Uitspraak · Bestuursrecht

Raad van State, 28 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6317Zaaknummer 202506017/1/A3

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
202506017/1/A3
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2024 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân aan Faunabeheereenheid Fryslân (FBE) een omgevingsvergunning verleend. FBE heeft op 15 september 2023 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een opdracht voor het afschot van overzomerende grauwe ganzen. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is hiervoor niet een afgifte van een opdracht, maar een omgevingsvergunning nodig. Het college heeft de aanvraag daarom behandeld als de aanvraag om een omgevingsvergunning. Bij besluit van 5 april 2024 heeft het college aan de FBE een omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van populatiebeheer door afschot van de overzomerende grauwe ganzen in de provincie Fryslân voor de periode van 1 april 2024 tot en met 1 oktober 2024. Op 16 juli 2024 heeft het college een wijzigingsbesluit genomen, waarbij één van de aan de vergunning verbonden voorschriften is gewijzigd. De bufferzone rondom Natura 2000-gebieden is aangepast van een afstand van 300 naar 150 meter. Bij besluit van 30 oktober 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij volgens het college geen belanghebbende bij het besluit is.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Westerbaan, griffier.

w.g. Van Ravels

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Westerbaan

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

1050

Volledige tekst

202506017/1/A3.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Nederland van 31 oktober 2025 in zaak nr. 24/4812 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân.

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2024 heeft het college aan Faunabeheereenheid Fryslân (FBE) een omgevingsvergunning verleend.

Bij besluit van 16 juli 2024 heeft het college een wijzigingsbesluit genomen, waarbij één van de aan de vergunning verbonden voorschriften is gewijzigd.

Bij besluit van 30 oktober 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 31 oktober 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 oktober 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. L. Boerema en mr. R.A. Dirksma, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. FBE heeft op 15 september 2023 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een opdracht voor het afschot van overzomerende grauwe ganzen. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is hiervoor niet een afgifte van een opdracht, maar een omgevingsvergunning nodig. Het college heeft de aanvraag daarom behandeld als de aanvraag om een omgevingsvergunning. Bij besluit van 5 april 2024 heeft het college aan de FBE een omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van populatiebeheer door afschot van de overzomerende grauwe ganzen in de provincie Fryslân voor de periode van 1 april 2024 tot en met 1 oktober 2024. Op 16 juli 2024 heeft het college een wijzigingsbesluit genomen, waarbij één van de aan de vergunning verbonden voorschriften is gewijzigd. De bufferzone rondom Natura 2000-gebieden is aangepast van een afstand van 300 naar 150 meter. Bij besluit van 30 oktober 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij volgens het college geen belanghebbende bij het besluit is.

2. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de periode waar de verleende omgevingsvergunning op ziet inmiddels is verstreken en [appellant] niet tegen de nieuwe verleende vergunning bezwaar heeft gemaakt. Volgens de rechtbank is de uitkomst van deze procedure daarom niet van belang voor toekomstige besluitvorming van het college in een procedure waarin dezelfde vraag voorligt. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat een beoordeling van het beroep niet kan leiden tot een uitspraak over een provinciale omgevingsverordening, waarin verjaging ten behoeve van schadebestrijding (dus niet populatiebeheer) van grauwe ganzen tijdens de winterperiode (1 oktober tot 1 april) als vrijstelling wordt geregeld. Volgens de rechtbank kan een dergelijk principieel belang geen procesbelang opleveren.

Hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het door hem ingestelde beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de nieuwe vergunning voor dezelfde flora en fauna activiteiten is verstrekt. Het gaat volgens [appellant] niet om gelijke vergunningen. Daarom bestaat nog steeds de mogelijkheid dat het college in de toekomst soortgelijke voorschriften aan een vergunning stelt. [appellant] heeft op de zitting bij de Afdeling nog toegelicht dat hij vreest dat de rechtmatigheid van de vergunning van 5 april 2024 hem in een eventuele toekomstige procedure over een nieuwe vergunning zal worden tegengeworpen. Om die reden stelt hij belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de inmiddels vervallen vergunning.

3.1. Het college stelt zich in de schriftelijke uiteenzetting op het standpunt dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat [appellant] geen procesbelang heeft. Volgens het college worden vergunningen veelal niet één op één voortgezet. Na het aflopen van een vergunning wordt op basis van de dan bekende gegevens, de ingediende aanvraag en nieuwe inzichten een besluit genomen.

3.2. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.

3.3. De geldingsduur van de omgevingsvergunning voor de afschot van de overzomerende grauwe ganzen in de provincie Fryslân voor de periode van 1 april 2024 tot en met 1 oktober 2024 is inmiddels verstreken. Dit betekent dat [appellant] in beginsel geen belang meer had bij de behandeling van zijn beroep. Dit kan anders zijn als een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de verleende vergunning kan worden betrokken bij te verwachten toekomstige aanvragen voor een omgevingsvergunning en de toetsing daarvan. Het college heeft op 28 februari 2025 aan FBE een omgevingsvergunning verleend tot en met het jaar 2029. [appellant] heeft geen bezwaar gemaakt of beroep ingesteld tegen deze omgevingsvergunning. Dat betekent dat een inhoudelijk oordeel over de in deze procedure aan de orde zijnde omgevingsvergunning niet kan worden betrokken in een procedure van [appellant] tegen de omgevingsvergunning die is verleend tot en met het jaar 2029. Omdat hij geen rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen die omgevingsvergunning, staat deze vast en is zij in rechte onaantastbaar (zie de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:498). Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank op goede gronden het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard.

3.4. Voor de vrees van [appellant] dat de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning van 5 april 2024 hem in een toekomstige procedure over een eventuele andere vergunning met succes kan worden tegengeworpen, bestaat geen grond.

3.5. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Westerbaan, griffier.

w.g. Van Ravels

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Westerbaan

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

1050

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.