Aanhef
Provinciale Staten van Drenthe;
gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van Drenthe van 9 januari 2025, kenmerk 2/5.1/2024001756;
BESLUITEN:
de Drentse Landbouwkoers vast te stellen.
DRENTSE LANDBOUWKOERS
Naar een krachtige en toekomstgerichte Drentse landbouwsector in 2040
December 2024
VOORWOORD
‘Samen bouwen we Drenthe’. Wat mij betreft is de titel van het coalitieakkoord ook de werkwijze voor een toekomstgerichte landbouw in onze provincie. Daar bouwen wij als provincie samen met agrarisch ondernemers aan.
Dat bouwen is in de laatste jaren lastiger geworden. Voor zowel ondernemers als voor ons als bestuurders. Bouwen vraagt om toekomstbestendig beleid, waarmee je als ondernemer ook met zekerheid en vertrouwen vooruit kunt. Maar zowel in Den Haag als in de provincie is het lastig om die zekerheid te kunnen bieden. Vergunningverlening voor de veehouderij ligt nog altijd onder een vergrootglas. Daar komt het vraagstuk van voldoende en schoon water nog eens bij.
Als college zien wij een sector die behoefte heeft aan vertrouwen en waardering. Waardering voor het produceren van voldoende en kwalitatief hoogwaardig voedsel, met oog voor dierwelzijn en als beheerder van het landschap. Vertrouwen waar het gaat om het toepassen van de aanwezige kennis in de sector, die zowel in de praktijk als in het laboratorium is getoetst. Je hoeft een ondernemer die al jarenlang ervaring heeft met de aanwezige grondsoort en bodemstructuur niet te vertellen waar je op basis van satellietbeelden het beste kunt zaaien. Waarom we op de ene plek akkerbouwgewassen voor menselijke consumptie telen en op de andere plek juist koeien laten grazen om op die manier hoogwaardig eiwit te produceren in de vorm van melk. Dat weet die ondernemer al heel erg lang. Samen met de sector zoeken we naar balans. Dat gaat over het samenbrengen van wettelijke opgaven in lijn met de praktijk.
Ik ben er namelijk van overtuigd dat de ondernemers in Drenthe uiteindelijk binnen de wettelijke kaders de doelstellingen kunnen behalen. We zien alleen dat algemeen beleid niet altijd strookt met de lokale praktijk. Soms heeft het zelfs tegenstrijdige effecten. Met het verdwijnen van melkveebedrijven neemt het areaal grasland af, en neemt akkerbouwmatige teelt met meer risico op uitspoeling naar grond- en oppervlaktewater toe. Hiermee komen de waterdoelen uit het zicht, terwijl het onzeker is of de stikstofdoelen gehaald worden.
Dit college wil zich inzetten voor beleid dat aansluit bij de werkelijkheid van de agrarisch ondernemer. We komen uit een periode waarin er veel generiek (landelijk) beleid en dwingende maatregelen zijn toegepast. Het huidige regeerprogramma geeft aan dat er meer ingezet wordt op doelsturing en innovatie. Ook zet het de ondernemer zelf meer aan het stuur om doelen te behalen.
In Drenthe lopen we voorop met doelsturing op basis van de aanpak met Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s). Doelsturing is één van de onderdelen van het maatregelenpakket van de voorbereidingen van het nieuwe integrale programma (opvolger het Drents Programma Landelijk Gebied). Het geld dat voor de uitvoering van het maatregelenpakket in een eerdere fase is toegekend, zetten we daarom ook in voor de voortzetting, verbetering en versterking van de KPI-aanpak in Duurzaam Boeren Drenthe. Dat sluit aan bij onze ambitie om ons landschap te versterken en de sector het vertrouwen en de waardering te geven voor behaalde resultaten. Zowel in woorden als in middelen, door een beloning te geven voor behaalde resultaten, inspanning voor het beheer en een vergoeding voor gederfde inkomsten.
Met deze landbouwkoers geven we een richting aan voor de toekomst. Tegelijkertijd het is ook een tussenproduct en een onderlegger voor de provinciale omgevingsvisie, een lange termijnvisie op de gehele fysieke leefomgeving van Drenthe in 2050. Daarbij zien we ook dat de werkelijkheid ons soms inhaalt en dat plannen die we hier maken, niet per definitie in beton gegoten zijn. Ook wij moeten ons aanpassen aan de omstandigheden. Dat is iets waar onze agrarisch ondernemers zich zeker in zullen herkennen. Zij doen immers niet anders…
Jisse Otter,
Gedeputeerde Landbouw, provincie Drenthe
INLEIDING
Vanuit het coalitieakkoord ‘Samen bouwen we Drenthe’ volgt de opdracht om een landbouwkoers op te stellen. Hierin geeft de provincie een denkrichting voor de toekomst. Het concept-landbouwakkoord was een mooi vertrekpunt geweest, maar helaas bleef deze denkrichting vanuit het Rijk uit. Inmiddels is er een regeerprogramma met een uitgebreide paragraaf voor het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Daarin is opgenomen dat het ministerie meer ruimte wil geven aan ondernemerschap, doelsturing en innovatie.
Tegelijkertijd zijn er wettelijke opgaven die de agrarische sector raken. Die opgaven hebben vooral invloed op de grondgebonden sectoren en de open teelten. Als provincie onderkennen we dat er opgaven en uitdagingen zijn en daar willen wij samen met de sector aan werken.
Dat begint niet bij nul. In de afgelopen twee decennia is en wordt er al veel gedaan aan de opgaven en uitdagingen in het landelijk gebied. Maar we zijn er nog niet. Met de landbouwkoers willen wij dan ook richting geven aan het handelingsperspectief van onze agrarische sector.
Deze landbouwkoers heeft oog voor zowel ontwikkelingen binnen de agrarische sector als daarbuiten. Landelijke opgaven leiden tot een verandering van het landelijk gebied. Opgaven op het gebied van klimaat en water, natuur en biodiversiteit, energievoorziening, defensie, woningbouw en bereikbaarheid vragen ruimte. Deze spelen in de voorbereiding op de provinciale omgevingsvisie een belangrijke rol. Dit heeft gevolgen voor de ruimtelijke inrichting en geeft verdere invulling aan de koers voor de landbouw.
In de huidige onzekere geopolitieke situatie zien we dat voedselzekerheid en voedselvoorziening in de directe omgeving en in Noordwest-Europa belangrijker wordt. Dit is terug te zien in de naam van het Ministerie van LVVN en daar past een krachtige, diverse en toekomstgerichte landbouwsector bij. Het provinciale programma Toekomstgerichte Landbouw draagt hieraan bij.
Subsidieregeling Toekomstgerichte landbouw
De provincie Drenthe kent een subsidieregeling Toekomstgerichte landbouw. Met deze subsidie worden innovaties in de sector gefinancierd. Via de website landbouwindrenthe.nl brengt de provincie verslag uit over de behaalde resultaten. Voorbeelden zijn onder andere de ontwikkeling van gerobotiseerde gewasbescherming en ervaring opdoen met een hoger waterpeil. Jaarlijks is hier € 120.000,-- voor beschikbaar.
Het kernteam landbouw van de provincie Drenthe speelt een rol bij het samenstellen van de subsidieregelingen en begeleidt de ondernemers bij het presenteren van de resultaten, onder meer via de website www.landbouwindrenthe.nl.
Nederland staat beleidsmatig en politiek gezien op een kruispunt in de ontwikkeling van de landbouw. De nationale opgaven, toenemende vraag naar grond, het mestvraagstuk, de tegenstrijdige signalen uit de nationale politiek, de maatschappelijke druk op de bedrijfsvoering van de gangbare landbouw, meer aandacht voor dierenwelzijn en de beperkte markt voor andere bedrijfsvoering en producten. Het is een forse opsomming van onderwerpen die het gesprek over de toekomst van de landbouw in de afgelopen jaren (verder) frustreerde en polariseerde.
Die polarisatie is niet los te zien van de situatie van de PAS-melders. Zij opereren door de PAS-uitspraak van mei 2019 zonder natuurtoestemming. Destijds oordeelde de Raad van State dat het niet mogelijk is om voorafgaand aan maatregelen voor natuurherstel toestemming te geven voor activiteiten die een Natura 2000-gebied mogelijk kunnen schaden. Positieve gevolgen van maatregelen om natuur te beschermen en herstellen moeten voorafgaand aan het initiatief vast staan. Economische ontwikkeling en natuurbescherming kwamen vrijwel lijnrecht tegenover elkaar te staan, terwijl er juist al veel stappen zijn gezet om te verduurzamen.
De PAS-uitspraak zette veel ondernemers verder onder druk. Daarnaast speelt onzekerheid over het verdienvermogen en financiering een belangrijke rol in de druk die veel agrarisch ondernemers ervaren. De melkveehouderij produceert gemiddeld al lange tijd tegen kostprijs. Voor de akkerbouwsector zijn waterbeschikbaarheid en ziektedruk grote uitdagingen in een veranderend klimaat. De glastuinbouw heeft te maken met hoge energiekosten en in de intensieve sectoren zoals de varkens- en pluimveehouderij is er sprake van grote inkomensverschillen per jaar. Kortom: de verschillen tussen sectoren en ondernemers worden groter.
Samen verder verduurzamen
De grote gemene deler is dat er wil is om door te pakken in verduurzaming en te werken aan een duurzame landbouw. Dit is goed te zien in de grote bereidheid van de agro-sector om te voldoen aan de eco-regelingen en diverse duurzaamheidsprogramma’s. Niet alleen vanwege financiële, maar ook vanwege intrinsieke motivatie. Met extra middelen voor de eco-regelingen is dit door de Rijksoverheid ook beloond.
Dat ondernemers het belangrijk vinden om te verduurzamen is niet verwonderlijk. Veel agrarisch ondernemers merken nu al de gevolgen van een veranderend klimaat. De zomers zijn gemiddeld droger en de winters warmer en natter. Extremen (zowel in neerslag als in temperatuur) komen vaker voor. Dat heeft effect op het bouwplan en het opbrengend vermogen van landbouwgrond.
Daar komt nog eens bij dat de waterhoeveelheid en de waterkwaliteit onder druk staat. Wateraanvoer vanuit het IJsselmeer is op termijn mogelijk niet meer voor alle doelen beschikbaar. Ook grondwateronttrekking is in de toekomst niet meer overal mogelijk. Dat maakt niet alle gebieden in Drenthe even geschikt voor akkerbouw. Daarnaast kan bij veranderend grondgebruik, bijvoorbeeld door het omzetten van grasland naar akkerbouwmatige teelt, het risico op uitspoeling en verontreiniging van het grond- en oppervlaktewater toenemen.
De provincie gaat voor een Drentse uitwerking van verduurzaming waarbij we samen aan tafel gaan. Drenthe is met de vrijwillige regeling ‘Duurzaam Boeren Drenthe’ landelijk koploper bij de aanpak met doelgerichte kritische prestatie-indicatoren (KPI’s) op het boerenerf. Met de AgroAgenda Noord-Nederland geven we breder invulling aan de slogan ‘Top-Voedsel uit een Rijk Landschap’ in samenwerking met andere overheden, maatschappelijke organisaties, coöperaties en kennisinstellingen. Ook is Drenthe trots op de kennisontwikkeling op hoog niveau bij de proefboerderijen Marwijksoord en Valthermond en het samenwerkingsverband Innovatie Veenkoloniën.
Niet alleen de agrarische sector, maar ook de omgeving laat daarmee zien energie te willen steken in verandering en verduurzaming. Samenwerking zit in de haarvaten van het Drentse platteland.
Van oudsher is dit al zichtbaar in de Boermarken. Gebiedscoöperaties en agrarische natuur- en landschapscollectieven zijn een verdere uitwerking van samenwerking voor andere doelstellingen. Ook de oprichting van energiecoöperaties voor het investeren in de productie van hernieuwbare energie (zon en wind) en het winnen van groen gas via mestvergisting zijn voorbeelden van samenwerking en initiatieven van onderop.
Voor de komende jaren heeft de provincie Drenthe middelen ontvangen om te werken aan emissiereductie in de landbouw. Dit gebeurt op bedrijfs- en gebiedsniveau met doorontwikkeling van de kritische prestatie indicatoren en doelsturing, inzet van managementmaatregelen en innovaties.
Op papier is de verhouding tussen productie- en gebruiksruimte van mest in Drenthe in balans (Inventarisatie NCM). Dat betekent dat we in Drenthe de mest- en mineralenkringloop zouden kunnen sluiten door (nog meer) samenwerking tussen onze akkerbouw- en veehouderijsectoren.
Zekerheid, vertrouwen en kritische massa nodig om te kunnen experimenteren
Hoogwaardige kennis en nieuwe, creatieve oplossingen ontstaan alleen daar waar er ruimte is om te experimenteren. In het regeerprogramma van het nieuwe kabinet lijkt deze ruimte (opnieuw) te ontstaan. Ook sluit het aan bij het advies van de WUR om in Nederland in te zetten op uitgangsmateriaal, technologie en kennisontwikkeling. Echter, voor het realiseren en exporteren van nieuwe kennis en kunde is ook voldoende massa en experimenteerruimte nodig. Een primaire sector van voldoende omvang is daarvoor noodzakelijk. Daar willen we in Drenthe in voorzien.
Hierbij hoort ook dat PAS-melders een zekere rechtspositie krijgen. De ambitie is dat zij op een gegeven moment met een natuurtoestemming kunnen werken. Voor veel partijen in de landbouwsector is dit ook een voorwaarde om mee te werken aan (lopende) gebiedsprocessen. De sector moet erop kunnen vertrouwen dat regels niet steeds veranderen. Daarbij zijn we wel sterk afhankelijk van het Rijk.
De legalisatie van de PAS-melders heeft de hoogste prioriteit binnen de stikstofaanpak. Dit komt voort uit de bijzondere positie waarin PAS-melders zich bevinden. Zij opereerden destijds in goed vertrouwen onder het Programma Aanpak Stikstof (PAS), waarbij werd aangenomen dat zij legaal konden blijven draaien zonder vergunning, mits ze een melding maakten. Na de uitspraak van de Raad van State in 2019, waarin dit systeem ongeldig werd verklaard, kwamen veel van deze bedrijven in een juridisch onzekere positie terecht. Het is de hoogste prioriteit voor de provincie Drenthe om een oplossing voor deze groep te vinden. (Meer over de inzet voor PAS-melders in hoofdstuk 3.7.4.).
Een perspectief voor de landbouwsector met voldoende verdienvermogen voor de lange termijn is essentieel om de opgaven die spelen in het landelijk gebied te kunnen aanpakken. Op die manier is de landbouwkoers ook een onderlegger voor de uitwerking van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en de uitvoeringsinstrumenten voor een integraal programma voor de opgaven in het landelijk gebied. Met deze landbouwkoers wordt de Drentse Landbouwsector verklaard tot van groot Provinciaal openbaar en maatschappelijk belang.
Leeswijzer
Deze landbouwkoers start met een verkenning van de huidige staat van de landbouw in Drenthe (Hoofdstuk 1) en een omgevingsanalyse (Hoofdstuk 2). De input hiervoor komt uit diverse rapporten en vanuit de verdiepingssessies die in aanloop naar het opstellen van de landbouwkoers zijn uitgevoerd. Vervolgens komt de werkelijke uitwerking van de landbouwkoers en strategie, een beeld van de Drentse landbouw in 2040 (Hoofdstuk 3). Daarna volgt het beleid dat we nu al ondersteunen en de instrumenten die we beschikbaar hebben (Hoofdstuk 4). In de bijlage vindt u het Kwaliteitsbeeld van de AgroAgenda Noord-Nederland.
HOOFDSTUK 2 Omgevingsanalyse
2.3 Provinciale ontwikkelingen
2.3.1 Bodem
Ten aanzien van bodem in relatie met landbouw is in het kader van duurzaam bodemgebruik een ambitie opgesteld in de Strategie Bodem en Ondergrond welke is vastgesteld door Provinciale Staten in 2021. Daarin streven we naar duurzaam gebruik en beheer
van Drentse landbouwbodems met als resultaat vitale landbouwbodems. (Definitie: De vitaliteit van de bodem wordt bepaald door een aantal eigenschappen: het organisch stofgehalte, de bodemchemie, het bodemleven en de bodemstructuur. Ingrijpen in één eigenschap heeft invloed op de andere. Samen maken deze eigenschappen de bodem bestand tegen en adaptief bij veranderingen. Raken deze eigenschappen verstoord, dan gaat de vitaliteit van de bodem achteruit) Deze vitale landbouwbodems, produceren voldoende en gezond voedsel en/of voer, dragen bij aan de productie van veilig drinkwater en spelen een essentiële rol in de afbraak van broeikasgassen, de vastlegging van koolstof en het herstel van biodiversiteit. In de Strategie Bodem en Ondergrond zijn voor bodem en landbouw de volgende strategische doelen benoemd:
1Verbeteren en opbouwen organische stof in de Drentse bodem;
2Verminderen van bodemverdichting;
3Verbeteren van de bodembiologie;
4Verminderen en vervangen van niet duurzame hulpstoffen;
5Verbeteren van de (grond)waterkwaliteit en -kwantiteit.
2.3.2 Biodiversiteit
De provincie heeft de wettelijke taak om planten en dieren te beschermen, natuur te beheren en nieuwe natuur aan te leggen. De Omgevingsvisie beschrijft op een hoog abstractieniveau de doelen en ambities voor het natuurbeleid in de provincie Drenthe voor de komende jaren. Vanuit het Natuurpact en het Programma Natuur wordt ingezet op het herstellen en het verbeteren van de kwaliteit van de natuur in heel Drenthe. Het natuurbeleid om natuurgebieden te ontwikkelen tot een robuust netwerk heeft een positief effect op de ontwikkeling van natuurwaarden.
Voor heel Drenthe is in beeld gebracht welke typen natuur en landschap bij kunnen dragen aan het hele natuurnetwerk. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het Natuurnetwerk Drenthe (NND). Dit laatste richt zich op natuur op boerenland, waar agrarisch gebruik leidend is.
De doelen voor natuur zijn alleen haalbaar als de kwaliteit van het landschap en de natuur ook buiten de natuurgebieden op orde is. De streefwaarde is een basiskwaliteit natuur die zich richt op systeemherstel op landschapsschaal. Het is geen vervanging van, maar een aanvulling op de inspanningen die nodig zijn om de huidige natuurdoelen van onder andere de VHR te behalen. Basiskwaliteit beoogt een integrale benadering van landschapskwaliteit en vormt een schakel om de biodiversiteit weer op peil te krijgen. Het geeft handvatten welke condities (milieu, inrichting en beheer) nodig zijn om natuurlijke processen en ecosysteemdiensten op gang te krijgen. Omdat biodiversiteit ook van waarde is voor de landbouwsector, is de inzet voor bijvoorbeeld Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) belangrijk. In de afgelopen jaren zijn hier al mooie resultaten mee behaald en er is potentie voor uitbreiding. Het extra budget dat vanuit het Rijk voor agrarisch natuurbeheer wordt vrijgemaakt, is hier dan ook goed inzetbaar.
2.3.3 Grondgebruik
Zoals eerder vermeld bestaat Drenthe voor ruim 60% uit landbouwgrond. Dat zal in de komende jaren als gevolg van de water- en natuuropgave veranderen. Als gevolg van deze opgaven zal een deel van de landbouwgrond een extensievere invulling of zelfs beperking krijgen.
Op sommige plekken is dit nu al zichtbaar. Het gaat dan bijvoorbeeld om de grondwaterbeschermingsgebieden, de nutriënten-verontreinigde (NV) gebieden, gebieden rondom Natura 2000, delen van beekdalen, KRW-waterlopen en droge hoge zandgronden.
Wat de gevolgen precies zijn is mede afhankelijk van de doorvertaling van de opgaven naar gebiedsniveau.
De opgaven zullen gevolgen hebben voor het grondgebruik. Dat betekent ook iets voor het rendement van de grond – welke teelten zijn er mogelijk – en dat heeft ook effect op de waarde van de grond. Waar nodig en mogelijk mag worden verwacht dat de provincie samen met andere overheden en ketenpartijen antwoord geeft op het verlies aan verdienvermogen.
Het is belangrijk om te vermelden dat er veranderingen van grondgebruik plaatsvinden. Het mestvraagstuk leidt bijvoorbeeld tot meer stoppende (melk)veehouders en een toename van akkerbouw. Er is een reëel risico dat er een stevige reductie in ammoniakemissie van veehouderij plaatsvindt, maar dat graslanden als overgangsgebieden verdwijnen. Een gevarieerd bouwplan draagt bij aan het ziektevrij houden van de bodem.
Een goede gewasrotatie met akkerbouwgewassen, voedergewassen voor vee en biobased grondstoffen kan goed samengaan om de bodem te verbeteren en optimaal gebruik te maken van het leverend vermogen van de grond. Met een teruglopend landbouwareaal en stijgende grondprijzen is het realiseren van voldoende rendement noodzakelijk. Dat zien we ook terug in de toename van hoogrenderende teelten, voornamelijk bloembollen. Vooral de teelt van lelies groeit. Dit areaal is in Drenthe relatief klein, maar heeft wel veel maatschappelijke impact. Meer hierover in paragraaf 3.7.2.
HOOFDSTUK 3 Koers en strategie
3.7 Overige inzet
3.7.1 Agribusiness en tuinbouw
Misschien is de combinatie van deze twee sectoren op het eerste oog wat vreemd. Agribusiness omvat immers vooral de toeleverende en de verwerkende industrie. Tuinbouw is vooral een primaire sector.
Vooral vanwege de rol die de provincie Drenthe speelt in de ontwikkeling van de organisatie Greenport Noord en de doelstellingen hiervan, zijn deze sectoren in de landbouwkoers aan elkaar gekoppeld.
Het doel van organisatie Greenport Noord is letterlijk het versterken van de agri-business in de omgeving en samenwerken aan een duurzame en vitale toekomst voor het tuinbouwcluster in Noord-Nederland (’Bouwen en Verbinden’, Programma Greenport Noord 2024-2029). Greenport Noord werkt aan een economie waarin thema’s zoals circulair ondernemen, digitalisering, innovatie, duurzaam bouwen en internationalisering de boventoon voeren.
Greenport Noord spreekt de ambitie uit voor een klimaatneutrale tuinbouwsector in 2040 te willen gaan. De bloembollen- en paddenstoelensector streven er zelfs naar om in 2030 al klimaatneutraal te kunnen telen. Daarvoor is betrokkenheid van de tuinbouwsector ook wenselijk bij de uitwerking van ruimtelijke plannen. Het gebruik van aardwarmte, (industriële) restwarmte en elektrificatie helpen bij de omschakeling naar een aardgasvrije tuinbouwsector.
Als het gaat om robotisering, verwachten we ook dat de ontwikkeling in de (glas)tuinbouw in de komende jaren een vlucht neemt. Denk aan robots die een rol kunnen spelen bij de oogst van gewassen en gewasbescherming. De betrokkenheid van leveranciers en afnemers helpt deze ontwikkelingen te versnellen.
Daarnaast denken we bij de agribusiness ook aan verwerkende bedrijven, levensmiddelenindustrie, groothandel en retailsector. De provincie Drenthe wil deze bedrijven uitdagen om hun verantwoordelijkheid naar de omgeving en de primaire sector te nemen. Zo kan de agribusiness ook een rol spelen in de ontwikkeling van de Drentse landbouw en de gebiedsgerichte aanpak en doelsturing versterken.
Met de groei van de bevolking en de toenemende vergrijzing in Drenthe zal de vraag naar eiwitten vanuit het gezondheidsaspect de komende jaren toenemen. Daarnaast zien we een verandering in het voedingspatroon waarin het aandeel plantaardige eiwitten toeneemt. De Drentse agrarische sector kan hierin een waardevolle rol spelen als leverancier van deze grondstoffen. Dit kan door de teelt van eiwitrijke gewassen zoals veldbonen en lupine, maar ook door het winnen van eiwitten uit bestaande gewassen zoals aardappelen. Daarnaast biedt de teelt van insecten een innovatieve mogelijkheid voor eiwitproductie. Deze verschillende eiwitbronnen bieden kansen voor verwerkende bedrijven en voor productontwikkeling en -consumptie binnen de levensmiddelenindustrie, groothandel en retailsector.
Het bevorderen van lokale voedselproductie en -verwerking kan bovendien de afhankelijkheid van geïmporteerd voedsel verminderen, wat kan leiden tot versere en minder bewerkte voedingsmiddelen. Dit stimuleert niet alleen de lokale economie, maar verbetert ook de voedselzekerheid. Door de productie van gezonde, voedzame gewassen zoals boekweit en naakte haver, naast veldbonen, en dierlijke producten, kunnen landbouw en agribusiness bijdragen aan een gezonder dieet voor de Drentse bevolking. Verwerkers en productontwikkelaars kunnen zich richten op de productie van functionele voedingsmiddelen en nutraceuticals, die specifieke gezondheidsvoordelen bieden, zoals het verbeteren van de darmgezondheid of het versterken van het immuunsysteem.
Daarnaast kan de Drentse agribusiness een belangrijke rol spelen bij de woningbouwopgave in Drenthe. Agrarische bedrijven kunnen gewassen zoals hennep, vlas en miscanthus telen, waarvan de stekken in kassen worden geteeld, die gebruikt kunnen worden als grondstoffen voor biobased bouwmaterialen zoals isolatie, biocomposieten en bioplastics. Ook reststromen uit de landbouw, zoals stro en houtafval, kunnen worden verwerkt tot bouwmaterialen. De voorkeur heeft het om zoveel mogelijk op zoek te gaan naar gewassen die als tussengewas/rustgewas ingezet kunnen worden.
Agrarische bedrijven kunnen samenwerken met lokale bouwbedrijven om biobased materialen te integreren in woningbouwprojecten, wat de duurzaamheid en energie-efficiëntie van nieuwe woningen kan verbeteren. Door de productie en verwerking van bouwmaterialen lokaal te houden, kunnen transportkosten en CO2-uitstoot worden verminderd, wat bijdraagt aan een duurzamere bouwsector en nieuw verdienvermogen voor beide sectoren.
3.7.2 Bollenteelt en gewasbescherming
Er is maatschappelijke onrust rond bollenteelt en in het bijzonder de lelieteelt. Hoewel in absolute aantallen het areaal beperkt is, groeide deze teelt sneller dan de teelt van andere gewassen (De Noord-Nederlandse agrosector en agrocluster in beeld, editie 2022). Vooral het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in deze teelt heeft de maatschappelijke discussie aangewakkerd. Er zijn zorgen over de gezondheid van omwonenden en de effecten op water en natuur in de omgeving.
Op dit moment wacht de provincie Drenthe al enige tijd op een uitspraak van de Raad van State inzake het handhavingsverzoek over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen rondom Natura 2000-gebieden. De casus draait om de juridische vraag of lelieteelt aan te merken is als nieuw project in het kader van de Natuurbeschermingswet, of dat het gaat om voortzetting van bestaand agrarisch gebruik van de grond voor akkerbouw. Mocht het een project zijn, dan zijn de gevolgen groot. Dit heeft namelijk invloed op de dagelijkse landbouwpraktijk – het raakt mogelijk niet alleen lelieteelt, maar ook andere akkerbouwmatige teelten.
Landelijk is bovengenoemde trend ook gesignaleerd. Het ministerie van LVVN verkent of er een wetenschappelijke basis is voor het instellen van spuitvrije zones, hoe het voorzorgsbeginsel moet worden uitgelegd en of er mogelijkheden zijn om het areaal lelieteelt te begrenzen op het huidige niveau. Het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb) houdt de eigen toelatingsprotocollen tegen het licht. En de sector zelf heeft landelijk inmiddels laten weten het gebruik van gewasbeschermings- middelen in de periode tot 2030 substantieel te verminderen.
De uitwerking van bovenstaande verkenning geeft de provincie meer richtinggevende handvatten voor zowel de omwonenden als de telers. We volgen de landelijke ontwikkelingen en rechtszaken en kijken in hoeverre dit aanpassing van ons beleid behoeft. Bij de uitgifte van eigen pachtgronden stelt de provincie voorwaarden aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en zijn de toegestane teelten beperkt.
Daarnaast is de provincie in gesprek met telers over het vinden van een aanpak en uiteindelijk het maken van afspraken om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (versneld) te reduceren. Ook telers zijn zich bewust van het belang om het gebruik van middelen te verlagen. Er wordt hier gebruik gemaakt van een geïntegreerde teelt aanpak.
De provincie doet overigens wel onderzoek doen naar ‘harde’ instrumenten uit de Omgevingswet die gebruikt kunnen worden daar waar maatschappelijke doelen als drinkwaterwinning uit oppervlaktewater een rol spelen. Overigens is dit van invloed op meerdere teelten, niet alleen bollenteelt.
3.7.3 Intensieve veehouderij
De pluimveehouderij en de varkenshouderij zijn in Drenthe relatief kleine sectoren. Het provinciale beleid is al sinds jaar en dag terughoudend met de nieuwvestiging en uitbreiding van intensieve dierhouderijen. De klimaat-, water- en natuuropgaven die in de grondgebonden veehouderij spelen, zijn ook leidend voor de ontwikkelrichting van de intensieve veehouderij. Daarnaast gelden er verschillende normen en kaders die op nationaal niveau worden bepaald en die bijdragen aan de bescherming van de volksgezondheid en leefbaarheid van de directe omgeving. Dit speelt voor luchtkwaliteit (fijnstof), dierziekten, zoönosen (beperken risico’s) en geuroverlast.
Nationaal speelt ook de wens om te komen tot dierwaardige veehouderij. Binnen deze kaders zal voldoende toekomst- perspectief geboden moeten worden aan de blijvende bedrijven.
Onderdeel van deze aanpak is dat de provincie de meest geschikte, bestaande locaties voor de intensieve veehouderij zo goed als mogelijk wil benutten voor blijvende bedrijven. Overigens zijn in Drenthe in afwijking van het landelijke beeld, veel intensieve veehouderijbedrijven met een neventak akkerbouw (of akkerbouw met een neventak intensief). Dat betekent dat voor deze bedrijven het sluiten van de kringlopen binnen het eigen bedrijf tot de mogelijkheden behoort. Denk hierbij aan het produceren van (een deel van) het eigen veevoer en het toepassen van de mest van het eigen bedrijf.
3.7.4 PAS-melders
De uiteindelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van de vergunningimpasse voor PAS-melders ligt bij het Rijk. Ook voor de provincie heeft de legalisatie van PAS-melders de hoogste prioriteit binnen de stikstofaanpak. Deze prioriteit komt voort uit de unieke positie van PAS-melders. Onder het voormalige Programma Aanpak Stikstof (PAS) werd ervan uitgegaan dat zij legaal konden opereren zonder vergunning, mits zij een melding deden. Door de uitspraak van de Raad van State in 2019, die het PAS ongeldig verklaarde, verkeren veel van deze bedrijven echter in een juridisch onzekere situatie.
Uitdagingen en jurisprudentie
Het legaliseren van PAS-melders is complex. Het huidige PAS-legalisatieprogramma maakt gebruik van extern salderen, maar de uitspraak in de ViA15-zaak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2024:3981) stelt dat extern salderen alleen is toegestaan als er voldoende zekerheid is dat de natuur niet verder verslechtert. Deze uitspraak sluit aan bij eerdere jurisprudentie en biedt geen directe aanknopingspunten om extern salderen in Drenthe nu mogelijk te maken. Vooruitgang is pas mogelijk wanneer nationaal beleid en programma’s, zoals een opvolger van het DPLG, bijdragen aan een verbetering van de natuurkwaliteit. De provincie Drenthe blijft zich inzetten om extern salderen mogelijk te maken, maar daarvoor moet de huidige verslechtering van Natura 2000-gebieden eerst worden gestopt.
Oplossingen en trajecten
Naast de inspanningen om extern salderen weer mogelijk te maken, werkt de provincie Drenthe aan diverse trajecten om PAS-melders te legaliseren:
1Ecologische passende beoordelingen
We starten een pilot waarbij we voor enkele PAS-melders vergunningen verlenen op basis van een ecologische passende beoordeling. Als de pilot standhoudt bij de rechter, kan deze aanpak mogelijk ook breder worden toegepast.
2Stikstofbank
De provincie richt een stikstofbank op, waarin aangekocht stikstofrecht wordt gereserveerd specifiek voor PAS-melders. Vanwege het additionaliteitsvereiste is extern salderen nu niet mogelijk. Wanneer dit wel kan, kunnen PAS-melders de stikstofruimte in deze bank (die dan aanwezig is) benutten.
3Specifieke uitkering (SPUK)
In oktober 2024 heeft de provincie een SPUK-aanvraag ingediend voor € 7,8 miljoen. Met dit budget worden drie subsidieregelingen gefinancierd die begin 2025 opengesteld worden:
•Subsidie stikstofreductie: Voor maatregelen om de stikstofuitstoot van PAS-melders terug te brengen tot het niveau dat past binnen hun referentievergunning.
•Omschakelingssubsidie: Voor PAS-melders die willen overstappen op activiteiten met een lagere stikstofuitstoot of niet-agrarische bedrijfsvoering.
•Verplaatsingssubsidie: Voor bedrijven die hun activiteiten willen verplaatsen naar een locatie met meer vergunningruimte.
In 2025 en 2026 volgen nog drie aanvraagmomenten voor SPUK-financiering. Per ronde wordt bekeken welke opties het meest kansrijk zijn.
4Landelijke aandacht
In IPO-verband wordt bij de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) aangedrongen op structurele oplossingen voor PAS-melders. Dit vraagt om een stevig pakket landelijke maatregelen om extern salderen weer mogelijk te maken.
De provincie Drenthe erkent de urgente en complexe situatie waarin PAS-melders zich bevinden en zet zich daarom in voor een breed scala aan oplossingen. Hoewel juridische beperkingen ons dwingen voorzichtig te opereren, blijven we onverminderd streven naar concrete resultaten.
BIJLAGE 1 Kwaliteitsbeeld AgroAgenda Noord-Nederland
Bron: https://www.agroagendann.nl/content/uploads/2024/02/Kwaliteitsbeeld.pdf