Aanhef
Gedeputeerde Staten van Drenthe;
gelet op artikel 1.3 van de Subsidieverordening Natuur en Landschapsbeheer provincie Drenthe 2016;
overwegende dat regelmatig het Natuurbeheerplan wordt geactualiseerd;
BESLUITEN:
1het Natuurbeheerplan Drenthe, versie 2026, PB 16 september 2025, Nr. 15086 in te trekken;
2het Natuurbeheerplan Drenthe 2027, vast te stellen.
Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2026 juli 2026. In het geval de publicatie in het Provinciaal Blad plaatsvindt na 1 juli 2026, werkt het Natuurbeheerplan Drenthe terug tot 1 juli 2026.
Bovengenoemde stukken kunnen vanaf 1 juli 2026 digitaal ingezien worden via www.provincie.drenthe.nl/natuurbeheerplan.
Belanghebbenden kunnen van 13 juli 2026 tot en met 24 augustus 2026 een beroepschrift indienen tegen dit besluit bij de Rechtbank Noord-Nederland. Voor meer informatie over het indienen van een beroepschrift verwijzen wij u naar www.provincie.drenthe.nl/bezwaarprocedure.
Gedeputeerde Staten voornoemd,
drs. A.H. Mulder, voorzitter
W.F. Brenkman MSc, secretaris
Assen, 23 juni 2026
Kenmerk 26/4.22/2026000915
Het Natuurbeheerplan dient uitsluitend als subsidiekader voor natuur, bos en landschap.
Het Natuurbeheerplan mag niet worden gebruikt als basis voor advisering, toetsing van omgevingsplannen en als toetsingskader voor de basispremie.
3. Subsidiestelsel Natuur en Landschap
3.2 Natuurbeheerplan: beheertypenkaart en ambitiekaart
3.2.1 Beheertypenkaart – Beheersubsidie op grond van de SVNL 2016
Voor natuurbeheer staat op de beheertypenkaart aangegeven welke gebieden in principe voor subsidie in aanmerking zouden kunnen komen (zie bijlage 1). Op de beheertypenkaart wordt alle bestaande natuur weergegeven. Per natuurterrein en of perceel is één beheertype toegekend en een beheerder komt alleen voor financiering van het aangewezen beheertype in aanmerking. Indien er nog geen bestaand beheertype aanwezig is, wordt het op de ambitiekaart als beheertype ‘N00.01 Nog om te vormen naar natuur’ aangegeven. Dit betekent dat hier ontwikkeling tot een gewenst beheertype uit de ambitiekaart nodig is. Deze gronden komen niet direct, maar pas na inrichting c.q. functieverandering voor beheersubsidie in aanmerking. Voor het bepalen van het dan gewenste beheertype moet vaak nog aanvullend onderzoek gedaan worden.
Op bestaande natuur kan ook subsidie voor landschapsbeheer worden verstrekt. Op de beheertypenkaart is aangegeven voor welke landschapselementen subsidies landschapsbeheer kunnen worden verstrekt. Individuele landschapselementen die in natuurbeheergebied liggen en door de provincie als zodanig worden erkend, zijn op de beheertypenkaart aangegeven.
Voor het Agrarisch natuurbeheer (ANLb), als onderdeel van het GLB, zijn landelijk de data van het Agrarisch Areaal Nederland (AAN-laag) geïntegreerd in de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). De (buiten)grenzen van natuurterreinen (natuur- en landschapsbeheertypen) zijn echter ingetekend op basis van de Top10NL kaart. Uit onderzoek is gebleken dat deze begrenzing nog niet ingetekend kan worden in het BGT.
Gebruik van verschillende onderleggers bij de intekening leidt echter voor het ANLb tot overlap. Dit heeft veel foutmeldingen en extra uitvoeringslasten tot gevolg. Veelal betreft dit de kleine beheereenheden en landschapselementen die verspreid in het agrarisch gebied liggen.
Om dit uitvoeringsprobleem op te lossen is de keuze gemaakt om buiten het NNN de landschapstypen en kleine beheereenheden niet langer op te nemen op de beheertypen- en ambitiekaart in bijlage 1 en 2, met uitzondering van de natuur- en landschapstypen waar beheer wordt gecontinueerd. Om het complete beeld inclusief de landschapstypen en de natuur buiten NNN voor de toekomst in beeld te houden is de beheertypenkaart van het Natuurbeheerplan 2023 ter informatie als bijlage in voorliggend Natuurbeheerplan toegevoegd (bijlage 5).
3.2.2 Ambitiekaart – Functieverandering op grond van de SKNL
Landbouwgronden die op de ambitiekaart het beheertype N00.01 hebben, kunnen definitief worden omgezet in natuur, waarbij de waardevermindering van de grond wordt vergoed. Ook particulieren of natuurcollectieven komen voor deze vergoeding in de vorm van subsidie functieverandering in aanmerking. De particulieren zijn en blijven in dat geval eigenaar van de gronden. Voor deze functieverandering bestaat sinds 2005 een fiscale vrijstelling. Particulier natuurbeheer is een belangrijk middel voor de realisatie van het NNN.
3.2.3 Ambitiekaart – Investeringen/ kwaliteitsverbetering op grond van de SKNL
Op de ambitiekaart (bijlage 2) is aangegeven in welke gebieden gebruik kan worden gemaakt van een investeringssubsidie voor een kwaliteitsimpuls. Op de beheertypenkaart kan nu bijvoorbeeld bos zijn aangegeven, terwijl het de bedoeling is om hier heide te ontwikkelen. De investeringssubsidie kan worden gebruikt voor de verandering van bos naar heide. Na het toekennen van de subsidie en het uitvoeren van de inrichtingsmaatregelen zal de beheertypenkaart en daarmee het Natuurbeheerplan moeten worden aangepast, zodat er voor heide beheersubsidie kan worden verkregen op basis van de SVNL 2016.
De investeringssubsidie kan gericht zijn op:
a.Maatregelen voor verbetering van de natuurkwaliteit in een bestaand natuurterrein waarbij het beheertype niet verandert;
b.Inrichtingsmaatregelen in een bestaand natuurterrein waarbij van het aanwezige beheertype wordt overgestapt naar het gewenste beheertype;
c.Inrichtingsmaatregelen waarbij landbouwgrond wordt omgevormd naar natuurterrein.
De SKNL is niet van toepassing op het nemen van inrichtingsmaatregelen op landbouwgrond om de kwaliteit van een aanwezig agrarisch beheertype te verhogen. Investeringen ten behoeve van het ANLb zijn nader uitgewerkt in het GLB-NSP.
Voor de specifieke voorwaarden met betrekking tot de verlening van een investeringssubsidie wordt verwezen naar http://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap en https://www.provincie.drenthe.nl/onderwerpen/natuur-milieu/natuur/natuur-in-ontwikkeling/agrarisch-natuurbeheer/
3.2.4 Beheertypenkaart – ANLb, water en klimaat
Voor het ANLb onderscheiden de provincies de volgende drie leefgebieden: open grasland, open akkerland en dooradering. Deze drie leefgebieden zijn de drie agrarische natuurtypen van de Index Natuur en Landschap. Daarnaast wordt gewerkt met de categorie water en een categorie klimaat.
In het Natuurbeheerplan worden deze drie agrarische natuurtypen en de categorieën water en klimaat als zoekgebieden op de beheertypenkaart aangeduid. Alleen binnen de begrenzing van de zoekgebieden is subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer mogelijk. Voor de drie agrarische natuurtypen worden voor de mix aan beheertypen subsidiecriteria meegegeven. Deze criteria beschrijven de instapeisen voor een ecologisch effectieve subsidieaanvraag.
Bij de begrenzing van de zoekgebieden in het Natuurbeheerplan en de keuze op welke soorten wordt ingezet, houdt de provincie rekening met de naastgelegen provincies. Dit om een goed afgestemd soortenbeleid over de provincies te garanderen. Er wordt naar gestreefd om het ANLb in te zetten in de meest kansrijke gebieden voor stabiele populaties. Hierbij is de versterking en/of verbinding van het NNN een belangrijk uitgangspunt. Tevens is het gericht op kansrijkheid voor soorten die (deels) afhankelijk zijn van het agrarische cultuurlandschap. Vanaf 2027 wordt het ANLb aanvullend versterkt met Rijksmiddelen uit het programma Agrarisch Natuurbeheer (ANB). Deze middelen worden conform een gezamenlijk (LVVN en IPO) opgestelde Leidraad ingezet in de prioritaire gebieden. De Leidraad wordt specifiek omschreven in hoofdstuk 4 paragraaf 4.3 en 4.4.
Op de beheertypenkaart worden de doelstellingen voor specifieke soorten of soortengroepen binnen de agrarische beheertypen niet aangeduid. Welke specifieke doelstellingen de provincie heeft m.b.t. soorten of soortengroepen wordt beschreven in hoofdstuk 4.
Voor het zoekgebied water is in hoofdstuk 4 aangegeven op welke blauwe diensten ingezet kan worden en welke criteria daarvoor gelden. Dit geldt ook voor het zoekgebied klimaat. Voor agrarisch natuurbeheer staat op de beheertypenkaart aangegeven welke leefgebieden en of categorieën voor subsidie in aanmerking komen (zie bijlage 1).
3.2.5 Monitoring
Er wordt gewerkt aan het provinciaal monitoringplan in samenwerking met de beheerders. De provincie heeft in 2015 het provinciaal meerjarenprogramma monitoring vastgesteld met als belangrijk onderdeel daarin de rapportagecyclus. Op basis van dit meerjarenprogramma wordt jaarlijks de monitoring voor zowel natuur in de natuurgebieden als natuur in de agrarische gebieden uitgevoerd.
Monitoring is een essentieel onderdeel van de beheercyclus. De uitvoering van het natuurbeleid en beheer dient onderzocht te worden om te weten of de afgesproken doelen ook gehaald en zo nodig bijgesteld moeten worden. Behalve informatie over de gerealiseerde hectares en het daarvoor benodigde geld (kwantiteit), is ook informatie nodig over de resultaten in termen van bijv. aantallen dieren en planten (kwaliteit).
Voor de monitoring van het natuurbeheer en het agrarisch natuurbeheer is een uniforme landelijke systematiek ontworpen.
Natuurbeheer
Voor de monitoring van het natuurbeheer is door de gezamenlijke provincies in overleg met de natuurbeheerders een methodiek vastgesteld, die is beschreven in de “Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS”, die te vinden is op de website van BIJ12 (https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/productencatalogus/methodieken/werkwijze-monitoring/). Hierin wordt per beheertype beschreven welke monitoring noodzakelijk is en hoe deze moet worden uitgevoerd. Op de website van BIJ12 zijn ook bijlagen en achtergronddocumenten te downloaden.
Gecertificeerde natuurbeheerders hebben het recht om de monitoring zelf uit te (laten) voeren en krijgen daarvoor via de lumpsum overeenkomst of opdracht een monitoringssubsidie gebaseerd op de monitoringstarieven zoals vastgesteld in het openstellingsbesluit. Voor de overige natuurbeheerders voert de provincie de monitoring uit.
Agrarisch natuur- en landschapsbeheer
Voor de monitoring van het agrarisch natuurbeheer is in 2016 een systematiek ontwikkeld. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen beheermonitoring (het verzamelen van natuurgegevens die nodig zijn om het beheer (beter) uit te voeren) en beleidsmonitoring (het verzamelen van gegevens om de realisatie van de beleidsdoelen op provinciaal, landelijk en Europees niveau te evalueren).
De verantwoordelijkheid voor de beheermonitoring bij het agrarisch natuurbeheer ligt bij de agrarische collectieven. De provincies zijn verantwoordelijk voor de beleidsmonitoring.
Water
De blauwe diensten worden ingezet op een bijdrage aan de waterkwaliteit van de KRW-watergangen en het verhogen van het waterbergend vermogen en grondwaterkwaliteit. Hiervoor is een bestaand monitoringsprogramma van waterschappen en provincies (kwaliteit en kwantiteit) via welke lijn de toestand en ontwikkeling van de betreffende parameters worden gemonitord.
Dit betekent dat voor blauwe diensten niet een apart monitoringsprogramma ontwikkeld hoeft te worden.
Klimaat
Klimaatmaatregelen worden ingezet om een bijdrage te leveren aan CO2 vastlegging en het reduceren van broeikasgassen. Daarnaast wordt er ingezet op klimaatadaptatie door middel van vernatten, het opvangen van waterpieken en droogte, en het omgaan met verzilting. Er is voor klimaatmaatregelen (ANLb) momenteel geen specifiek beleidsmonitoringsprogramma ontwikkeld.
4. Natuur-, landschaps, water- en klimaatdoelen
4.4 Beleidsdoelen en criteria water en klimaat
4.4.1 Water
Met de blauwe diensten wordt met name een bijdrage geleverd aan de verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit en grondwaterkwaliteit.
In het huidige Natuurbeheerplan zijn de waterschapsgebieden begrensd, waar blauwe diensten kunnen worden ingezet. De waterschapsgebieden zijn weergegeven op de kaart categorie water in bijlage 4 van dit Natuurbeheerplan. Het betreft vier deelgebieden: Hunze en Aa’s, Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Noorderzijlvest.
Voor deze deelgebieden geldt dat er een beheervergoeding mogelijk is voor waterberging, bufferzones en akkerranden langs oppervlaktewater voor verbetering van de waterkwaliteit. Daarnaast kan er worden ingezet op bodemverbetering in stroomgebieden van waterlopen, met als doel het verbeteren van de bodemstructuur en daarmee de sponswerking van de bodem. Deze verbeterde sponswerking heeft een positief effect op de ecologische kwaliteit.
Grondwatermaatregelen
Maatregelen ter verbetering van de grondwaterkwaliteit worden ingezet in grondwaterbeschermingsgebieden en gebieden waar waterkwaliteitsdoelen (normen) worden overschreden.
Het zoekgebied voor de inzet van blauwe diensten is ruim begrensd. Dit betekent dat het agrarische collectief in afstemming met waterschappen en provincie in de gebiedsaanvraag moet komen tot indikking van de gebieden. Hieronder zijn criteria aangegeven op basis waarvan het collectief haar gebiedsaanvraag verder uitwerkt.
Voorwaardelijkheid
•Blauwe diensten zijn beheeractiviteiten die een bovenwettelijke inspanning vormen voor een agrariër en bijdragen aan de waterdoelen;
•De activiteiten vinden plaats op agrarisch eigendom of op agrarisch gebruikte/ gepachte percelen.
Voldoende omvang en connectiviteit
De effectiviteit van de middelen is groter indien gekozen wordt voor meer focus en bundeling van blauwe diensten.
Dit kan door:
•Blauwe diensten geclusterd en zoveel mogelijk aaneengesloten in een afgebakend gebied uit te voeren;
•Maatregelen in te zetten die bestaande blauwe diensten versterken;
•Synergie te zoeken met de keuze voor beheermaatregelen in de leefgebieden van het ANLb en de categorie klimaat.
Prioritaire gebieden
Bij het zoeken naar mogelijkheden voor de inzet van blauwe diensten, geldt verder:
•De activiteiten zijn niet van toepassing op percelen aangeduid met het beheertype N00.01 (Nog om te vormen naar natuur) op de ambitiekaart.
•Doorzetten wat goed loopt, dus verlengen van bestaande afspraken die op de goede plekken liggen.
•De concept gebiedsaanvraag voor het onderdeel blauwe diensten wordt in nauw overleg met provincie en waterschap opgesteld.
4.4.2 Klimaat
De categorie Klimaat is gericht op klimaatbeheermaatregelen die CO2-vastleggen, de uitstoot van broeikasgassen verminderen en het vasthouden en afvoeren van water als doelstelling hebben. Deze doelstelling is opgesplitst in klimaatmitigatie en klimaatadaptatie.
Klimaatdiensten hebben een relatie met blauwe diensten. In het huidige plan zijn de waterschapsgebieden begrensd waar klimaatdiensten kunnen worden ingezet. Deze zijn weergegeven op de kaart categorie klimaat in de bijlage 3 van dit Natuurbeheerplan.
Klimaatmitigatie
De volgende maatregelen vallen onder klimaatmitigatie:
a) Verhogen gehalte organische stof in akkerbouwbodems;
Uitwerking:
•Op droogtegevoelige gronden (vooral hogere zandgronden) water vasthouden en langzamer afvoeren door hogere grondwaterpeilen en minder afwatering:
b) Aanpassing gewaskeuze en teelttechniek in akkerbouw en weidebouw, inclusief onderhoud en beheer van nieuwe boomrijen, nieuwe struweellinten, het toepassen van agroforestry, het toepassen van meer CO2-bindende gewassen en precisie-landbouw.
Uitwerking:
•Beheer nieuw aangelegde bomen en houtwallen langs beken/waterlopen (aanleg is zelf geen onderdeel beheer ANLb). Alleen beheer van nieuw aangelegde houtige landschapselementen van na 1 januari 2019 zijn hiervoor in beeld. Nieuwe aanleg draagt bij aan vastleggen CO2.
•CO2 bindende teelten.
c) Vermindering oxidatie van veenbodems, onder andere via verhoging grondwaterpeil en/of overstap naar natte teelten/paludicultures.
Uitwerking:
•Vermindering CO2 uitstoot door waterpeil/grondwaterstand verhoging in beekdalen/veenweide- en veenoxidatiegebieden
•Alternatieve natte teelten
Klimaatadaptatie
De volgende maatregelen vallen onder klimaatadaptatie:
a.Meer water vasthouden in infiltratiegebieden
Uitwerking:
•In infiltratiegebieden (hogere zandzanden) kan het watervasthoudend vermogen worden vergroot door het verhogen van het organische stofgehalte
b) Adaptatie aan de verwachte hogere frequentie van inundaties in beekdalen en in laaggelegen akker- en weidegebieden.
Het zoekgebied voor de inzet van klimaatdiensten is ruim begrensd. Dit betekent dat het agrarische collectief in afstemming met waterschappen en provincie in de gebiedsaanvraag moet komen tot indikking van de gebieden. Hieronder zijn criteria aangegeven op basis waarvan het collectief haar gebiedsaanvraag verder uitwerkt.
Voorwaardelijkheid
•Klimaatdiensten zijn de beheeractiviteiten die een bovenwettelijke inspanning vormen voor een agrariër en bijdragen aan de waterdoelen.
•De activiteiten vinden plaats op agrarisch eigendom of op agrarisch gebruikte/ gepachte percelen.
Voldoende omvang en connectiviteit
De effectiviteit van de middelen is groter indien gekozen wordt voor meer focus en bundeling van klimaatdiensten. Dit kan door:
•Klimaatdiensten geclusterd en zoveel mogelijk aaneengesloten in een afgebakend gebied uit te voeren;
•Maatregelen in te zetten die bestaande blauwe diensten versterken;
•Synergie te zoeken met de keuze voor beheermaatregelen in de leefgebieden van het ANLb en de categorie water.
Prioritaire gebieden
Bij het zoeken naar mogelijkheden voor de inzet van klimaatdiensten, geldt verder:
•De activiteiten zijn niet van toepassing op percelen aangeduid met het beheertype N00.01 Nog om te vormen naar natuur op de ambitiekaart.
•Doorzetten wat goed loopt, dus verlengen van bestaande afspraken die op de goede plekken liggen.
•De concept gebiedsaanvraag voor het onderdeel klimaatdiensten wordt in nauw overleg met provincie en waterschap opgesteld.
Bijlage 6 Doelsoorten
In onderstaande tabellen staan per leefgebied de doelsoorten, waar Nederland een (inter)nationale verantwoordelijkheid voor heeft en waarvan is afgesproken dat Drenthe daar een bijdrage aan gaat leveren. Daarnaast kiest Drenthe ervoor om deze lijst aan te vullen met een aantal specifieke Drentse doelsoorten, kenmerkend voor de natuur en het landschap in Drenthe. Een deel van deze soorten is eveneens internationaal beschermd. De “status” is met een kleur weergegeven.
A.Open grasland
B.Open akkerland
Hierbij worden twee typen onderscheiden: soorten van open akkers en soorten die ’s winters komen foerageren.
C.Dooradering (droge landschapselementen)
Bij droge landschapselementen wordt gedacht aan (droge) ruigten, struwelen, bomenrijen en singels en poelen. Hoewel de poelen ook als natte landschapselementen kunnen worden aangemerkt, zijn de voor Drenthe relevante aan poelen gebonden doelsoorten vaak ook afhankelijk van de aanwezigheid van droge landschapselementen. Om deze reden worden de droge en natte landschapselementen samen beschouwd.
D.Dooradering (natte landschapselementen)
Doelsoorten van de natte landschapselementen zijn te vinden in poelen en of lijnvormige elementen. Soorten gebonden aan poelen zijn ook vermeld bij droge landschapselementen of open grasland.
Bijlage 7 Adressen
Instelling
Adres
Plaats
Telefoon
Informatie
BIJ12 (gezamenlijke provincies)
www.bij12.nl
Utrecht
(085) 486 22 22
Alle informatie over Natuur en Landschap
RVO.nl Roermond
www.rvo.nl
Roermond
(088) 042 42 42
Subsidieaanvragen
Prolander-loket Drenthe
Postbus 50040
prolander-snl@prolander.nl
9400 LA Assen
(0592) 365000
Subsidieaanvragen
Toetsing aan
Natuurbeheerplan
Subsidieverordening
Provincie Drenthe
Postbus 122
www.provincie.drenthe.nl
9400 AC Assen
(0592) 365555
Subsidieaanvragen
SNL
Subsidieverordening
Subsidieregelingen
Meer informatie over het (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer vindt u op: https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/
Dit portaal is de verzamelplaats van alle (beleids)informatie over Natuur en Landschap in Nederland.
Bijlage 8 Begrippenlijst en afkortingen
Begrippen
Abiotisch: behorende tot de niet-levende natuur.
Agrarische natuur: agrarische gebieden die begrensd zijn en die zodanig beheerd worden dat er natuurwaarden behouden en of ontwikkeld worden
Agrarisch beheertype: bestaat uit een lijst van handelingen of randvoorwaarden voor grondgebruik, die is ontworpen met het oog op het realiseren van natuurwaarden
Beheerpakket: een in de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer vastgelegde omschrijving van te behalen natuurdoelen, terreinkenmerken en beheereisen. De aanvrager zorgt voor de instandhouding van het pakket voor een periode van zes jaar en ontvangt hiervoor een vastgestelde vergoeding.
Beschikking: een schriftelijke bevestiging waarmee wordt medegedeeld dat de subsidieaanvraag is goedgekeurd. In de beschikking is onder meer vastgelegd welk beheertype de grondeigenaar of gebruiker zal toepassen en welke vergoeding hiervoor wordt ontvangen.
Biotoop: specifiek leefgebied van een soort.
Commissie Landelijk Gebied (CLG): een commissie die onder meer als taak heeft GS te adviseren over gebiedsplannen. In dit adviescollege zijn onder andere vertegenwoordigd: de landbouw, de natuurbescherming (inclusief de Milieufederatie Drenthe), de Drentse gemeenten en de Drentse waterschappen.
Dynamisch beheer: betreft beheersmaatregelen in het seizoen worden overeengekomen.
Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB): beleid vanuit Europa over de landbouw.
Landbouwgrond: grond waarop ten minste vanaf 31 juli 1992 enige vorm van akkerbouw veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw (daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen) en elke andere vorm van bodemcultuur hier te lande met uitzondering van bosbouw wordt bedreven, of gronden die uit productie zijn genomen in het kader van de beschikking ter zake het uit productie nemen van bouwland of de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen.
Nationaal Strategisch Plan: is de Nederlandse invulling van het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.
Natuurbeheerplan: in het natuurbeheerplan is aangegeven op welke percelen/terreinen agrarische natuur- en natuursubsidie kan worden aangevraagd.
Natuurtype: een omschrijving is een omschrijving van een bepaald type natuur en is opgebouwd uit een gemiddeld pakket van maatregelen waarvoor een standaard kostprijs is berekend
Nieuwe Natuur: gebied met functie natuur of gebied waar gestreefd wordt naar functieverandering van landbouwgrond in natuur. Via beschikkingen wordt gestreefd naar behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.
Natuurnetwerk Nederland (NNN): is een landelijk netwerk van natuur- en agrarische gebieden met een speciale natuurkwaliteit. Het netwerk bestaat zowel uit afzonderlijke natuurgebieden als uit verbindingszones die deze natuurgebieden met elkaar verbinden.
Predatiebeheer: afspraken om de predatie van eieren en kuikens van weidevogels te beperken.
Stapstenen: biotopen die geschikt zijn als woon- of rustgebied voor een soort in een omgeving die verder niet geschikt is. De stapstenen liggen voor die soort op een bereikbare afstand van elkaar, zodat de afstand tussen grotere geschikte woongebieden overbrugbaar is. Stapstenen zijn losse elementen zoals poelen, schraallandjes en bosjes.
Afkortingen
ANLb Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer
CLG Commissie Landelijk Gebied
GLB Gemeenschappelijk landbouwbeleid
IMNa Informatiemodel natuurbeheer
KRW Kaderrichtlijn Water
NBP Natuurbeheerplan
NHV Natuurherstelverordening
NND Natuur Netwerk Drenthe
NNN Natuurnetwerk Nederland
NSP Nationaal Strategisch Plan
NVWA Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit
RVO Rijksdienst voor ondernemend Nederland
SKNL Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap
SVNL Subsidieverordening natuur en landschapsbeheer