Uitspraak · Bestuursrecht

Raad van State, 28 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6319Zaaknummer 202504297/1/A3

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
202504297/1/A3
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort ambtshalve [appellant] uit de basisregistratie personen (brp) geschreven. Een deurwaarder heeft de gemeente Amersfoort per brief van 30 november 2023 verzocht een adresonderzoek te doen naar [appellant] omdat hij diverse (ambtelijke) stukken op het adres van [appellant] heeft achtergelaten en hierover niets van [appellant] heeft vernomen. Naar aanleiding van dit verzoek is het college overgegaan tot het verrichten van een adresonderzoek. Het college heeft [appellant] middels meerdere brieven geïnformeerd over het lopende adresonderzoek. Ook heeft het college de hoofdbewoonster van het adres waar [appellant] stond ingeschreven, zijn moeder, aangeschreven. Zowel [appellant] als zijn moeder hebben niet gereageerd. Het college heeft [appellant] vervolgens per brief van 1 februari 2024 geïnformeerd over het voornemen om hem ambtshalve uit te schrijven uit de brp en is hiertoe - na het uitblijven van een reactie binnen vier weken - bij besluit van 14 maart 2024 overgegaan. Het college heeft dit besluit per gewone post aan [appellant] verzonden en dit ook bekend gemaakt door publicatie in het Gemeenteblad op 27 maart 2024.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Singh

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

990

Volledige tekst

202504297/1/A3.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], met onbekende woonplaats,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 2 juli 2025 in zaak nr. 25/1091 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het college ambtshalve [appellant] uit de basisregistratie personen (brp) geschreven.

Bij besluit van 27 december 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 2 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Een deurwaarder heeft de gemeente Amersfoort per brief van 30 november 2023 verzocht een adresonderzoek te doen naar [appellant] omdat hij diverse (ambtelijke) stukken op het adres van [appellant] heeft achtergelaten en hierover niets van [appellant] heeft vernomen. Naar aanleiding van dit verzoek is het college overgegaan tot het verrichten van een adresonderzoek. Het college heeft [appellant] middels meerdere brieven geïnformeerd over het lopende adresonderzoek. Ook heeft het college de hoofdbewoonster van het adres waar [appellant] stond ingeschreven, zijn moeder, aangeschreven. Zowel [appellant] als zijn moeder hebben niet gereageerd.

1.1. Het college heeft [appellant] vervolgens per brief van 1 februari 2024 geïnformeerd over het voornemen om hem ambtshalve uit te schrijven uit de brp en is hiertoe - na het uitblijven van een reactie binnen vier weken - bij besluit van 14 maart 2024 overgegaan. Het college heeft dit besluit per gewone post aan [appellant] verzonden en dit ook bekend gemaakt door publicatie in het Gemeenteblad op 27 maart 2024. Op 25 november 2024 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 maart 2024. Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat [appellant] niet op tijd bezwaar heeft gemaakt.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft eerst overwogen dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het het besluit van 14 maart 2024 per gewone post naar het juiste adres heeft verzonden omdat een stempel van de verzenddatum ontbreekt en het college geen deugdelijke verzendadministratie heeft overgelegd. Daarmee is niet voldaan aan artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat zij kan volgen dat het college het besluit van 14 maart 2024 op 27 maart 2024 heeft gepubliceerd in het Gemeenteblad omdat [appellant] niet in persoon bereikbaar was op het adres waar hij stond ingeschreven en het bij het college bekende telefoonnummer van [appellant] niet (meer) in gebruik was. De rechtbank is van oordeel dat het college het besluit van 14 maart 2024 op de juiste wijze bekend heeft gemaakt zoals is bepaald in artikel 3:41 van de Awb door dit besluit in het Gemeenteblad te publiceren. Dit betekent dat met een termijn van zes weken [appellant] uiterlijk op 8 mei 2024 bezwaar had kunnen maken. Echter, hij heeft pas op 25 november 2024 bezwaar gemaakt. [appellant] heeft niet aangevoerd dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is zoals is bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Beoordeling van het hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat bekendmaking door middel van publicatie in het Gemeenteblad kon geschieden. Artikel 3:41, tweede lid, van de Awb is enkel bedoeld voor gevallen waarin bekendmaking van het besluit niet kan geschieden zoals bepaald in het eerste lid. In dit geval was het echter wel mogelijk om het besluit van 14 maart 2024 bekend te maken zoals is bepaald in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Dit heeft de rechtbank miskend, aldus [appellant].

4. Het college stelt dat het het besluit van 14 maart 2024 per gewone post naar het laatst bekende adres van [appellant] heeft toegezonden, én het besluit ook op 27 maart 2024 heeft gepubliceerd in het Gemeenteblad 2024, 133721. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het college geen deugdelijke verzendadministratie heeft overgelegd waardoor niet kan worden vastgesteld dat het college daadwerkelijk het besluit naar het laatst bekende adres van [appellant] heeft toegezonden. Wel heeft het college een afschrift van het Gemeenteblad overgelegd waarin het besluit van 14 maart 2024 is gepubliceerd. Het Gemeenteblad is ook te vinden op de website www.overheid.nl. De Afdeling kan volgen dat publicatie van het besluit van 14 maart 2024 in het Gemeenteblad in dit geval voor de hand ligt omdat [appellant] niet verblijft op het adres waar hij stond ingeschreven en zijn bij het college bekende telefoonnummer niet (meer) in gebruik was. Gelet hierop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college in dit geval het besluit van 14 maart 2024 op de juiste wijze bekend heeft gemaakt door het besluit in het Gemeenteblad te publiceren. De Afdeling zal daarom geen consequenties verbinden aan de omstandigheid dat het college geen deugdelijke verzendadministratie heeft overgelegd waardoor niet kan worden vastgesteld dat het college daadwerkelijk het besluit naar het laatst bekende adres van [appellant] heeft toegezonden.

Het betoog slaagt niet.

Slotsom

5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Singh

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

990

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.