Aanhef
[Een deel van de tekst van deze bekendmaking is overeenkomstig artikel 7 lid 2 Bekendmakingswet bekendgemaakt en hier beschikbaar: https://flevoland.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=753069cdc10441dda84edc3217f3e1d5.]
Gedeputeerde Staten van Flevoland maken gelet op het bepaalde in artikel 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (AWB), bekend dat zij in hun vergadering van 13 september 2022 onder nr. 2993019 hebben besloten het Natuurbeheerplan Flevoland 2023 vast te stellen.
Treedt in werking per 1 januari 2023
1. Wat is het Natuurbeheerplan?
1.2 Doel en status Natuurbeheerplan
1.2.1. Beleidskader
Het Natuurbeheerplan is een beleidskader om het Europese, rijks- en provinciale natuur- en landschaps- beleid te realiseren. Het gaat daarbij om bestaande natuurgebieden, gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt, landbouwgebieden waar agrarisch natuurbeheer plaats kan vinden en de Natura
2000-gebieden. Het Natuurbeheerplan beschrijft per (deel)gebied welke natuur- en landschapsdoelen worden nagestreefd. Het plan bevat de begrenzing van de natuurgebieden en agrarische natuurgebieden, met name toegespitst op de internationale biodiversiteitsdoelen en de internationale natuurgerichte agromilieu-, water- en klimaatdoelen. Het plan is het beleidskader voor het provinciale natuurbeleid en ook voor de implementatie van artikel 65 van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid – Nationaal Strategisch Plan (GLB-NSP). Het plan is verankerd in de SVNL en SKNL en daarmee kaderstellend voor de SNL-subsidies.
1.2.2. Waterdoelen
In het Natuurpact en de overeenkomst met de Manifestpartijen zijn afspraken gemaakt om naast internationale soortendoelen ook internationale Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen op te nemen. Als waterschappen voor waterbeheer- diensten (Blauwe diensten) gebruik willen maken van EU-cofinanciering dan kan dit uitsluitend via gebiedsaanvragen van agrarische collectieven, het Natuurbeheerplan en de SVNL2016. De waterschappen geven daarvoor aan voor welke waterdoelen welke waterbeheerdiensten nodig zijn, inclusief randvoorwaarden en prioriteiten.
1.2.3. Klimaatdoelen
In het GLB-NSP is afgesproken om naast de internationale soortendoelen, KRW doelen ook klimaat- doelen op te nemen. Het kader hiervoor wordt gevormd door het Klimaatakkoord, de nationale klimaatadaptatiestrategie en de bossenstrategie.
Er wordt ingezet op klimaatadaptatie en mitigatie. zoals bijvoorbeeld verminderen effecten extreme weersomstandigheden door water-, bodem- en teeltmanagement, reductie uitstoot broeikasgassen.
1.2.4. Begrenzing en beheerdoelen
De provincie bepaalt in het Natuurbeheerplan in welke gebieden natuurbeheerders en het agrarische collectief subsidie kunnen krijgen voor (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer en groenblauwe diensten. In het Natuurbeheerplan liggen de verschillende natuur- en landschapsbeheertypen van de Index Natuur en Landschap voor percelen en/of terreinen vast.
Het Natuurnetwerk Nederland is aangewezen, begrensd en beschermd in de Omgevings- verordening Flevoland. De actuele versie van het vastgestelde Natuurnetwerk Flevoland is in te zien op nnn.flevoland.nl.
Het Natuurbeheerplan heeft geen planologische consequenties of consequenties voor bestemmings- plannen en heeft dus geen invloed op eigendoms- rechten of bestaande gebruiksmogelijkheden. Het Natuurbeheerplan bevat geen bindende regels of verplichtingen voor burgers. Ook kunnen er geen rechten aan worden ontleend; opname van een terrein in het Natuurbeheerplan leidt niet vanzelfsprekend tot een positief besluit over subsidiëring van het beheer. Het zorgt er alleen voor dat beheerders van de natuurgebieden en gecertificeerde agrarische collectieven de mogelijkheid krijgen om subsidie aan te vragen voor het beheer van de door hun beheerde gronden. Toekenning van subsidie gebeurt op basis van een afzonderlijk te nemen openstellingsbesluit.
2. Subsidiestelsel Natuur en Landschap
2.2 Kaarten
2.2.1 Kaart Natuurbeheertypen
Het Natuurbeheerplan Flevoland kent beheertypenkaarten voor natuur en landschap, natuurtypenkaarten voor agrarisch natuur en landschap, de doelenkaarten voor water en klimaat en een ambitiekaart voor natuur. Zij vormen met de beschrijving van de doelen de kern van het plan. De kaarten zijn te raadplegen op natuurbeheerplan.flevoland.nl
Voor het natuur- en landschapsbeheer geeft de beheertypenkaart alle bestaande natuur en landschap weer met de benamingen volgens de landelijk uniforme systematiek van de Index Natuur en Landschap. Met de beheertypenkaart stimuleert de provincie de instandhouding van de op die kaart aangegeven en begrensde beheertypen. Deze is opgesplitst in een Natuurbeheertypenkaart en een Landschapstypenkaart. Deze kaarten vormen ook de basis voor het verlenen van beheersubsidies op grond van de SVNL. Voor een deel van de natuurgebieden bestaat een ambitie om het huidige gebruik of beheer te veranderen. Deze verandering is vastgelegd op de ambitiekaart. Aanvullend staan er op de kaart subsidiabele terreinen welke natuurterreinen in aanmerking komen voor beheersubsidie. Op de kaart open natuurterreinen staan welke terreinen op basis van de SVNL kosteloos opengesteld moeten zijn voor publiek om in aanmerking te komen voor subsidie.
Zowel de beheertypenkaart als de ambitiekaart zijn afgestemd op de beheerplannen die in het kader van Natura 2000 zijn of worden opgesteld.
In oktober 2013 is de provincie gestart met het programma Nieuwe Natuur. Binnen het programma Nieuwe Natuur hebben bewoners, ondernemers, terreinbeherende organisaties en ook gemeenten de gelegenheid gekregen om ideeën voor het creëren van nieuwe natuur in Flevoland aan te leveren. Uit alle ingediende ideeën zijn diverse projectvoorstellen voortgekomen, die op 9 verschillende locaties in Flevoland uitgevoerd zijn. Het natuurbeheer binnen deze projecten valt niet onder het Subsidiestelsel Natuur- en Landschap, maar deze projecten zijn wel in het Natuurbeheerplan opgenomen. De projectvoorstellen staan weergegeven op de detailkaarten van de ambitiekaarten. De projectvoorstellen die al richting de realisatiefase gaan, staan met concrete beheertypen op kaart. Het programma Nieuwe Natuur zit nu in een afrondende fase.
2.2.2 Kaart Agrarisch natuur- en landschapsbeheer
Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer onderscheiden de provincies de volgende drie leefgebieden: open grasland, open akkerland en dooradering. De leefgebieden zijn op kaart begrensd in het Natuurbeheerplan. Alleen binnen de begrenzing van de zoekgebieden is subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer mogelijk. Het agrarisch natuurbeheer rond Lelystad Airport zal rekening moeten houden met het Beperkingengebied vogelaantrekkende bestemmingen en grondgebruik uit het Luchthavenbesluit Lelystad. Gebiedsclusters worden beoordeeld op het effect op de vliegveiligheid. Er worden hier geen vogelsoorten aangetrokken met een verstorende werking op het luchtverkeer.
Voor de leefgebieden zijn in dit Natuurbeheerplan subsidiecriteria meegegeven. Deze criteria beschrijven de minimale instapeisen voor een ecologisch effectieve subsidieaanvraag zoals het voorkomen van soorten, omvang van het gebied en draagvlak bij de leden van het agrarisch collectief.
2.2.3 Kaarten zoekgebied Water en Klimaat
Het zoekgebied voor de inzet van een groenblauwe dienst is ruim begrensd. Dit betekent dat het agrarisch collectief in de gebiedsaanvraag tot indikking van de gebieden moet komen. In hoofdstuk 3 is aangegeven welke criteria precies gelden om tot indikking van de zoekgebieden te komen.
2.3 Monitoring
2.3.1 Natuur- en landschapsbeheer
Voor de monitoring van het natuurbeheer is door de gezamenlijke provincies in overleg met de natuurbeheerders een methodiek vastgesteld, die is beschreven in de “Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS”, die te vinden is op het Portaal natuur en Landschap (www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap > thema ‘Monitoring en Natuurinformatie’). Hierin wordt per beheertype beschreven welke monitoring noodzakelijk is en hoe deze moet worden uitgevoerd. Op het Portaal Natuur en Landschap zijn ook bijlagen en achtergronddocumenten te downloaden.
Gecertificeerde natuurbeheerders hebben het recht om de monitoring zelf uit te (laten) voeren en krijgen daarvoor een monitoringssubsidie gebaseerd op de monitoringstarieven zoals vastgesteld in het openstellingsbesluit. Voor de overige natuur- beheerders voert de provincie de monitoring uit. Monitoringsresultaten worden met beheerders besproken om te sturen op het natuurbeheer.
2.3.2 Agrarisch natuur- en landschapsbeheer
In 2017 is er gestart met een landelijke monitoring agrarisch natuurbeheer. Deze systematiek kan op landelijk niveau uitspraken doen over de effectiviteit van agrarisch natuurbeheer.
In Flevoland wordt volgens de MAS-methode (Meetnet Agrarische Soorten) broedvogels geteld. De MAS-telpunten zijn vaste punten willekeurig verspreid over het landschap. Er zijn extra telpunten neergelegd in de gebiedsclusters waar akker- of weidevogelbeheer plaatsvindt om de effectiviteit van het agrarisch natuurbeheer in Flevoland te kunnen evalueren.
2.3.3 Categorie Water
In categorie Water wordt ingezet op een bijdrage aan de waterkwaliteit van de KRW-watergangen en het verhogen van het waterbergend vermogen. Hiervoor is een bestaand monitoringsprogramma van waterschappen en provincies (kwaliteit en kwantiteit) via welke lijn de toestand en ontwikkeling van de betreffende parameters worden gemonitord. Dit betekent dat voor blauwe diensten niet een apart monitoringsprogramma ontwikkeld hoeft te worden.
2.3.4 Categorie Klimaat
Er is voor categorie klimaat van het Agrarisch natuur- en landschapsbeheer nog geen specifieke beleidsmonitoring programma ontwikkeld. Er wordt zo veel mogelijk aangesloten bij nationale monitoring.
3. Doelen en criteria
3.2 Agrarisch natuur- en landschapsbeheer
3.2.1 Beschrijving van de leefgebieden
Leefgebied open akkerland
Het leefgebied open akkerland bestaat uit landschappen met overwegend bouwland waarin wordt voldaan aan de eisen die akkersoorten stellen. Bouwland bestaat uit akkers bebouwd met gewassen zoals granen, aardappels of suikerbieten. De akkers zijn doorsneden met bermen, sloten en meer of minder opgaande begroeiing.
Met akkervogels wordt gedoeld op soorten die zich (in zekere mate) hebben aangepast aan de dynamiek van de hedendaagse landbouw. Daarbij is niet alleen voedselbeschikbaarheid in de vorm van zaden, insecten en muizen noodzakelijk, maar ook dekking, slaapplaatsen (zeker in winterperiode) en een gevarieerd bouwplan. Kenmerkende soorten van akkers zijn zowel soorten die broeden op deze akkers (zoals gele kwikstaart, veldleeuwerik en grauwe kiekendief) als soorten die tijdens de trek of overwintering afhankelijk zijn van niet geoogste granen en onkruidzaden (veldleeuwerik, vinken en gorzen). Akkers met veel granen en zaden zijn goed voor muizenpopulaties, die op hun beurt weer voedsel verschaffen voor roofvogels. Een soort als de kievit kent z’n zwaartepunt in het open grasland, maar komt ook relatief veel in open akkerland en de combinatie van de twee voor.
De belangrijkste ecologische eisen van akkersoorten zijn voldoende voedsel en rust- en broedgebieden in de zomer en voldoende voedsel en rustgebieden in de winter. Bepaalde soorten komen alleen in de zomer in akkerbouwgebieden voor (trekvogels als de gele kwikstaart en grauwe kiekendief), andere soorten verblijven jaarrond in Nederland (patrijs, blauwe kiekendief, veldleeuwerik) en weer andere soorten zijn typische wintergasten in akkerbouwgebieden (gorzen, vinken)
Leefgebied open grasland
Het leefgebied open grasland bestaat uit open landschappen met overwegend grasland. Vaak is dit leefgebied doorsneden met een fijnmazig netwerk van lijnvormige wateren: sloten, weteringen en vaarten. Idealiter bestaat een kerngebied voor soorten van open grasland zowel uit natuur- als agrarische gronden die in samenhang worden beheerd, gefaseerd in ruimte en tijd. Op de agrarische gronden die mede voor weidevogels worden beheerd, weegt de productiefunctie het zwaarst, maar vindt deze productie plaats binnen de voorwaarden die het behoud van biodiversiteit stelt. Het in Flevoland begrensde leefgebied open grasland kent een gedeelde functie van open gras- en akkerland.
Leefgebied dooradering
Het leefgebied dooradering bestaat uit lijnvormige elementen die een netwerk vormen van broed en foerageer gebied voor soorten die leven in het agrarisch landschap. Het bestaat uit een combinatie van ecologisch beheerde heggen, struwelen, akkerranden, ruigten en voedselveldjes. Deze elementen grenzen direct, of indirect met behulp van andere beheerde elementen, aan natuurgebieden uit het NNN relevant voor de doelsoorten. In Flevoland wordt gericht op drie soorten dooradering. Ten eerste natuurlijkere overgangen tussen bos en akkerland door de komst van meer mantel- en zoomvegetatie en struweel rond de bosranden. Doelsoorten hierbij zijn de kneu en de zomertortel. Ten tweede wordt er ingezet op de versterking van de verbindende werking van de vaarten. Veel water gebonden soorten gebruiken de oevers van de vaarten als leefgebied of migratieroute. Door meer land rond de vaarten natuurlijk in te richten kan deze werking versterkt worden. Doelsoorten hierbij zijn graspieper, kleine karekiet en de otter. Als laatste wordt dooradering gebruikt om groene elementen met elkaar te verbinden. Deze groene elementen zijn niet persé natuurgebieden. Het kunnen ook bijvoorbeeld (ecologisch beheerde) bermen, landschapselementen, tochten, of natuurlijk ingerichte erven zijn. Doelsoorten hierbij zijn afhankelijk van het type dooradering (via akkerranden, ruigtes, of struweel) en sluiten aan bij doelsoorten van leefgebied dooradering of leefgebied open akkerland.
3.2.2 Selectie en begrenzing van de gebieden
Op de natuurtypenkaart agrarisch natuurbeheer is een keuze gemaakt voor de begrenzing van de leefgebieden. Om de gewenste ecologische effectiviteit te bereiken zijn criteria gehanteerd t.a.v. de aanwezigheid van doelsoorten, voldoende openheid en omvang. Het agrarisch collectief kan alleen voor deze begrensde gebieden een gebiedsaanvraag doen. In de overzichtstabel zijn de begrensde leefgebieden, beheertype en de soorten waarvoor dit gebied van belang is te vinden. In deze beschrijving worden de doelen aangeduid. Deze zijn voor het agrarisch collectief de basis voor de uitwerking van de gebiedsaanvraag.
Leefgebied
Beheertype
Doelsoorten
Open Akkerland
Open akker voor broedende akkervogels
Veldleeuwerik
Gele kwikstaart
(Graspieper)
(Grauwe- en Blauwe kiekendief)
(Velduil)
Open Grasland
Weidevogelland met riet of opgaande begroeiing
Veldleeuwerik Gele kwikstaart
(Graspieper)
(Kievit)
Dooradering
Bomenrij en singel, Struweel en ruigte
Kneu Zomertortel
Watergang
Graspieper Kleine karekiet
(Otter)
Overzichtstabel van de leefgebieden, beheertypen en doelsoorten. In de tabel staan onder soorten primaire en secundaire soorten vermeld. Secundaire soorten staan tussen haakjes.
3.2.3 Opstellen en beoordeling van de gebiedsaanvraag
Het is aan het agrarisch collectief om binnen de begrensde leefgebieden maatregelen te kiezen met een hoge effectiviteit. Hiervoor worden instapeisen gesteld. De in deze paragraaf geschetste criteria geven aan welke kwaliteit de provincie nastreeft in de gebieden en zijn richtinggevend bij de uitwerking van de gebiedsaanvragen door het agrarisch collectief.
Criteria en eisen voor open akkerland
1Aanwezigheid van de doelsoort
Instapeis: in het gebied komen de grauwe- of blauwe kiekendief en/of minimaal 20 broedparen van veldleeuwerik en gele kwikstaart samen per 100 ha voor.
Streefdoel: de komende 6 jaar de aantallen in standhouden of te laten groeien.
2Een kerngebied van voldoende omvang en connectiviteit
Instapeis: akkerbouwgebied van tenminste 250 ha. Ligging aan (natuur) gebieden die belangrijk zijn voor de doelsoorten is een pre.
Streefdoel: akkerbouwgebied van gebied van 1000ha. Gebied is verbonden met een ander akkervogelkerngebied of grenst aan een natuur gebied dat belangrijk is voor de doelsoorten.
3Gewasdiversiteit en gebruikswijze (creëren van foerageergebied en het optimaliseren van broed- en opgroeimogelijkheden)
Instapeis: totaal aan maatregelen (bijvoorbeeld: akkerranden, wintervoedsel- veldjes, vogelakkers, etc.) beslaat 5% van het akkerbouwgebied.
Maatregelen ten behoeve van het verbeteren van de voedselsituatie worden gecombineerd met maatregelen ten behoeve van verbeteren nestsucces (individuele nestbescherming en/ of aangepast maaibeheer). In de aangelegde akkerranden, wintervoedselveldjes, vogelakkers worden geen insecticiden gebruikt. Het kerngebied wordt gedomineerd door akkerbouw, met een klein aandeel grasland en mais.
Streefdoel: Totaal aan maatregelen (bijvoorbeeld: akkerranden, wintervoedsel- veldjes, vogelakkers, etc.) beslaat 10% van het akkerbouwgebied, waarbij de verhouding zomer-wintermaatregelen ongeveer 80:20 betreft. Minstens 10% van het oppervlak gaat onbewerkt de winter in (stoppel van aardappel, maïs of granen) of kent een vorm van niet kerende grondbewerking, waarbij een groenbemester de winter overstaat (al dan niet oppervlakkig bewerkt). Minstens 10% van de verbouwde granen betreft zomergranen.
Criteria en eisen voor open grasland
1Aanwezigheid van voldoende doelsoorten
Instapeis: Minimaal 30 broedparen van de soorten van de gele kwikstaart, graspieper, kievit en veldleeuwerik samen per 100 ha.
Streefdoel: de komende 6 jaar de aanallen in stand houden of te laten groeien.
2Voldoende omvang en connectiviteit
Instapeis: minimaal 100 ha samenhangende beheerde oppervlakte waarop leefgebied open grasland aanwezig is. Het gebied is zoveel mogelijk aaneengesloten en heeft een zo kort mogelijke buitengrens. Beheerde percelen liggen in samenhang met elkaar. Beheerde percelen liggen in samenhang met elkaar en er zijn geen geïsoleerde percelen met uitgesteld maaibeheer.
Streefdoel: minimaal 250 ha samenhangende oppervlakte waarop leefgebied open grasland aanwezig is. Hierbinnen zijn geen voor weidevogelkuikens onoverkomelijke barrières aanwezig. Er is een buffer van 200 meter met een zeer hoge mate van openheid om het kerngebied aanwezig. Zware beheerpakketten liggen ongelisoleerd in het kern van het gebied.
3Rustperiode tijdens broedseizoen en uitgestelde maaidatum
Instapeis: Tijdens het broedseizoen wordt een rustperiode gehanteerd, waarbij pas gemaaid wordt op het moment dat de (meeste) jongen vliegvlug zijn. Een richtlijn is 1 april tot 15 juni, maar de precieze periode kan verschillen tussen ‘vroege’ en ‘late’ gebieden en tussen jaren. In dat deel van het gebied waarvoor geen pakketten met rustperiode zijn afgesloten vindt nestbescherming plaats en indien nodig ook op percelen met beheerpakketten voorafgaand aan of na afloop van de rustperiode.
De nestbescherming bedraagt maximaal 20% van de maatregelen.
Streefdoel: rustperiode, eventueel met extensieve beweiding, tussen 1 april en 15 juli óf op het moment dat de jongen vliegvlug zijn. Maaien na 1 juli én/of op het moment dat de jongen vliegvlug zijn. De precieze periode kan verschillen tussen ‘vroege’ en ‘late’ gebieden en tussen jaren.
In dat deel van het gebied waarvoor geen pakketten met rustperiode zijn afgesloten vindt nestbescherming plaats en indien nodig ook op percelen met beheerpakketten voorafgaand aan of na afloop van de rustperiode. De nestbescherming bedraagt maximaal 20% van de maatregelen.
Criteria en eisen voor dooradering
1Aanwezigheid van doelsoorten
Instapeis: Het gebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de betreffende doelsoorten.
2Voldoende omvang en connectiviteit Instapeis: Agrarische natuur van ten minste 3 km aan lijnvormige beheerde elementen.
Beheerde elementen liggen ononderbroken bijeen. Ze vormen een verbinding tussen groene elementen in het landschap. Óf ze liggen direct grenzend aan het NNN.
3Creëren broedgebied met voldoende rust Instapeis: Struwelen bestaan uit inheemse struiken. Geen beheer aan struwelen vindt plaats tussen 1 april en 31 augustus.
4. Subsidiemogelijkheden
4.1 Beheersubsidies
4.1.1 Natuur- en landschapsbeheer
Beheersubsidie voor natuur- en landschaps- beheer is een vergoeding voor het beheer van een beheertype. Een beheertype beschrijft aan welke terreinkenmerken het terrein moet voldoen. Beheertypen mogen elkaar niet overlappen: op een oppervlakte kan één natuurbeheertype worden aangevraagd. Bij de subsidie voor natuurbeheer moet de beheerder zijn terrein openstellen. Het natuurterrein is opengesteld als het minimaal 358 dagen per jaar bereikbaar en gratis toegankelijk is. Op de kaarten van het natuurbeheerplan staat weergegeven welke natuurterreinen vrijgesteld zijn van de openstellingsverplichting. De algemene eisen die gesteld worden aan natuur- beheerders staan in de Verordening Natuur- en Landschapsbeheer Flevoland (SVNL).
4.1.2 Agrarisch natuur- en landschapsbeheer
Alleen het agrarisch collectief kan subsidie krijgen voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
Een agrarisch collectief is een gecertificeerd samenwerkingsverband van met name agrariërs voor het uitvoeren van agrarisch natuur- en landschapsbeheer en is eindbegunstigde van de subsidie. Voor het verkrijgen van subsidie is een samenhangende gebiedsaanvraag vereist. Dit is een in nauwe afstemming met gebiedspartners tot stand gekomen, samenhangend ecologisch effectief en economisch efficiënt plan van een agrarisch collectief voor het uitvoeren van agrarisch natuur en landschapsbeheer in een bepaald gebied.
De eisen die gesteld worden aan het agrarisch collectief en de gebiedsaanvraag staan in de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Flevoland (SVNL).
4.2 Kwaliteitsimpulssubsidies
4.2.1 Investeringssubsidie
Dit is subsidie voor maatregelen die het gebied geschikt maken voor (agrarisch) natuurbeheer of voor een kwaliteitsverbetering van de natuur. Bij de kwaliteitsverbetering wordt de natuurkwaliteit van een bestaand natuurbeheertype verhoogd of wordt een bestaand natuurbeheertype omgezet naar een ander type. De subsidie draagt bij aan de realisatie van het beheertype dat op de ambitiekaart staat aangegeven.
4.2.2 Subsidie functieverandering
Dit is subsidie voor de waardedaling van de grond door het veranderen van landbouwgrond in bos of andere natuur. Het gebied waar het om gaat moet met een natuurbeheertype zijn opgenomen in het Natuurbeheerplan van de provincie.
4.2.3 Niet-productieve investeringen in biodiversiteit, natuur en landschap en hydrologische maatregelen PAS
De provincie heeft in 2021 eenmalig een kwaliteitsimpuls regeling opengesteld. Het doel van deze regeling was om de biodiversiteit en de natuur ín het NatuurNetwerk Flevoland te versterken. De afgelopen jaren is gebleken dat de biodiversiteit en kwaliteit van de natuur in het Flevolandse NatuurNetwerk onder druk zijn komen te staan. De moerassen verlanden en de bossen zijn van onvoldoende kwaliteit om op lange termijn een robuust en weerbaar systeem te vormen. Door deze regeling worden er in de komende jaren meerdere kwaliteitsimpuls projecten uitgevoerd verdeeld over Flevoland. De projecten dragen bij aan de instandhouding van beheertypen op de beheertypenkaart.
4.2.4 Regeling Specifieke Uitkering Programma Natuur
Op grond van de Regeling Specifieke Uitkering Programma Natuur zijn door de minister financiële middelen aan de provincies beschikbaar gesteld voor natuurherstel. In 2021 zijn hiervoor project- voorstellen ingediend bij het ministerie van LNV. De gehonoreerde projecten zullen uitgevoerd worden in de periode 2021 tot en met 2025. De projecten dragen bij aan de instandhouding van beheertypen zoals te zien op de beheertypenkaart. Deze projecten staan los van de projecten onder 4.2.3.