Uitspraak · Bestuursrecht
Raad van State, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6331Zaaknummer 202504342/1/A2
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202504342/1/A2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 6 december 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 10.000,00. [appellante] is eigenaar/verhuurder van de woning aan de [locatie] in Den Haag, waar de Haagse Pandbrigade op 6 september 2022 een controle heeft uitgevoerd bij één van haar huurders, na de ontvangst van een anonieme melding. Zij heeft in het inspectierapport geconcludeerd dat de woning onzelfstandig werd bewoond, zonder dat daarvoor een vergunning was verleend. De inspecteurs hebben daar namelijk zes slaapplaatsen aangetroffen, verdeeld over drie ruimtes met daarin persoonlijke bezittingen en kleding van meerdere personen, en in één van die ruimtes een tafeltje met etenswaren. Naast de huurder, die op verzoek van zijn moeder naar de woning is gekomen vanwege de controle, hebben de inspecteurs daar zijn moeder en één van zijn personeelsleden aangetroffen. De huurder heeft verklaard dat hij ergens anders woont, maar over twee weken terugverhuist, en dat zijn personeel tijdelijk in de woning verblijft, maar dat hij niet weet hoeveel mensen dit zijn of hoe zij heten.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover bestreden.
Aldus vastgesteld door mr. J. Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
de griffier is verhinderd te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
284-1197
Volledige tekst
202504342/1/A2.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 juni 2025 in zaak nr. 23/7967 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 6 december 2022 heeft het college aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 10.000,00.
Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 oktober 2023 vernietigd en bepaald dat het bedrag van die boete wordt vastgesteld op € 9.000,00, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2026, waar [appellante]., vertegenwoordigd door [gemachtigde 1] en mr. I.S. Termaat, advocaat in Arnhem, en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, vertegenwoordigd door mr. M.C Remeijer-Schmitz en [gemachtigde 2], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is eigenaar/verhuurder van de woning aan de [locatie] in Den Haag (de woning), waar de Haagse Pandbrigade op 6 september 2022 een controle heeft uitgevoerd bij één van haar huurders, na de ontvangst van een anonieme melding. Zij heeft in het inspectierapport geconcludeerd dat de woning onzelfstandig werd bewoond, zonder dat daarvoor een vergunning was verleend. De inspecteurs hebben daar namelijk zes slaapplaatsen aangetroffen, verdeeld over drie ruimtes met daarin persoonlijke bezittingen en kleding van meerdere personen, en in één van die ruimtes een tafeltje met etenswaren. Naast de huurder, die op verzoek van zijn moeder naar de woning is gekomen vanwege de controle, hebben de inspecteurs daar zijn moeder en één van zijn personeelsleden aangetroffen. De huurder heeft verklaard dat hij ergens anders woont, maar over twee weken terugverhuist, en dat zijn personeel tijdelijk in de woning verblijft, maar dat hij niet weet hoeveel mensen dit zijn of hoe zij heten. Zijn moeder heeft verklaard wel in de woning te verblijven. Het college heeft [appellante] vervolgens als beroepsmatige verhuurder een bestuurlijke boete van € 10.000,00 opgelegd, vanwege schending van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingwet 2014.
2. Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft het college de bestuurlijke boete gehandhaafd. Met de overname van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften heeft het zich op het standpunt gesteld dat [appellante] functioneel dader is door zijn aanvaarding van de overtreding. Zij heeft immers zelf op 21 december 2021 al een controle uitgevoerd bij de huurder, waarbij zij iemand anders dan de huurder in de woning aantrof, die aangaf de huurder niet te kennen en haar geen toegang tot de woning verleende. Terwijl dit volgens de bezwaarcommissie zeer verontrustende feiten zijn, die haar zouden moeten nopen om actie te ondernemen, heeft [appellante] op 18 maart 2022 pas een vervolgactie ondernomen. De woning is toen ook niet betreden, omdat er niemand thuis was. Vervolgens heeft zij niet eerder vervolginspecties gedaan dan na de controle door de Haagse Pandbrigade.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college met het inspectierapport heeft aangetoond dat de woning zonder de vereiste vergunning is omgezet naar een onzelfstandige woning voor meer dan drie personen. Daarmee is sprake van een overtreding van de Huisvestingwet 2014 en de Huisvestingsverordening Den Haag 2019. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat het college heeft aangetoond dat [appellante] de overtreding heeft aanvaard, waardoor zij als functioneel dader kan worden aangemerkt. Zij heeft ervoor gekozen invulling te geven aan haar zorgplicht door het (laten) uitvoeren van onaangekondigde controlebezoeken. Gelet op de uitkomst van de door [appellante]uitgevoerde controle van 21 december 2021, is er sprake van concrete omstandigheden die voor haar aanleiding hadden moeten zijn om het gebruik van de woning te controleren. Dat zij na dit controlebezoek de woning niet daadwerkelijk heeft gecontroleerd of anderszins actie heeft ondernomen, maakt dat zij niet de zorg heeft betracht die in redelijkheid van haar kan worden verwacht. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het juiste boetetarief heeft gehanteerd. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die met zich meebrengen dat de boete moet worden gematigd.
Hoger beroep
Heropening onderzoek rechtbank
4. Ten eerste betoogt [appellante]dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, omdat die op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het college is namelijk niet verschenen op de zitting van 6 november 2024, waarna de rechtbank op 13 november 2024 het onderzoek heeft heropend. Het college heeft hierdoor opnieuw de mogelijkheid gekregen om alsnog een verweerschrift in te dienen en daarin ook te reageren op wat die dag op zitting is besproken. De rechtbank had geen kennis mogen nemen van de brief van het college die zij op 12 november 2024 heeft ontvangen, omdat het onderzoek toen nog gesloten was. Die brief was voor de rechtbank ook niet de aanleiding om het onderzoek te heropenen. Dat was het feit dat het college niet had kunnen reageren op wat op zitting was behandeld. Het heeft vervolgens slechts een reactie gegeven op het beroepschrift. De rechtbank had het onderzoek niet mogen heropenen om een tekortschietende proceshouding van het college te repareren.
4.1. Hoewel het onderzoek op 12 november 2024 strikt genomen nog gesloten was en de brief van die dag inderdaad niet de directe aanleiding was om het onderzoek te heropenen, verbindt de Afdeling hieraan geen gevolgen. De heropening van het onderzoek is immers een bevoegdheid van de rechtbank en die heeft slechts één dag na ontvangst van deze brief plaatsgevonden. Niet valt in te zien waarom de rechtbank hiermee de grenzen van deze bevoegdheid heeft overschreden. Zo heeft [appellante]op zitting bij de Afdeling verklaard dat zij niet vindt dat het beginsel van hoor en wederhoor daardoor is geschonden. Ook heeft de rechtbank een vergoeding toegekend voor de overschrijding van de redelijke termijn, zodat zij gecompenseerd is voor de langere duur van de behandeling van het beroep.
Overtreding, daderschap en matiging van de boete
5. De gronden van [appellante] over de geconstateerde overtreding, haar functioneel daderschap en het niet-matigen van de boete zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.1, 7.2 en 8.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat uit het rapport van de inspectie van 6 september 2022 evident blijkt dat de personen die op dat moment in de woning verbleven niet in gezinsverband samenwoonden. Hieraan hoefden de inspecteurs daarom niet te twijfelen, zodat tijdens de inspectie ook geen aanleiding bestond om daarover verder door te vragen.
Oplegging boete
6. [appellante] betoogt verder dat het college in redelijkheid had moeten afzien van de oplegging van de boete. Die is in haar geval immers niet geschikt om het doel van het college te bereiken. Niet valt in te zien waarom geen boete aan de huurder is opgelegd en waarom niet met een waarschuwing kon worden volstaan, temeer nu ook een last onder dwangsom is opgelegd die ertoe heeft geleid dat de overtreding is beëindigd. Het college had daarom nader moeten motiveren waarom het een boete heeft opgelegd.
6.1. De Afdeling volgt [appellante] hierin niet, omdat het college op grond van haar functioneel daderschap bevoegd was om een boete aan haar op te leggen en dit ook daadwerkelijk heeft mogen doen. Zij heeft immers geen aanknopingspunten naar voren gebracht die tot het oordeel leiden dat het college in redelijkheid had moeten afzien van de oplegging van de boete. Daarbij komt dat het college in bezwaar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften heeft overgenomen, waarin terecht is gesteld dat de essentie van een boete leedtoevoeging is, zodat geen sprake is van een ontbrekende motivering. De gelijktijdige oplegging van een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom vormt nu eenmaal een sterkere prikkel om te waarborgen dat [appellante] voortaan aan haar zorgplicht voldoet. Met het college is de Afdeling van oordeel dat het in het kader van preventie effectiever is om een professionele verhuurder, die in dit geval een aanzienlijke hoeveelheid panden verhuurt, te beboeten, in plaats van een individuele huurder.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover bestreden.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover bestreden.
Aldus vastgesteld door mr. J. Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
de griffier is verhinderd te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
284-1197
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.