Uitspraak · Bestuursrecht

Raad van State, 28 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6327Zaaknummer 202502784/1/A3

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
202502784/1/A3
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Epe het verzoek van ‘t Vrije Bos om handhavend op te treden afgewezen. In Vaassen ligt naast het Kroondomein een bosperceel, het Nonnenbos. Vanaf de Elspeterweg loopt er tussen het Kroondomein en het Nonnenbos een toegangsweg met een parkeerterrein vanaf waar mensen langs een slagboom kunnen lopen richting het nabij gelegen scoutinggebouw of, de andere kant op, naar het Kroondomein. [appellante] heeft sinds 2023 een draaihek en een aarden wal geplaatst bij de ingang van deze toegangsweg waardoor deze weg en het parkeerterrein niet meer voor eenieder toegankelijk zijn. ’t Vrije Bos stelt zich op het standpunt dat [appellante] door het hek te plaatsen deze toegangsweg met het parkeerterrein onrechtmatig aan de openbaarheid onttrekt. Het college heeft het handhavingsverzoek van ‘t Vrije Bos in eerste instantie afgewezen, omdat het niet zou gaan om een openbare weg in de zin van de Wegenwet.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juni 2025 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M.C Stoové en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.

w.g. Sevenster

voorzitter

w.g. Langeveld

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

317-1158

Volledige tekst

202502784/1/A3.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd in [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 april 2025 in zaak nr. 24/7011 in het geding tussen:

de vereniging ’t Vrije Bos Vaassen, gevestigd in Vaassen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe.

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2023 heeft het college het verzoek van ‘t Vrije Bos om handhavend op te treden afgewezen.

Bij besluit van 29 augustus 2024 heeft het college het door ‘t Vrije Bos daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 april 2025 heeft de rechtbank het door ‘t Vrije Bos daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 augustus 2024 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 30 juni 2025 heeft het college opnieuw op het bezwaar besloten en [appellante] gelast het draaihek en de aarden wal te verwijderen. Anders verbeurt zij een dwangsom van €2.500,00 per vier weken of een gedeelte daarvan met een maximum van €12.500,00.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

‘t Vrije Bos heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 30 juni 2025.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. W. Leistra, advocaat in Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door B. Straatman, zijn verschenen. Voorts is ter zitting ’t Vrije Bos, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. In Vaassen ligt naast het Kroondomein een bosperceel, het Nonnenbos. Vanaf de Elspeterweg loopt er tussen het Kroondomein en het Nonnenbos een toegangsweg met een parkeerterrein vanaf waar mensen langs een slagboom kunnen lopen richting het nabij gelegen scoutinggebouw of, de andere kant op, naar het Kroondomein. [appellante] heeft sinds 2023 een draaihek en een aarden wal geplaatst bij de ingang van deze toegangsweg waardoor deze weg en het parkeerterrein niet meer voor eenieder toegankelijk zijn. ’t Vrije Bos stelt zich op het standpunt dat [appellante] door het hek te plaatsen deze toegangsweg met het parkeerterrein onrechtmatig aan de openbaarheid onttrekt. Het college heeft het handhavingsverzoek van ‘t Vrije Bos in eerste instantie afgewezen, omdat het niet zou gaan om een openbare weg in de zin van de Wegenwet.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de toegangsweg vanaf de Elspeterweg een ‘weg’ in de zin van de Wegenwet is en het parkeerterrein een onderdeel daarvan uitmaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft ‘t Vrije Bos met de overlegde verklaringen voldoende aannemelijk gemaakt dat de weg met het parkeerterrein sinds de jaren 80 voor eenieder toegankelijk is geweest en dat dus sprake is van een openbare weg. Op grond van artikel 2:10, van de Algemene Plaatselijke Verordening van Epe 2008 (APV) levert het onrechtmatig afsluiten daarvan een overtreding op waardoor er voor het college in beginsel een verplichting bestaat om handhavend op te treden. De rechtbank heeft het college opdracht gegeven met in achtneming van de uitspraak opnieuw te besluiten op het bezwaar van ‘t Vrije Bos.

Hoger beroep

3. [appellante] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij de APV heeft overtreden door een draaihek en aarden wal te plaatsen op de toegangsweg vanaf de Elspeterweg. Zij voert hiertoe aan dat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste en onvolledige feiten en omstandigheden. Kortgezegd is het onmogelijk dat de toegangsweg al dertig jaar openbaar toegankelijk is, omdat de parkeerplaats nog geen dertig jaar bestaat. De huidige parkeerplaats is ontstaan als een pad om recht van uitweg te verlenen aan de scouting die gevestigd zit aan de toegangsweg voorbij het parkeerterrein. Uit vier overlegde verklaringen van leden van de scouting en notulen van de scouting volgt dat de huidige situatie nooit zo bedoeld was door de grondeigenaar en door de scouting. Dat parkeren voor derden feitelijk mogelijk was, betekent niet dat het gewenst was. Aanwijzingen werden genegeerd en bordjes werden weggehaald.

Dit onrechtmatige gebruik valt niet gelijk te stellen aan een vrijelijk gebruik door eenieder, waardoor het in ieder geval geen onderdeel kan zijn van de afwikkeling van het openbare verkeer. Omdat de verklaringen van ‘t Vrije Bos waar de rechtbank zich op heeft gebaseerd gaan over onrechtmatig gebruik van de grond, komen die geen bewijskracht toe. Of in ieder geval betekenen deze verklaringen dat ‘t Vrije Bos onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van dertig jaar vrijelijk gebruik door eenieder.

Beoordeling

4. Ingevolge artikel 2:10, eerste lid en onder a, van de APV, is het verboden een weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

Voor de bevoegdheid van het college om handhavend op te treden is bepalend of de toegangsweg met het parkeerterrein dient te worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de WVW 1994. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Beslissend is dus of deze toegangsweg met het parkeerterrein ten tijde van de afsluiting feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Dat dit het geval is, is niet in geschil.

Daaruit volgt niet zonder meer dat het college bevoegd is handhavend op te treden tegen de afsluiting van deze weg. Zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4399, is het college slechts tot handhavend optreden jegens de rechthebbenden op de weg wegens door hen aangebrachte belemmeringen bevoegd indien daarmee het stelsel van de Wegenwet en de daarin vervatte waarborgen voor de rechthebbenden niet worden doorkruist. Daarvoor dient te worden beoordeeld of de weg ook een openbare weg is in de zin van artikel 4 van de Wegenwet (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5605, onder 5.2). Indien sprake is van een openbare weg in de zin van de Wegenwet, heeft de rechthebbende op en de onderhoudsplichtige van die weg ingevolge artikel 14 van de Wegenwet in beginsel alle verkeer over die weg te dulden.

5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:129, onder 4.1), dient degene die zich op de openbaarheid van een weg beroept, die openbaarheid aannemelijk te maken. Daarom rustte bij de rechtbank op ’t Vrije Bos de bewijslast.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder I, van de Wegenwet, is een weg openbaar wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor eenieder toegankelijk is geweest. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:129, onder 4.1, is een weg niet al openbaar in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder I, indien gedurende dertig achtereenvolgende jaren het voor eenieder feitelijk mogelijk was die weg te betreden. Dat betreden moet ook niet wederrechtelijk zijn geweest en met name dus niet tegen de kenbaar gemaakte wil van de rechthebbende zijn gebeurd.

[appellante] heeft met het plaatsen van het hek vanaf 2023 haar wil kenbaar gemaakt aan derden dat de weg niet voor eenieder toegankelijk is. Voor het oordeel dat dit eerder ook al kenbaar zou zijn gemaakt, bestaat geen grond. Aannemelijk is dat de situatie pas is gewijzigd, nadat [appellante] eigenaar werd van het terrein waar de toegangsweg met parkeerterrein en het naastgelegen Nonnenbos onderdeel van uitmaakten. Er zijn geen aanwijzingen dat de voormalige eigenaar op enig moment kenbaar zou hebben gemaakt dat deze toegangsweg alleen ter bede toegankelijk zou zijn. De rechtbank heeft daarom terecht haar oordeel gebaseerd op de dertig jaar voorafgaand aan 2023.

6. Aan het oordeel van de rechtbank dat de toegangsweg in de dertig jaar voorafgaand aan 2023 toegankelijk was voor eenieder, liggen twintig door ’t Vrije Bos overgelegde verklaringen van (oud) omwonenden ten grondslag uit de periode vanaf de jaren 80. De rechtbank heeft deze verklaringen terecht consistent en overtuigend geacht. Hier tegenover staan vier verklaringen van de leden van de scouting die in hoger beroep door [appellante] zijn ingebracht. Deze verklaringen gaan over de periode sinds 2002 en gaan over hoe het parkeerterrein is ontstaan en beter geschikt zou zijn gemaakt voor parkeren in 2008. Verder volgt uit de verklaringen dat de scouting het ongewenst vindt dat er wordt geparkeerd en dat zij tevreden is met de afsluiting omdat zij minder overlast ondervindt.

7. De Afdeling is van oordeel dat uit de door [appellante] overgelegde verklaringen en haar uitingen op de zitting niet kan worden afgeleid dat vóór 2002 parkeren onmogelijk was of dat het terrein ontoegankelijk was voor eenieder. Bovendien zien deze verklaringen alleen op het parkeren en niet op de toegangsweg zelf. Het argument dat [appellante] en de scouting, als rechthebbenden van de grond, de toegankelijkheid voor derden onwenselijk vinden, voorkomt niet dat een weg openbaar is geworden. [appellante] heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat deze wil van de rechthebbenden ook kenbaar was voor eenieder. Anders dan [appellante] aanvoert, laten de door ‘t Vrije Bos overgelegde verklaringen een consistent beeld zien dat (oud) omwonenden en derden de toegangsweg met het parkeerterrein hebben gebruikt en bewandeld.

De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat ‘t Vrije Bos aannemelijk heeft gemaakt dat de weg openbaar toegankelijk was sinds in elk geval de jaren 80 en dit tot de afsluiting in 2023 is gebleven. Hieruit volgt dat deze toegangsweg vanaf de Elspeterweg, waarvan het parkeerterrein onderdeel uitmaakt, zo al niet eerder, al dertig jaar voorafgaand aan 2023 voor eenieder openbaar toegankelijk is geweest. De rechtbank heeft dan ook terecht het besluit, waarin het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving ongegrond is verklaard, vernietigd en het college opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie hoger beroep

8. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

Nieuw besluit op bezwaar van 30 juni 2025

9. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 30 juni 2025 een nieuw besluit op het bezwaar van ‘t Vrije Bos genomen. Volgens het college is er sprake van een overtreding van artikel 2:10, van de APV, omdat [appellante] een draaihek en een aarden wal heeft geplaatst op de openbare weg. Op last van een dwangsom van €2.500,00 per vier weken met een maximum van €12.500,00 moet zij het draaihek en de aarden wal verwijderen.

10. Dit besluit maakt op grond van artikel 6:19, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24, van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege onderdeel uit van deze procedure. Dat betekent dat de Afdeling ook een oordeel zal geven over dit besluit.

11. [appellante] betoogt dat er geen sprake is van een overtreding omdat er geen sprake is van een openbare weg die wordt afgesloten.

12. Gelet op hetgeen onder 7 is overwogen, bestaat voor het oordeel dat de toegangsweg vanaf de Elspeterweg met het parkeerterrein, op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder I, van de Wegenwet, niet openbaar zou zijn geen grond. Door de afsluiting daarvan is er sprake van een overtreding op grond van de APV. Naar het oordeel van de Afdeling mocht het college de last onder dwangsom opleggen aan [appellante].

Het betoog slaagt niet.

Conclusie beroep

13. Het beroep van rechtswege tegen het besluit van 30 juni 2025 is ongegrond.

Proceskosten

14. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juni 2025 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M.C Stoové en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.

w.g. Sevenster

voorzitter

w.g. Langeveld

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

317-1158

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.