Uitspraak · Bestuursrecht

Raad van State, 28 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6325Zaaknummer 202601936/1/A3

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
202601936/1/A3
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2025 heeft de burgemeester van Enschede de vergunning van [appellant] voor [coffeeshop], gevestigd aan de [locatie 1] te Enschede, ingetrokken. [appellant] exploiteert [coffeeshop] in Enschede. De burgemeester heeft de vergunning van [appellant] ingetrokken en de gedoogbeschikking voor de coffeeshop geweigerd. Deze besluiten heeft de burgemeester gebaseerd op een onderzoek dat is gedaan op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Dit onderzoek is verricht naar aanleiding van een drugsvondst op 11 december 2023 in de panden aan de [locatie 2] en [locatie 3], aangrenzend aan [coffeeshop] op [locatie 1]. Er zijn 10,49 kilo hasj, 63,16 kilo hennep en 235 joints aangetroffen. Ook is er € 127.877,80 aan contant geld gevonden. Uit het Bibob-onderzoek kwam volgens de burgemeester naar voren dat sprake is van ernstig gevaar dat de vergunning mede wordt gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet Bibob; de a-grond) en om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob; de b-grond).

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant] ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de burgemeester van Enschede gegrond;

III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 juni 2026 in zaak nr. 25/3472.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. S. Lanshage, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.

w.g. Daalder

voorzitter

w.g. Bus

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

1013

Volledige tekst

202601936/1/A3.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant], wonend in Enschede, en

de burgemeester van Enschede,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 juni 2026 in zaak nr. 25/3472 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2025 heeft de burgemeester de vergunning van [appellant] voor [coffeeshop], gevestigd aan de [locatie 1] te Enschede, ingetrokken.

Bij besluit van 20 juni 2025 heeft de burgemeester de gedoogbeschikking voor deze coffeeshop geweigerd.

Bij besluit van 26 november 2025 heeft de burgemeester de door [appellant] tegen beide besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juni 2026 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van 23 juni 2026 hebben [appellant] en de burgemeester hoger beroepen ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 september 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.T. Blom en mr. G.J.S Pannekoek, advocaten in Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J.E. van Gilst, advocaat in Wageningen, en mr. E.J.W. Deijk, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] exploiteert [coffeeshop] in Enschede. De burgemeester heeft de vergunning van [appellant] ingetrokken en de gedoogbeschikking voor de coffeeshop geweigerd. Deze besluiten heeft de burgemeester gebaseerd op een onderzoek dat is gedaan op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Dit onderzoek is verricht naar aanleiding van een drugsvondst op 11 december 2023 in de panden aan de [locatie 2] en [locatie 3], aangrenzend aan [coffeeshop] op [locatie 1]. Er zijn 10,49 kilo hasj, 63,16 kilo hennep en 235 joints aangetroffen. Ook is er € 127.877,80 aan contant geld gevonden. Uit het Bibob-onderzoek kwam volgens de burgemeester naar voren dat sprake is van ernstig gevaar dat de vergunning mede wordt gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet Bibob; de a-grond) en om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob; de b-grond). Ook is volgens de burgemeester valsheid in geschrifte gepleegd, omdat [appellant] antecedenten heeft verzwegen bij het invullen van de Bibob-formulieren.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de vergunning mocht intrekken en de gedoogverklaring mocht weigeren. De rechtbank volgt [appellant] wel in zijn betoog dat niet is voldaan aan de a-grond en b-grond. De burgemeester had moeten onderzoeken of de aangetroffen drugs in het pand aan de [locatie 2] niet aan [appellant] maar aan voormalig leidinggevende [persoon 1] toebehoorden. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [appellant] onder andere een huurcontract verstrekt waaruit volgt dat [persoon 1] het pand huurde. Door dit niet in zijn besluitvorming te betrekken heeft de burgemeester zijn vergewisplicht geschonden. Omdat hierdoor niet zeker is dat de aangetroffen drugs aan [appellant] toebehoren en hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtredingen van de Opiumwet, is evenmin aannemelijk gemaakt dat het vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van inkomsten uit de aangetroffen drugs. De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat het vermoeden bestaat dat [appellant] valsheid in geschrifte heeft gepleegd door bij het invullen van Bibob-formulieren relevante antecedenten te verzwijgen. Op basis hiervan mocht de burgemeester de vergunning intrekken, aldus de rechtbank.

Hoger beroepen

De a-grond en b-grond

3. De burgemeester betoogt dat hij zijn vergewisplicht niet heeft geschonden en voldaan is aan de a-grond en b-grond. Hij heeft uitgebreid gemotiveerd waarom het standpunt van [appellant] dat de drugs aan [persoon 1] toebehoren, niet aannemelijk is. Dat [appellant] een huurovereenkomst heeft verstrekt waaruit zou blijken dat het pand door [persoon 1] wordt gehuurd, brengt hier geen verandering in. Het heeft gelet op de uitgebreide motivering van de burgemeester geen zin om opnieuw advies te vragen aan het Landelijk Bureau Bibob (LBB), aldus de burgemeester.

3.1. De burgemeester heeft zijn besluiten gebaseerd op het advies van het LBB van 29 november 2024. Uit het advies komt het volgende beeld naar voren. [coffeeshop] is gelegen aan de [locatie 1]. De panden aan de [locatie 2] en [locatie 3] grenzen aan en staan in verbinding met het pand aan de [locatie 1]. Op 11 december 2023 is in het pand aan de [locatie 2] een zeer grote hoeveelheid softdrugs en contant geld aangetroffen. In een proces-verbaal van bevindingen van 12 december 2023, staat dat de verbalisant aan [appellant] vertelde dat hij was aangehouden en dat een grote hoeveelheid hennep was aangetroffen in het pand aan de achterzijde van de coffeeshop. De verbalisant hoorde [appellant] zeggen dat hij daar de voorraad van de coffeeshop bewaarde en dat de hennep zijn eigendom was. Enkele dagen hierna, op 14 december 2023, heeft [appellant] tijdens een verhoor verklaard dat de aangelegen panden gebruikt worden voor de voorraad van zijn coffeeshop. Tijdens dit verhoor heeft [appellant] ook verklaard dat de aangetroffen drugs namens de coffeeshop zijn gekocht en dat hij de eigenaar is van de coffeeshop. [appellant] ontkent dat de aangetroffen drugs van hem zijn. Verschillende getuigen, waaronder leidinggevende op de vergunning [persoon 2], hebben verklaard dat dat de aangetroffen drugs aan [appellant] toebehoren. Getuigen hebben tijdens verhoren bevestigd dat het pand aan de [locatie 2] wordt gebruikt als voorraadlocatie. De vrouw van [appellant] is eigenaar van het pand aan de [locatie 2] en [appellant] heeft verklaard de sleutel te hebben van de woningen boven de [locatie 2] en ook van de toegangspoort. In drie van de appartementen op de bovenverdieping van [locatie 2] staan personen ingeschreven, waaronder medewerkers van [coffeeshop]. Een van de kamers huurt [appellant] van zijn vrouw. [appellant] heeft verklaard dat hij heeft afgesproken met zijn vrouw toezicht te houden op de kamers. Verder zijn in een kamer op de [locatie 2] tijdens de doorzoeking van 11 december 2023 verschillende documenten aangetroffen die samen een schaduwboekhouding vormen van [coffeeshop]over de periode van 18 april 2022 tot en met 29 oktober 2023. Een aantal voormalige werknemers van [coffeeshop] heeft verklaard dat stelselmatig buiten de officiële boekhouding om softdrugs zijn ingekocht en verkocht. Daarnaast volgt uit bevindingen van de politie dat de bank van [appellant] hem heeft aangesproken op verdachte banktransacties en hij zeer grote contante betalingen doet aan familieleden en regelmatig het salaris van werknemers van de coffeeshop in cash uitbetaalt. Het gaat in ieder geval om contante betalingen van ten minste € 51.030,00 en € 52.100,00. Ook heeft [appellant] in de periode van 18 april 2022 tot en met 28 februari 2024 vermoedelijk in totaal bijna een miljoen euro overgemaakt van zijn privérekening naar de rekening van zijn vrouw en heeft de coffeeshop in de periode van 18 april 2022 tot en met 11 december 2023 bijna vier miljoen euro verdiend met de verkoop van softdrugs.

3.2. De Afdeling is op basis van de onder 3.1. beschreven feiten en omstandigheden van oordeel dat aannemelijk is dat de aantroffen drugs toebehoren aan [appellant]. Daartoe is ten eerste bepalend dat [appellant] het pand aan de [locatie 2]in gebruik heeft als voorraadlocatie voor zijn coffeeshop en juist in dat pand een grote hoeveelheid softdrugs is aangetroffen. Ten tweede is daartoe bepalend dat naar het oordeel van de Afdeling op basis van de schaduwboekhouding, verdachte (cash) transacties en vele verklaringen van getuigen kort nadat de drugs zijn aangetroffen, het vermoeden bestaat dat [appellant] in de periode van 18 april 2022 tot en met 29 oktober 2023 regelmatig buiten de officiële boekhouding om softdrugs heeft verkocht. Gelet op de vele omstandigheden die dit beeld bevestigen en het feit dat de onder 3.1 genoemde verklaringen alle kort na de vondst van de drugs zijn afgelegd, is de door [appellant] verstrekte huurovereenkomst en de pas veel later afgelegde verklaring van [persoon 1] op de zitting van de rechtbank op 22 juli 2024, waaruit zou volgen dat het pand aan de [locatie 2] door [persoon 1] wordt gehuurd en de aangetroffen drugs aan [persoon 1] toebehoren, onvoldoende om twijfel te zaaien aan dit oordeel. Anders dan de rechtbank is de Afdeling daarom van oordeel dat de burgmeester zijn vergewisplicht niet heeft geschonden.

Verder is de Afdeling van oordeel dat gelet op de ernst van de onder 3.1 omschreven feiten en omstandigheden de burgemeester het standpunt mocht innemen dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede wordt gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en het ernstig gevaar bestaat dat de vergunning gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen. Uit het LBB-advies blijkt dat het vermoeden bestaat dat een zeer groot verkregen voordeel uit witwassen is verkregen en daarnaast is een grote hoeveelheid softdrugs aangetroffen, wat een overtreding van de Opiumwet oplevert. Anders dan de rechtbank is de Afdeling daarom van oordeel dat de burgemeester voldoende heeft gemotiveerd dat is voldaan aan de a-grond en b-grond.

3.3. Het betoog van de burgemeester slaagt. Omdat de Afdeling tot het oordeel komt dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat is voldaan aan de a-grond en b-grond, heeft [appellant] geen belang meer bij een beoordeling van zijn betoog over het plegen van valsheid in geschrifte bij het invullen van de Bibob-formulieren. Een oordeel over dat betoog kan immers niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat de Afdeling tot het oordeel komt dat de burgemeester de vergunning mocht intrekken op grond van de a-grond en b-grond. Hieronder zal de Afdeling de betogen van [appellant] over de onschuldpresumptie en evenredigheid beoordelen. De Afdeling betrekt daarbij ook wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd.

Onschuldpresumptie en evenredigheid

4. [appellant] betoogt dat de onschuldpresumptie is geschonden, omdat de burgemeester meer dan slechts een vermoeden uitspreekt over zijn schuld met betrekking tot de strafbare feiten. Daarnaast is de intrekking van de vergunning onevenredig omdat hij verstrekkende financiële gevolgen ondervindt, aldus [appellant].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 3 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2690) is van schending van de onschuldpresumptie sprake als een uiting een oordeel weergeeft omtrent de schuld van iemand die is aangeklaagd ter zake van het plegen van een strafbaar feit voordat de schuld van die persoon in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat hier geen sprake is van schending van de onschuldpresumptie. De burgemeester heeft in zijn besluitvorming geen oordeel gegeven over de schuld van [appellant]. Dat de burgemeester op de zitting bij de rechtbank heeft gezegd dat hij niet verwacht dat [appellant] zal worden vrijgesproken, is daarvoor onvoldoende. Verder sluit de Afdeling zich aan bij overwegingen 4.2 en 4.3 van de aangevallen uitspraak, waarin de rechtbank het betoog over de onschuldpresumptie beoordeelt.

4.2. Artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob bepaalt dat de weigering of intrekking van een vergunning mag plaatsvinden als die evenredig is met de mate van het gevaar en, voor zover het om een intrekking op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob gaat, de ernst van de strafbare feiten. Bij het antwoord op de vraag of de weigering of intrekking van een vergunning op grond van de Wet Bibob evenredig is, spelen de geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van de weigering of intrekking een rol.

De Afdeling is van oordeel dat de intrekking van de vergunning evenredig is. Zoals hiervoor onder 3.2 is geoordeeld, is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat voldaan is aan de a-grond en b-grond. Het betoog van [appellant] dat de intrekking onevenredig is omdat deze alleen gebaseerd is op een vermoeden van valsheid in geschrifte, slaagt daarom niet. Daarnaast is de Afdeling van oordeel dat de intrekking van de vergunning geschikt en noodzakelijk is. Uit artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob volgt dat bij mindere mate van gevaar aan de vergunningvoorschriften kunnen worden verbonden. Er kunnen ook voorschriften aan de vergunning worden verbonden als sprake is van ernstig gevaar, maar de ernst van de strafbare feiten de intrekking van de beschikking niet rechtvaardigen. In dit geval heeft de Afdeling vastgesteld dat sprake is van ernstig gevaar, zodat geen sprake is van mindere mate van gevaar. De burgemeester mocht zich op het standpunt stellen dat gelet op de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten het verbinden van voorwaarden aan de vergunning hier niet het gewenste effect zou hebben. Verder is de Afdeling van oordeel dat de financiële gevolgen voor [appellant] weliswaar aanzienlijk zijn, maar niet opwegen tegen het belang van de burgemeester te voorkomen dat de vergunning wordt gebruikt om geld wit te wassen of overtredingen van de Opiumwet te begaan.

4.3. De betogen slagen niet.

Slotsom

5. Het hoger beroep van de burgemeester is gegrond. Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

6. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant] ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de burgemeester van Enschede gegrond;

III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 juni 2026 in zaak nr. 25/3472.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. S. Lanshage, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.

w.g. Daalder

voorzitter

w.g. Bus

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

1013

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.