Uitspraak · Bestuursrecht

Raad van State, 28 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6318Zaaknummer 202602242/1/A2

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
202602242/1/A2
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij beslissing van 10 februari 2026 heeft de examencommissie van de faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit van Amsterdam (de examencommissie) het verzoek van [appellante] voor een extra toetskans voor het vak Computational Finance afgewezen. [appellante] is student aan de Faculteit Economie en Bedrijfskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Voor de afronding van de masteropleiding hoeft zij alleen nog het vak af te ronden. [appellante] heeft voor de eerste kans van het vak in studiejaar 2025-2026 een 3,0 gehaald. Voor de herkansing, die plaatsvond op 4 februari 2026, is een ‘niet aan poging deelgenomen’ (NAP) geregistreerd. Vanwege het slechte weer reed in de ochtend van de herkansing geen treinverkeer tussen Groningen en Amsterdam. [appellante] stelt dat zij daardoor die ochtend niet aan het tentamen van 09:00 kon deelnemen. [appellante] heeft de examencommissie verzocht de gemiste herkansing te compenseren door haar op korte termijn een nieuwe toetskans aan te bieden. Zij stelt dat zij vanwege overmacht niet aan het tentamen kon deelnemen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.

w.g. Jurgens

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Voort

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

1062

BIJLAGE

WETTELIJK KADER

Onderwijs- en Examenreglement 2025-2026 van de masteropleidingen

Artikel 4.4 Tentamenmogelijkheden

1. Tot het afleggen van eindtentamens van vakken binnen een opleiding wordt twee maal per studiejaar de gelegenheid gegeven. Voor een deeltentamen wordt geen aparte mogelijkheid tot

herkansing aangeboden.

[…].

6. Een student die staat ingeschreven voor een marteropleiding van EB kan in aanmerking komen voor een extra tentamenkans in augustus als aan onderstaande eisen is voldaan. De examencommissie beslist over de verzoeken voor een extra tentamenkans:

- het vak waarvoor de extra tentamenkans wordt aangevraagd, wordt door EB aangeboden;

- de student heeft, op één vak na, alle vakken van de masteropleiding behaald;

- de scriptie dient uiterlijk bij de eerste kans van collegejaar 2025-2026 behaald te zijn;

- de student heeft alle tentamenmogelijkheden van het huidige collegejaar benut;

- er moet tenminste één keer in het huidige collegejaar een 5,0 zijn behaald als eindcijfer.

Artikel 7. Hardheidsclausule

In gevallen waarin de onderwijs- en examenregeling niet voorziet, en in gevallen waarin sprake is van onevenredige benadeling of onbillijkheid van overwegende aard, beslist de decaan waaronder de opleiding valt, tenzij het de bevoegdheid van de examencommissie betreft.

Volledige tekst

202602242/1/A2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

en

het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (het CBE),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 10 februari 2026 heeft de examencommissie van de faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit van Amsterdam (de examencommissie) het verzoek van [appellante] voor een extra toetskans voor het vak Computational Finance (6314M0350Y) (het vak) afgewezen.

Bij beslissing van 11 juni 2026 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.

Het CBE en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 oktober 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. F. Wijnveld, advocaat in Amsterdam, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. N. van den Brink, zijn verschenen. Namens de examencommissie is [persoon] verschenen. Allen hebben deelgenomen via een videoverbinding.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2. [appellante] is student aan de Faculteit Economie en Bedrijfskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Voor de afronding van de masteropleiding hoeft zij alleen nog het vak af te ronden.

3. [appellante] heeft voor de eerste kans van het vak in studiejaar 2025-2026 een 3,0 gehaald. Voor de herkansing, die plaatsvond op 4 februari 2026, is een ‘niet aan poging deelgenomen’ (NAP) geregistreerd. Vanwege het slechte weer reed in de ochtend van de herkansing geen treinverkeer tussen Groningen en Amsterdam. [appellante] stelt dat zij daardoor die ochtend niet aan het tentamen van 09:00 kon deelnemen.

4. [appellante] heeft de examencommissie verzocht de gemiste herkansing te compenseren door haar op korte termijn een nieuwe toetskans aan te bieden. Zij stelt dat zij vanwege overmacht niet aan het tentamen kon deelnemen.

5. De examencommissie heeft het verzoek van [appellante] afgewezen. Het Onderwijs- en Examenreglement 2025-2026 van de masteropleidingen (OER) en de Regels en Richtlijnen examencommissie 2025-2026 (R&R) bieden geen mogelijkheid voor het aanbieden van een extra toetskans vanwege een gemist tentamen. De door [appellante] naar voren gebrachte omstandigheden geven geen aanleiding om van voornoemde reglementen af te wijken.

5.1. De examencommissie heeft wel gewezen op de mogelijkheid deel te nemen aan de extra toetskans voor het vak in augustus. Deze is bedoeld voor studenten die het laatste vak van de opleiding niet in de reguliere kansen hebben gehaald, als bedoeld in artikel 4.4, onder 6 van de OER. De examencommissie zal, indien [appellante] daartoe een verzoek indient, welwillend omgaan met het vierde en vijfde criterium van het zesde lid van die bepaling.

6. [appellante] heeft op 25 augustus 2026 deelgenomen aan de extra toetskans in augustus en heeft het vak met succes behaald. Haar procesbelang is erin gelegen de financiële schade als gevolg van het langer moeten studeren vergoed te krijgen.

Beslissing van het CBE

7. Het CBE heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] niet voldoet aan de vereisten voor een extra toetskans als bepaald in artikel 4.4, zesde lid, van de OER, omdat zij niet voldoet aan de vierde en vijfde voorwaarde. De examencommissie heeft evenwel kenbaar gemaakt aan [appellante] tegemoet te komen door haar een extra toetskans in augustus aan te bieden. Het CBE stelt zich vanwege die coulance op het standpunt dat de examencommissie niet gehouden is om [appellante], naast de toetskans in augustus, nog een extra toetskans aan te bieden. Weersomstandigheden die het individu treffen zijn namelijk geen reden om de hardheidsclausule toe te passen. Het komt voor rekening van [appellante] dat zij daarmee niet vooraf rekening heeft gehouden. Daarbij komt dat de examencommissie heeft gemotiveerd dat het realiseren van een extra toetskans op individueel niveau een te grote belasting is voor de faculteit. Dit belang mocht de examencommissie in dit geval zwaarder laten wegen dan het financiële belang van [appellante], aldus het CBE.

Beroep en de beoordeling daarvan

Evenredigheidsbeginsel en hardheidsclausule

8. [appellante] betoogt dat het CBE heeft miskend dat de beslissing van de examencommissie in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat de hardheidsclausule had moeten worden toegepast. De examencommissie had gezien de bijzondere situatie van overmacht moeten afwijken van artikel 4.4, eerste lid, van de OER, waarin staat dat een student per vak twee toetsgelegenheden heeft. Voorop staat dat die bepaling geen grondslag biedt om een verzoek om herstel van een toetskans vanwege overmacht af te wijzen. Verder betoogt [appellante] dat ten onrechte het standpunt is ingenomen dat het niet kunnen verschijnen bij de herkansing vanwege overmacht voor haar rekening dient te komen. Dat vooraf weerswaarschuwingen zijn afgegeven, betekent niet dat zij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat het treinverkeer zou worden stilgelegd op de ochtend van de herkansing. Verder biedt de extra toetskans in augustus van studiejaar 2025-2026 onvoldoende herstel van de gemiste herkansing. Het niet volledig bieden van herstel, te weten het op korte termijn aanbieden van een nieuwe kans, heeft grote financiële gevolgen gehad voor [appellante].

8.1. Artikel 4.4, eerste lid, van de OER bepaalt dat tot het afleggen van eindtentamens van vakken binnen een opleiding tweemaal per studiejaar de gelegenheid wordt gegeven. Het zesde lid van dat artikel bepaalt dat een student in aanmerking komt voor een extra tentamenkans in augustus als aan de daarin gestelde eisen is voldaan.

8.2. De Afdeling stelt vast dat [appellante] twee tentamenkansen voor het vak heeft gehad als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de OER. Daaraan doet niet af dat [appellante], naar zij stelt, door overmacht op 4 februari 2026 feitelijk niet kon deelnemen aan de herkansing. De vraag ligt voor of het CBE terecht heeft geconcludeerd dat de examencommissie niet de hardheidsclausule hoefde toe te passen, door [appellante] - in afwijking van artikel 4.4 van de OER - eerder dan in augustus in de gelegenheid te stellen de extra toetskans te maken. De Afdeling is van oordeel dat dit niet het geval is. Dit legt zij hierna uit.

8.3. Het CBE heeft naar voren gebracht dat een student onder meer twee toetskansen heeft zodat in het geval van ziekte of overmacht toch één van de twee tentamens kan worden benut. De omstandigheid dat [appellante] niet kon deelnemen aan de herkansing, omdat door het slechte weer het openbaar vervoer niet reed, is gelet daarop op zichzelf onvoldoende om van artikel 4.4, eerste lid, van de OER af te wijken. Daarbij komt dat [appellante] niet ontkent dat in de dagen voorafgaand aan de herkansing waarschuwingen waren afgegeven voor slecht weer. Dat zij voorafgaand aan de herkansing geen voorzorgsmaatregelen heeft genomen om tijdig bij de herkansing aanwezig te kunnen zijn, maakt dat haar afwezigheid voor haar rekening en risico komt.

Dat [appellante] vijf maanden langer collegegeld heeft moeten betalen maakt niet dat de examencommissie van voornoemde bepaling moest afwijken. De examencommissie is [appellante] tegemoetgekomen door haar in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan de extra toetskans in augustus, ondanks dat zij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 4.4, zesde lid, van de OER. Hierdoor is [appellante] de mogelijkheid geboden om alsnog haar masteropleiding in studiejaar 2025-2026 af te ronden. De Afdeling ziet in deze omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om een extra toetskans op korte termijn leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Wat [appellante] voor het overige naar voren heeft gebracht over haar persoonlijke omstandigheden, heeft zij pas in beroep naar voren gebracht. Deze persoonlijke omstandigheden hebben het CBE en de examencommissie daarom niet kunnen betrekken bij de beoordeling van het verzoek. Overigens heeft de examencommissie daarover op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat ook die omstandigheden geen reden zijn om de hardheidsclausule toe te passen. Naar het oordeel van de Afdeling is het CBE terecht tot de conclusie gekomen dat de examencommissie niet de hardheidsclausule hoefde toe te passen of dat haar beslissing in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het betoog slaagt niet.

Gelijkheidsbeginsel

9. [appellante] betoogt dat het CBE niet heeft onderkend dat de beslissing van de examencommissie in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. In januari is aan studenten vanwege ernstige vervoersproblemen een aanvullende tentamenmogelijkheid geboden. Deze mogelijkheid is [appellante] onthouden, ondanks dat ook zij vanwege ernstige vervoersproblemen de tentamenlocatie niet kon bereiken. Dat het in januari een grotere groep studenten betrof, is op zichzelf onvoldoende om de individuele situatie van [appellante] buiten beschouwing te laten.

9.1. Het CBE heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat in januari is besloten de studenten, die vanwege vervoersproblemen niet bij het tentamen konden zijn, een herstelkans aan te bieden, omdat anders een grote groep studenten studievertraging zou oplopen. Het gevolg daarvan zou zijn dat er in de toekomst capaciteitsproblemen kunnen ontstaan bij het aanbieden van onderwijs, omdat er dan behoefte aan meer werkgroepen en grotere collegezalen zal zijn, vanwege een vertraagde uitstroom van een grote groep studenten. De onderwijsinstelling heeft bij het aanbieden van die herstelkans niet de hardheidsclausule toegepast, maar een praktische oplossing geboden om voornoemde problemen, die mogelijk ontstaan door de studievertraging van een grote groep studenten, te voorkomen. Daarbij hebben ook de studenten voordeel gehad. Deze praktische oplossing schept evenwel geen recht op een extra herstelkans als er vervoersproblemen zijn. Dit betekent dat de situatie in januari geen gelijk geval is met de situatie van [appellante], waarbij het gaat om toepassing van de hardheidsclausule in het individuele geval van de student. Het CBE heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien de beslissing van de examencommissie te vernietigen vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het betoog slaagt niet.

Procedurele punten

10. [appellante] heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat haar betoog over de procedurele gang van zaken in administratief beroep is bedoeld om in beeld te brengen waarom de examencommissie [appellante] niet de mogelijkheid heeft geboden om snel af te studeren. Het laat zien dat de procedure voor haar belastend is geweest. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit het voorgaande echter niet dat het CBE ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de examencommissie het verzoek niet mocht afwijzen. De door [appellante] opgeworpen procedurele punten leiden dan ook niet tot het oordeel dat de beslissing van het CBE onrechtmatig is. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond.

Verzoek om schadevergoeding

12. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing van het CBE van 11 juni 2026 rechtmatig is. De door [appellante] gestelde schade als gevolg van de beslissing van de examencommissie komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.

Proceskosten

13. Het CBE hoeft niet de proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.

w.g. Jurgens

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Voort

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

1062

BIJLAGE

WETTELIJK KADER

Onderwijs- en Examenreglement 2025-2026 van de masteropleidingen

Artikel 4.4 Tentamenmogelijkheden

1. Tot het afleggen van eindtentamens van vakken binnen een opleiding wordt twee maal per studiejaar de gelegenheid gegeven. Voor een deeltentamen wordt geen aparte mogelijkheid tot

herkansing aangeboden.

[…].

6. Een student die staat ingeschreven voor een marteropleiding van EB kan in aanmerking komen voor een extra tentamenkans in augustus als aan onderstaande eisen is voldaan. De examencommissie beslist over de verzoeken voor een extra tentamenkans:

- het vak waarvoor de extra tentamenkans wordt aangevraagd, wordt door EB aangeboden;

- de student heeft, op één vak na, alle vakken van de masteropleiding behaald;

- de scriptie dient uiterlijk bij de eerste kans van collegejaar 2025-2026 behaald te zijn;

- de student heeft alle tentamenmogelijkheden van het huidige collegejaar benut;

- er moet tenminste één keer in het huidige collegejaar een 5,0 zijn behaald als eindcijfer.

Artikel 7. Hardheidsclausule

In gevallen waarin de onderwijs- en examenregeling niet voorziet, en in gevallen waarin sprake is van onevenredige benadeling of onbillijkheid van overwegende aard, beslist de decaan waaronder de opleiding valt, tenzij het de bevoegdheid van de examencommissie betreft.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.