindende gewassen en precisie-landbouw.

Binnen deze maatregel past het beheer van houtige landschapselementen, voor zover deze een extra bijdrage leveren aan de opslag van CO2. De focus hierbij ligt op het behoud van jonge houtige elementen en het aanleggen van nieuwe houtige elementen. CO2 opslag in hout stopt na verjaring van het element. Hierom hanteert de provincie een peildatum van jonge of nieuwe landschapselementen. Regulier onderhoud van al bestaande elementen levert namelijk weinig extra’s op voor CO2-opslag. De inrichting van deze elementen kan niet via het ANLb plaatsvinden. Vanuit het ANLb kan slechts het beheer worden betaald. Voor deze maatregel zal de verbinding gezocht worden met bijvoorbeeld de Bossenstrategie en programma Landschap van de provincie. Ook vanuit het NSP (hoofdstuk 5.10) worden mogelijkheden geboden voor de aanleg van landschapselementen in het kader van Niet-productieve investeringen voor landbouwbedrijven.

3Vermindering oxidatie van veenbodems, onder andere via verhoging grondwaterpeil en/of overstap naar natte teelten.

Wanneer veen verdroogt, klinkt het in. Dit proces veroorzaakt bodemdaling en hierbij komt CO2 vrij. De meest effectieve manier om dit tegen te gaan is het opzetten van het waterpeil (het slootpeil) in combinatie met het verhogen van de grondwaterstanden in percelen in veenweidegebieden. Dit laatste kan bijvoorbeeld met behulp van waterinfiltratiesystemen. Dit betreft maatwerk en dient gebiedsgericht te gebeuren in nauw overleg met Wetterskip Fryslân. Het gaat dan met name over het verhogen van de grondwaterstanden in de percelen in de droge maanden. Het toepassen van natte teelten kan hierin een mogelijkheid zijn. Echter hierbij dient wel goed gekeken worden naar de effecten van deze vorm van teelten op andere doelen, bijvoorbeeld waterkwaliteit en biodiversiteit.

Klimaatadaptatie:

Klimaatadaptatie bestaat uit de volgende twee maatregelen:

1Meer water vasthouden in beekdalen en in infiltratiegebieden (hogere zandgronden)

Het vasthouden van water in beekdalen is een maatregel die vooral door de eigenaren van de waterlopen (Wetterskip Fryslân, Provinsje Fryslân en TBO’s) kan worden uitgevoerd. Dit kan ook via de gebiedsprocessen in het kader van de natuurontwikkeling zoals onder meer het her-meanderen van beken en het anders inrichten van beken. Via deze gebiedsprocessen (i.s.m. de collectieven) kunnen ook met aanliggende boeren pakketten worden afgesloten voor het water vasthouden op deze percelen. Deze doelen gelden ook voor percelen nabij droogtegevoelige natuurgebieden op onder meer de hogere zandgronden. Water vasthouden is verder al een bestaande beheerfunctie in het huidige ANLb, die met name bediend wordt door het verhogen van het gehalte organische stof.

2Adaptatie aan de verwachte hogere frequentie van inundaties in beekdalen en in laaggelegen akker- en weidegebieden.

Adaptatie aan de verwachte hogere frequentie van inundaties in beekdalen en in laaggelegen akker- en weidegebieden houdt in dat boeren op delen van hun gronden inundatie mogelijk maken of toelaten. Maar waterberging past moeilijk binnen de systematiek van het ANLb. In de praktijk is het vooraf niet in te schatten hoe vaak per jaar er gebruik van wordt gemaakt, maar een agrariër stelt het perceel wel elk jaar beschikbaar en ontvangt dan ook elk jaar een vergoeding. Ook de beperkingen ten aanzien van bemesting en gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen zijn niet erg aantrekkelijk voor eventuele deelnemers.

3Adaptatie aan de verwachte toename van verzilting

De verzilting van (grond)water kan in de toekomst een bedreiging vormen voor de hoogwaardige akkerbouw en tuinbouw in het Noordelijk Zeekleigebied. Daarom is het peilbeheer gericht op het vertragen van verzilting en het niet meer toestaan van peilverlagingen. In plaats van peilverlaging zien we andere oplossingsrichtingen, zoals aanpassingen in de ontwatering (drainage) en (on)mogelijkheden van gewaskeuze op lage percelen die door bodemdaling een te geringe drooglegging krijgen.

Omdat niet overal in Fryslân de doelen voor klimaat van toepassing zijn, is in Bijlage 10: Kaart Prioritaire gebieden Zoekgebied Klimaat een kaart opgenomen als ondersteuning voor deze categorie. Deze kaart vormt tezamen met Tabel 2: Prioritaire gebieden klimaat en beheerfuncties de basis voor het afsluiten van de beheerpakketten door de collectieven. De collectieven sluiten de beheerpakketten die bijdragen aan de doelen zoveel mogelijk af in synergie met de beheerpakketten in andere leefgebieden en de activiteiten vanuit de ecoregelingen.

Tabel 2: Prioritaire gebieden klimaat en beheerfuncties

Doelen klimaat

Beheerfunctie

Hoofdlandschap

Klimaatmitigatie

Vastleggen CO2 (bodem, landschap)

Klei op veengebied

Kleiterpenlandschap

Oude zeepolders

Jonge zeepolders

Jonge zeepolders/platen en slikken

Kweldervlakte

Kwelderwal

Klimaatmitigatie

Reduceren uitstoot broeikasgassen

Veenweidegebieden

Veenderijen

Klimaatadaptatie

Vernatten

Woudontginning

Beekdallandschap

Heideontginning

Hoogveenontginning

Hoogveen

Beekdallandschap

Rond droogtegevoelige natuurgebieden

Klimaatadaptatie

Opvangen waterpieken en droogte (watervasthoudend vermogen bodem verbeteren)

Woudontginning

Beekdallandschap

Heideontginning

Hoogveenontginning

Hoogveen

Beekdallandschap

Rond droogtegevoelige natuurgebieden

Klimaatadaptatie

Omgaan met verzilting

Klei op veengebied

Kleiterpenlandschap

Oude zeepolders

Jonge zeepolders

Jonge zeepolders/platen en slikken

Kweldervlakte

Kwelderwal

4.4.3 Groeimiddelen 2027 binnen prioritaire gebieden in en rondom stikstofgevoelige Natura2000-gebieden

Ook kan voor de categorieën water en klimaat beheer worden gerealiseerd op landbouwgrond in en rondom stikstofgevoelige Natura2000-gebieden. Daarmee wordt voorgesorteerd op het mogelijk nemen van maatregelen rondom de N2000-gebieden en te verwachten opgaven uit de Natuurherstelverordening. Binnen de gebieden is het van belang dat voldoende maatregelen geclusterd worden ingezet en de clusters van voldoende omvang zijn. De inzet van de maatregelen kan worden gericht op het beperken van drukfactoren rondom de Natura 2000-gebieden. Denk bijvoorbeeld aan het beperken van de (stikstof)emissies, beperking van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of het stimuleren van hydrologisch herstel afhankelijk van het gebied.

Het betreft landbouwgrond in en rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, inclusief bovenstrooms en aangrenzend gelegen beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. Indien deze leefgebieden zijn begrensd als open akkerland, dooradering of open grasland (indien geen kerngebied voor de Grutto) dan gelden de volgende richtinggevende landelijke uniforme criteria voor beoordeling van de gebiedsaanvragen:

•Clusters van minimaal 100 ha (robuust genoeg);

•Minimaal 10% (zware) beheermaatregelen binnen het cluster:

o De verhouding van de inzet van de beheermaatregelen wordt gericht op de specifieke doelstellingen in het gebied en synergie tussen de betreffende leefgebieden/categorieën.

o Bij voorkeur toepassing van volveldse maatregelen.

o Beperkte toepassing van drijf- en kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen.

o Lichte beheermaatregelen zoals bodemverbetering, legselbeheer en ruige mest kunnen wel aanvullend op de 10% zware beheermaatregelen worden ingezet.

Bijlage 12: Soortenlijst ANLb

In onderstaande tabel staat aangegeven voor welke soorten de Provinsje Fryslân een bijdrage wil leveren aan de instandhouding door middel van Agrarische Natuurbeheer. Een korte beschrijving van de biotoop van de soort is aangeven. In de overige kolommen is de verspreiding van de soort over de verschillende geofysische regio’s van Fryslân aangeduid. Vetgedrukt zijn de soorten waarop bij de begrenzing van de leefgebieden de focus heeft gelegen. De verwachting is dat de overige soorten hierop mee zullen liften.

Gebiedsnaam

Kleigebied Akker

Kleigebied Weide

Veenweidegebied

Waddeneilanden

Zandgronden

Grondsoort

Klei

Klei

Veen

Klei

Overwegend zandgrond

Grondgebruik

Akkerbouw

Grasland

Grasland

Grasland

Grasland, deels akkerbouw

Openheid

Open

Open

Open

Open

Besloten landschap

Bijzonderheden

Veel open wateren

Nabij Waddenzee

Beekdalen

Biotoop

Grauwe gors

Akker

X

Grauwe kiekendief

Akker

X

Bittervoorn

Watergangen

X

X

X

Patrijs

Akker

X

X

X

Grote modderkruiper

Watergangen - moeras

X

X

X

Kneu

Opgaande begroeiing

X

X

X

Blauwe kiekendief

Akker

X

X

Velduil

Weide, akker

X

X

Gele kwikstaart

Weide, akker

X

X

X

X

Goudplevier

Weide, akker

X

X

X

X

Graspieper

Weide

X

X

X

X

X

Kievit

Weide, akker, weide-water-moeras

X

X

X

X

X

Kleine modderkruiper

Watergangen - plassen

X

X

X

Scholekster

Weide, akker

X

X

X

X

X

Tureluur

Weide

X

X

X

X

Veldleeuwerik

Heide en schrale vegetaties, weide akker

X

X

X

X

X

Meervleermuis

Weide-water-moeras

X

X

Wintertaling

Weide-water-moeras

X

X

Groene glazenmaker

Weide-water-moeras

X

X

Kemphaan

Weide, weide-water-moeras

X

X

Watersnip

Weide-water-moeras

X

X

X

Wulp

Weide

X

X

X

Zomertaling

Weide-water-moeras

X

X

X

Grutto

Weide, weide-water-moeras

X

X

X

Zwarte stern

Weide-water-moeras

X

Rugstreeppad

Heide en schrale vegetaties

X

X

Spotvogel

Opgaande begroeiing

X

X

Nachtegaal

Opgaande begroeiing

X

X

Ransuil

Opgaande begroeiing

X

X

Ringmus

Opgaande begroeiing

X

X

Laatvlieger

Weide, akker

X

X

Braamsluiper

Opgaande begroeiing

X

Bunzing

Opgaande begroeiing, weide, weide-water-moeras

X

Geelgors

Heide en schrale vegetaties, opgaande begroeiing, akker

X

Gekraagde roodstaart

Opgaande begroeiing

X

Zomertortel

Opgaande begroeiing

X

Grote lijster

Opgaande begroeiing

X

Heikikker

Vennen, watergangen

X

Poelkikker

Weide-water-moeras

X

Kamsalamander

Poelen - weide - opgaande begroeiing

X

Ringslang

Weide-watergangen-opgaande begroeiing

X

Aal

Diverse wateren

X

X

X

X

X

Driedoornige stekelbaars

Watergangen

X

X

Otter

Watergangen, weide-water-moeras, poelen

X

X

X

Eekhoorn

Opgaande begroeiing

X

Watervleermuis

Weide-water-moeras

X

X

Ruige dwergvleermuis

Opgaande begroeiing

X

Gewone dwergvleermuis

Opgaande begroeiing

X

Gewone grootoorvleermuis

Opgaande begroeiing

X

Rosse vleermuis

Opgaande begroeiing

X

Paapje

Weide

X

X

X

Kwartelkoning

Weide, akker

X

X

X

Bruine kiekendief

Weide-water-moeras, akker

X

X

X

X

Visdief

Weide

X

X

X

Kluut

Weide

X

X

X

Grauwe klauwier

Opgaande begroeiing, struwelen

X

X

Kerkuil

Opgaande begroeiing

X

Kleine watersalamander

Watergangen

X

X

Moshommel

Weide, akker

X

X

X

Argusvlinder

Weide, schrale vegetaties

X

X

X

X

Steenuil

Opgaande begroeiing

X

Bijlage 13: Overzicht wegingsfactoren kuikenland

Pakketten en toeslagen

Weegfactor

Weidevogelgrasland met rustperiode tot 1 juni

1,2

Weidevogelgrasland met rustperiode tot 8 juni

1,4

Weidevogelgrasland met rustperiode tot 15 juni

1,5

Weidevogelgrasland met rustperiode tot 22 juni

1,5

Weidevogelgrasland met rustperiode tot 1 juli

1,5

Weidevogelgrasland met rustperiode tot 15 juli

1,5

Weidevogelgrasland met rustperiode tot 1 augustus

1,5

Weidevogelgrasland met voorweiden tot 1 mei en daarna rust tot 15 juni

0,7

Weidevogelgrasland met voorweiden tot 1 mei en daarna rust tot 22 juni

0,8

Plasdras van 15 februari tot 15 april

0,2

Plasdras van 15 februari tot 15 mei

0,8

Plasdras van 15 februari tot 15 juni

0,8

Plasdras van 15 februari tot 1 augustus

0,8

Greppel-plasdras van 15 februari tot 15 april

0,2

Greppel-plasdras van 15 februari tot 15 mei

0,8

Greppel-plasdras van 15 februari tot 15 juni

0,8

Greppel-plasdras van 15 februari tot 1 augustus

0,8

Kruidenrijk weidevogelgrasland

1,5

Kruidenrijke weidevogelgraslandrand

1,5

Extensief beweid weidevogelgrasland

1,5

Botanisch weiland

1,5

Botanisch hooiland

1,5

Botanische weide- of hooilandrand

1,5

Bijlage 14: Beschrijving Deelgebieden

Hieronder wordt een overzicht van de deelgebieden weergegeven, welke in Bijlage 5: Kaart Agrarische Collectieven op kaart zijn weergegeven. Per deelgebied worden de natuurdoelen, waterdoelen en de doelsoorten beschreven, welke leefgebieden in het deelgebied aanwezig zijn en wat het streefbeeld is. De deelgebieden in Fryslân zijn:

•Noordelijke Kuststrook

•Coulisselandschap Noordelijke Wouden

•Zuidelijke Wouden

•Laagveengebied

•Veenweidegebied/ Friese merengebied

•Klei op veengebied

•Waddeneilanden

Voor alle deelgebieden geldt dat daarbinnen KRW-oppervlaktewaterlichamen voorkomen waar de ecologische doelen nog niet gehaald worden (mede) vanwege een te hoge belasting van die wateren met nutriënten en/of bestrijdingsmiddelen. Ten behoeve van de realisatie van de KRW-doelen is het noodzakelijk deze belasting te verminderen, met beheer van mest en spuitvrije randen en andere maatregelen.

Noordelijke kuststrook

De noordelijke kustregio betreft een grootschalig, open agrarisch gebied op kleigronden. Belangrijke gewassen zijn granen, aardappelen en suikerbieten. De percelen worden afgewisseld met brede tochten. Tot de noordelijke kustregio behoren ook de Natura 2000-gebieden Waddenzee (kwelders), waarvan Noord Fryslân Bûtendyks het grootste is, en het Lauwersmeergebied. Deze gebieden zijn ook grote, robuuste onderdelen van het NNN.

Langs de Waddenzeekust en het Lauwersmeer is het zoekgebied voor het leefgebied Akkerfauna geconcentreerd. Het zoekgebied voor het open akkerlandschap sluit aan op de Natura 2000-gebieden Noord Fryslân Bûtendyks en het Lauwersmeergebied. Deze beide gebieden vormen een belangrijk kerngebied voor de soorten van het leefgebied akkerfauna. In beide natuurgebieden worden akkersoorten veelvuldig waargenomen, zowel als broedvogel dan wel als tijdelijke gast (doortrekker, overwinteraar). De potenties voor het leefgebiedstype akkerfauna in de directe omgeving van deze beide gebieden zijn daardoor hoog.

Gidssoorten voor open akker in Fryslân zijn Veldleeuwerik, Gele kwikstaart en Grauwe kiekendief. Deze soorten broeden op de akkers of in de akkerranden; in de wintermaanden of tijdens de trektijd zijn de akkers belangrijk als foerageergebied. Voor veel soorten is de aanwezigheid van voldoende zaden in de winter cruciaal om de winter te overleven. Tijdens het broedseizoen zijn naast voldoende zaden ook voldoende insecten voor de jongen van cruciaal belang. Een soort als de Patrijs neemt graag een zandbad, waarvoor open, zanderige plekken gewenst zijn. In combinatie met maatregelen voor de akkerfauna kunnen maatregelen genomen worden t.b.v. soorten uit het leefgebied natte dooradering. Het betreft specifiek de soorten Bittervoorn, Kleine modderkruiper, Driedoornige stekelbaars en Aal.

Streefbeeld

Behoud en kwaliteitsverbetering van de natuurwaarden van de kwelders zijn belangrijk doelen voor het Natura 2000-gebied Waddenzee. Het Lauwersmeergebied heeft als doel de ontwikkeling van grootschalig moeras, met aan de zuidzijde kleine stukjes bos en rietland.

Voor het agrarisch natuurbeheer ligt de nadruk op realisatie van een aantrekkelijk leefgebied voor de typische akkerfauna. Voor veel vogelsoorten is de combinatie van kwelders of moeras en op korte afstand gelegen akkergebied een meerwaarde.

Uit ervaringen in Groningen maar ook elders uit het land blijkt dat de akkerfauna snel positief reageert op gerichte maatregelen. Agrarisch natuurbeheer dient vooral gericht te zijn op het waarborgen van voldoende geschikte nestlocaties, jaarrond beschikbaarheid van voldoende zaden en tijdens het broedseizoen ook insecten. Van belang daarbij is dat deze maatregelen genomen worden in een gebied van voldoende omvang, en in onderlinge samenhang zowel in de ruimte als tijd. Dit wil zeggen dat geschikte nestlocaties en foerageergebieden in elkaars nabijheid liggen, waarbij op elk moment in de tijd er sprake is van voldoende voedselaanbod, ook in de winterperiode.

Voor broedende akkervogels zijn pakketten ontworpen waarbij stootsgewijs en via vlakken een uitgekiend mozaïek in stand wordt gehouden, bestaande uit grassen, granen en kruiden. Door uitgestelde werkzaamheden in de broedperiode en zeer beperkt gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, wordt getracht een aantrekkelijk vestigingsbiotoop te creëren.

Maatregelen voor de akkerfauna zijn gericht op de gidssoorten maar andere soorten zullen meeprofiteren. Akkers met veel granen en zaden zijn goed voor muizenpopulaties, die op hun beurt weer voedsel verschaffen voor roofvogels. Kievit en scholekster zijn soorten die hun zwaartepunt hebben in het open grasland, maar ook veel in open akkerland voorkomen. In het najaar zijn akkers belangrijk als pleisterplaats voor soorten als de Goudplevier.

Synergie met doelstellingen vanuit de TBO’s kunnen bestaan uit het creëren van extra binnendijkse hoogwatervluchtplaatsen langs de kust.

Synergie met doelen vanuit het Wetterskip kan worden gezocht in maatregelen t.b.v. vismigratie. Vanuit de KRW worden gemalen, sluizen en stuwen in de grotere wateren vispasseerbaar gemaakt. Aanvullend kunnen in tochten en watergangen waar dat effectief is stuwen beter vispasseerbaar worden gemaakt en duikers worden verbreed. Daarnaast liggen er kansen voor het verbeteren van de leef- en (door)trek(schuil)mogelijkheden voor glasaal en driedoornige stekelbaars in doorgaande wateren in akker-fauna gebieden langs de kust van de Waddenzee. Ook aanleg van natuurvriendelijke onderwateroevers of extensiever beheer na verbreding van doorgaande wateren zijn positief voor glasaal en driedoornige stekelbaars en andere vis- en macrofaunasoorten (insecten, kreeftachtigen, schelpdieren, etc.) en bieden mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer.

Als er inrichtingsmaatregelen worden uitgevoerd in het gebied, wordt rekening gehouden met de kwaliteiten van het landschap zoals beschreven in de Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte.

Coulisselandschap Noordelijke Wouden

De Noordelijke Wouden liggen op een uitloper van het Drentsch Plateau. De ondergrond bestaat uit dekzand op ondiep gelegen keileem. Binnen het gebied liggen ook een aantal laaggelegen gebieden met veenbodems, zoals Burgumermar, Sumar, Houtwiel en Twizelermieden. Deze gebieden zijn onderdeel van het NNN en hebben een doelstelling gericht op moerasontwikkeling, vochtige hooilanden en weidevogelgrasland.

Beeldbepalend in het landschap van de Noordelijke Wouden zijn de vele houtwallen en elzensingels die de agrarische percelen omgeven. Deze zijn in het verleden aangelegd als veekering. Vanwege de bijzondere gaafheid van dit coulisselandschap heeft het gebied de status van Nationaal Landschap. In het gebied zijn een groot aantal kleine wateren aanwezig in de vorm van pingoruïnes (overblijfselen uit de laatste ijstijd) en dobben, door mensen gegraven poelen. Het agrarische gebruik in het gebied betreft voornamelijk veeteelt. Naast grasland wordt mais verbouwd.

Het coulisselandschap met een dicht netwerk van opgaande elementen heeft grote waarde voor soorten van het leefgebied droge dooradering. De vele hout- en singelelementen bieden volop nest- en schuilgelegenheid, en hebben een belangrijke functie als migratieroute door het landschap. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de dichtheden broedvogels zeer hoog zijn, het gebied rijk is aan vleermuizen (waaronder de zeldzame Tweekleurige vleermuis), de houtwallen een bijzondere mosflora kennen en ook een belangrijk refugium zijn voor kruiden van droge schraallanden en oude bossen. Gidssoorten voor de droge dooradering in de noordelijke wouden zijn de vogelsoorten Gekraagde roodstaart, Grote lijster, Spotvogel, Braamsluiper en de vleermuis Laatvlieger. Agrarisch natuurbeheer levert een belangrijke bijdrage aan het behouden en verbeteren van de kwaliteit en structuur van de opgaande elementen. Specifieke beheer van houtwaltaluds, sloten, poelen, overhoeken en agrarische perceelsranden draagt bij aan de voedselbeschikbaarheid.

De veengebieden zijn grotendeels onderdeel van het NNN, en worden beheerd worden door de TBO’s. De natuurdoelen concentreren zich op watergebonden natuurwaarden, zoals moeras, vochtig hooiland en vochtige weidevogelgebieden. Het agrarische leefgebied natte dooradering concentreert zich rondom deze natuurgebieden. Belangrijke gidssoorten voor de natte dooradering in deze omgeving zijn Groene Glazenmaker, Zwarte stern, Grote modderkuiper en Heikikker.

Streefbeeld

Gelet op de hoge dichtheid aan opgaande elementen in het Noordelijke Wouden gebied moet het streven daarbij zijn om een robuust leefgebied voor de droge dooradering te creëren. Om te kunnen voldoen aan de uiteenlopende eisen de verschillende soorten van droge dooradering aan hun omgeving stellen is het noodzakelijk om het onderhoud op landschapsniveau op elkaar af te stemmen. Gestreefd wordt naar grote eenheden, waarin de verschillende fasen van ontwikkeling van opgaande elementen verspreid in de tijd en ruimte naast elkaar voorkomen (mozaïek). Daarbij wordt rekening gehouden met de kwaliteiten van het landschap, zoals beschreven in de Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte. Ideaal is een combinatie van de landschapselementen met kruidenrijk gedeeltes. Dit kan in de vorm van een schrale ondergrond op het talud van een houtwal, in en langs sloten, dobbes of andere overhoeken. Waar een dergelijke kruidenrijke ondergroei ontbreekt in de nabijheid, kan dit worden gerealiseerd in de vorm van verschralingsbeheer van randen.

Voor de natte dooradering zijn de uitbreidingsmogelijkheden voor de populaties beperkt, door het natuurlijke reliëf. Daarom zijn ook de ambities bescheiden. Daarbij gaat het om het vergroten van bestaande populaties van de gidssoorten van de natte dooradering in de natuurgebieden en versterken van de uitwisselingsmogelijkheden tussen de natuurterreinen. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door een combinatie van natuurvriendelijk sloot- en slootkantenbeheer, verbetering van de waterkwaliteit door verminderde afspoeling van voedingsstoffen en gewasbeschermingsmiddelen en creëren van schuilmogelijkheden door verschraling van perceelsranden.

Zuidelijke wouden

De structuur van Zuidoost Fryslân wordt in belangrijke mate bepaald door de parallel aan elkaar gelegen beekdalen en zandruggen. Binnen deze structuren is een zeer gevarieerd landschap aanwezig, waarbij agrarische percelen afgewisseld worden met uitgebreide boscomplexen, kleine houtopstanden, houtwallen, erf-, weg- en laanbeplantingen, (restanten van) heideterreinen en vochtige graslanden in de beekdalen. Het agrarisch gebruik is voornamelijk gericht op veeteelt. Agrarische percelen zijn dan ook voornamelijk in gebruik als grasland. Daarnaast worden ook mais en aardappelen verbouwd. Op kleine schaal worden ook andere gewassen verbouwd.

De natuurdoelen richten zich op de ontwikkeling van diverse vormen van vochtig grasland in de beekdalen, met op de aangrenzende delen afhankelijk van de omstandigheden droge of vochtige heide en bossen. De aanwezig kleinschalige landschapsstructuur van Zuidoost Fryslân heeft grote potenties voor soorten van de leefgebieden droge en natte dooradering. De bosranden, kleinere houtopstanden en vele hout- en singelelementen bieden volop nest- en schuilgelegenheid voor soorten behorend bij het leefgebied droge dooradering, en hebben een belangrijke functie als migratieroute door het landschap. Zo vindt meer dan 90% van de verplaatsingen van vogels, vleermuizen, kleine zoogdieren en vlinders, plaats langs opgaande elementen. De kansen voor het agrarisch natuurbeheer in het leefgebied natte dooradering zijn vooral te vinden in en rondom de beekdalen, waarvan grote delen al in beheer zijn bij de TBO’s.

Gidssoorten voor de droge dooradering in de zuidelijke wouden zijn de vogelsoorten Gekraagde roodstaart, Grote lijster, Spotvogel, Kneu, Geelgors, Braamsluiper, de vleermuis Laatvlieger en de amfibieën Heikikker, Poelkikker en Kamsalamander. Deze amfibieënsoorten, aangevuld met de Ringslang, zijn ook gidssoorten voor de natte dooradering in dit gebied.

Een belangrijke potentiële meerwaarde van de zuidelijke wouden is gelegen in de directe aansluiting van het leefgebied droge dooradering op de beekdalen. Daardoor komen diverse biotopen op korte afstand van elkaar voor. Dit is bijvoorbeeld gunstig voor amfibieën die zich voortplanten in het water, maar overwinteren in bosranden, singels of houtwallen. De ringslang jaagt langs waterranden en in vochtige graslanden, maar overwintert eveneens in droge terreinen. De mozaïeken van verschillende biotopen, afwisseling in vegetatiestructuur en overgangen tussen droog en nat trekken vaak ook diverse soorten broedvogels aan. In de struweelrijke delen van de beekdalen broeden bijvoorbeeld diverse soorten broedvogels van het leefgebied droge dooradering.

Streefbeeld

De landschapsstructuur Zuidoost Fryslân is een belangrijke drager van de biodiversiteit in het gebied. Het streven is om de verbinding tussen de diverse grote en kleine natuurgebieden en reservaten te versterken of te ontwikkelen. In de beekdalen is verbetering van de uitwisselingmogelijkheden in de lengterichting van het beekdal gewenst. De bestaande uitwisselingsmogelijkheden via het NNN kan worden versterkt door middel van agrarisch natuurbeheer voor het leefgebied natte dooradering. Dit kan worden bereikt door een combinatie van natuurvriendelijk sloot- en slootkantenbeheer, verbetering van de waterkwaliteit door verminderde afspoeling van voedingsstoffen en gewasbeschermingsmiddelen en creëren van schuilmogelijk-heden door verschraling van perceelsranden. Tevens kunnen de natuurwaarden op de gradiënten van de laaggelegen beekdalen naar de hogere zandruggen zo versterkt worden.

De opgaande landschapselementen spelen een belangrijke rol bij verbindingen dwars op de beekdalen en het verbeteren van de uitwisselingsmogelijkheden tussen de (grote) natuurgebieden. Agrarisch natuurbeheer in het leefgebied droge dooradering kan een essentiële rol vervullen bij realisatie van een dergelijk netwerk. Behoud van de bestaande elementen en een verdere verbetering van de kwaliteit en samenhang is noodzakelijk. Gestreefd wordt naar een dicht, fijnmazig netwerk van beheerde houtwallen en boomsingels, dat aantrekkelijk is voor de soorten van de droge dooradering. Onderdeel van dit netwerk zijn de kleine bos- en natuurgebieden. Deze hebben een belangrijke functie als stapsteen tussen de grotere natuurgebieden. Tezamen vormen deze agrarische landschapselementen en kleinere bos- en natuurgebieden een robuust leefgebied dat de grote natuurgebieden met elkaar verbindt.

Om te kunnen voldoen aan de uiteenlopende eisen de verschillende soorten van droge dooradering aan hun omgeving stellen is het noodzakelijk om het onderhoud op landschapsniveau op elkaar af te stemmen. Onderhoud van landschapselementen moet in grotere eenheden op elkaar afgestemd worden, zodat de verschillende fase van ontwikkeling verspreid in de tijd en ruimte naast elkaar voorkomen (mozaïek). Daarbij wordt rekening gehouden met de kwaliteiten van het landschap zoals beschreven in de Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte.

Ideaal is een combinatie van de landschapselementen met kruidenrijk gedeeltes. Dit kan in de vorm van een schrale ondergroei op de houtwaltaluds, in en langs sloten, poelen, dobbes of andere overhoeken. Waar een dergelijke kruidenrijke ondergroei ontbreekt, kan dit worden gerealiseerd door toepassing van een verschralingsbeheer van perceelsranden.

Voor de natte dooradering is een versterking van de aanwezige natuurwaarden in de beekdalen mogelijk door een combinatie van natuurvriendelijk sloot- en slootkantenbeheer. Dit draagt bij aan het creëren van leefgebied voor de genoemde soorten in het aangrenzende agrarische gebied. In combinatie met verschraling van perceelsranden ontstaat tevens aantrekkelijk biotoop voor amfibieën en de ringslang buiten het water. Op een aantal plekken in de beekdalen hebben laaggelegen percelen een agrarische functie. Een verschralingsbeheer op deze percelen draagt bij aan een goede waterkwaliteit van de beek, en draagt daarmee bij aan (behoud van) de natuurwaarden van NNN-delen die regelmatig inunderen. Op deze percelen heeft volvelds verschralingsbeheer dan ook een duidelijke meerwaarde voor behoud van de natuurwaarden van deze beekdalen.

Laagveengebied

Het laagveengebied betreft de zone die grenst aan de hogere zandgronden. Onder invloed van stijgende grondwaterstanden heeft zich hier in het verleden een dik pakket veen gevormd. Bij de vervening is het grootste deel afgegraven en zijn de gronden in agrarisch gebruik genomen. Delen van dit verveningsland-schap zijn gespaard gebleven in de vorm van natuurgebieden. Dankzij de toestroom van kwelwater vanaf het Drentsch Plateau hebben zich in deze gebieden bijzondere natuurwaarden kunnen ontwikkelen waarbij open water, moeras, rietvelden, trilvenen en soortenrijke vochtige graslanden elkaar afwisselen. In de huidige situatie liggen veel natuurgebieden hoger dan de omringende landbouwgronden. De toestroom van kwel naar de natuurgebieden is daardoor afgenomen. Om verdroging te voorkomen wordt veelal gebiedsvreemd water ingelaten. Deze laagveengebieden vormen een biotoop waarvoor Fryslân in nationaal opzicht een belangrijke verantwoordelijkheid heeft voor de instandhouding. Een aantal van de laagveengebieden heeft ook de status van Natura 2000-gebied.

In deze zone rondom de laagveengebieden liggen de kansen voor het Agrarisch natuurbeheer in het leefgebied natte dooradering. Gidssoorten hier zijn de Zwarte stern, Groene glazenmaker en Grote modderkruiper. Deze soorten komen zowel in en rondom de natuurgebieden voor, maar ook in enkele laaggelegen polders. Deze zijn daarom ook opgenomen in de natte dooradering.

Het laagveengebied wordt verder gekenmerkt door grootschalig, open graslandgebied. Grote delen hiervan zijn aangemerkt als weidevogelkansengebied (leefgebied open grasland). Gidssoorten voor het leefgebied open grasland zijn Grutto, Tureluur, Kievit en Scholekster.

Streefbeeld

Behoud en kwaliteitsverbetering van de natuurwaarden van de laagveengebieden is een belangrijke doelstelling. Vermindering van verdroging en verbeteringen van de waterkwaliteit zijn daarbij belangrijk aspecten. Agrarisch natuurbeheer kan hierbij een belangrijke rol spelen door realisatie van bufferzones met hoge waterpeilen rondom de natuurgebieden. Daarbij kan tevens een aantrekkelijk leefgebied gecreëerd worden voor de soorten van de natte dooradering, maar tevens bijdrage aan de weidevogelstand. Maatregelen voor beide leefgebieden kunnen elkaar versterken.

Soorten als Groene glazenmaker en Grote modderkruiper hebben een leefgebied met een beperkte omvang en hebben ook een beperkt verspreidingsvermogen. Voor deze soorten wordt ingezet op het vergroten van het areaal geschikt leefgebied, in aansluiting op bestaande locaties waar deze voorkomen. Voor de Zwarte stern zijn de aanwezigheid van geschikte broedlocaties in combinatie met geschikt foerageergebied in de directe omgeving belangrijke randvoorwaarden. Voor deze soort is het streven erop gericht om de hoeveelheid foerageergebied nabij de broedlocaties te vergroten.

Als er inrichtingsmaatregelen worden uitgevoerd in het gebied, wordt rekening gehouden met de kwaliteiten van het landschap zoals beschreven in de Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte.

Veenweidegebied/ Friese merengebied

Het merengebied betreft de langgerekte, laaggelegen zone van globaal de IJsselmeerkust bij Gaasterland tot aan het Dokkum. Als gevolg van inbraken van de zee zijn in deze zone een aantal grotere meren ontstaan, zoals het Tjeukemeer, Slotermeer, Witte en Swarte Brekken, Grootte Wielen. Deze meren zijn met elkaar verbonden via een uitgebreid stelsel van kanalen en opvaarten. De zone met de Friese meren vormt in internationaal opzicht een belangrijk leefgebied voor een aantal ernstig bedreigde soorten, een aantal meren heeft dan ook een beschermde status als Natura 2000-gebied gekregen. Fryslân heeft daarmee een grote verantwoordelijkheid voor de instandhouding van deze soorten. Belangrijke aandachtsoorten hierbij zijn Meervleermuis, Noordse woelmuis, Grote modderkruiper en Zwarte stern. De Alde Feanen, hoewel met een andere ontstaansgeschiedenis, is eveneens een belangrijk leefgebied voor deze soorten.

Rondom de Friese meren die aangewezen zijn als Natura 2000 gebied liggen de kansen voor het agrarisch natuurbeheer in het leefgebied voor de natte dooradering. De genoemde aandachtssoorten vanuit de aanwijzing als Natura 2000-gebied zijn tevens gidssoorten voor het agrarische natuurbeheer. Langs de IJssel-meerkust van Gaasterland komen de soorten Heikikker en Rugstreeppad regelmatig voor. Hier is een zoekgebied natte dooradering voor deze soorten geprojecteerd. De meren liggen in een grootschalig, open grasland gebied, waarvan delen aangemerkt zijn als weidevogelkansgebied (leefgebied open grasland). Gids-soorten voor het leefgebied open grasland zijn Grutto, Tureluur, Kievit en Scholekster.

Streefbeeld

In het kader van agrarisch natuurbeheer kan een bijdrage worden geleverd aan de instandhouding van de soorten van Natura2000-gebieden door de migratiemogelijkheden voor soorten als Noordse woelmuis en Meervleermuis door het landschap te verbeteren door ontwikkeling van rietkragen en natuurvriendelijke oevers. Watergangen kunnen door een ander beheer geschikt gemaakt worden als leefgebied voor vissoorten als Bittervoorn of Grote modderkruiper. Door verhoging van de waterpeilen in de laaggelegen polders rondom natuurgebieden kunnen hydrologische bufferzones worden gecreëerd waarmee de verdroging van de leefgebieden vermindert. Dit kan eveneens positief zijn voor de weidevogels. Maatregelen voor beide leefgebieden kunnen elkaar versterken. In Gaasterland kan agrarisch natuurbeheer de kwaliteit van het leefgebied van Heikikker en Rugstreeppad verbeteren.

Als er inrichtingsmaatregelen worden uitgevoerd in het gebied, wordt rekening gehouden met de kwaliteiten van het landschap zoals beschreven in de Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte.

Klei op veengebied

Het klei op veengebied betreft de zone tussen de Waddenkust en het veenweidegebied. Deze zone strekt zich uit vanaf het IJsselmeer tot aan het Lauwersmeer. Door kleiafzettingen ligt dit gebied relatief hoog. Het betreft een grootschalig, open agrarisch gebied, met voornamelijk veeteelt, dat doorsneden wordt door een uitgebreid stelsel aan vaarten en watergangen.

Dit gebied is van grote waarde voor weidevogels. Verspreid in het agrarische gebied liggen diverse weide-vogelreservaten die in beheer zijn bij de TBO’s. Grote delen van dit gebied zijn aangemerkt als weidevogel-kansengebied (leefgebied open grasland). Gidssoorten voor het leefgebied open grasland zijn Grutto, Tureluur, Kievit en Scholekster.

Bij enkele dorpskernen zijn kleine bosjes te vinden. Langs de IJsselmeerkust zijn natuurgebieden te vinden gericht op vochtige natuurwaarden, zoals moeras, vochtig hooiland, overstromingsgrasland, met aansluitend daarop weidevogeldoelen.

Streefbeeld

Het klei op veengebied is zeer belangrijk voor behoud van de weidevogels (bron: Weidevogelnota, 2014). Agrarisch natuurbeheer speelt hierbij een belangrijke rol. Daarbij liggen er kansen voor synergie met water-doelen vanuit het Wetterskip. Daarvan kunnen tevens een aantal vissoorten meeprofiteren, zoals de Bittervoorn en Kleine modderkruiper. Deze vissoorten komen relatief veel voor in de vaarten en watergangen. Dit kan worden bereikt door een combinatie van natuurvriendelijk sloot- en slootkantenbeheer, en verbetering van de waterkwaliteit door verminderde afspoeling van voedingsstoffen en gewasbeschermingsmiddelen. Daarnaast kan ingezet worden op het verbeteren van de leef- en (door)trek(schuil)mogelijkheden voor glasaal en driedoornige stekelbaars in doorgaande wateren in weidevogelgebieden langs de kust van de Waddenzee.

Als er inrichtingsmaatregelen worden uitgevoerd in het gebied, wordt rekening gehouden met de kwaliteiten van het landschap zoals beschreven in de Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte.

Waddeneilanden

De Waddeneilanden zijn rijk aan natuur. Het duin- en waddengebied herbergt een grote diversiteit aan biotopen, variërend van zoute kwelders tot zoete plassen en duinvalleien, van jonge duinvorming tot oude duinen met heide of duinbos. Het kwelder- en duingebied valt nagenoeg geheel onder de Natura 2000.

De binnenrandduin vormt de overgang tussen de duinen en de polders. Deze binnenrandduin wordt gekenmerkt door singelelementen en kruidenrijke graslanden. Het poldergebied is open, en voornamelijk in gebruik als grasland voor veehouderijen. Deze graslanden zijn van belang voor grote aantallen weidevogels. Grote delen van dit gebied zijn aangemerkt als weidevogelkansengebied (leefgebied open grasland). Gids-soorten voor het leefgebied open grasland zijn Grutto, Tureluur, Kievit en Scholekster. Specifieke locaties in het poldergebied vervullen ook een functie voor wadvogels in de vorm van slaapplaats of hoogwatervluchtplaats.

Streefbeeld

Het poldergebied op de Waddeneilanden zijn van grote waarde voor weidevogels. Agrarisch natuurbeheer gericht op weidevogels is hierbij essentieel. Maatregelen vanuit agrarisch natuurbeheer versterken daarbij tevens de functie van de slaapplaatsen en HVP’s voor de Wadvogels. Ook liggen er kansen voor synergie met waterdoelen vanuit het Wetterskip.

De binnenduinrand biedt kansen voor soorten van de droge dooradering. De combinatie van beschutting en broedgelegenheid in de singels, in combinatie met foerageermogelijkheden in de kruidenrijke graslanden en aangrenzend duingebied, heeft hoge potenties voor hoge dichtheden broedvogels.

Als er inrichtingsmaatregelen worden uitgevoerd in het gebied, wordt rekening gehouden met de kwaliteiten van het landschap zoals beschreven in de Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte.

Bijlage 15: Provinciale beleids- en normenkaders

In onderstaande tabel zijn de belangrijkste beleidskaders weergegeven waarop de keuze voor de soorten zijn gebaseerd. Deze lijst met beleids- en normenkader is niet limitatief bedoeld.

Beleids- en normenkader

Europese en nationale wetten en regelingen

Vogelrichtlijn

Habitatrichtlijn

Meerjarenprogramma Ontsnippering

Wet Inrichting Landelijk gebied (WILG)

Kaderrichtlijn Water

Nitraatrichtlijn

Wet natuurbescherming

Omgevingswet (treedt naar verwachting op 1 januari 2023 in werking)

GLB-NSP

Provinciale verordeningen, nota’s en uitvoeringsregelingen

Vastgesteld door PS/GS

Beheer- en inrichtingsplannen van vier Nationale Parken

2005

Nota Ecologische Verbindingszones

2005

Beleidskader voor Nationale Landschappen

2007

Opkrikplannen 20 weidevogelgebieden

2009

Belangrijkste punten van het nieuwe stelsel voor Subsidie Natuur en Landschap (SNL)

2009

Beheerplan Natura 2000-gebieden (in ontwikkeling sinds 2009)

2009

Agenda landschap

2011

Nota Natuer en Lanlik gebiet

2012

Uitvoeringskader Landschapsbeheer Friesland

2013

Notitie “Gans in balans”

2013

Programma landelijk gebied 2014 -2020

2014

Landbouwagenda 2014 – 2020

2014

Nota Fryske Guozzeoanpak (geëvalueerd in 2016 en 2017)

2014

Provinciaal Waterhuishoudingsplan 2016-2021 (onderdeel van de Omgevingsvisie)

2015

Beleidsregels Natuurbeheer buiten de EHS

2016

Uitvoeringsnotitie Fryske Guozzeoanpak 2017 – 2020 (verlengd t/m 2023)

2017

Natuur in Fryslân Haalbaar en Betaalbaar

2018

Beleidsnotitie Leefgebieden ANLb

2018

Uitvoeringskader ANLb overige leefgebieden

2018

Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Fryslân

2022

Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer provincie Fryslân 2019

2019

Omgevingsvisie Fryslân 2019 – De romte diele

2020

KRW-nota Fryslân 2022-2027, ontwerp oktober 2020

2020

Startnotitie Landbouwagenda

2020

Regionaal Water Programma

2021

Nota Faunabeleid Fryslân

2021

Startnotitie Programma Landschap

2021

Nota Weidevogels 2021 – 2030

2022

Agenda Herstel Biodiversiteit Fryslân

2022

Friese Bomen- en bossenstrategie

2022

Uitvoeringsprogramma Stikstof

2022

Beleidsnotitie Invasieve exoten Fryslân

2022

Fryske Guozzeoanpak

Fryslân Klimaatbestendig 2050+ (ter visie t/m 28 april 2023)

2023

Omgevingsverordening Fryslân 2022

2024

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.