Uitspraak · Bestuursrecht
Raad van State, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6329Zaaknummer 202504635/1/A2
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202504635/1/A2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 21 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen bij [appellant] een dwangsom van € 5.000,00 ingevorderd. Aangezien het college een melding had ontvangen over de splitsing van de woning die [appellant] huurt aan de [locatie] in Heerlen, heeft daar op 9 maart 2023 een controle plaatsgevonden. Tijdens de inspectie is geconstateerd dat de woning illegaal is gesplitst. De begane grond was op dat moment omgezet van een berging naar een woonruimte met eigen voorzieningen, die afzonderlijk werd gebruikt en verhuurd. Op de eerste verdieping waren een keuken, doucheopstelling en woonkamer aanwezig en op de tweede verdieping bevonden zich drie slaapkamers en een badkamer. Het college heeft vervolgens op 10 juli 2023 aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd om binnen acht weken de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Als hij niet aan de last voldoet, verbeurt hij een dwangsom van € 5.000,00.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
de griffier is verhinderd te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
284-1197
Volledige tekst
202504635/1/A2.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Heerlen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 juli 2025 in zaak nr. 24/4754 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2024 heeft het college bij [appellant] een dwangsom van € 5.000,00 ingevorderd.
Bij besluit van 7 oktober 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2026, waar [appellant] is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Aangezien het college een melding had ontvangen over de splitsing van de woning die [appellant] huurt aan de [locatie] in Heerlen, heeft daar op 9 maart 2023 een controle plaatsgevonden. Tijdens de inspectie is geconstateerd dat de woning illegaal is gesplitst. De begane grond was op dat moment omgezet van een berging naar een woonruimte met eigen voorzieningen, die afzonderlijk werd gebruikt en verhuurd. Op de eerste verdieping waren een keuken, doucheopstelling en woonkamer aanwezig en op de tweede verdieping bevonden zich drie slaapkamers en een badkamer. Het college heeft vervolgens op 10 juli 2023 aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd om binnen acht weken de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Als hij niet aan de last voldoet, verbeurt hij een dwangsom van € 5.000,00. Op 20 december 2023 heeft opnieuw een controle in de woning plaatsgevonden, waarbij is geconstateerd dat de overtreding niet is beëindigd. Het college heeft vervolgens op 21 juni 2024 de dwangsom ingevorderd. Het invorderingsbesluit is in de bezwaarprocedure gehandhaafd, omdat niet is gebleken dat evident geen overtreding heeft plaatsgevonden en dat [appellant] evident geen overtreder is.
2. [appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom, waardoor dit besluit in rechte is komen vast te staan. De procedure richt zich dus alleen tegen het invorderingsbesluit van 21 juni 2024.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij evident geen overtreder is en hij het evident niet in zijn macht had om de overtreding te beëindigen. Niet is gebleken van aanknopingspunten dat hij daarvoor geen toestemming van de verhuurder heeft kunnen krijgen. Hij heeft bijvoorbeeld geen stuk overgelegd van de verhuurder waarin die toestemming weigert. Bovendien duiden zijn zienswijze van 27 maart 2023 en wat is gezegd tijdens de regiezitting er ook niet op dat hij dit niet zonder toestemming van de verhuurder kon doen, waardoor hij het niet evident niet in zijn macht had om de woningsplitsing ongedaan te maken. Ook heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek aan te nemen. Ten slotte heeft [appellant] niet gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van invordering moet worden afgezien of de dwangsom gedeeltelijk moet worden gematigd.
Hoger beroep
4. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 12 tot en met 16 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat zijn stelling dat hij zich maximaal heeft ingespannen om de overtreding te beëindigen, niet afdoet aan de constatering tijdens de herinspectie op 20 december 2023 dat de overtreding toen nog steeds voortduurde. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] zelf ook erkend dat hij de overtreding pas na de herinspectie heeft beëindigd.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
de griffier is verhinderd te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
284-1197
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.